vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Aanschouwt de rotssteen, daar gijlieden uit gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, daar gij uitgegraven zijt.
Jesaja 51:1
Het is als wilde de Heere hier door de pen van Zijn profeet onze ogen vestigen op onze oorsprong. En wat is die? Dezelfde steengroeve waaruit de andere stenen komen. Zo gij en ik door Gods genade „levende stenen” zijn, komen wij uit dezelfde groeve als de dode, ongelovige, niet wedergeboren wereld; in dat opzicht is er geen verschil. Neen, wij zijn misschien dieper in de groeve gezonken dan enigen van degenen aan wie God Zijn genade geschonken heeft of zal schenken.
Het is niet de bovenste bedding der groeve die gebruikt wordt om tot een zuil behouwen te worden; men gaat dikwijls zeer diep in de put om het marmer te verkrijgen dat gebeiteld moet worden tot het sieraad der zuil. Zo ook met Gods heiligen. Zij liggen niet boven in de groeve; maar de Heere moet dikwijls zeer diep afdalen om deze stenen uit het diepste van de val naar boven te brengen, dan die welke aan de oppervlakte liggen.
Ik herinner mij eens een uitdrukking gelezen te hebben van een arbeider uit een steengroeve te Portland, aan wie men het een en ander vroeg aangaande de zware arbeid om de steen eruit te halen. Hij zeide: „Het is genoeg om zijn hart erbij in te spannen.” De steen lag zo diep en vereiste zulk een lichamelijke inspanning, dat de werkman gedwongen was niet alleen zijn ganse zwaarte, zenuwen en spieren in te spannen, maar zelfs zijn hart.
Zo is het ook met de uitverkorenen. Zij zijn zo diep gezonken, in zulk een vreselijke diepte van vernedering, tot op zulk een oneindige afstand van God, zo verborgen en begraven onder alles wat goed en Gode welgevallig is, dat, om zo te zeggen, alle kracht van Jehova nodig was om hen uit de groeve te halen. Door hen op te heffen uit de steengroeve der natuur, gebruikte Hij daartoe als het ware geheel Zijn hart; want waarin was Gods hart meer geopenbaard dan in de menswording van Zijn eniggeboren Zoon, en in het werk, de gerechtigheid, het lijden, het bloed en de dood van de Heere Jezus Christus?
Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid.
Ai, maak mij ook verstandig in uw wetten,
zo leer ik uw geboôn en heiligheid.
Al wie U vreest, zal op mijn heilstaat letten,
verheugd dat ik, door uwe hand geleid,
niet vrucht’loos op uw woord mijn hoop mocht zetten.
Ps. 119:37
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u soms met schrik ziet hoe diep u gezonken bent. Denkt u dat er niemand zo ver van God af lag als u, zo verborgen en begraven onder alles wat Hem mishaagt? Aanschouw dan de rotssteen waaruit u gehouwen bent. Er is geen verschil tussen u en de dode, ongelovige wereld, dan alleen wat Gods genade maakt. Dat vernedert, maar het sluit u niet buiten.
Want hoe dieper de steen ligt, hoe meer de Heere afdaalt om hem boven te brengen. Hij heeft er als het ware Zijn ganse hart aan besteed: dat zien wij in de menswording van Zijn eniggeboren Zoon, in Zijn werk, Zijn lijden, Zijn bloed en Zijn dood. Ligt u in de diepte van de groeve, laat uw diepte u dan niet doen wanhopen, maar zie op dat hart van God, in Christus geopenbaard. Wat alle kracht van Jehova vergde, heeft Hij niet tevergeefs begonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Aanschouwt de rotssteen, daar gijlieden uit gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, daar gij uitgegraven zijt.
Jesaja 51:1
Het is alsof de Heere hier door de pen van Zijn profeet onze ogen wil richten op onze oorsprong. En wat is die? Dezelfde steengroeve waaruit ook de andere stenen komen. Als u en ik door Gods genade „levende stenen” zijn, komen wij uit dezelfde groeve als de dode, ongelovige, niet wedergeboren wereld; in dat opzicht is er geen verschil. Sterker nog, misschien zijn wij dieper in de groeve gezonken dan sommigen van hen aan wie God Zijn genade geschonken heeft of zal schenken.
Het is niet de bovenste laag van de groeve die gebruikt wordt om er een zuil uit te houwen. Men gaat vaak heel diep de put in om het marmer te krijgen dat gebeiteld moet worden tot het sieraad van de zuil. Zo is het ook met Gods heiligen. Zij liggen niet boven in de groeve. De Heere moet vaak heel diep afdalen om deze stenen uit het diepste van de val naar boven te brengen, dieper dan de stenen die aan de oppervlakte liggen.
Ik herinner mij dat ik eens een uitspraak las van een arbeider uit een steengroeve in Portland. Men had hem het een en ander gevraagd over het zware werk om de steen eruit te halen. Hij zei: „Het is genoeg om zijn hart erbij in te spannen.” De steen lag zo diep en vroeg zoveel lichamelijke inspanning, dat de werkman niet alleen zijn hele gewicht, zijn zenuwen en zijn spieren moest inspannen, maar zelfs zijn hart.
Zo is het ook met de uitverkorenen. Zij zijn zo diep gezonken, in zo’n vreselijke diepte van vernedering, op zo’n oneindige afstand van God, zo verborgen en begraven onder alles wat goed is en God welgevallig, dat er als het ware alle kracht van Jehova nodig was om hen uit de groeve te halen. Toen Hij hen ophief uit de steengroeve van de natuur, gebruikte Hij daarvoor als het ware Zijn hele hart. Want waarin is Gods hart meer geopenbaard dan in de menswording van Zijn eniggeboren Zoon, en in het werk, de gerechtigheid, het lijden, het bloed en de dood van de Heere Jezus Christus?
Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid.
Ai, maak mij ook verstandig in uw wetten,
zo leer ik uw geboôn en heiligheid.
Al wie U vreest, zal op mijn heilstaat letten,
verheugd dat ik, door uwe hand geleid,
niet vrucht’loos op uw woord mijn hoop mocht zetten.
Ps. 119:37
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u soms met schrik ziet hoe diep u gezonken bent. Denkt u dat niemand zo ver van God af lag als u, zo verborgen en begraven onder alles wat Hem mishaagt? Aanschouw dan de rotssteen waaruit u gehouwen bent. Er is geen verschil tussen u en de dode, ongelovige wereld, behalve wat Gods genade maakt. Dat vernedert, maar het sluit u niet buiten.
Want hoe dieper de steen ligt, hoe dieper de Heere afdaalt om hem naar boven te brengen. Hij heeft er als het ware Zijn hele hart aan gegeven: dat zien wij in de menswording van Zijn eniggeboren Zoon, in Zijn werk, Zijn lijden, Zijn bloed en Zijn dood. Ligt u in de diepte van de groeve, laat die diepte u dan niet tot wanhoop brengen, maar zie op dat hart van God, dat in Christus geopenbaard is. Wat alle kracht van Jehova vroeg, heeft Hij niet tevergeefs begonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto the rock whence ye are hewn, and to the hole of the pit whence ye are digged.
Isaiah 51:1
It is as though the Lord would here by the pen of His prophet turn our eyes to our native origin. And what is that? The same quarry out of which the other stones come. If you and I, by God’s grace, are “living stones,” we come out of the same quarry with the dead, unbelieving, unregenerate world; there is no difference in that respect. No, we are perhaps sunk lower in the quarry than some of those in whom God never has, and never will, put His grace. It is not the upper stratum, what is called “the capstone,” of the quarry, which is to be taken to be hewn into a pillar; they go down deep into the pit to get at the marble which is to be chiseled into the ornamental column.
So with God’s saints. They do not lie at the top of the quarry; but the Lord has to go down very low, that He may bring up these stones out of the depths of the fall, and lift them, as it were, out of deeper degradation than those which lie nearer the surface. I remember reading once an expression which a Portland quarryman used when he was asked a question with respect to the hard labor of getting out the stone. He said, “It is enough to heave our hearts out.” The stone lay so deep, and required such severe bodily exertion, that the laborer was forced to throw not only all his weight, sinews, and muscles into the work, but his very heart also.
So it is with the elect of God. They are sunk so low, in such dreadful depths of degradation, at such an infinite distance from God, so hidden and buried from everything good and godlike, that, so to speak, it required all the strength and power of Jehovah to lift them out of the pit. In raising them out of the quarry of nature, He spent, as it were, upon them all His heart; for wherein was the heart of God so manifested as in the incarnation of His only-begotten Son, and in the work, righteousness, sufferings, blood, and death of the Lord Jesus Christ?
To the reader…
It may be that at times you see with alarm how deep you have sunk. Do you think that no one lay as far from God as you, so hidden and buried under everything that displeases Him? Then look unto the rock whence you were hewn. There is no difference between you and the dead, unbelieving world, except what God’s grace makes. That humbles, but it does not shut you out.
For the deeper the stone lies, the deeper the Lord goes down to bring it up. He has, as it were, spent all His heart upon it: we see that in the incarnation of His only-begotten Son, in His work, His sufferings, His blood and His death. If you lie in the depths of the pit, do not let that depth drive you to despair, but look to that heart of God which has been revealed in Christ. What required all the strength of Jehovah, He has not begun in vain.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a la piedra de donde fuisteis cortados, y a la caverna de la fosa de donde fuisteis arrancados.
Isaías 51:1
Es como si el Señor quisiera aquí, por la pluma de Su profeta, volver nuestros ojos a nuestro origen natural. ¿Y cuál es? La misma cantera de la que salen las demás piedras. Si usted y yo, por la gracia de Dios, somos “piedras vivas”, salimos de la misma cantera que el mundo muerto, incrédulo y no regenerado; en ese aspecto no hay diferencia alguna. Más aún, quizá estamos hundidos más abajo en la cantera que algunos de aquellos en quienes Dios nunca ha puesto ni pondrá jamás Su gracia. No es el estrato superior de la cantera, lo que se llama “la piedra de remate”, el que se toma para labrarlo como columna; se baja muy hondo en la fosa para llegar al mármol que ha de ser cincelado como columna ornamental.
Así es con los santos de Dios. No yacen en lo alto de la cantera, sino que el Señor tiene que bajar muy hondo para sacar estas piedras de las profundidades de la caída, y levantarlas, por así decirlo, de una degradación más honda que la de las que yacen más cerca de la superficie. Recuerdo haber leído una vez una expresión que usó un cantero de Portland cuando se le preguntó acerca del duro trabajo de sacar la piedra. Dijo: “Basta para arrancarnos el corazón”. La piedra yacía tan honda, y requería un esfuerzo corporal tan severo, que el obrero se veía obligado a poner en el trabajo no solo todo su peso, sus tendones y sus músculos, sino también su mismo corazón.
Así es con los escogidos de Dios. Están hundidos tan bajo, en tan terribles profundidades de degradación, a tan infinita distancia de Dios, tan ocultos y sepultados lejos de todo lo bueno y piadoso, que, por así decirlo, se requirió toda la fuerza y el poder de Jehová para sacarlos de la fosa. Al levantarlos de la cantera de la naturaleza, gastó en ellos, por así decirlo, todo Su corazón; porque ¿en qué se manifestó tanto el corazón de Dios como en la encarnación de Su Hijo unigénito, y en la obra, la justicia, los sufrimientos, la sangre y la muerte del Señor Jesucristo?
Al lector…
Puede ser que a veces vea usted con alarma cuán hondo se ha hundido. ¿Piensa que nadie ha estado tan lejos de Dios como usted, tan oculto y sepultado bajo todo lo que Le desagrada? Mire entonces a la piedra de donde fue cortado. No hay diferencia entre usted y el mundo muerto e incrédulo, sino la que hace la gracia de Dios. Eso humilla, pero no le excluye.
Porque cuanto más hondo yace la piedra, tanto más hondo baja el Señor para sacarla. Él ha gastado en ella, por así decirlo, todo Su corazón: lo vemos en la encarnación de Su Hijo unigénito, en Su obra, Sus sufrimientos, Su sangre y Su muerte. Si usted yace en las profundidades de la fosa, no deje que esa hondura le lleve a la desesperación, sino mire a ese corazón de Dios que se ha revelado en Cristo. Lo que requirió toda la fuerza de Jehová, no lo ha comenzado Él en vano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hebt de wereld niet lief
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Kijk eens naar de zegen die rust op degene die „de wil van God doet” (1 Joh. 2:17). Hij blijft in der eeuwigheid. Plaats tegenover de ellendige wereldling het gelovige, gehoorzame kind der genade, dat de wil van God doet door uit de wereld te gaan, door zich ervan af te scheiden, zich te onthouden van haar gezelschap en haar te verlaten, voor zover hij kan, overeenkomstig zijn levensroeping; en bovenal doordat de liefde van God in zijn hart wordt uitgestort. Let op hoe hij poogt de wereld niet lief te hebben, noch hetgeen in de wereld is, maar zich door de kracht van Gods genade ervan af te scheiden naar lichaam, ziel en geest. Deze man doet de wil van God, want Gods gebod is: „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is” (2 Kor. 6:17).
Hij doet de wil van God door eruit te gaan en zich af te scheiden; hij doet ook de wil van God door in Zijn geliefde Zoon te geloven; hij doet ook de wil van God door berouw over zijn zonden te hebben met een godvruchtige smart; hij doet de wil van God door zich nauwgezet aan Zijn Woord te houden en altijd te verlangen Zijn wil te kennen en te doen. Hij doet de wil van God door ernaar te streven getuigenissen, tekenen en openbaringen van de vergevende genade en liefde van God aan zijn ziel te verkrijgen, waarbij hij de toepassing van verzoenend bloed hoger waardeert dan grote hoeveelheden goud en zilver. Hij doet de wil van God als hij verkiest de bezoekingen met Gods mensen te verdragen in plaats van een tijdje van de geneugten van de zonde te genieten.
Hij doet de wil van God als hij liever wordt vervolgd dan dat hij zijn Meester verloochent; als hij liever schaamte en hoon verdraagt dan zich te onderwerpen aan de grondregels en verlokkingen van een goddeloze wereld; en als hij liever alleen zou leven, met de Bijbel in zijn hand en Gods aanwezigheid in zijn ziel, dan te worden voorgesteld aan de hoogste kringen of zich te mengen onder het meest verfijnde en ontwikkelde of het elegantste gezelschap op aarde. Hij doet de wil van God als hij ernaar streeft te leven overeenkomstig de geopenbaarde wil van God, als hij berouw heeft over zijn zonden zodra hij erin verstrikt raakt, en zoekt het bloed van het Lam op zijn geweten te laten sprenkelen om het te zuiveren van de schuld. En hij doet de wil van God door ondanks alles te geloven dat hetgeen God gezegd heeft waar is, wat er ook gebeurt en wat hij ook moet doorstaan.
Lezen: Psalm 125
Aan de lezer…
Wie leest wat het is de wil van God te doen, kan daarvan terugschrikken. U ziet uw eigen hart, hoe het nog aan de wereld kleeft, hoe u de schaamte ontwijkt en de hoon vreest, en u denkt: zo ben ik niet. Wees eerlijk, maar ga niet aan de kant zitten. Het is immers ook de wil van God dat u in Zijn geliefde Zoon gelooft, dat u met godvruchtige smart over uw zonden treurt, en dat u het bloed van het Lam zoekt om uw geweten van de schuld te zuiveren.
Doet u dat, hoe zwak ook, dan bent u niet buiten deze zegen. Wanneer de liefde van God in uw hart wordt uitgestort, verliest de wereld haar glans, en dan wordt het u lief alleen te zijn met de Bijbel in de hand en Zijn aanwezigheid in de ziel. De wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid, maar wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Kijk eens naar de zegen die rust op hem die „de wil van God doet” (1 Joh. 2:17). Hij blijft in der eeuwigheid. Zet tegenover de ellendige wereldling het gelovige, gehoorzame kind van de genade. Dat doet de wil van God door uit de wereld uit te gaan, door zich ervan af te scheiden, zich van haar gezelschap te onthouden en haar te verlaten, voor zover hij dat in zijn levensroeping kan; en bovenal doordat de liefde van God in zijn hart wordt uitgestort. Let erop hoe hij ernaar streeft de wereld niet lief te hebben, noch wat in de wereld is, maar zich door de kracht van Gods genade ervan af te scheiden naar lichaam, ziel en geest. Deze man doet de wil van God, want Gods gebod is: „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is” (2 Kor. 6:17).
Hij doet de wil van God door uit te gaan en zich af te scheiden. Hij doet ook de wil van God door in Zijn geliefde Zoon te geloven, en door met een godvruchtige droefheid berouw te hebben over zijn zonden. Hij doet de wil van God door zich nauwgezet aan Zijn Woord te houden en altijd te verlangen Zijn wil te kennen en te doen. Hij doet de wil van God door te zoeken naar getuigenissen, tekenen en openbaringen van Gods vergevende genade en liefde aan zijn ziel, waarbij hij de toepassing van het verzoenend bloed hoger waardeert dan grote hoeveelheden goud en zilver. Hij doet de wil van God wanneer hij liever met Gods volk verdrukt wordt dan voor een tijd de genietingen van de zonde te hebben.
Hij doet de wil van God wanneer hij liever vervolgd wordt dan dat hij zijn Meester verloochent; wanneer hij liever schaamte en hoon verdraagt dan zich te onderwerpen aan de grondregels en verlokkingen van een goddeloze wereld; en wanneer hij liever alleen leeft, met de Bijbel in zijn hand en Gods tegenwoordigheid in zijn ziel, dan geïntroduceerd te worden in de hoogste kringen of zich te mengen in het meest verfijnde, ontwikkelde of elegante gezelschap op aarde. Hij doet de wil van God wanneer hij ernaar streeft te leven naar de geopenbaarde wil van God, wanneer hij berouw heeft over zijn zonden zodra hij erin verstrikt raakt, en het bloed van het Lam op zijn geweten zoekt te laten sprenkelen om het van de schuld te reinigen. En hij doet de wil van God door ondanks alles te geloven dat wat God gezegd heeft waar is, wat er ook gebeurt en wat hij ook moet doorstaan.
Lezen: Psalm 125
Aan de lezer…
Wie leest wat het is de wil van God te doen, kan daarvan terugschrikken. U ziet uw eigen hart, hoe het nog aan de wereld kleeft, hoe u de schaamte ontwijkt en de hoon vreest, en u denkt: zo ben ik niet. Wees eerlijk, maar ga niet aan de kant zitten. Het is immers ook de wil van God dat u in Zijn geliefde Zoon gelooft, dat u met godvruchtige droefheid over uw zonden treurt, en dat u het bloed van het Lam zoekt om uw geweten van de schuld te reinigen.
Doet u dat, hoe zwak ook, dan staat u niet buiten deze zegen. Wanneer de liefde van God in uw hart wordt uitgestort, verliest de wereld haar glans, en dan wordt het u lief alleen te zijn met de Bijbel in de hand en Zijn tegenwoordigheid in de ziel. De wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid, maar wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him. For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world. And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
1 John 2:15-17
Look at the blessing that rests upon him that “doeth the will of God” (1 John 2:17). He abideth for ever. Set over against the miserable worldling the believing, obedient child of grace. He does the will of God by coming out of the world, by separating himself from it, by abstaining from its company and forsaking it, so far as he can in his calling in life; and above all by the love of God being shed abroad in his heart. Mark how he strives not to love the world, neither the things that are in the world, but by the power of God’s grace to be separate from it in body, soul and spirit. This man does the will of God, for God’s command is, “Come out from among them, and be ye separate, and touch not the unclean thing” (2 Cor. 6:17).
He does the will of God by coming out and being separate. He does the will of God also by believing in His dear Son, and by repenting of his sins with a godly sorrow. He does the will of God by cleaving closely to His Word and by ever desiring to know and to do His will. He does the will of God by seeking testimonies, tokens and manifestations of God’s pardoning grace and love to his soul, prizing the application of the atoning blood above great quantities of gold and silver. He does the will of God when he would rather suffer affliction with the people of God than enjoy the pleasures of sin for a season.
He does the will of God when he would rather be persecuted than deny his Master; when he would rather bear shame and reproach than submit to the maxims and allurements of an ungodly world; and when he would rather live alone, with the Bible in his hand and God’s presence in his soul, than be introduced into the highest circles or mingle in the most refined, cultivated or elegant society on earth. He does the will of God when he strives to live according to the revealed will of God, when he repents of his sins whenever he is entangled in them, and seeks to have the blood of the Lamb sprinkled upon his conscience to purge it from guilt. And he does the will of God by believing, in spite of everything, that what God has said is true, whatever may happen and whatever he may have to pass through.
Reading: Psalm 125
To the reader…
Whoever reads what it is to do the will of God may well shrink back from it. You see your own heart, how it still cleaves to the world, how you shun the shame and fear the reproach, and you think: I am not like that. Be honest, but do not sit on the sidelines. For it is also the will of God that you believe in His dear Son, that you mourn over your sins with a godly sorrow, and that you seek the blood of the Lamb to purge your conscience from guilt.
If you do this, however weakly, you do not stand outside this blessing. When the love of God is shed abroad in your heart, the world loses its glitter, and then it becomes sweet to you to be alone with the Bible in your hand and His presence in your soul. The world passes away with all its lust, but he that does the will of God abides for ever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo. Si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él. Porque todo lo que hay en el mundo, la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida, no es del Padre, mas es del mundo. Y el mundo se pasa, y su concupiscencia; mas el que hace la voluntad de Dios, permanece para siempre.
1 Juan 2:15-17
Mire la bendición que reposa sobre “el que hace la voluntad de Dios” (1 Juan 2:17). Permanece para siempre. Ponga frente al miserable mundano al hijo de la gracia, creyente y obediente. Él hace la voluntad de Dios saliendo del mundo, apartándose de él, absteniéndose de su compañía y abandonándolo, en cuanto le es posible en su vocación en la vida; y sobre todo, porque el amor de Dios está derramado en su corazón. Note cómo se esfuerza por no amar al mundo, ni las cosas que están en el mundo, sino por el poder de la gracia de Dios estar separado de él en cuerpo, alma y espíritu. Este hombre hace la voluntad de Dios, porque el mandato de Dios es: “Salid de en medio de ellos, y apartaos, y no toquéis lo inmundo” (2 Corintios 6:17).
Hace la voluntad de Dios saliendo y apartándose. Hace también la voluntad de Dios creyendo en Su amado Hijo, y arrepintiéndose de sus pecados con una tristeza que es según Dios. Hace la voluntad de Dios adhiriéndose estrechamente a Su Palabra y deseando siempre conocer y hacer Su voluntad. Hace la voluntad de Dios buscando testimonios, señales y manifestaciones de la gracia y el amor perdonadores de Dios hacia su alma, estimando la aplicación de la sangre expiatoria por encima de grandes cantidades de oro y plata. Hace la voluntad de Dios cuando prefiere ser afligido con el pueblo de Dios antes que gozar de los deleites temporales del pecado.
Hace la voluntad de Dios cuando prefiere ser perseguido antes que negar a su Maestro; cuando prefiere sufrir vergüenza y oprobio antes que someterse a las máximas y halagos de un mundo impío; y cuando prefiere vivir solo, con la Biblia en la mano y la presencia de Dios en su alma, antes que ser introducido en los círculos más altos o mezclarse con la sociedad más refinada, culta o elegante de la tierra. Hace la voluntad de Dios cuando se esfuerza por vivir conforme a la voluntad revelada de Dios, cuando se arrepiente de sus pecados siempre que se ve enredado en ellos, y procura que la sangre del Cordero sea rociada sobre su conciencia para purgarla de culpa. Y hace la voluntad de Dios creyendo, a pesar de todo, que lo que Dios ha dicho es verdad, suceda lo que suceda y pase por lo que pase.
Lectura: Salmo 125
Al lector…
Quien lee lo que es hacer la voluntad de Dios bien puede retroceder ante ello. Usted ve su propio corazón, cómo todavía se aferra al mundo, cómo rehúye la vergüenza y teme el oprobio, y piensa: yo no soy así. Sea sincero, pero no se quede al margen. Porque también es voluntad de Dios que crea en Su amado Hijo, que se lamente por sus pecados con una tristeza que es según Dios, y que busque la sangre del Cordero para purgar su conciencia de culpa.
Si hace esto, por débilmente que sea, no está fuera de esta bendición. Cuando el amor de Dios es derramado en su corazón, el mundo pierde su brillo, y entonces le resulta dulce estar a solas con la Biblia en la mano y Su presencia en su alma. El mundo se pasa con toda su concupiscencia, pero el que hace la voluntad de Dios permanece para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is.
Romeinen 3:26
Al het geschapene, alle verstand zou eerder moeten vernietigd worden, dan dat Jehova de minste aantasting van Zijn eeuwige eigenschappen zou kunnen dulden. Evenwel kan God rechtvaardig zijn, oneindig rechtvaardig, nauwgezet rechtvaardig, onveranderlijk rechtvaardig, en toch kan Hij, met handhaving van Zijn onkreukbare en onveranderlijke rechtvaardigheid, de Rechtvaardiger zijn van hem die in Jezus gelooft. De weg waardoor dit tot stand kon worden gebracht, zal een eindeloze eeuwigheid van node hebben om verstaan, bewonderd en aanbeden te worden.
Maar wat wordt bedoeld met de uitdrukking: „rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is”? De Rechtvaardige beduidt dat God een mens als rechtvaardig rekent, hem geheel vrij zijn zonden kan vergeven, in genade zijn persoon kan aannemen, hem gerechtigheid kan toerekenen zonder de werken, en hem Zichzelf eeuwig kan doen genieten. En hoedanig is de eigenschap van degene die Hij tot Zich brengt door hem te rechtvaardigen? „Hij die in Jezus gelooft.” Wat een eenvoudigheid, wat een zoetheid en gepastheid is er in het Evangelieplan!
Luidt het dan aldus: „Opdat Hij rechtvaardig zij, en evenwel de Rechtvaardiger van hem die werkt, die Gode behaagt door zijn eigen verrichtingen, die een gerechtigheid voortbrengt, aangenaam in de ogen van de oneindige reinheid”? Wie kon dan behouden worden? Zou er één enkele ziel in de hemel zijn? Neen, zulk een woord als dit zou het gehele mensengeslacht in de hel doen nederstorten.
Maar het luidt aldus: „Dit is de bedoeling Gods, en in Zijn eeuwige raad besloten, die niet verhinderd kan worden, dat Hij is de Rechtvaardiger van hem die gelooft in Jezus — dus de arme, nooddruftige, beproefde, verzochte, bekommerde en de verlegene, die in Jezus gelooft, die op Jezus ziet, die op Hem leunt en rust in Zijn Persoon, bloed, gerechtigheid en liefde, en dat boven alle dingen.” Dat dezen gerechtvaardigd worden, dat hun de zonden vergeven worden, dat zij aangenomen en verlost worden met een eeuwigdurende verlossing: hoe zoet, hoe gepast verklaart het Evangelie dit aan de levende, gelovige ziel!
Aan de lezer…
Arme zondaar, staat u beschaamd voor een heilig en rechtvaardig God, en weet u dat u niets hebt om Hem te behagen? Hebt u al uw eigen verrichtingen gewogen en ze te licht bevonden? Dan is dit woord voor u geschreven. Moest Hij rechtvaardigen wie werkt, geen enkele ziel zou in de hemel komen, en u allerminst. Maar de Rechtvaardiger is Hij van hem die in Jezus gelooft.
Bent u arm, nooddruftig, beproefd, verzocht, bekommerd en verlegen? Ziet u op Jezus, al is het nog zo zwak, en leunt u op Hem? Dan is uw naam als het ware in die beschrijving opgenomen. Zijn eeuwige raad kan niet verhinderd worden. Rust dan in Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn liefde; daar wordt God niet aangetast in Zijn rechtvaardigheid, en daar vindt een arme zondaar vrije vergeving en een eeuwigdurende verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is.
Romeinen 3:26
Alles wat geschapen is, alle verstand, zou eerder vernietigd moeten worden dan dat Jehova de minste aantasting van Zijn eeuwige eigenschappen zou kunnen dulden. Toch kan God rechtvaardig zijn, oneindig rechtvaardig, nauwgezet rechtvaardig, onveranderlijk rechtvaardig, en kan Hij tegelijk, met handhaving van Zijn onkreukbare en onveranderlijke rechtvaardigheid, de Rechtvaardiger zijn van hem die in Jezus gelooft. De weg waarlangs dit tot stand kon worden gebracht, zal een eindeloze eeuwigheid nodig hebben om verstaan, bewonderd en aanbeden te worden.
Maar wat wordt bedoeld met de uitdrukking: „rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is”? Dat God de Rechtvaardiger is, betekent dat Hij een mens als rechtvaardig rekent, hem al zijn zonden volkomen vrij kan vergeven, zijn persoon in genade kan aannemen, hem gerechtigheid kan toerekenen zonder de werken, en hem eeuwig van Zichzelf kan laten genieten. En wat kenmerkt degene die Hij tot Zich brengt door hem te rechtvaardigen? „Hij die in Jezus gelooft.” Wat een eenvoud, wat een zoetheid en wat een gepastheid is er in het plan van het Evangelie!
Staat er dan soms: „Opdat Hij rechtvaardig zij, en toch de Rechtvaardiger van hem die werkt, die God behaagt door zijn eigen verrichtingen, die een gerechtigheid voortbrengt die aangenaam is in de ogen van de oneindige reinheid”? Wie zou dan behouden kunnen worden? Zou er één enkele ziel in de hemel zijn? Nee, zo’n woord zou het hele mensengeslacht in de hel doen neerstorten.
Maar er staat dit: „Dit is de bedoeling van God, in Zijn eeuwige raad besloten, die niet verhinderd kan worden: dat Hij de Rechtvaardiger is van hem die in Jezus gelooft — dus van de arme, nooddruftige, beproefde, verzochte, bekommerde en verlegen mens die in Jezus gelooft, die op Jezus ziet, die op Hem leunt en rust in Zijn Persoon, bloed, gerechtigheid en liefde, en dat boven alle dingen.” Dat zulke mensen gerechtvaardigd worden, dat hun de zonden vergeven worden, dat zij aangenomen en verlost worden met een eeuwigdurende verlossing: hoe zoet en hoe gepast verkondigt het Evangelie dit aan de levende, gelovige ziel!
Aan de lezer…
Arme zondaar, staat u beschaamd voor een heilig en rechtvaardig God, en weet u dat u niets hebt om Hem te behagen? Hebt u al uw eigen verrichtingen gewogen en ze te licht bevonden? Dan is dit woord voor u geschreven. Als Hij alleen zou rechtvaardigen wie werkt, zou geen enkele ziel in de hemel komen, en u wel het minst. Maar Hij is de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft.
Bent u arm, nooddruftig, beproefd, verzocht, bekommerd en verlegen? Ziet u op Jezus, al is het nog zo zwak, en leunt u op Hem? Dan staat uw naam als het ware in die beschrijving. Zijn eeuwige raad kan niet verhinderd worden. Rust dan in Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn liefde. Daar wordt God in Zijn rechtvaardigheid niet aangetast, en daar vindt een arme zondaar vrije vergeving en een eeuwigdurende verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“To declare, I say, at this time his righteousness: that he might be just, and the justifier of him which believeth in Jesus.”
Romans 3:26
Every created thing, every finite intelligence, must sooner be annihilated, than Jehovah can sacrifice, or allow the slightest tarnish to come over any one of His eternal attributes. Yet God can be just, infinitely just, scrupulously just, unchangeably just—and yet, preserving His attribute of justice unchanging and unchangeable, He can still be “the justifier of those who have faith in Jesus.” The way by which this was effected will take a countless eternity to understand, and a boundless eternity to admire and adore.
But what is meant by the expression, “the justifier?” “The justifier” means, that God can count man as righteous, can freely pardon his sins, can graciously accept his person, can impute to him righteousness without works, and can bring him to the eternal enjoyment of Himself. And who is the character that He thus brings to Himself by justifying him? “those who believe in Jesus.”
What simplicity, and yet what sweetness and suitability is there in the gospel plan! Say it ran thus, “That He might be just, and yet the justifier of him that works, that pleases God by his own performances, that produces a righteousness satisfactory to the eyes of infinite purity.” Who then could be saved? Would there be a single soul in heaven? No; such a sentence as that would trample down the whole human race into hell.
But when it runs thus, “That this is the mind and purpose of God, that this is His eternal counsel, which cannot pass away; that He is ‘the justifier of those who believe in Jesus,’—the poor, the needy, the exercised, the tempted, the distressed, and the perplexed, that believe in Jesus, that look to Jesus, that lean upon Jesus, and rest in His Person, blood, righteousness, and love for all things; that these are justified, that these are pardoned, that these are accepted, that these are graciously received, and saved with an everlasting salvation,”—how sweet, how suitable, does the gospel that declares this become to the living, believing soul!
To the reader…
Poor sinner, do you stand ashamed before a holy and righteous God, knowing that you have nothing with which to please Him? Have you weighed all your own performances and found them too light? Then this word was written for you. If He justified only him that works, not a single soul would enter heaven, and you least of all. But He is the Justifier of him who believes in Jesus.
Are you poor, needy, tried, tempted, distressed and perplexed? Do you look to Jesus, however feebly, and do you lean on Him? Then your name stands, as it were, in that description. His eternal counsel cannot be hindered. Rest, then, in His Person, His blood, His righteousness and His love. There God’s justice is not touched, and there a poor sinner finds free pardon and an everlasting salvation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Con la mira de manifestar Su justicia en este tiempo: para que Él sea el justo, y el que justifica al que es de la fe de Jesús.”
Romanos 3:26
Toda cosa creada, toda inteligencia finita, tendría que ser aniquilada antes que Jehová pudiera sacrificar alguno de Sus atributos eternos, o permitir que viniera sobre él la más leve mancha. Y sin embargo, Dios puede ser justo, infinitamente justo, escrupulosamente justo, inmutablemente justo; y aun así, conservando Su atributo de justicia invariable e inmutable, puede ser “el que justifica a los que tienen fe en Jesús”. El camino por el cual esto se efectuó requerirá una eternidad incontable para entenderlo, y una eternidad sin límites para admirarlo y adorarlo.
¿Pero qué significa la expresión “el que justifica”? “El que justifica” significa que Dios puede tener al hombre por justo, puede perdonar gratuitamente sus pecados, puede aceptar con gracia su persona, puede imputarle justicia sin obras, y puede llevarle al gozo eterno de Sí mismo. ¿Y quién es el carácter que Él lleva así a Sí mismo justificándolo? “Los que creen en Jesús.”
¡Qué sencillez, y sin embargo qué dulzura y qué idoneidad hay en el plan del evangelio! Supongamos que dijera así: “Para que Él sea justo, y sin embargo el que justifica al que obra, al que agrada a Dios por sus propias obras, al que produce una justicia satisfactoria a los ojos de la pureza infinita.” ¿Quién podría entonces ser salvo? ¿Habría una sola alma en el cielo? No; una sentencia así hundiría a todo el género humano en el infierno.
Pero cuando dice así: “Que esta es la mente y el propósito de Dios, que este es Su consejo eterno, que no puede pasar; que Él es ‘el que justifica a los que creen en Jesús’: a los pobres, los necesitados, los ejercitados, los tentados, los angustiados y los perplejos, que creen en Jesús, que miran a Jesús, que se apoyan en Jesús y descansan en Su Persona, Su sangre, Su justicia y Su amor para todas las cosas; que estos son justificados, que estos son perdonados, que estos son aceptados, que estos son recibidos con gracia y salvados con una salvación eterna”, ¡cuán dulce, cuán idóneo llega a ser para el alma viva y creyente el evangelio que declara esto!
Al lector…
Pobre pecador, ¿está usted avergonzado delante de un Dios santo y justo, sabiendo que no tiene nada con que agradarle? ¿Ha pesado todas sus propias obras y las ha hallado demasiado ligeras? Entonces esta palabra fue escrita para usted. Si Él justificara solo al que obra, ni una sola alma entraría en el cielo, y usted menos que nadie. Pero Él es el que justifica al que cree en Jesús.
¿Es usted pobre, necesitado, probado, tentado, angustiado y perplejo? ¿Mira a Jesús, aunque sea débilmente, y se apoya en Él? Entonces su nombre está, por así decirlo, en esa descripción. Su consejo eterno no puede ser estorbado. Descanse, pues, en Su Persona, Su sangre, Su justicia y Su amor. Allí la justicia de Dios no queda tocada, y allí un pobre pecador halla perdón gratuito y una salvación eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl