5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Welke [hope] wij hebben als een anker der ziel, ’t welk zeker en vast is, en gaat in het binnenste des voorhangsels.
Hebreeën 6:19
Ankers zijn, zoals u weet, van verschillende grootte. Wanneer wij langs de havens wandelen, zien wij daar ankers voor een boot en ankers voor een driedekker. En toch zijn alle ankers op dezelfde wijze gemaakt, en voor hetzelfde doel bestemd; en het kleine anker dat de boot vasthoudt, is even nuttig en even goed een anker als dat waaraan de driedekker vastligt. Zo ook in het geestelijke. Er is hoop in het hart van een kind. Maar de hoop in het hart van een kind is slechts het anker van een boot; het houdt dat kind even goed vast als het anker de boot waaraan zij geankerd ligt.
Maar naarmate de Heere de hoop doet toenemen, doet Hij ook de grootte van het anker toenemen; en daar schip en anker altijd tot elkander in verhouding staan, zo ook vermeerdert Hij, als Hij de grootte van het anker vermeerdert, de grootte van het schip. Ja nog meer, als Hij de grootte van het schip vermeerdert, vermeerdert Hij ook de vracht, want deze twee zijn ook geëvenredigd. Zo dringt de hoop in de voorhang; zij dringt dieper door in de tegenwoordigheid Gods; zij grijpt zich vaster aan de gemeenschap, de verkiezende liefde, de onbeweegbaarheid van Gods raadsbesluiten en de onveranderlijkheid van de grote IK BEN.
Hebt u niet somtijds uw hoop voelen wassen, zodat zij bijna kwam tot de „volle verzekerdheid der hope”? Nauwelijks bleef er een wolk tussen u en God, en u geloofde zegevierend de hemel van gelukzaligheid en vrede binnen te gaan; en met zulke zalige gevoelens in het hart kon u het leven op dat ogenblik verlaten en vallen in de armen van uw God.
Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint;
zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer, die al mijn blijdschap in U vind,
hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
’k doe Uw geboön oprecht en welgezind,
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Ps. 119:83
Aan de lezer…
Hoe dikwijls schaamt u zich voor de kleinheid van uw hoop! U ziet anderen met een sterke verzekerdheid, en uw eigen hoop lijkt u nauwelijks meer dan een zwakke draad. Hoor dan wat er gezegd wordt over de ankers in de haven. Er zijn ankers voor een boot en ankers voor een driedekker, maar het kleine anker houdt de boot even goed vast als het grote het schip. De hoop in het hart van een kind is evenzeer een anker der ziel.
En zij gaat in het binnenste des voorhangsels, waar zij zich vastklemt aan wat niet wankelen kan: Gods verkiezende liefde, Zijn onbeweegbare raad en de onveranderlijkheid van de grote IK BEN. Niet de grootte van het anker, maar de grond waarin het vastligt, houdt u veilig. Misschien zal de Heere uw hoop nog doen wassen, ja, tot een volle verzekerdheid. Maar ook nu, met uw kleine anker, ligt u vast aan Hem. Laat u dan niet wegdrijven door de stormen van twijfel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welke [hope] wij hebben als een anker der ziel, ’t welk zeker en vast is, en gaat in het binnenste des voorhangsels.
Hebreeën 6:19
Ankers zijn, zoals u weet, er in verschillende maten. Wanneer wij langs de havens wandelen, zien wij daar ankers voor een boot en ankers voor een driedekker. En toch zijn alle ankers op dezelfde manier gemaakt en voor hetzelfde doel bestemd. Het kleine anker dat de boot vasthoudt, is even nuttig en evengoed een anker als het anker waaraan de driedekker vastligt. Zo is het ook in het geestelijke. Er is hoop in het hart van een kind. Maar de hoop in het hart van een kind is slechts het anker van een boot; het houdt dat kind even goed vast als het anker de boot die eraan vastligt.
Maar naarmate de Heere de hoop laat toenemen, laat Hij ook het anker groter worden. En omdat schip en anker altijd met elkaar in verhouding staan, maakt Hij, wanneer Hij het anker groter maakt, ook het schip groter. Ja, meer nog: wanneer Hij het schip groter maakt, vergroot Hij ook de lading, want ook die twee staan met elkaar in verhouding. Zo dringt de hoop door tot achter het voorhangsel; zij dringt dieper door in de tegenwoordigheid van God. Zij klemt zich vaster aan de gemeenschap, aan de verkiezende liefde, aan de onbeweeglijkheid van Gods raadsbesluiten en aan de onveranderlijkheid van de grote IK BEN.
Hebt u niet soms gevoeld hoe uw hoop groeide, zodat zij bijna kwam tot de „volle verzekerdheid der hope”? Er bleef nauwelijks een wolk tussen u en God over, en u geloofde dat u zegevierend de hemel van gelukzaligheid en vrede zou binnengaan. Met zulke zalige gevoelens in het hart had u op dat ogenblik het leven kunnen verlaten en in de armen van uw God kunnen vallen.
Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint;
zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer, die al mijn blijdschap in U vind,
hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
’k doe Uw geboön oprecht en welgezind,
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Ps. 119:83
Aan de lezer…
Hoe vaak schaamt u zich voor de kleinheid van uw hoop! U ziet anderen met een sterke verzekerdheid, en uw eigen hoop lijkt u nauwelijks meer dan een zwakke draad. Hoor dan wat er gezegd wordt over de ankers in de haven. Er zijn ankers voor een boot en ankers voor een driedekker, maar het kleine anker houdt de boot even goed vast als het grote het schip. De hoop in het hart van een kind is evenzeer een anker van de ziel.
En zij gaat in het binnenste des voorhangsels, waar zij zich vastklemt aan wat niet wankelen kan: Gods verkiezende liefde, Zijn onbeweeglijke raad en de onveranderlijkheid van de grote IK BEN. Niet de grootte van het anker, maar de grond waarin het vastligt, houdt u veilig. Misschien zal de Heere uw hoop nog laten groeien, ja, tot een volle verzekerdheid. Maar ook nu, met uw kleine anker, ligt u vast aan Hem. Laat u dan niet wegdrijven door de stormen van twijfel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Which hope we have as an anchor of the soul, both sure and stedfast, and which entereth into that within the veil.
Hebrews 6:19
Anchors, you know, are made of different sizes. You may walk in the Queen’s Dockyard, and there you may see anchors for a boat, and anchors for a three-decker. Yet all anchors are made in the same way, and are designed for the same purpose; and the little anchor that holds the boat is as useful and as much an anchor as that which holds the three-decker. So spiritually. There is hope in the heart of the spiritual babe. But the hope in the heart of a babe is but as the anchor of a boat; yet it holds that babe as firmly as the anchor holds the boat to which it is moored.
But as the Lord increases hope, He increases the size of the anchor; and as the vessel and its anchor always bear a proportion to each other, so when He enlarges the size of the anchor He increases the size of the ship. Nay more, as He increases the size of the ship, He increases its burden, for these two are proportionate. Thus hope takes a more vigorous hold within the veil; it enters more deeply into the presence of God; it takes a firmer grasp of covenant engagements, electing love, the immutability of God’s purposes, and the unchangeable nature of the great eternal I AM.
Have you not felt at times your hope sweetly enlarged, so that it almost attained to the “full assurance of hope”? Scarcely a cloud remained between you and God; and you believed you would ride triumphantly into the haven of bliss and peace; and having these blessed sensations in your heart, you could part with life itself at that moment to fall into the embrace of your God.
To the reader…
How often you are ashamed of how small your hope is! You see others with a strong assurance, and your own hope seems to you hardly more than a weak thread. Then hear what is said about the anchors in the dockyard. There are anchors for a boat and anchors for a three-decker, but the little anchor holds the boat just as firmly as the great one holds the ship. The hope in the heart of a babe is just as much an anchor of the soul.
And it enters into that within the veil, where it lays hold of what cannot be shaken: God’s electing love, His immovable counsel and the unchangeableness of the great I AM. It is not the size of the anchor, but the ground in which it is fixed, that keeps you safe. Perhaps the Lord will yet make your hope grow, even to a full assurance. But even now, with your little anchor, you are held fast to Him. So do not let yourself be driven away by the storms of doubt.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La cual tenemos como segura y firme ancla del alma, y que entra hasta dentro del velo.
Hebreos 6:19
Las anclas, ya lo saben, se hacen de diferentes tamaños. Uno puede pasear por el Astillero de la Reina y ver allí anclas para un bote y anclas para un navío de tres puentes. Sin embargo, todas las anclas se hacen de la misma manera y están destinadas al mismo fin; y la pequeña ancla que sujeta el bote es tan útil y tan ancla como la que sujeta el navío de tres puentes. Así sucede espiritualmente. Hay esperanza en el corazón del niño espiritual. Pero la esperanza en el corazón de un niño no es más que como el ancla de un bote; con todo, sujeta a ese niño tan firmemente como el ancla sujeta el bote al que está amarrada.
Pero a medida que el Señor aumenta la esperanza, aumenta el tamaño del ancla; y como el barco y su ancla guardan siempre proporción entre sí, cuando Él agranda el tamaño del ancla, aumenta el tamaño del barco. Más aún, a medida que aumenta el tamaño del barco, aumenta su carga, porque estas dos cosas son proporcionales. Así la esperanza se aferra con más vigor dentro del velo; entra más profundamente en la presencia de Dios; se asienta con más firmeza en los compromisos del pacto, el amor electivo, la inmutabilidad de los propósitos de Dios y la naturaleza inmutable del gran y eterno YO SOY.
¿No ha sentido usted a veces su esperanza dulcemente ensanchada, de modo que casi llegaba a la “plena certidumbre de la esperanza”? Apenas quedaba una nube entre usted y Dios; y creía que entraría triunfante en el puerto de la dicha y la paz; y teniendo estas benditas sensaciones en su corazón, podía en aquel momento desprenderse de la vida misma para caer en los brazos de su Dios.
Al lector…
¡Cuántas veces se avergüenza usted de lo pequeña que es su esperanza! Ve a otros con una firme seguridad, y su propia esperanza le parece apenas algo más que un hilo débil. Oiga entonces lo que se dice de las anclas del astillero. Hay anclas para un bote y anclas para un navío de tres puentes, pero la pequeña ancla sujeta el bote con tanta firmeza como la grande sujeta el navío. La esperanza en el corazón de un niño es igualmente un ancla del alma.
Y entra hasta dentro del velo, donde se aferra a lo que no puede ser conmovido: el amor electivo de Dios, Su consejo inamovible y la inmutabilidad del gran YO SOY. No es el tamaño del ancla, sino el fondo en que está fijada, lo que le mantiene a salvo. Quizá el Señor haga crecer todavía su esperanza, hasta una plena certidumbre. Pero aun ahora, con su pequeña ancla, usted está sujeto firmemente a Él. No se deje, pues, arrastrar por las tormentas de la duda.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gekrookte riet
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Verzoeking knakt helaas het „riet”. Er zijn maar weinig dingen waardoor het sneller knakt. Maar waarom wordt het „riet” geknakt? Waarom zouden krachtige en pijnlijke verzoekingen erop vallen en het knakken? Omdat het, als het niet is geknakt, te sterk is. Het moet leren, bevindelijk leren, wat zijn zwakheid is.
Er is, geloof ik, niets dat ons die zwakheid zo doet voelen als in aanraking komen met verzoeking. Verzoeking brengt de kwaadheden in het hart aan het licht. Deze blijven grotendeels onopgemerkt tot verzoeking ze openbaart. Davids overspelige, moorddadige aard, Hizkia’s hoogmoed, Jobs weerbarstigheid, Jona’s opstandigheid, Petrus’ lafheid, lagen allemaal verborgen in hun hart tot de verzoeking ze eruit haalde. De verzoeking heeft ze er niet ingelegd, maar ze er gevonden.
Onze aard is de brandstof waarvoor de verzoeking het vuur is. Maar de schaafkrullen liggen ongevaarlijk op het haardrooster tot de lucifer ze aanraakt. Het is deze klaargelegde brandstof die de verzoeking zo gevaarlijk maakt. Welnu, daarom is het gebed en het voorschrift: „Leid ons niet in verzoeking”; „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Als er geen zonde in ons was, zouden we als Jezus zijn, toen Hij zei: „De overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”
Maar hij heeft alles aan ons, en als de verzoeking daarom door hem wordt aangeboden, steekt deze de vleselijke geest in brand. Dit bedroeft de nieuwe mens der genade, kwetst het tere hart, en schaaft en bezeert het geweten. Maar deze verzoekingen kwetsen ook onze eigen sterkte, wijsheid en rechtvaardigheid. Kwam Job niet uit zijn verzoeking met gekwetste eigendunk? En wat anders dan deze hamer verpletterde Davids hoogmoed, Hizkia’s overmoed, Jona’s opstandigheid en Petrus’ sterkte?
Lezen: Jesaja 39
Aan de lezer…
Misschien hebt u in de verzoeking dingen in uw hart ontdekt waarvan u niet wist dat ze er waren. Hebt u zich daarover geschaamd, en gedacht dat u zo iemand niet kon zijn als u werkelijk een kind van God was? De verzoeking heeft het kwaad er niet ingelegd; zij heeft het er gevonden. Onze natuur is de brandstof, en de verzoeking het vuur.
Dat is een bittere les, maar geen verloren les. Het riet wordt geknakt omdat het anders te sterk is. Zo wordt onze eigen sterkte, wijsheid en rechtvaardigheid gekwetst, opdat wij voortaan op Een ander leren leunen. Bid daarom dagelijks: „Leid ons niet in verzoeking”, en waak en bid. En voelt u het tere hart gekwetst en het geweten bezeerd, laat het u dan uitdrijven naar Hem in Wie de overste dezer wereld niets had, en Die het geknakte riet niet verbreekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Helaas, de verzoeking knakt het „riet”. Er zijn maar weinig dingen waardoor het sneller knakt. Maar waarom wordt het „riet” geknakt? Waarom moeten krachtige en pijnlijke verzoekingen erop vallen en het knakken? Omdat het, als het niet geknakt wordt, te sterk is. Het moet leren, bevindelijk leren, wat zijn zwakheid is.
Ik geloof dat niets ons die zwakheid zo doet voelen als de aanraking met de verzoeking. De verzoeking brengt het kwaad in het hart aan het licht. Dat blijft grotendeels onopgemerkt totdat de verzoeking het openbaar maakt. Davids overspelige en moorddadige aard, Hizkia’s hoogmoed, Jobs weerbarstigheid, Jona’s opstandigheid en Petrus’ lafheid lagen allemaal verborgen in hun hart, totdat de verzoeking ze naar buiten bracht. De verzoeking heeft ze er niet in gelegd, maar ze er gevonden.
Onze natuur is de brandstof, en de verzoeking is het vuur. De houtkrullen liggen onschuldig op het haardrooster totdat de lucifer ze raakt. Het is deze klaarliggende brandstof die de verzoeking zo gevaarlijk maakt. Daarom luiden het gebed en het gebod: „Leid ons niet in verzoeking”; „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Als er geen zonde in ons was, zouden we zijn zoals Jezus, toen Hij zei: „De overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”
Maar aan ons heeft hij alles, en daarom zet de verzoeking, wanneer hij die aanbiedt, ons vleselijk gemoed in vuur en vlam. Dat bedroeft de nieuwe mens van de genade, wondt het tedere hart en schuurt en kwetst het geweten. Maar deze verzoekingen wonden ook onze eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid. Kwam Job niet uit zijn verzoeking met een gewonde eigendunk? En wat anders dan deze hamer verpletterde Davids hoogmoed, Hizkia’s overmoed, Jona’s opstandigheid en Petrus’ kracht?
Lezen: Jesaja 39
Aan de lezer…
Misschien hebt u in de verzoeking dingen in uw hart ontdekt waarvan u niet wist dat ze er waren. Hebt u zich daarover geschaamd, en gedacht dat u zo iemand niet kon zijn als u werkelijk een kind van God was? De verzoeking heeft het kwaad er niet in gelegd; zij heeft het er gevonden. Onze natuur is de brandstof, en de verzoeking het vuur.
Dat is een bittere les, maar geen verloren les. Het riet wordt geknakt omdat het anders te sterk is. Zo worden onze eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid gewond, zodat wij voortaan op een Ander leren leunen. Bid daarom dagelijks: „Leid ons niet in verzoeking”, en waak en bid. En voelt u uw teder hart gewond en uw geweten gekwetst, laat het u dan uitdrijven naar Hem aan Wie de overste dezer wereld niets had, en Die het geknakte riet niet verbreekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A bruised reed shall He not break, and the smoking flax shall He not quench.
Isaiah 42:3
Alas, temptation bruises the “reed.” There are few things that bruise it more quickly. But why is the “reed” bruised? Why must powerful and painful temptations fall upon it and bruise it? Because if it is not bruised, it is too strong. It must learn, learn by experience, what its weakness is.
I believe that nothing makes us feel that weakness so much as contact with temptation. Temptation brings to light the evil in the heart. This remains largely unnoticed until temptation makes it manifest. David’s adulterous and murderous nature, Hezekiah’s pride, Job’s rebelliousness, Jonah’s self-will and Peter’s cowardice all lay hidden in their hearts until temptation brought them out. Temptation did not put them there, but found them there.
Our nature is the fuel, and temptation is the fire. The shavings lie harmlessly on the grate until the match touches them. It is this fuel lying ready that makes temptation so dangerous. That is why the prayer and the command run: “Lead us not into temptation”; “Watch and pray, that ye enter not into temptation.” If there were no sin in us, we should be as Jesus was when He said, “The prince of this world cometh, and hath nothing in Me.”
But in us he has everything, and so when he presents a temptation, it sets our carnal mind on fire. That grieves the new man of grace, wounds the tender heart, and chafes and hurts the conscience. But these temptations also wound our own strength, wisdom and righteousness. Did not Job come out of his temptation with his self-esteem wounded? And what else but this hammer crushed David’s pride, Hezekiah’s presumption, Jonah’s self-will and Peter’s strength?
Reading: Isaiah 39
To the reader…
Perhaps in temptation you have discovered things in your heart that you never knew were there. Have you been ashamed of it, and thought that you could not be such a person if you were really a child of God? Temptation did not put the evil there; it found it there. Our nature is the fuel, and temptation the fire.
That is a bitter lesson, but not a lost one. The reed is bruised because otherwise it is too strong. So our own strength, wisdom and righteousness are wounded, so that from then on we learn to lean upon Another. Pray daily, then, “Lead us not into temptation,” and watch and pray. And when you feel your tender heart wounded and your conscience hurt, let it drive you out to Him in Whom the prince of this world had nothing, and Who does not break the bruised reed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No quebrará la caña cascada, ni apagará el pábilo que humeare.
Isaías 42:3
¡Ay!, la tentación casca la “caña”. Pocas cosas la cascan más pronto. Pero ¿por qué es cascada la “caña”? ¿Por qué han de caer sobre ella tentaciones poderosas y dolorosas que la casquen? Porque si no es cascada, es demasiado fuerte. Tiene que aprender, aprender por experiencia, cuál es su debilidad.
Creo que nada nos hace sentir tanto esa debilidad como el contacto con la tentación. La tentación saca a la luz el mal del corazón. Este permanece en gran parte inadvertido hasta que la tentación lo pone de manifiesto. La naturaleza adúltera y homicida de David, el orgullo de Ezequías, la rebeldía de Job, la obstinación de Jonás y la cobardía de Pedro estaban todas escondidas en sus corazones hasta que la tentación las sacó a relucir. La tentación no las puso allí, sino que las halló allí.
Nuestra naturaleza es el combustible, y la tentación es el fuego. Las virutas yacen inofensivas en la parrilla hasta que las toca el fósforo. Es este combustible dispuesto lo que hace tan peligrosa la tentación. Por eso la oración y el mandato dicen: “No nos metas en tentación”; “Velad y orad, para que no entréis en tentación.” Si no hubiera pecado en nosotros, seríamos como Jesús cuando dijo: “Viene el príncipe de este mundo; mas no tiene nada en Mí.”
Pero en nosotros lo tiene todo, y así, cuando presenta una tentación, esta enciende nuestra mente carnal. Eso entristece al nuevo hombre de la gracia, hiere el corazón tierno, y roza y lastima la conciencia. Pero estas tentaciones hieren también nuestra propia fuerza, sabiduría y justicia. ¿No salió Job de su tentación con su estima propia herida? ¿Y qué otra cosa sino este martillo quebrantó el orgullo de David, la presunción de Ezequías, la obstinación de Jonás y la fuerza de Pedro?
Lectura: Isaías 39
Al lector…
Quizá en la tentación usted ha descubierto en su corazón cosas que nunca supo que estaban allí. ¿Se ha avergonzado de ello, y ha pensado que no podría ser una persona así si fuera de veras un hijo de Dios? La tentación no puso allí el mal; lo halló allí. Nuestra naturaleza es el combustible, y la tentación el fuego.
Es una lección amarga, pero no perdida. La caña es cascada porque de otro modo es demasiado fuerte. Así son heridas nuestra propia fuerza, sabiduría y justicia, para que desde entonces aprendamos a apoyarnos en Otro. Ore, pues, cada día: “No nos metas en tentación”, y vele y ore. Y cuando sienta su tierno corazón herido y su conciencia lastimada, deje que eso le impulse hacia Aquel en Quien el príncipe de este mundo no tenía nada, y que no quiebra la caña cascada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: geef Mij te drinken; zo zoudt gij van Hem hebben begeerd en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Johannes 4:10
Wat een gezegende zaak is de ware godzaligheid! Dit is de zaak waarvoor ik altijd wens te strijden. Niet voor vormen of ceremoniën, of dogma’s die in de hersenen zweven, maar voor het leven Gods in de ziel; de enige zaak die het waardig is gekend te worden, de enige zaak om bij te leven, en gewis de enige zaak waarbij men sterven kan. Wat verschilt de ware godzaligheid in het hart en in de consciëntie, door de bediening des Geestes uit de volheid van Christus ontvangen, wat verschilt deze fontein van het levende water van het stilstaande, dode water der mondbelijdenis, vormelijkheid en huichelarij!
En inderdaad, indien onze zielen ooit gedoopt zijn met een geestelijke kennis van deze hemelse verborgenheid, indien wij ooit de zoetheid hebben gesmaakt, de kracht gevoeld, en een zekere mate van het genot der ware godzaligheid in hart en consciëntie bij bevinding hebben leren kennen, dan zal onze behoefte nergens anders naar uitgaan dan naar dit levend water. Ja zelfs in al wat wij voor de Heere of voor degenen die Zijn Naam vrezen, doen of betrachten, in elk gebed, in elke dienst, zullen wij meer of minder uitzien naar levend water. Zijn wij, die belijden in de woestijn te verkeren, gelijk aan de dorstige reiziger in de woestijn van Arabië, die snakt naar de bronnen en palmbomen? Weten wij wat het zeggen wil, als wij na lange tijd van droogte, ver van het levende water, bij vernieuwing zijn stralen in onze consciëntie voelen opborrelen?
Wat kunnen levende zielen naar deze verlevendigingen dorsten! Dan kunnen wij het niet doen met een mondgodsdienst, met een Farizese, een vormelijke godsdienst, met een naam van te leven, en evenwel dood te zijn; met een gedaante van godzaligheid, zonder de kracht. Een levende ziel kan evenmin haar dorst lessen met enkel vorm en ceremoniën, als een natuurlijk dorstig mens kan drinken uit een paardenwed. Hij heeft levend water nodig, soms door de Heere Zelf gegeven, zodat het in zijn ziel opborrelt.
Maar zegt de Heere Zelf niet dat Hij het geven wil aan degenen die er Hem om vragen? Zullen wij er dan niet om vragen en ernaar zoeken? En zal Hij ons verloochenen? Heeft Hij ons verloochend in het verleden? Zal Hij het doen in de toekomst? Heeft Hij nu niet hetzelfde liefdedragende, barmhartige hart als eertijds, toen het in Zijn boezem klopte met betrekking tot de arme zondares bij de fontein van Samaria?
Hij moedigt ons aan het te vragen. Hij zit nu op de troon van genade en barmhartigheid, als de Middelaar tussen God en de mens. En indien het door genade is, kennen wij iets van de gave Gods; en indien het is door Goddelijke onderwijzing, kennen wij iets van de heerlijke Persoon Jezus en hebben wij een zekere mate van Zijn zoetheid in ons hart ervaren. Laat ons Hem erom verzoeken, en onze zielen zullen het getuigenis van God in onze consciëntie ontvangen, dat Hij ons niet zal afwijzen, maar Hij zal ons het levend water geven.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de ziel dorst. Dorst u ook? Niet naar een vorm of een naam, maar naar het leven Gods in uw ziel? Misschien hebt u lang in de woestijn gezworven, ver van het levende water, en is uw hart zo droog geworden dat u nauwelijks meer weet hoe het smaakte toen het in uw consciëntie opborrelde. Zoek dan geen lafenis bij een dode belijdenis; een levende ziel kan uit zulk een paardenwed niet drinken.
Hij, Die tot de arme zondares bij de fontein zeide: „Indien gij de gave Gods kendet”, heeft nog hetzelfde barmhartige hart. Hij zit op de troon der genade en moedigt u aan om te vragen. Heeft Hij u in het verleden verloochend? Zou Hij het dan nu doen? Breng uw dorst bij Hem, zoals u bent, en wacht op Hem. Hij zal u niet afwijzen, maar u geven van dat levend water, dat het enige is om bij te leven en om bij te sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: geef Mij te drinken; zo zoudt gij van Hem hebben begeerd en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Johannes 4:10
Wat een gezegende zaak is de ware godzaligheid! Dit is de zaak waarvoor ik altijd wil strijden. Niet voor vormen of ceremoniën, of voor leerstukken die in het hoofd rondzweven, maar voor het leven van God in de ziel: de enige zaak die het waard is gekend te worden, de enige zaak om bij te leven, en zeker de enige zaak om bij te sterven. Wat verschilt de ware godzaligheid in het hart en in het geweten, door de bediening van de Geest uit de volheid van Christus ontvangen, wat verschilt deze fontein van levend water van het stilstaande, dode water van mondbelijdenis, vormendienst en huichelarij!
En inderdaad, als onze zielen ooit gedoopt zijn met een geestelijke kennis van deze hemelse verborgenheid, als wij ooit de zoetheid gesmaakt, de kracht gevoeld en bij bevinding een zekere mate van het genieten van de ware godzaligheid in hart en geweten hebben leren kennen, dan zal ons verlangen nergens anders naar uitgaan dan naar dit levende water. Ja, zelfs in alles wat wij voor de Heere of voor hen die Zijn Naam vrezen doen of betrachten, in elk gebed, in elke dienst, zullen wij meer of minder uitzien naar levend water. Zijn wij, die belijden in de woestijn te verkeren, als de dorstige reiziger in de woestijn van Arabië, die snakt naar de bronnen en palmbomen? Weten wij wat het betekent wanneer wij, na een lange tijd van droogte ver van het levende water, opnieuw zijn stralen in ons geweten voelen opborrelen?
Wat kunnen levende zielen naar deze verlevendigingen dorsten! Dan kunnen wij het niet stellen met een godsdienst van de mond, met een farizese, vormelijke godsdienst, met een naam te hebben dat wij leven terwijl wij toch dood zijn, met een gedaante van godzaligheid zonder de kracht ervan. Een levende ziel kan haar dorst evenmin lessen met louter vorm en ceremoniën als een mens met natuurlijke dorst kan drinken uit een paardenwed. Zij heeft levend water nodig, soms door de Heere Zelf gegeven, zodat het in haar opborrelt.
Maar zegt de Heere Zelf niet dat Hij het wil geven aan hen die Hem erom vragen? Zullen wij er dan niet om vragen en ernaar zoeken? En zal Hij ons afwijzen? Heeft Hij ons in het verleden afgewezen? Zal Hij het in de toekomst doen? Heeft Hij nu niet nog hetzelfde liefdevolle, barmhartige hart als toen het in Zijn borst klopte voor de arme zondares bij de bron van Samaria?
Hij moedigt ons aan erom te vragen. Hij zit nu op de troon van genade en barmhartigheid, als de Middelaar tussen God en de mensen. En als het door genade is dat wij iets kennen van de gave van God, en als het door Goddelijk onderwijs is dat wij iets kennen van de heerlijke Persoon van Jezus en een zekere mate van Zijn zoetheid in ons hart hebben ervaren, laten wij Hem er dan om vragen. Dan zullen onze zielen het getuigenis van God in ons geweten ontvangen dat Hij ons niet zal afwijzen, maar ons het levende water zal geven.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de ziel dorst. Dorst u ook? Niet naar een vorm of een naam, maar naar het leven van God in uw ziel? Misschien hebt u lang in de woestijn gezworven, ver van het levende water, en is uw hart zo droog geworden dat u nauwelijks meer weet hoe het smaakte toen het in uw geweten opborrelde. Zoek dan geen lafenis bij een dode belijdenis; een levende ziel kan uit zo’n paardenwed niet drinken.
Hij Die tot de arme zondares bij de bron zei: „Indien gij de gave Gods kendet”, heeft nog hetzelfde barmhartige hart. Hij zit op de troon van genade en moedigt u aan om te vragen. Heeft Hij u in het verleden afgewezen? Zou Hij het dan nu doen? Breng uw dorst bij Hem, zoals u bent, en wacht op Hem. Hij zal u niet afwijzen, maar u geven van dat levende water, dat het enige is om bij te leven en om bij te sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jesus answered and said unto her, If thou knewest the gift of God, and who it is that saith to thee, Give me to drink; thou wouldest have asked of him, and he would have given thee living water.
John 4:10
How blessed a thing is vital godliness! That is the thing I always wish to contend for. Not for forms and ceremonies, or doctrines floating in the brain, but for the life of God in the soul; the only thing worth knowing; the only thing to live by, and I am sure the only thing to die by. How different is vital godliness received into the heart and conscience, by the operation of God the Spirit, out of the fullness of Christ—how different is this fountain of living water from the stagnant, dead water of lip-service, formality, and hypocrisy!
And sure I am, if our souls have ever been baptized into a spiritual knowledge of this heavenly secret; if ever we have tasted the sweetness, felt the power, and experienced a measure of the enjoyment of vital godliness in the heart and conscience, we shall desire no other but living water. No, in all that we do for the Lord, or for those that fear His Name, in every prayer, in every ordinance, we shall be, more or less, looking out for living water.
Are we, who profess to be in the wilderness, like the thirsty traveler in the deserts of Arabia, panting after the wells and the palm trees? Do we know what it is, after long seasons of drought, when the living water has sunk well-nigh out of sight, to find its streams again springing up in the conscience? How living souls thirst after these revivings! We cannot now be satisfied with lip religion, pharisaical religion, doctrinal religion, a name to live while dead, the form of godliness without the power. A living soul can no more satisfy his thirst with mere forms and ceremonies, than a man naturally thirsty can drink out of a pond of sand. He must have living water, something given by the Lord Himself, springing up in his soul.
But, does not the Lord say, that He will give it to those that ask it? Shall we not ask, then, and seek for it? And will He deny us? Has He denied us in time past? Will He deny us in time to come? Has He not the same loving and compassionate heart now, as beat in His bosom towards this poor sinner at the well of Samaria?
He still emboldens us to ask. He is now seated upon the throne of grace and mercy as the Mediator between God and man. And if, through mercy, we know something of the gift of God; and if, through divine teaching, we know something of the glorious Person of Jesus, and have enjoyed a measure of its sweetness in our heart, sure I am, we shall ask, and our souls will receive the testimony of God in our conscience, that He will not deny us, but give unto us “living water.”
To the reader…
There are times when the soul thirsts. Are you thirsting too? Not for a form or a name, but for the life of God in your soul? Perhaps you have long wandered in the wilderness, far from the living water, and your heart has become so dry that you scarcely remember how it tasted when it sprang up in your conscience. Do not seek refreshment, then, in a dead profession; a living soul cannot drink from such a stagnant pond.
He Who said to the poor sinful woman at the well, “If thou knewest the gift of God,” still has the same compassionate heart. He sits upon the throne of grace and encourages you to ask. Has He turned you away in the past? Would He do so now? Bring your thirst to Him, just as you are, and wait for Him. He will not turn you away, but will give you of that living water, which is the only thing to live by and to die by.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Respondió Jesús y díjole: Si conocieses el don de Dios, y quién es el que te dice: Dame de beber: tú pedirías de Él, y Él te daría agua viva.
Juan 4:10
¡Qué cosa tan bienaventurada es la piedad vital! Eso es lo que siempre deseo defender. No las formas y ceremonias, ni las doctrinas que flotan en el cerebro, sino la vida de Dios en el alma; lo único que vale la pena conocer; lo único por lo cual vivir, y estoy seguro de que lo único con lo cual morir. ¡Cuán diferente es la piedad vital recibida en el corazón y la conciencia, por la operación de Dios el Espíritu, de la plenitud de Cristo; cuán diferente es esta fuente de agua viva del agua estancada y muerta del servicio de labios, del formalismo y de la hipocresía!
Y estoy seguro de que, si nuestras almas han sido alguna vez bautizadas en un conocimiento espiritual de este secreto celestial; si alguna vez hemos gustado la dulzura, sentido el poder y experimentado en alguna medida el gozo de la piedad vital en el corazón y la conciencia, no desearemos otra cosa que agua viva. Sí, en todo lo que hagamos para el Señor, o para los que temen Su Nombre, en cada oración, en cada ordenanza, estaremos, en mayor o menor grado, buscando agua viva.
Nosotros, que profesamos estar en el desierto, ¿somos como el viajero sediento en los desiertos de Arabia, que jadea por los pozos y las palmeras? ¿Sabemos lo que es, tras largas temporadas de sequía, cuando el agua viva se ha hundido casi fuera de la vista, hallar de nuevo sus corrientes brotando en la conciencia? ¡Cómo tienen sed las almas vivientes de estos avivamientos! Ahora ya no podemos contentarnos con una religión de labios, una religión farisaica, una religión doctrinal, un nombre de que vivimos estando muertos, la apariencia de piedad sin la eficacia de ella. Un alma viviente no puede saciar su sed con meras formas y ceremonias, como tampoco un hombre con sed natural puede beber de un estanque de arena. Tiene que tener agua viva, algo dado por el Señor mismo, que brote en su alma.
Pero ¿no dice el Señor que la dará a los que la piden? ¿No la pediremos, pues, y la buscaremos? ¿Y nos la negará? ¿Nos la ha negado en el tiempo pasado? ¿Nos la negará en el tiempo venidero? ¿No tiene ahora el mismo corazón amante y compasivo que latía en Su pecho hacia aquella pobre pecadora junto al pozo de Samaria?
Él todavía nos anima a pedir. Ahora está sentado en el trono de la gracia y la misericordia como Mediador entre Dios y los hombres. Y si, por misericordia, sabemos algo del don de Dios; y si, por enseñanza divina, sabemos algo de la gloriosa Persona de Jesús, y hemos gozado en alguna medida de su dulzura en nuestro corazón, estoy seguro de que pediremos, y nuestras almas recibirán en nuestra conciencia el testimonio de Dios de que Él no nos la negará, sino que nos dará “agua viva”.
Al lector…
Hay tiempos en que el alma tiene sed. ¿Tiene usted sed también? ¿No de una forma o de un nombre, sino de la vida de Dios en su alma? Quizá ha andado mucho tiempo errante por el desierto, lejos del agua viva, y su corazón se ha vuelto tan seco que apenas recuerda cómo sabía cuando brotaba en su conciencia. No busque entonces refrigerio en una profesión muerta; un alma viviente no puede beber de tal estanque estancado.
Aquel que dijo a la pobre mujer pecadora junto al pozo: “Si conocieses el don de Dios”, sigue teniendo el mismo corazón compasivo. Está sentado en el trono de la gracia y le anima a pedir. ¿Le ha rechazado en el pasado? ¿Lo haría ahora? Traiga su sed a Él, tal como está, y espérele. No le rechazará, sino que le dará de aquella agua viva, que es lo único por lo cual vivir y con lo cual morir.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl