Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

14 februari Korenaren uit de volle oogst

Welke [hope] wij hebben als een anker der ziel, ’t welk zeker en vast is, en gaat in het binnenste des voorhangsels.
Hebreeën 6:19

Ankers zijn, zoals u weet, er in verschillende maten. Wanneer wij langs de havens wandelen, zien wij daar ankers voor een boot en ankers voor een driedekker. En toch zijn alle ankers op dezelfde manier gemaakt en voor hetzelfde doel bestemd. Het kleine anker dat de boot vasthoudt, is even nuttig en evengoed een anker als het anker waaraan de driedekker vastligt. Zo is het ook in het geestelijke. Er is hoop in het hart van een kind. Maar de hoop in het hart van een kind is slechts het anker van een boot; het houdt dat kind even goed vast als het anker de boot die eraan vastligt.

Maar naarmate de Heere de hoop laat toenemen, laat Hij ook het anker groter worden. En omdat schip en anker altijd met elkaar in verhouding staan, maakt Hij, wanneer Hij het anker groter maakt, ook het schip groter. Ja, meer nog: wanneer Hij het schip groter maakt, vergroot Hij ook de lading, want ook die twee staan met elkaar in verhouding. Zo dringt de hoop door tot achter het voorhangsel; zij dringt dieper door in de tegenwoordigheid van God. Zij klemt zich vaster aan de gemeenschap, aan de verkiezende liefde, aan de onbeweeglijkheid van Gods raadsbesluiten en aan de onveranderlijkheid van de grote IK BEN.

Hebt u niet soms gevoeld hoe uw hoop groeide, zodat zij bijna kwam tot de „volle verzekerdheid der hope”? Er bleef nauwelijks een wolk tussen u en God over, en u geloofde dat u zegevierend de hemel van gelukzaligheid en vrede zou binnengaan. Met zulke zalige gevoelens in het hart had u op dat ogenblik het leven kunnen verlaten en in de armen van uw God kunnen vallen.

Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint;
zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer, die al mijn blijdschap in U vind,
hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
’k doe Uw geboön oprecht en welgezind,
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Ps. 119:83

Aan de lezer…

Hoe vaak schaamt u zich voor de kleinheid van uw hoop! U ziet anderen met een sterke verzekerdheid, en uw eigen hoop lijkt u nauwelijks meer dan een zwakke draad. Hoor dan wat er gezegd wordt over de ankers in de haven. Er zijn ankers voor een boot en ankers voor een driedekker, maar het kleine anker houdt de boot even goed vast als het grote het schip. De hoop in het hart van een kind is evenzeer een anker van de ziel.

En zij gaat in het binnenste des voorhangsels, waar zij zich vastklemt aan wat niet wankelen kan: Gods verkiezende liefde, Zijn onbeweeglijke raad en de onveranderlijkheid van de grote IK BEN. Niet de grootte van het anker, maar de grond waarin het vastligt, houdt u veilig. Misschien zal de Heere uw hoop nog laten groeien, ja, tot een volle verzekerdheid. Maar ook nu, met uw kleine anker, ligt u vast aan Hem. Laat u dan niet wegdrijven door de stormen van twijfel.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

14 februari 365 dagen met Philpot

Het gekrookte riet

Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3

Helaas, de verzoeking knakt het „riet”. Er zijn maar weinig dingen waardoor het sneller knakt. Maar waarom wordt het „riet” geknakt? Waarom moeten krachtige en pijnlijke verzoekingen erop vallen en het knakken? Omdat het, als het niet geknakt wordt, te sterk is. Het moet leren, bevindelijk leren, wat zijn zwakheid is.

Ik geloof dat niets ons die zwakheid zo doet voelen als de aanraking met de verzoeking. De verzoeking brengt het kwaad in het hart aan het licht. Dat blijft grotendeels onopgemerkt totdat de verzoeking het openbaar maakt. Davids overspelige en moorddadige aard, Hizkia’s hoogmoed, Jobs weerbarstigheid, Jona’s opstandigheid en Petrus’ lafheid lagen allemaal verborgen in hun hart, totdat de verzoeking ze naar buiten bracht. De verzoeking heeft ze er niet in gelegd, maar ze er gevonden.

Onze natuur is de brandstof, en de verzoeking is het vuur. De houtkrullen liggen onschuldig op het haardrooster totdat de lucifer ze raakt. Het is deze klaarliggende brandstof die de verzoeking zo gevaarlijk maakt. Daarom luiden het gebed en het gebod: „Leid ons niet in verzoeking”; „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Als er geen zonde in ons was, zouden we zijn zoals Jezus, toen Hij zei: „De overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.”

Maar aan ons heeft hij alles, en daarom zet de verzoeking, wanneer hij die aanbiedt, ons vleselijk gemoed in vuur en vlam. Dat bedroeft de nieuwe mens van de genade, wondt het tedere hart en schuurt en kwetst het geweten. Maar deze verzoekingen wonden ook onze eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid. Kwam Job niet uit zijn verzoeking met een gewonde eigendunk? En wat anders dan deze hamer verpletterde Davids hoogmoed, Hizkia’s overmoed, Jona’s opstandigheid en Petrus’ kracht?

Lezen: Jesaja 39

Aan de lezer…

Misschien hebt u in de verzoeking dingen in uw hart ontdekt waarvan u niet wist dat ze er waren. Hebt u zich daarover geschaamd, en gedacht dat u zo iemand niet kon zijn als u werkelijk een kind van God was? De verzoeking heeft het kwaad er niet in gelegd; zij heeft het er gevonden. Onze natuur is de brandstof, en de verzoeking het vuur.

Dat is een bittere les, maar geen verloren les. Het riet wordt geknakt omdat het anders te sterk is. Zo worden onze eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid gewond, zodat wij voortaan op een Ander leren leunen. Bid daarom dagelijks: „Leid ons niet in verzoeking”, en waak en bid. En voelt u uw teder hart gewond en uw geweten gekwetst, laat het u dan uitdrijven naar Hem aan Wie de overste dezer wereld niets had, en Die het geknakte riet niet verbreekt.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

14 februari Door Baca’s vallei

Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: geef Mij te drinken; zo zoudt gij van Hem hebben begeerd en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Johannes 4:10

Wat een gezegende zaak is de ware godzaligheid! Dit is de zaak waarvoor ik altijd wil strijden. Niet voor vormen of ceremoniën, of voor leerstukken die in het hoofd rondzweven, maar voor het leven van God in de ziel: de enige zaak die het waard is gekend te worden, de enige zaak om bij te leven, en zeker de enige zaak om bij te sterven. Wat verschilt de ware godzaligheid in het hart en in het geweten, door de bediening van de Geest uit de volheid van Christus ontvangen, wat verschilt deze fontein van levend water van het stilstaande, dode water van mondbelijdenis, vormendienst en huichelarij!

En inderdaad, als onze zielen ooit gedoopt zijn met een geestelijke kennis van deze hemelse verborgenheid, als wij ooit de zoetheid gesmaakt, de kracht gevoeld en bij bevinding een zekere mate van het genieten van de ware godzaligheid in hart en geweten hebben leren kennen, dan zal ons verlangen nergens anders naar uitgaan dan naar dit levende water. Ja, zelfs in alles wat wij voor de Heere of voor hen die Zijn Naam vrezen doen of betrachten, in elk gebed, in elke dienst, zullen wij meer of minder uitzien naar levend water. Zijn wij, die belijden in de woestijn te verkeren, als de dorstige reiziger in de woestijn van Arabië, die snakt naar de bronnen en palmbomen? Weten wij wat het betekent wanneer wij, na een lange tijd van droogte ver van het levende water, opnieuw zijn stralen in ons geweten voelen opborrelen?

Wat kunnen levende zielen naar deze verlevendigingen dorsten! Dan kunnen wij het niet stellen met een godsdienst van de mond, met een farizese, vormelijke godsdienst, met een naam te hebben dat wij leven terwijl wij toch dood zijn, met een gedaante van godzaligheid zonder de kracht ervan. Een levende ziel kan haar dorst evenmin lessen met louter vorm en ceremoniën als een mens met natuurlijke dorst kan drinken uit een paardenwed. Zij heeft levend water nodig, soms door de Heere Zelf gegeven, zodat het in haar opborrelt.

Maar zegt de Heere Zelf niet dat Hij het wil geven aan hen die Hem erom vragen? Zullen wij er dan niet om vragen en ernaar zoeken? En zal Hij ons afwijzen? Heeft Hij ons in het verleden afgewezen? Zal Hij het in de toekomst doen? Heeft Hij nu niet nog hetzelfde liefdevolle, barmhartige hart als toen het in Zijn borst klopte voor de arme zondares bij de bron van Samaria?

Hij moedigt ons aan erom te vragen. Hij zit nu op de troon van genade en barmhartigheid, als de Middelaar tussen God en de mensen. En als het door genade is dat wij iets kennen van de gave van God, en als het door Goddelijk onderwijs is dat wij iets kennen van de heerlijke Persoon van Jezus en een zekere mate van Zijn zoetheid in ons hart hebben ervaren, laten wij Hem er dan om vragen. Dan zullen onze zielen het getuigenis van God in ons geweten ontvangen dat Hij ons niet zal afwijzen, maar ons het levende water zal geven.

Aan de lezer…

Er zijn tijden dat de ziel dorst. Dorst u ook? Niet naar een vorm of een naam, maar naar het leven van God in uw ziel? Misschien hebt u lang in de woestijn gezworven, ver van het levende water, en is uw hart zo droog geworden dat u nauwelijks meer weet hoe het smaakte toen het in uw geweten opborrelde. Zoek dan geen lafenis bij een dode belijdenis; een levende ziel kan uit zo’n paardenwed niet drinken.

Hij Die tot de arme zondares bij de bron zei: „Indien gij de gave Gods kendet”, heeft nog hetzelfde barmhartige hart. Hij zit op de troon van genade en moedigt u aan om te vragen. Heeft Hij u in het verleden afgewezen? Zou Hij het dan nu doen? Breng uw dorst bij Hem, zoals u bent, en wacht op Hem. Hij zal u niet afwijzen, maar u geven van dat levende water, dat het enige is om bij te leven en om bij te sterven.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina