6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Op welke ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
Efeze 2:22
Deze woorden zijn toepasselijk zowel op het gehele lichaam van Christus als een geheel beschouwd, als op elk afzonderlijk lid van dat lichaam, persoonlijk beschouwd; en wat de gemeente Gods is in haar volkomenheid in Christus, zoals zij hierboven in de hemel zijn zal, en wat zij nu in haar zichtbare en strijdende toestand op aarde is, zo is ook elk lid dier gemeente in het bijzonder in diezelfde staat; en het is deze verheven waarheid, die de hierboven aangehaalde woorden van zulk een krachtige toepassing maakt voor elk gelovige in het bijzonder.
Daar wij allen voor onszelf verantwoording zullen moeten doen, en daar de godsdienst een persoonlijke zaak is, hoe moet dan elk gelovige voor zichzelf acht geven, dat hij zodanig voor God en de mensen wandelt, dat hij zowel een inwendige als uitwendige getuigenis heeft, dat zijn lichaam de tempel is van de Heilige Geest (1 Cor. 6:19), en dat hij een woonstede Gods is door de Geest.
Indien hij dit betracht, en leeft onder zijn ernstig gewicht en invloed, hoe zorgzaam zal hij dan zijn dat lichaam niet te besmetten, dat de tempel is des Heiligen Geestes; hoe begerig en bezorgd zal hij zijn, zijn ogen niet te bezoedelen door zwervende lusten, en zijn oren, door te luisteren naar wereldse en vleselijke gesprekken, en zijn lippen, door geveinsdelijk te spreken of deel te nemen aan loszinnig en ijdel geklap, of zijn handen, door er iets mede aan te raken dat boos is, of zijn voeten, door te gaan in het spoor der ijdelheid en dwaasheid; maar om zijn lichaam te beschouwen als een lid van Christus (1 Cor. 6:15), en daarom geheiligd tot Zijn dienst en Zijn verheerlijking.
Neig’ nooit mijn hart tot kwade zaken,
om tot godd’loosheid mij te spoên
met mannen, die verkeerdheid doen;
laat mij hun lekkernij niet smaken!
Ps. 141:4
Aan de lezer…
U die dit leest, hebt u er wel eens bij stilgestaan wat het betekent dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest? Het is een verheven waarheid, en zij geldt niet alleen de gemeente als geheel, maar ieder lid in het bijzonder, ook u, indien u van Christus bent. U wordt mede gebouwd tot een woonstede Gods in de Geest. Welk een eer voor een arm schepsel van stof!
Juist daarom roept dit woord tot waakzaamheid. Hoe snel bezoedelen wij onze ogen met zwervende lusten, onze oren met wereldse gesprekken, onze lippen met ijdel geklap. Kent u daarin uw eigen tekort, wees er dan niet onverschillig onder, maar breng het eerlijk bij de Heere. Bid Hem dat Hij uw ogen, oren, lippen, handen en voeten heilige tot Zijn dienst, opdat u als een lid van Christus mocht wandelen, met een inwendige en uitwendige getuigenis dat God door Zijn Geest in u woont.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Op welke ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
Efeze 2:22
Deze woorden zijn van toepassing zowel op het hele lichaam van Christus als geheel, als op elk afzonderlijk lid van dat lichaam, persoonlijk bekeken. Wat de gemeente van God is in haar volkomenheid in Christus, zoals zij straks boven in de hemel zal zijn, en wat zij nu in haar zichtbare en strijdende toestand op aarde is, dat is ook elk lid van die gemeente in het bijzonder. En juist deze verheven waarheid maakt de hierboven aangehaalde woorden zo krachtig van toepassing op elke gelovige in het bijzonder.
Wij zullen allemaal voor onszelf verantwoording moeten afleggen, en de godsdienst is een persoonlijke zaak. Hoe moet dan elke gelovige voor zichzelf erop letten dat hij zo voor God en de mensen wandelt dat hij zowel een inwendig als een uitwendig getuigenis heeft dat zijn lichaam de tempel is van de Heilige Geest (1 Kor. 6:19), en dat hij een woonplaats van God is door de Geest.
Als hij dit ter harte neemt en leeft onder het ernstige gewicht en de invloed ervan, hoe zorgvuldig zal hij dan zijn om dat lichaam, dat de tempel van de Heilige Geest is, niet te bevlekken! Hoe vurig en bezorgd zal hij zijn om zijn ogen niet te bezoedelen met zwervende lusten, en evenmin zijn oren door te luisteren naar wereldse en vleselijke gesprekken, zijn lippen door geveinsd te spreken of mee te doen aan lichtzinnig en ijdel geklets, zijn handen door er iets mee aan te raken wat kwaad is, of zijn voeten door te gaan in het spoor van ijdelheid en dwaasheid. Integendeel, hij zal zijn lichaam beschouwen als een lid van Christus (1 Kor. 6:15), en daarom als geheiligd tot Zijn dienst en Zijn verheerlijking.
Neig’ nooit mijn hart tot kwade zaken,
om tot godd’loosheid mij te spoên
met mannen, die verkeerdheid doen;
laat mij hun lekkernij niet smaken!
Ps. 141:4
Aan de lezer…
U die dit leest, hebt u er weleens bij stilgestaan wat het betekent dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest? Het is een verheven waarheid, en zij geldt niet alleen de gemeente als geheel, maar ieder lid in het bijzonder, ook u, als u van Christus bent. U wordt mede gebouwd tot een woonstede Gods in de Geest. Wat een eer voor een arm schepsel van stof!
Juist daarom roept dit woord op tot waakzaamheid. Hoe snel bezoedelen wij onze ogen met zwervende lusten, onze oren met wereldse gesprekken, onze lippen met ijdel geklets. Herkent u daarin uw eigen tekort, wees er dan niet onverschillig onder, maar breng het eerlijk bij de Heere. Bid Hem dat Hij uw ogen, oren, lippen, handen en voeten heiligt tot Zijn dienst, zodat u als een lid van Christus mag wandelen, met een inwendig en uitwendig getuigenis dat God door Zijn Geest in u woont.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In whom ye also are builded together for an habitation of God through the Spirit.
Ephesians 2:22
These words will apply both to the whole body of Christ viewed collectively, and to each separate member of that body viewed individually; and what the Church of God is in its completeness in Christ, as it will be in heaven above, and what it is in its visible and militant state on earth now, so is every individual member of that Church in this present earthly state; and it is this solemn truth which makes the words before us to have such a forcible application to every individual believer. As we shall all have to answer for ourselves, “to die,” as one said, “alone,” and as religion is a personal matter, how careful should it make each individual believer so to walk before God and man that he may have both an inward and outward evidence that his body is the temple of the Holy Spirit (1 Cor. 6:19), and that he is a habitation of God by the Spirit.
If he realizes this, and lives under its solemn weight and influence, how careful he will be not to defile that body which is the temple of the Holy Spirit; how desirous and anxious not to defile his eyes by wandering lusts, nor his ears by listening to worldly and carnal conversation, nor his lips by speaking deceit, or indulging in light and frothy talk, nor his hands by putting them to anything that is evil, nor his feet by running on errands of vanity and folly; but to view his body as a member of Christ (1 Cor. 6:15), and therefore sanctified to His service and to His glory.
To the reader…
You who are reading this, have you ever stopped to consider what it means that your body is the temple of the Holy Spirit? It is a lofty truth, and it applies not only to the church as a whole, but to every member in particular, to you as well, if you belong to Christ. You are being built together for a habitation of God through the Spirit. What an honour for a poor creature of dust!
That is exactly why this word calls us to watchfulness. How quickly we defile our eyes with wandering lusts, our ears with worldly conversation, our lips with idle talk. If you recognize your own shortcoming in this, do not be indifferent about it, but bring it honestly to the Lord. Pray that He would sanctify your eyes, ears, lips, hands and feet to His service, so that you may walk as a member of Christ, with an inward and outward evidence that God dwells in you by His Spirit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el cual vosotros también sois juntamente edificados, para morada de Dios en Espíritu.
Efesios 2:22
Estas palabras se aplican tanto a todo el cuerpo de Cristo considerado colectivamente como a cada miembro de ese cuerpo considerado individualmente; y lo que la Iglesia de Dios es en su plenitud en Cristo, tal como será en el cielo arriba, y lo que es en su estado visible y militante en la tierra ahora, eso es cada miembro individual de esa Iglesia en este presente estado terrenal; y es esta verdad solemne la que hace que las palabras que tenemos delante tengan una aplicación tan contundente a cada creyente en particular. Puesto que todos tendremos que responder por nosotros mismos, “morir”, como dijo uno, “solos”, y puesto que la religión es un asunto personal, ¡cuán cuidadoso debería hacer esto a cada creyente para andar delante de Dios y de los hombres de tal manera que tenga una evidencia tanto interior como exterior de que su cuerpo es templo del Espíritu Santo (1 Corintios 6:19), y de que es morada de Dios en Espíritu!
Si comprende esto y vive bajo su peso e influencia solemnes, ¡cuán cuidadoso será de no contaminar ese cuerpo que es templo del Espíritu Santo; cuán deseoso y solícito de no contaminar sus ojos con concupiscencias errantes, ni sus oídos escuchando conversaciones mundanas y carnales, ni sus labios hablando engaño o entregándose a una charla ligera y vana, ni sus manos poniéndolas en algo malo, ni sus pies corriendo en mandados de vanidad y necedad; sino de ver su cuerpo como miembro de Cristo (1 Corintios 6:15), y por tanto santificado para Su servicio y para Su gloria!
Al lector…
Usted que lee esto, ¿se ha detenido alguna vez a considerar lo que significa que su cuerpo es templo del Espíritu Santo? Es una verdad elevada, y se aplica no solo a la iglesia en su conjunto, sino a cada miembro en particular, también a usted, si pertenece a Cristo. Usted está siendo juntamente edificado para morada de Dios en Espíritu. ¡Qué honra para una pobre criatura de polvo!
Precisamente por eso esta palabra nos llama a la vigilancia. Con qué rapidez contaminamos nuestros ojos con concupiscencias errantes, nuestros oídos con conversaciones mundanas, nuestros labios con palabras ociosas. Si reconoce en esto su propia falta, no sea indiferente al respecto, sino llévela con sinceridad al Señor. Pida que Él santifique sus ojos, oídos, labios, manos y pies para Su servicio, para que usted ande como miembro de Cristo, con una evidencia interior y exterior de que Dios habita en usted por Su Espíritu.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15
We gaan nu kijken naar enkele geestelijke verzoekingen van de kinderen van de Heere en proberen aan te tonen dat de gezegende Heere deze persoonlijk heeft ervaren, en aldus heeft geleerd medeleven met Zijn kinderen onder Hem te hebben. De voornaamste last van Gods levende kinderen is de zonde. Maar men zou zich kunnen afvragen hoe de gezegende Heere de zonde zou hebben kunnen ondervinden, aangezien Hij er in zowel lichaam als geest volkomen vrij van was.
Het is beslist een zekere en gezegende waarheid dat onze barmhartige Verlosser „geen zonde gekend heeft” (2 Kor. 5:21), en „een onbestraffelijk en onbevlekt Lam” was (1 Petr. 1:19) en „heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren” was (Hebr. 7:26). Toch was de zonde Hem zodanig ten laste gelegd, en heeft de Heere zodanig „onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen” (Jes. 53:6), dat Hij ze voelde alsof ze van Hemzelf waren geweest. „Hij was zonde voor ons gemaakt”; de schuld en last ervan werden op Zijn heilige hoofd gelegd, en werden door tenlastelegging zodanig van Hem, dat het leek alsof Hij de zonden waarvan Hij werd beschuldigd, had begaan.
Kijkt u eens naar het volgende voorbeeld. Bezie de zonde als een schuld tegen de rechtvaardigheid van God. Welnu, als u borg staat voor iemand anders, en hij kan de schuld niet afbetalen, wordt deze evenzeer van u alsof u hem persoonlijk was aangegaan. De wet maakt geen onderscheid tussen zijn schuld en die van u, en de schuldeiser kan zelfs het bed onder u vandaan verkopen om de schuld af te betalen, net alsof u de oorspronkelijke schuldenaar was. Zo nam de gezegende Heere, door Borg voor Zijn kinderen te worden, hun zonden op Zich, en daarmee werden ze van Hemzelf.
Hoe kunnen we anders de uitdrukkingen in de Psalmen verklaren, die kennelijk de taal van Zijn hart en lippen zijn? Bijvoorbeeld het volgende: „Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten” (Ps. 40:13). Spreekt de Heere hier niet van Zijn ongerechtigheden die Hem hebben aangegrepen, zodat Hij onder het gewicht en de last ervan niet kon zien, en dat ze talrijker waren dan de haren van Zijn hoofd?
Lezen: Mattheüs 4:1-11
Aan de lezer…
Is de zonde ook uw zwaarste last? Lieve lezer, dan mag u weten dat de Heere Jezus die last van binnenuit kent. Hij heeft geen zonde gekend, maar Hij is Borg geworden voor Zijn kinderen, en zoals de schuld van een ander de schuld van de borg wordt, zo werden hun zonden de Zijne. De Heere deed onzer aller ongerechtigheid op Hem aanlopen, en Hij droeg ze alsof ze van Hemzelf waren.
Daarom kan Hij spreken van ongerechtigheden die Hem hebben aangegrepen, menigvuldiger dan de haren van Zijn hoofd, zodat Hij niet kon zien. Kent u die taal? Voelt u soms dat uw hart u verlaten heeft? Hij heeft het ervaren, en Hij weet hoe zwaar het is. Gaat u dan gebukt onder uw zonden, ga ermee naar Hem. Hij is niet een Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met uw zwakheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15
We gaan nu kijken naar enkele geestelijke verzoekingen van de kinderen van de Heere. We willen proberen aan te tonen dat de gezegende Heere die persoonlijk heeft ervaren, en zo heeft geleerd mee te leven met Zijn kinderen die eronder gebukt gaan. De voornaamste last van Gods levende kinderen is de zonde. Maar men zou zich kunnen afvragen hoe de gezegende Heere de zonde heeft kunnen ondervinden, omdat Hij er naar lichaam en geest volkomen vrij van was.
Het is beslist een zekere en gezegende waarheid dat onze barmhartige Verlosser „geen zonde gekend heeft” (2 Kor. 5:21), dat Hij „een onbestraffelijk en onbevlekt Lam” was (1 Petr. 1:19) en „heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren” (Hebr. 7:26). Toch werd de zonde Hem zo toegerekend, en heeft de Heere zo „onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen” (Jes. 53:6), dat Hij haar voelde alsof zij van Hemzelf was. „Hij was zonde voor ons gemaakt”. De schuld en de last ervan werden op Zijn heilig hoofd gelegd en werden door toerekening zo de Zijne, dat het leek alsof Hij de zonden die Hem ten laste werden gelegd, zelf had begaan.
Kijkt u eens naar het volgende voorbeeld. Beschouw de zonde als een schuld tegenover de rechtvaardigheid van God. Welnu, als u borg staat voor iemand anders en hij kan de schuld niet afbetalen, dan wordt die evengoed uw schuld alsof u haar zelf was aangegaan. De wet maakt geen onderscheid tussen zijn schuld en de uwe, en de schuldeiser kan zelfs het bed onder u vandaan verkopen om de schuld af te lossen, net alsof u de oorspronkelijke schuldenaar was. Zo nam de gezegende Heere, toen Hij Borg werd voor Zijn kinderen, hun zonden op Zich, en daarmee werden zij de Zijne.
Hoe kunnen we anders de uitdrukkingen in de Psalmen verklaren die duidelijk de taal van Zijn hart en lippen zijn? Bijvoorbeeld deze: „Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten” (Ps. 40:13). Spreekt de Heere hier niet van Zijn ongerechtigheden die Hem hebben aangegrepen, zodat Hij onder het gewicht en de last ervan niet kon zien, en die talrijker waren dan de haren van Zijn hoofd?
Lezen: Mattheüs 4:1-11
Aan de lezer…
Is de zonde ook uw zwaarste last? Dan mag u weten dat de Heere Jezus die last van binnenuit kent. Hij heeft geen zonde gekend, maar Hij is Borg geworden voor Zijn kinderen. Zoals de schuld van een ander de schuld van de borg wordt, zo werden hun zonden de Zijne. De Heere deed onzer aller ongerechtigheid op Hem aanlopen, en Hij droeg die alsof ze van Hemzelf was.
Daarom kan Hij spreken van ongerechtigheden die Hem hebben aangegrepen, menigvuldiger dan de haren van Zijn hoofd, zodat Hij niet kon zien. Kent u die taal? Voelt u soms dat uw hart u verlaten heeft? Hij heeft het ervaren, en Hij weet hoe zwaar het is. Gaat u gebukt onder uw zonden, ga er dan mee naar Hem. Hij is geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met uw zwakheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we have not an High Priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin.
Hebrews 4:15
We shall now look at some of the spiritual temptations of the Lord’s children. We wish to try to show that the blessed Lord experienced them personally, and so learned to sympathise with His children who are bowed down under them. The chief burden of God’s living children is sin. But it might be asked how the blessed Lord could have experienced sin, since He was perfectly free from it in body and in spirit.
It is indeed a sure and blessed truth that our merciful Redeemer “knew no sin” (2 Cor. 5:21), that He was “a lamb without blemish and without spot” (1 Pet. 1:19), and “holy, harmless, undefiled, separate from sinners” (Heb. 7:26). Yet sin was so imputed to Him, and the Lord so “laid on Him the iniquity of us all” (Isa. 53:6), that He felt it as though it were His own. “He hath made Him to be sin for us.” The guilt and burden of it were laid upon His holy head and became so His by imputation that it seemed as if He Himself had committed the sins laid to His charge.
Look at the following illustration. Consider sin as a debt to the justice of God. Now, if you stand surety for another and he cannot pay the debt, it becomes your debt just as much as if you had contracted it yourself. The law makes no distinction between his debt and yours, and the creditor may even sell the bed from under you to discharge the debt, just as if you had been the original debtor. So the blessed Lord, when He became Surety for His children, took their sins upon Himself, and thereby they became His.
How else can we explain the expressions in the Psalms which are clearly the language of His heart and lips? For instance this: “For innumerable evils have compassed Me about: Mine iniquities have taken hold upon Me, so that I am not able to look up; they are more than the hairs of Mine head: therefore My heart faileth Me” (Ps. 40:12). Does not the Lord here speak of His iniquities which had taken hold upon Him, so that under their weight and burden He could not look up, and which were more than the hairs of His head?
Reading: Matthew 4:1-11
To the reader…
Is sin your heaviest burden too? Then you may know that the Lord Jesus knows that burden from within. He knew no sin, but He became Surety for His children. Just as the debt of another becomes the debt of the surety, so their sins became His. The Lord laid on Him the iniquity of us all, and He bore it as though it were His own.
That is why He can speak of iniquities that had taken hold upon Him, more than the hairs of His head, so that He was not able to look up. Do you know that language? Do you sometimes feel that your heart has failed you? He has experienced it, and He knows how heavy it is. If you are bowed down under your sins, go with them to Him. He is not a High Priest Who cannot be touched with the feeling of your infirmities.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque no tenemos un Pontífice que no se pueda compadecer de nuestras flaquezas; mas tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado.
Hebreos 4:15
Consideraremos ahora algunas de las tentaciones espirituales de los hijos del Señor. Deseamos intentar mostrar que el bendito Señor las experimentó personalmente, y así aprendió a compadecerse de Sus hijos que están abatidos bajo ellas. La carga principal de los hijos vivientes de Dios es el pecado. Pero podría preguntarse cómo pudo el bendito Señor haber experimentado el pecado, puesto que estaba perfectamente libre de él en cuerpo y en espíritu.
Es en verdad una verdad cierta y bendita que nuestro misericordioso Redentor “no conoció pecado” (2 Cor. 5:21), que fue “un cordero sin mancha y sin contaminación” (1 Ped. 1:19), y “santo, inocente, limpio, apartado de los pecadores” (Heb. 7:26). Sin embargo, el pecado le fue de tal manera imputado, y el Señor de tal manera “cargó en Él el pecado de todos nosotros” (Isa. 53:6), que Él lo sintió como si fuera Suyo. “Al que no conoció pecado, hizo pecado por nosotros”. La culpa y la carga del pecado fueron puestas sobre Su santa cabeza y llegaron a ser tan Suyas por imputación que parecía como si Él mismo hubiera cometido los pecados que se le cargaban.
Mire la siguiente ilustración. Considere el pecado como una deuda con la justicia de Dios. Ahora bien, si usted sale fiador de otro y él no puede pagar la deuda, esta se convierte en deuda suya tanto como si usted mismo la hubiera contraído. La ley no hace distinción entre la deuda de él y la de usted, y el acreedor puede incluso vender la cama en que usted duerme para saldar la deuda, igual que si usted hubiera sido el deudor original. Así el bendito Señor, cuando se hizo Fiador de Sus hijos, tomó sobre Sí los pecados de ellos, y por ello llegaron a ser Suyos.
¿De qué otro modo podemos explicar las expresiones de los Salmos que son claramente el lenguaje de Su corazón y de Sus labios? Por ejemplo esta: “Porque me han cercado males sin número; me han comprendido Mis maldades, y no puedo levantar la vista: hanse aumentado más que los cabellos de Mi cabeza, y Mi corazón me falta” (Sal. 40:12). ¿No habla aquí el Señor de Sus maldades que le habían comprendido, de modo que bajo su peso y carga no podía levantar la vista, y que eran más que los cabellos de Su cabeza?
Lectura: Mateo 4:1-11
Al lector…
¿Es el pecado también su carga más pesada? Entonces puede saber que el Señor Jesús conoce esa carga desde dentro. Él no conoció pecado, pero se hizo Fiador de Sus hijos. Así como la deuda de otro se convierte en deuda del fiador, así los pecados de ellos llegaron a ser Suyos. El Señor cargó en Él el pecado de todos nosotros, y Él lo llevó como si fuera Suyo.
Por eso puede hablar de maldades que le habían comprendido, más que los cabellos de Su cabeza, de modo que no podía levantar la vista. ¿Conoce usted ese lenguaje? ¿Siente a veces que su corazón le falta? Él lo ha experimentado, y sabe cuán pesado es. Si está abatido bajo sus pecados, vaya con ellos a Él. Él no es un Sumo Sacerdote que no se pueda compadecer de sus flaquezas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.
Jesaja 40:31
Wat verschilt de godsdienst van een levende ziel van de godsdienst van een dode belijder! De godsdienst van een dode belijder begint met zichzelf en eindigt in zichzelf; begint in eigen wijsheid en eindigt in eigen dwaasheid; begint in eigen kracht en eindigt in eigen zwakheid; begint in eigen gerechtigheid en eindigt in eigen verderf. Er is in hem nooit een uitgang der ziel tot God, er zijn geen verborgen handelingen met de Heere, geen daden des geloofs ten opzichte van de Goddelijke volmaaktheden. Maar het kind van God, ofschoon dikwijls zwak, vermoeid en afgemat door vele moeilijkheden, lasten en smarten, stijgt, wanneer evenwel de Heere Zich vertoont en zijn kracht vernieuwt, omhoog en laat niet af zich op de vleugelen van geloof en liefde te verheffen totdat hij in het heiligdom des Allerhoogsten ingaat.
Een levende ziel kan nooit vergenoegd zijn, tenzij hij in een levendige vereniging en gemeenschap verkeert met de Heere van leven en heerlijkheid. Alles wat niet hiertoe strekt, is hem ledig. Alles wat de tijd en het genot bieden, kan een kind van God niet bevredigen. Niets anders dan de levensgemeenschap en vereniging met de Heere, Zijn tegenwoordigheid te genieten, Zijn liefde te smaken, Zijn gunst te genieten, Zijn heerlijkheid te aanschouwen, niets anders dan alleen dit zal ooit de behoeften van een verloste en wedergeboren ziel kunnen vervullen. Daartoe verwaardigt de Heere Zijn volk.
„Zij zullen de kracht vernieuwen.” Zij zullen niet altoos kermend op de grond liggen, niet altoos in bezwijming liggen vanwege de verwondingen door de zonde, niet altoos geketend door de boeien der wereld, niet altijd in hun ziel gejaagd als een veldhoen op de bergen. Er zal een vernieuwing van hun kracht zijn. „Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen en niet moede worden; zij zullen wandelen en niet mat worden.”
Aan de lezer…
Soms ligt u kermend op de grond, zwak en afgemat door vele lasten en smarten. Bent u gejaagd als een veldhoen op de bergen, en lijkt het of uw kracht voorgoed is weggezonken? Ik zeg niet dat een kind van God nooit moe wordt. Ik zeg juist dat het dikwijls zwak, vermoeid en afgemat is. Maar het verschil met een dode belijder is dit: het kan niet vergenoegd zijn zonder de Heere Zelf, en het verwacht Hem.
Laat dan die ledigheid, die niets van de tijd en het genot kan vullen, u niet ontmoedigen. Zij is een teken van leven. „Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.” Zij zullen niet altoos in bezwijming liggen. Wanneer Hij Zich vertoont, worden vleugelen gegeven, gelijk de arenden. Wacht dan op Hem, ook als het lang duurt. Wie Hem verwacht, zal lopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.
Jesaja 40:31
Wat verschilt de godsdienst van een levende ziel van de godsdienst van een dode belijder! De godsdienst van een dode belijder begint bij zichzelf en eindigt in zichzelf. Hij begint in eigen wijsheid en eindigt in eigen dwaasheid; hij begint in eigen kracht en eindigt in eigen zwakheid; hij begint in eigen gerechtigheid en eindigt in eigen verderf. Er is bij hem nooit een uitgaan van de ziel naar God, er is geen verborgen omgang met de Heere, er zijn geen daden van geloof met betrekking tot de Goddelijke volmaaktheden. Maar het kind van God is vaak zwak, vermoeid en uitgeput door veel moeilijkheden, lasten en smarten. Toch stijgt het omhoog wanneer de Heere Zich vertoont en zijn kracht vernieuwt, en het houdt niet op zich op de vleugels van geloof en liefde te verheffen totdat het ingaat in het heiligdom van de Allerhoogste.
Een levende ziel kan nooit tevreden zijn, tenzij zij in een levendige vereniging en gemeenschap leeft met de Heere van leven en heerlijkheid. Alles wat daar niet toe leidt, is voor haar leeg. Alles wat de tijd en het genot te bieden hebben, kan een kind van God niet bevredigen. Niets anders dan de levensgemeenschap en vereniging met de Heere, het genieten van Zijn tegenwoordigheid, het smaken van Zijn liefde, het genieten van Zijn gunst, het aanschouwen van Zijn heerlijkheid, niets anders dan alleen dit zal ooit de behoeften van een verloste en wedergeboren ziel kunnen vervullen. Daartoe verwaardigt de Heere Zijn volk.
„Zij zullen de kracht vernieuwen.” Zij zullen niet altijd kermend op de grond liggen, niet altijd bezwijmd liggen door de wonden die de zonde slaat, niet altijd geketend zijn door de boeien van de wereld, niet altijd in hun ziel opgejaagd worden als een veldhoen op de bergen. Er zal een vernieuwing van hun kracht zijn. „Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen en niet moede worden; zij zullen wandelen en niet mat worden.”
Aan de lezer…
Soms ligt u kermend op de grond, zwak en uitgeput door veel lasten en smarten. Wordt u opgejaagd als een veldhoen op de bergen, en lijkt het alsof uw kracht voorgoed verdwenen is? Ik zeg niet dat een kind van God nooit moe wordt. Ik zeg juist dat het vaak zwak, vermoeid en uitgeput is. Maar het verschil met een dode belijder is dit: het kan niet tevreden zijn zonder de Heere Zelf, en het verwacht Hem.
Laat dan die leegte, die niets van de tijd en het genot kan vullen, u niet ontmoedigen. Zij is een teken van leven. „Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.” Zij zullen niet altijd bezwijmd blijven liggen. Wanneer Hij Zich vertoont, worden er vleugels gegeven, zoals de arenden hebben. Wacht dan op Hem, ook als het lang duurt. Wie Hem verwacht, zal lopen en niet moe worden, wandelen en niet mat worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But they that wait upon the LORD shall renew their strength.
Isaiah 40:31
How different the religion of a living soul is from the religion of a dead professor! The religion of a dead professor begins in self, and ends in self; begins in his own wisdom, and ends in his own folly; begins in his own strength, and ends in his own weakness; begins in his own righteousness, and ends in his own damnation! There is in him never any going out of soul after God, no secret dealings with the Lord, no actings of faith upon the divine perfections.
But the child of God, though he is often faint, weary, and exhausted with many difficulties, burdens and sorrows; yet when the Lord does show Himself, and renews his strength, he soars aloft, and never ceases to mount up on the wings of faith and love until he penetrates into the very sanctuary of the most High. A living soul never can be satisfied except in living union and communion with the Lord of life and glory. Everything short of that leaves it empty. All the things of time and sense leave a child of God unsatisfied. Nothing but vital union and communion with the Lord of life, to feel His presence, taste His love, enjoy His favor, see His glory—nothing but this will ever satisfy the desires of ransomed and regenerated souls. This the Lord indulges His people with.
“They shall renew their strength.” They shall not be always lying groaning on the ground, not always swooning away through the wounds made by sin, not always chained down by the fetters of the world, not always hunted in their souls like a partridge upon the mountains. There shall be a renewal of their strength; and in their renewal, “they shall mount up with wings as eagles; they shall run, and not be weary; and they shall walk, and not faint.”
To the reader…
Sometimes you lie groaning on the ground, weak and exhausted by many burdens and sorrows. Are you hunted like a partridge upon the mountains, and does it seem as if your strength has gone for good? I do not say that a child of God never grows weary. I say rather that it is often weak, weary and exhausted. But the difference from a dead professor is this: it cannot be satisfied without the Lord Himself, and it waits for Him.
Do not let that emptiness, which nothing of time and sense can fill, discourage you, then. It is a sign of life. “They that wait upon the LORD shall renew their strength.” They will not always lie fainting. When He shows Himself, wings are given, as eagles have. Wait for Him, then, even if it takes long. Whoever waits for Him shall run, and not be weary; shall walk, and not faint.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas los que esperan a Jehová tendrán nuevas fuerzas.
Isaías 40:31
¡Qué diferente es la religión de un alma viva de la religión de un profesante muerto! La religión de un profesante muerto comienza en el yo y termina en el yo; comienza en su propia sabiduría y termina en su propia necedad; comienza en su propia fuerza y termina en su propia debilidad; ¡comienza en su propia justicia y termina en su propia condenación! En él no hay nunca un salir del alma en pos de Dios, ni tratos secretos con el Señor, ni actos de fe sobre las perfecciones divinas.
Pero el hijo de Dios, aunque a menudo está desfallecido, cansado y agotado por muchas dificultades, cargas y penas, cuando el Señor Se muestra y renueva sus fuerzas, se eleva a lo alto y no deja de remontarse en las alas de la fe y del amor hasta penetrar en el santuario mismo del Altísimo. Un alma viva nunca puede quedar satisfecha sino en unión y comunión viva con el Señor de la vida y de la gloria. Todo lo que no llegue a eso la deja vacía. Todas las cosas del tiempo y de los sentidos dejan insatisfecho a un hijo de Dios. Nada sino la unión y comunión vital con el Señor de la vida, sentir Su presencia, gustar Su amor, gozar de Su favor, ver Su gloria: nada sino esto satisfará jamás los deseos de las almas rescatadas y regeneradas. Con esto regala el Señor a Su pueblo.
“Tendrán nuevas fuerzas.” No estarán siempre tendidos en tierra gimiendo, ni siempre desmayados por las heridas que hace el pecado, ni siempre encadenados por los grillos del mundo, ni siempre perseguidos en su alma como una perdiz por los montes. Habrá una renovación de sus fuerzas; y en su renovación “levantarán las alas como águilas, correrán, y no se cansarán, caminarán, y no se fatigarán”.
Al lector…
A veces usted está tendido en tierra gimiendo, débil y agotado por muchas cargas y penas. ¿Es perseguido como una perdiz por los montes, y le parece que sus fuerzas se han ido para siempre? No digo que un hijo de Dios nunca se canse. Digo más bien que a menudo está débil, cansado y agotado. Pero la diferencia con un profesante muerto es esta: no puede quedar satisfecho sin el Señor mismo, y Le espera.
No deje, pues, que ese vacío, que nada del tiempo y de los sentidos puede llenar, le desanime. Es una señal de vida. “Los que esperan a Jehová tendrán nuevas fuerzas”. No estarán siempre desmayados. Cuando Él Se muestra, se dan alas, como las tienen las águilas. Espérele, pues, aunque tarde. Quien Le espera correrá, y no se cansará; caminará, y no se fatigará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl