Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · vandaag
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren Uit De Volle Oogst

Vandaag
2 november Korenaren uit de volle oogst

Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3

In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Uit alle delen van de wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, stijgen uit verbroken harten gebeden op tot „God, de Allerhoogste”. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht en alle harten gevestigd; naar Hem gaat elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”. Hij hoort de zuchten en het geroep van Zijn kinderen, dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden. En Hij zit niet alleen in de hoogte om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat ieder van hen die in zijn toestand en staat nodig heeft.

Wanneer zullen wij dan tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij tevreden zijn over onszelf? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer alles van buiten en van binnen gemakkelijk gaat? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? In zulke omstandigheden kunnen wij ons geweten misschien tevredenstellen met gebed, of liever met de vorm van gebed; maar dan is er geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij op die plaats gebracht worden: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).

Op deze plaats werden alle heiligen van vroeger gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur van de tempel. Zij waren allen hopeloos en hulpeloos, zonder woning en zonder schuilplaats, voordat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. Ook wij moeten zonder schuilplaats en zonder woning zijn, voordat wij hetzelfde kunnen roepen en voordat onze gebeden ingang vinden in de oren van de Heere Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”

Als God niet iets voor ons deed, ja meer, als God niet alles voor ons voleindde, dan zou het een bespotting en zelfbedrog zijn om ooit tot Hem te bidden. „De Verwachting Israëls” zou dan voor ons een stomme afgod zijn, zoals Astaroth of Baäl, die het geroep van zijn aanbidders, die zich met lancetten sneden, niet kon horen, omdat hij iets te vervolgen had, of sliep en gewekt moest worden. Maar de God van Israël is niet zoals die stomme afgoden, die goden van de ashoop, het werk van mensenhanden, de verzinsels van bijgeloof en onwetendheid. Hij is de eeuwige Jehovah, Die altijd leeft om de gebeden te horen en te verhoren die Zijn volk tot Hem opzendt.

Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.

Ps. 123:1

Aan de lezer…

Hebt u misschien lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende leken? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur van de tempel waren daar, hopeloos en hulpeloos, voordat zij riepen.

Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen, in welke uithoek van de aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat ieder in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk