Jesus the Enthroned King — The Execution of the Eternal Purpose
De UITVOERING van dit voornemen in de menswording, de dood, de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van de Zoon van God.
Onze gezegende Heere zei over Zichzelf: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort (Johannes 12:24). Met dit beeld van het tarwegraan wees de Heere op Zijn dood en opstanding en op de vrucht die daaruit zou voortkomen. Met hetzelfde beeld zegt de apostel: Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil (1 Korinthe 15:38).
Om Gods eeuwige voornemens uit te voeren en Zijn dierbare Zoon te verheerlijken was het dus nodig dat Hij een lichaam aannam. De Vader had dat voor Hem uitgekozen en toebereid. Hij zou worden verheven tot koninklijke waardigheid en macht. Dat gebeurde niet alleen als Zoon van God maar als Mensenzoon, of liever als Zoon van God en Mensenzoon in één Persoon. In deze verborgenheid, de zeer gezegende vereniging van Godheid en mensheid in één heerlijke Persoon, liggen grenzeloze schatten van genade en heerlijkheid verborgen.
Om Koning te zijn is Hij mens geworden. Pilatus vroeg: Zijt Gij dan een Koning? en Jezus antwoordde: Gij zegt (dat wil zeggen: naar waarheid) dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren (Johannes 18:37). De weg naar het koningschap, naar een troon die zou blijven zolang de hemel bestaat, liep door de schoot van de maagd. De eeuwige Zoon van God moest in de tijd mens worden om als Godmens te kunnen regeren tot in alle eeuwigheid. Hij moest op aarde komen opdat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven zou worden (Mattheüs 28:18).
Hij moest lager worden gemaakt dan de laagste om hoger te kunnen worden dan de hoogste. Hij moest dienen om te kunnen heersen. Hij moest de voeten van Zijn discipelen wassen opdat een kroon van heerlijkheid op Zijn hoofd gezet zou worden. Hij moest de gestalte van een dienstknecht aannemen. Daarom heeft God Hem, naar het woord van de apostel, uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; zodat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn (Filippenzen 2:7-10).
Door de ongehoorzaamheid en overtreding van de mens, geschapen naar het beeld van God als Zijn vertegenwoordiger op aarde, is Gods lagere schepping geschonden en ontsierd. De zonde, de verwoester, drong het paradijs binnen. Met de zonde kwam de dood. Met de dood verspreidden wanorde, wrak en verwoesting zich wijd en zijd over dit eens zo schone gebied dat God Zelf zeer goed had genoemd. Zo is de aarde een ware Akeldama geworden, een bloedakker.
Hoe oneervol zou het geweest zijn voor de eeuwig levende God als Satan zo had mogen zegevieren! Zou het niet de roem van de duivelen en de verbazing van de engelen zijn geweest dat de aartsvijand uit de hel als het ware met zijn sluwheid de hele wijsheid van de Alwetende te slim af was geweest? En dat hij met zijn macht de hele kracht van de Almachtige had verslagen? Verwoesten is, zoals wij allen weten, gemakkelijker dan scheppen.
Een kind kan per ongeluk of uit onbezonnenheid in een ogenblik een onbetaalbare vaas breken. Een waanzinnige kan de opgehoopte rijkdom van eeuwen in brand steken. Een laaghartige moordenaar kan met één steek een leven nemen dat voor een heel volk kostbaar was. Maar als verwoesten zoveel gemakkelijker is dan scheppen, hoeveel moeilijker is het dan om het verwoeste te herstellen! Welke vaardige hand zal de verbrijzelde vaas herstellen? Welke kunst kan ons de kostbare handschriften teruggeven, de antieke camees, de beelden van een Phidias, de schilderijen van een Rafaël? Welke prometheïsche kunde kan het leven van de vermoorde staatsman vernieuwen?
Hier schiet de kunde van de mens tekort. Hier lijkt de spottende duivel te zegevieren en nieuwe kracht te verzamelen voor dat helse werk waaraan hij zijn naam ontleent: Abaddon, de verwoester (Openbaring 9:11, kanttekening). Maar waar de mens wankelt in wanhoop en Satan juicht in triomf, schitteren de wijsheid van de Alwijze, de macht van de Almachtige en de genade van de Algenadige met oneindige glans voor de ogen van alle geschapen verstanden.
Over de mens triomfeerde Satan door list en helse sluwheid. Maar door de mens, door juist die natuur die hij volledig wilde vernietigen, zal hij worden verijdeld, verslagen en overladen met schaamte en eeuwige verachting. Hij mocht de ellendige mens binden in de keten van de zonde totdat het ijzer in zijn ziel drong. Maar door een mens zullen eeuwige ketenen om hem worden gelegd tot het oordeel van de grote dag. Als Apollyon, de verwoester, zal hij het beeld van God in de mens verwoesten. Maar door een mens zal dat beeld worden hersteld. En niet alleen dat: het zal worden verheven tot een heerlijkheid, een helderheid en een glans die het door de oorspronkelijke schepping nooit had kunnen bereiken.
Hoogmoed en nijd zetten Satan aan tot het beramen van zijn dodelijke daad. Zij werden aangewakkerd door wanhopige boosaardigheid tegen God en mens: de menselijke natuur, bij de schepping lager dan die van de engelen, zou verheven worden tot de gunst waaruit hij zelf was gevallen. Hij wilde die natuur ruïneren en vernietigen. Het beeld van God mocht niet op aarde schijnen. Hij wilde het schenden en ontsieren.
Juist de natuur waarin dat beeld gedrukt was, wilde hij bezoedelen met zijn eigen helse gebroed.
Hij wilde haar vernederen tot in de diepste hel en vullen met beestachtigheid en vuil, bloed en misdaad. Zij moest zo diep zinken, dieper dan de dieren, dat God een afkeer zou krijgen van het werk van Zijn eigen handen. In dit helse plan mocht hij, in de ondoorgrondelijke wijsheid van God, zover slagen dat hij de wereld maakte tot wat wij nu zien: een afschuwelijk wrak en puin. Als een reusachtig kadaver ligt zij te rotten en te zinderen in haar eigen bederf. Alleen de brandende vlammen van de hel lijken nog de plaats waarheen zij kan worden verbannen, weg van het gezicht en de tegenwoordigheid van een God Die te rein van ogen is om het kwade te aanschouwen en Die het onrecht niet kan aanzien.
Maar o, de diepten van de eeuwige wijsheid en de overstijgende genade! Juist toen de springvloed van de ongerechtigheid zijn hoogste stand had bereikt en de hele wereld als door de wateren van een tweede zondvloed overspoeld leek met het kwade, kwam de Zoon van God in het vlees. Hij kwam in dit door de tijd getekende toneel van zonde en wee. Hij kwam in deze verwoeste wereld en, wat veel erger was, te midden van deze verlaagde en verlopen mensen die wilde dieren waren geworden. Uit de schoot van de Vader kwam de Zoon van Zijn liefde voort om de verwoeste plaatsen te herstellen, de verwoestingen van vele geslachten.
Op deze door de zonde geslagen aarde, deze woonplaats van ellende en misdaad, rustten de voeten van de Zoon van God in onze natuur. Dit dal van tranen doorliep Hij met heilige schreden, in de wereld maar niet van de wereld, een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Naar de oude belofte is het gebeurd: wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou (Galaten 4:4-5).
In die heilige mensheid stond de eeuwige Zoon van de Vader in de bres en herstelde Hij de breuk.
Het was echt vlees en bloed, het vlees en bloed van de kinderen, maar niet gevallen zoals het hunne. Het was heilig en rein. Hij nam een heilig deel van die natuur, die zonde en Satan hadden bezoedeld, op in de eenheid met Zijn eigen goddelijke Persoon. Daarin gehoorzaamde Hij de wet en onderging Hij de vloek. Hij bracht Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel als offer voor de zonde en legde het leven neer dat Hij daartoe had aangenomen. Zijn onvergankelijk lichaam wekte Hij op uit het graf en nam het mee naar de hoven van de zaligheid, om daar te gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte.
O de wijsheid en de macht van God! O de ondoorgrondelijke diepten van barmhartigheid en genade! O de onnaspeurlijke schatten van goedheid en liefde! O de zich openende vergezichten van eeuwige heerlijkheid! Satan verijdeld! De zonde uitgewist! Het beeld van God hersteld! De menselijke natuur verheven tot onvoorstelbare waardigheid door haar persoonlijke vereniging met de goddelijke Persoon van de Zoon van God! De gevallen gemeente gewassen, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt met alle heerlijkheid van haar Hoofd en Man!
En een eeuwige opbrengst van heerlijkheid is gebracht aan de drie-enige Jehova. Aan God de Vader voor Zijn eeuwige voornemens van wijsheid en liefde. Aan God de Zoon voor Zijn onuitsprekelijke neerbuiging in het werk van de verlossing. Aan God de Heilige Geest, omdat Hij de heilige mensheid van Jezus gevormd heeft en de uitverkorenen van God heiligt om Zijn genade te kennen, aan Zijn beeld gelijkvormig te worden en deel te hebben aan Zijn heerlijkheid.
Maar meegesleept door de genade en heerlijkheid van een zo kostbaar onderwerp zijn wij onze stof eigenlijk vooruitgelopen. Wij wilden het verband aantonen tussen de menswording en de dood van Jezus en Zijn verheffing tot koninklijke waardigheid. Tot nu toe hebben wij dus laten zien dat in de grenzeloze diepten van de wijsheid van God Zijn dierbare Zoon vlees aannam om als onze grote Hogepriester de zonde weg te doen door het offer van Zichzelf. Maar dezelfde grenzeloze wijsheid en genade die het offer voorzag, verzekerde Hem van een kroon als Zijn loon. Dat was een deel van de vreugde, die Hem voorgesteld was, waarvoor Hij het kruis heeft verdragen, en schande veracht.
De dood was niet alleen nodig als onderdeel, als hoofdonderdeel, van het offer dat Hij als Priester bracht. Hij was ook een vereiste voor de heerlijkheid waarmee Hij als Koning gekroond zou worden. In feite moesten al Zijn drie ambten, als Profeet, Priester en Koning, door Zijn lijden en sterven worden gedragen en groot gemaakt. Wat een voorbeeld van zachtmoedigheid en martelaarschap zien wij in de stervende Profeet! Wat een lessen over lijden en het geduldig verdragen van de diepste pijn en schande! Wat een kostbaar bloed in een stervende Priester, wat een genade in een stervende Koning! Dat laatste straalde zo helder dat de stervende misdadiger Hem als Koning erkende en smeekte om een aandeel in Zijn koninkrijk.
Maar er was nog een andere reden waarom de weg naar de troon door het dal van de schaduw des doods liep. Onze gezegende Heere moest de dood vernietigen en wie de macht over de dood had, de duivel. Dat kon alleen door den dood (Hebreeën 2:14).
Door de zonde was de dood in de wereld gekomen en nauwelijks was hij binnen of hij zette zijn troon op aarde op. Want hij heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen (dat wil zeggen de kleine kinderen) die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam (Romeinen 5:14). Die overtreding was een vrijwillige daad van ongehoorzaamheid. Maar overweldigd door hun erfzonde waren de kinderen onder de macht en het gezag van de gruwelijke koning van de verschrikkingen gevallen.
De scepter moest hem dus uit de hand worden gewrongen. Maar volgens de eeuwige beschikkingen van de oneindige wijsheid kon dat alleen doordat de Zoon van God Zich onderwierp aan het sterven. Daarom nam Hij een natuur aan die kon sterven. Zij was in zichzelf niet sterfelijk maar in staat te sterven door een vrijwillige daad. Niemand nam Hem Zijn leven af. De Heere van het leven kon niet van het leven worden beroofd door schepselen aan wie Hij Zelf adem had gegeven. Maar Hij kon het leven dat Hij had aangenomen neerleggen door Zich vrijwillig te onderwerpen aan de heerschappij van de dood.
Zo kon Hij de dood de scepter uit de greep rukken en hem verbreken en tenietdoen. Met dezelfde daad van verdienstelijke gehoorzaamheid brak Hij de heerschappij van Satan, die het geweld des doods had. Satan joeg met de dood de kinderen van God voortdurend schrik aan en hield hen door die angst in wrede slavernij.
Het verdient onze volle aandacht en biddende overweging om met het oog van het geloof te zien hoe wijsheid en macht schitteren in de weg waarop de alwijze God Zijn dierbare Zoon heeft gezonden om de werken des duivels te vernietigen, of zoals het woord in de grondtekst luidt, los te maken (1 Johannes 3:8). Satan had als het ware een verward kluwen gesponnen toen hij de koorden van de zonde om het hart van de mens wierp. Deze verwarde en strak aangetrokken knoop kon niet worden doorgehakt met het zwaard van almachtige kracht. Hij moest door oneindige wijsheid en geduld over zijn hele lengte worden ontward.
Het werk dat Satan had gedaan, moest ongedaan worden gemaakt. Ongehoorzaamheid moest worden hersteld door gehoorzaamheid, de vrijwillige gehoorzaamheid van de Zoon van God en daarom van oneindige waarde. Zonde moest worden verzoend door een offer, het offer van de natuur die gezondigd had, in eenheid met de Persoon van de Zoon van God en daarom ontlenend aan Hem een onuitsprekelijke kracht. De dood moest worden vernietigd doordat de eeuwig levende Zoon van God Zich onderwierp aan het sterven. De wet moest groot gemaakt worden doordat Hij haar hield Die door Zijn goddelijke Persoon boven de wet staat.
De Wetgever moest de Wetvervuller zijn. Hij Die de eeuwig Gezegende is, moest een vloek worden gemaakt. En de Heilige Israëls, Die geen zonde gekend heeft, moest zonde voor ons gemaakt worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Korinthe 5:21). Wie zal Mij doornen en distels in de strijd tegenover stellen? vraagt de Heere. Ik zou er dwars doorheen gaan, is Zijn antwoord (Jesaja 27:4). Zo ging onze gezegende Heere dwars door de doornen en distels die tegen Hem in de strijd waren gesteld. Hij ging volledig door alles heen wat Hij op Zich had genomen. En door erdoorheen te gaan ontwarde Hij het werk van Satan.
Laten wij dit duidelijker uitleggen, want het is een punt vol waarheid en zegen. Zo ging Hij door de verzoeking heen, helemaal doorheen, want Hij in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest (Hebreeën 4:15). Door elke mogelijke verzoeking heen te gaan die ons kan bestormen, doorliep Hij als het ware de hele laan van de verzoeking van begin tot eind. Zo ging Hij door de hele wet heen en bewees haar een volmaakte gehoorzaamheid in elke eis van onfeilbare liefde tot God en tot Zijn naaste. Zo ging Hij door het hele lijden heen, want Hij was een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Hij onderging elke denkbare vorm van lijden die te verenigen was met een heilige natuur.
En in zekere zin ging Hij door de hele zonde heen. Niet als persoonlijk overtreder, want Hij was volkomen heilig naar lichaam en ziel, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Maar door toerekening voelde Hij het gewicht, het leed en de last van alle zonden van Zijn uitverkoren volk. Zo ging Hij ook door de hele toorn van God heen, want Hij dronk de beker van Gods gramschap tegen de zonde tot op de bodem leeg. Wij kunnen deze dingen maar even aanstippen. Maar zij zijn van de diepste betekenis en kunnen met Gods hulp en zegen een thema zijn voor zeer vruchtbare overdenking. Zij omvatten immers het hele werk dat de Vader Hem te doen gaf.
Terwijl Hij zo overal doorheen ging en daardoor de werken van de duivel ongedaan maakte, is het goed te bedenken en als het ware voor ogen te hebben dat de gezegende Heere dit alles doorging in Zijn Persoon als Godmens, die uit twee naturen bestaat. Zo ging Zijn heilige mensheid, in eenheid met Zijn Godheid, door de wet, de verzoeking, het lijden en de dood. De menselijke natuur smaakte dit alles in zijn uiterste hevigheid. Maar de goddelijke natuur schraagde, verhief en veredelde elke gedachte, elk woord en elke daad van het lijden en de gehoorzaamheid van de heilige mensheid. Zij gaf daaraan onuitsprekelijke waarde, verdienste en geldigheid. Er was immers maar één Persoon, hoewel met twee naturen, en daarom waren alle daden persoonlijke daden.
Kijk ter illustratie naar de werking van onze eigen ziel en ons lichaam. Die zijn onderscheiden maar worden, verenigd in één persoon, als één beschouwd. Zo drukte Zijn Godheid, in eenheid met Zijn gehoorzamende en lijdende mensheid, bij elke volgende stap van Zijn weg het stempel van alle waarde en geldigheid van de Godheid op elke beweging. Als dit moeilijk te begrijpen is, of althans te beseffen (want wie kan het begrijpen?), denk dan terug aan ons beeld. Is de geest van een kunstenaar niet in zijn werk gedrukt? Drukt onze ziel zich niet uit door ons lichaam? Zo drukte de Godheid waarde en geldigheid op alle daden van de mensheid van de Verlosser.
Hiernaar wordt fraai verwezen in Psalm 45, in de beschrijving van de bruidskleren van de gemeente als koningin: Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden (Psalm 45:14-15). Het goud moest in haar kleding worden geweven en de kleding moest van borduurwerk zijn. Dat wijst erop dat haar mantel van rechtvaardigmakende gerechtigheid als het ware werd gemaakt als borduurwerk, steek voor steek. En toch was elke draad met goud geborduurd.
Hier hebben wij de draad van de mensheid in eenheid met het goud van de Godheid, en toch zo nauw verenigd dat de draad maar één is. Bij gouddraad zit de schoonheid, de waarde, in het goud. Maar hoe nauw is de vereniging! Goud alleen kan niet tot borduurwerk worden gemaakt. Zo kan de Godheid niet lijden, bloeden of sterven. De mensheid kan dat wel, in eenheid met haar. Het is deze vereniging van Godheid met mensheid die het werk van de verlossende liefde zo onuitsprekelijk heerlijk en zo verdienstelijk krachtig maakte. Zoals Hart zegt: De almachtige God zuchtte menselijke adem.
Het is inderdaad een verborgenheid. Maar de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees. O heerlijke verborgenheid!
De hoogste hemelen schieten hierbij tekort; het is dieper dan de wijde afgrond; het is meer dan het denken ooit kan bevatten, de hoop kan verwachten of het geloof kan geloven.
Maar wat of waar zou de verlossing zijn geweest als de Godheid niet aan elke gedachte, elk woord en elke daad van de gehoorzame, lijdende mensheid waarde en geldigheid had gegeven? Onze gezegende Heere ging dus door de dood heen. Schijnbaar overwonnen, maar in werkelijkheid overwinnaar. Schijnbaar door Satan ten val gebracht, maar in werkelijkheid zijn overweldiger. Schijnbaar met schande bedekt, maar alleen om met heerlijkheid en eer gekroond te worden. Schijnbaar onder de vloek van God, maar in werkelijkheid de vloek dragend opdat Hij een zegen zou worden.
Als dienstknecht was Hij gehoorzaam tot de dood, want kruisiging was de straf voor slaven. Maar Hij onderging die opdat Hij juist in die natuur die daar leed, bloedde en stierf, verhoogd zou worden tot een troon van onsterfelijke heerlijkheid.
Zo lag Hij ook in het graf. Zoals Hij door te sterven de dood zijn angel kon ontnemen, zo kon Hij door het graf het graf van zijn overwinning beroven. Maar de dood kon de Heere van het leven niet vasthouden. Het graf kon de hand niet boeien die de sleutels van de hel hield. Zo predikte de apostel en zo gelooft het geloof: Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden (Handelingen 2:24).
Hij streed, Hij won, en aan Hem als overwinnaar werd de kroon gegeven: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon (Openbaring 3:21).
Maar de vraag kan rijzen: wanneer, op welk bepaald tijdstip, trad de gezegende Heere in Zijn koninklijk ambt? Wij hebben al aangetoond dat er bij Zijn andere ambten een begin van intreding was vóór het volledig aanvaarden ervan. Zo trad Hij als Priester bij Zijn besnijdenis in beginsel in het priesterlijk ambt. Als Profeet trad Hij in beginsel in Zijn profetisch ambt toen Hij als kind in de tempel te midden van de leraars zat en hen hoorde en vragen stelde. Maar Hij trad pas volledig in het profetisch ambt na Zijn doop. In het priesterlijk ambt trad Hij pas volledig in toen Hij Zichzelf wijdde in het gebed dat in Johannes 17 is opgetekend.
Op dezelfde wijze trad Hij bij Zijn geboorte in beginsel in Zijn koninklijk ambt, want Hij was de geboren Koning der Joden (Mattheüs 2:2). Maar Hij aanvaardde het pas in werkelijkheid na Zijn opstanding, want toen werd Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven (Mattheüs 28:18). Vooral toen Hij omhoog ging en aan de rechterhand van de Vader ging zitten, werd de scepter van koninklijke waardigheid en macht in Zijn hand gelegd.
In Psalm 24 vinden wij een schone beschrijving van Sions gezalfde Koning die de hoven van de zaligheid binnengaat, als Hij als overwinnaar terugkeert van de strijd tegen zonde, dood en hel: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Toen heeft God Hem uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is (Filippenzen 2:9).
Wij leggen onze lezers onze gedachten en overdenkingen voor over het koninklijk ambt van de Heere Jezus Christus. Tot nu toe hebben wij geprobeerd twee hoofdkenmerken van de bijzondere aard van dat ambt na te sporen. Zij zijn nog inleidend, maar naar wij vertrouwen in volle overeenstemming met het woord der waarheid. Wij hebben aangetoond: 1. Het eeuwige voornemen van God de Vader om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken en Hem aan Zijn rechterhand te verhogen als Heere en Koning. En 2. De uitvoering van dit voornemen in de menswording, de dood, de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van onze aanbiddelijke Verlosser.
Het punt waar wij nogal abrupt ophielden, was het precieze tijdstip waarop de gezegende Heere in de volle uitoefening van deze koninklijke waardigheid en macht intrad. Wij maakten, zoals onze lezers zich ongetwijfeld herinneren, onderscheid tussen het beginsgewijs en het volledig aanvaarden van Zijn koninklijk gezag. En wij toonden uit Zijn eigen woorden tot de discipelen aan dat Hem alle macht in hemel en op aarde pas gegeven werd na Zijn opstanding, vlak voor Zijn hemelvaart en verheerlijking. Tot dat moment was Hij, hoewel Zijn Zoon, de Knecht van de Vader. Zachtmoedig deed Hij Zijn wil en volbracht Hij het werk dat Hij Hem te doen had gegeven (Jesaja 42:1; Jesaja 49:3; Johannes 17:4; Hebreeën 10:7).
Zelfs te midden van Zijn discipelen was Hij in de dagen van Zijn vlees als een die dient (Lukas 22:27). En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8). Toen was Hij een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Hij verborg Zijn aangezicht niet voor smaadheden en speeksel (Jesaja 50:6). Uit Zijn mond ging toen nog geen tweesnijdend scherp zwaard (Openbaring 1:16) maar gebeden en smekingen met sterke roeping en tranen (Hebreeën 5:7).
Zijn gelaat was toen, zoals de evangelische profeet het in een visioen zag, verdorven meer dan van iemand (Jesaja 52:14). Zijn aangezicht was immers nog niet, zoals de geliefde discipel het op het eiland Patmos zag, gelijk de zon schijnt in haar kracht (Openbaring 1:16). Over Zijn kleed werd toen het lot geworpen (Mattheüs 27:35), want daarop was nog niet geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren (Openbaring 19:16). De kus die Zijn heilige wang raakte, was die van een lage verrader (Mattheüs 26:49) en niet die van liefdevolle, trouwe, onderdanige gehoorzaamheid (1 Samuël 10:1; Psalm 2:12).
De doornenkroon drukte toen op Zijn voorhoofd en niet de diadeem van heerlijkheid. Een riet werd in Zijn rechterhand gegeven en geen scepter. En de knie die voor Hem boog, was niet die dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn maar de knie van spot en hoon (Mattheüs 27:29; Filippenzen 2:10).
Toch was er een vreugde die Hem voorgesteld was. Dat was de vreugde dat Hij zou worden gezet tot Zijn rechter hand in den hemel, Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende.
Het was de vreugde dat Hij de arbeid van Zijn ziel zou zien en dat God alle dingen Zijn voeten onderworpen zou hebben en Hem der Gemeente gegeven zou hebben tot een Hoofd boven alle dingen (Efeze 1:20-22). Maar toen Hij verheven was tot de troon van heerlijkheid, werd de belofte vervuld: De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden (Psalm 110:1-2).
Deze tegenwoordige koninklijke macht wordt in het woord der waarheid verborgen voorgesteld door Zijn zitten op de berg Sion. Want dat is de stad des groten Konings (Psalm 48:2) en als zodanig was het een voorafbeelding van de koninklijke waardigheid en macht van Jezus. Als Zijn verborgen koninklijke verblijfplaats werd Sion de volkomenheid der schoonheid, want God was er blinkende verschenen. Daaruit zendt Hij nu de roede of scepter van Zijn sterkte (Psalm 50:2; Psalm 110:2).
De bijzondere heerlijkheid en zaligheid van deze verheffing van Jezus is dat zij in onze natuur plaatsvindt. Als één met de Vader en de Heilige Geest was Hij altijd Koning. Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem (Kolossenzen 1:16-17).
Wie alle dingen geschapen heeft, moet de Koning van alle dingen zijn. Wie vóór alle dingen is, moet als hun rechtmatige Soeverein over alle dingen heersen. Wie dagelijks alle schepping bijeenhoudt, moet wel altijd Zijn beschermende scepter over haar zwaaien. Maar dit is niet de koninklijke waardigheid die Jezus nu draagt, en ook niet de bijzondere scepter die de Vader in Zijn handen heeft gelegd. De bijzondere heerlijkheid van Zijn koninklijk ambt is dat de scepter wordt gehouden door menselijke handen, door juist die handen waar de spijkers van het kruis doorheen zijn gedreven.
Ja, juist die gehate Nazarener, tegen wie de koningen der aarde zich opstelden en de vorsten samen beraadslaagden (Psalm 2:2). Juist die verafschuwde Jezus, tegen wie de razende menigte in haar bittere vijandschap riep: Kruis Hem, kruis Hem! Die verachte onder de mensen en verworpene van het volk, die zij in hun rechterlijke blindheid hielden voor geplaagd, van God geslagen en verdrukt. Juist die Man van smarten, die Zijn ziel uitgestort heeft in den dood en met de overtreders is geteld geweest, zit nu op Zijn troon van glorie. Hij regeert met soevereine macht en moet regeren totdat Hij alle heerschappij, en alle macht en kracht teniet heeft gedaan.
Deze verheffing tot de rechterhand van de macht was het beloofde loon van Zijn vernedering, lijden en sterven (Filippenzen 2:9-11; Hebreeën 12:2; Openbaring 3:21). Maar omdat wij nog gelegenheid zullen hebben om dieper op dit onderwerp in te gaan voordat wij onze Overdenkingen afsluiten, gaan wij nu over naar ons volgende punt.
The EXECUTION of this purpose in the incarnation, death, resurrection, ascension, and glorification of the Son of God.
Our blessed Lord, speaking of himself, said, “Verily, verily I say unto you, Except a grain of wheat fall into the ground and dies, it abides alone; but if it dies, it brings forth much fruit.” (John 12:24.) Under this figure, the grain of wheat, the Lord intimated his death and resurrection, and the fruit which was to spring out of them. Using the same figure, the Apostle says, “But God gives it a body, as it has pleased him.” (1 Cor. 15:38.) Thus, in order to carry out God’s eternal purposes to glorify his dear Son, it was needful that he should take a body chosen and prepared for him by the Father. He was to be exalted to regal dignity and power, not merely as the Son of God, but as the Son of man, or rather as the Son of God and the Son of man in one Person. In this mysterious and most blessed union of Deity and humanity in one glorious Person, lie hidden boundless treasures of grace and glory. To be a King he became incarnate. In reply, therefore, to Pilate’s question, “Are you a King, then?” Jesus answered, “You say (that is, say truly,) that I am a King. To this end was I born,” (John 18:37.) The road to royalty, to a throne which should endure as the days of heaven, lay through the Virgin’s womb. The eternal Son of God must become in time a man, that he might reign as God-man forever and ever. He must come down to earth, that all power might be given unto him in heaven and in earth. (Matt. 28:18.) He must be made lower than the lowest, that he might become higher than the highest; must serve, that he might rule; wash his disciples’ feet, that a crown of glory might be put upon his head; take upon him the form of a servant, that God might “highly exalt him and give him a name which is above every name, that at the name of Jesus every knee should bow, of things in heaven, and things in earth, and things under the earth.” (Phil. 2:7-10.)
Through the disobedience and transgression of man, created in the image of God to be his representative on earth, God’s lower creation became marred and defaced. Sin, the spoiler, entered Paradise. With sin entered death; and with death—disorder, wreck, and ruin spread themselves far and wide over this once fair domain which God himself pronounced very good, until earth has become a very Aceldama—a field of blood. How dishonorable, then, would it have been to the ever-living God had Satan been thus permitted to triumph. Would it not have been the boast of devils and the wonder of angels, that the arch-fiend of hell should have, as it were, outwitted by his skill all the wisdom of Omniscience, and defeated by his power all the strength of Omnipotence?
To destroy, we all know, is easier than to create. A child may, by accident or thoughtlessness, in a moment break a priceless vase; a madman set fire to the accumulated wealth of ages; a vile assassin take at one thrust a life precious to a whole nation. But if to destroy be so much easier than to create, how much more difficult is it to restore what is destroyed! What skillful hand shall repair the shattered vase? What are can give us back the precious manuscripts, the antique cameos, the statues of a Phidias, the paintings of a Raphael? What Promethean skill renew the murdered statesman’s life? Here the skill of man fails; here the mocking devil seems to triumph, and to gather up fresh strength to go on with that infernal work whence he borrows his name, “Abaddon,” the destroyer. (Rev. 9:11, margin.)
But where man falters in despair and Satan shouts in triumph, the wisdom of the All-wise, the might of the Almighty, the grace of the All-gracious, eminently shine and display themselves with infinite luster before the eyes of all created intelligences. Over man Satan prevailed by craft and infernal skill; but by man—by that very nature which he sought utterly to destroy, shall he be baffled, defeated, overwhelmed with shame and everlasting contempt. He was allowed to bind wretched man in the chain of sin until the iron entered into his soul; but by man shall everlasting chains be bound round him unto the judgment of the great day. As Apollyon, the destroyer, shall he destroy the image of God in man; but by man shall that image be restored, and not only so, but raised to a glory, a brightness, and a luster to which it never could have attained by its original creation.
Pride and envy, inflamed by desperate malice against God and man that human nature, inferior to angelic by creation, should be promoted to the favor from which he had fallen, urged on Satan to plot the deadly deed. He would ruin and destroy that nature. The image of God should not shine upon earth. He would mar and deface it; he would pollute with his own infernal spawn the very nature on which that image had been stamped; would debase it to the lowest hell; would fill it with bestiality and filth, blood and crime, until, as sunk below the brute creation, God should loathe and abhor the work of his own hands. In this hellish plot he was, in the inscrutable wisdom of God, allowed so far to succeed as to make the world what we now see it, a hideous wreck and ruin, festering and sweltering, like a huge carcase, in its own corruption, until the burning flames of hell seem to be the only place into which it can be cast out of the sight and presence of a God of purer eyes than to behold evil, and who cannot look on iniquity.
But O the depths of eternal wisdom and surpassing grace! Into this very time-worn scene of sin and woe, just as the spring-tide of iniquity had risen to its utmost height, and the whole world seemed flooded with evil as with the waters of a second deluge into this wrecked and ruined world, and what was far worse, amid these degraded and debased wild beasts of men, the Son of God came in the flesh. From the bosom of the Father did the Son of his love come forth to repair the waste places, the desolations of many generations. On this very sin-stricken earth, this abode of misery and crime, did the feet of the Son of God in our nature rest. This valley of tears he trod with holy steps—in the world but not of it—a man of sorrows and acquainted with grief. According to ancient promise, “when the fullness of the time was come, God sent forth his Son, made of a woman, made under the law to redeem those who were under the law.” (Gal. 4:4.) In that sacred humanity—real flesh and blood, the flesh and blood of the children, though not fallen like theirs, but holy and pure—the eternal Son of the Father stood in the gap and repaired the breach, took a holy portion of that nature which sin and Satan had defiled into union with his own divine Person, obeyed in it the law, enduring the curse, offered up his holy body and soul as a sacrifice for sin, laid down the life which for that purpose he had taken, and raising his incorruptible body from the tomb, took it with him into the courts of bliss, there to sit down at the right hand of the Majesty on high.
O the wisdom and power of God! O the unfathomable depths of mercy and grace! O the unsearchable treasures of goodness and love! O the opening visions of eternal glory! Satan baffled! Sin blotted out! The image of God restored! Human nature raised to inconceivable dignity by its personal union with the divine Person of the Son of God! The fallen Church washed, justified, sanctified, and glorified with all the glory of her Head and Husband, and an eternal revenue of glory brought to a Triune Jehovah—to God the Father for his eternal purposes of wisdom and love; to God the Son for his unspeakable condescension in the work of redemption; to God the Holy Spirit for his forming the sacred humanity of Jesus, and sanctifying the elect of God to know his grace, be conformed to his image, and partake of his glory.
But carried away by the grace and glory of a theme so precious, we have rather anticipated our subject. We proposed to show the connection between the incarnation and death of Jesus—and his exaltation to royal dignity. We have thus far, then, showed that, in the boundless depths of the wisdom of God, his dear Son took flesh that as our great High Priest he might put away sin by the sacrifice of himself. But the same boundless wisdom and grace which provided the sacrifice assured him of a crown as his reward. This was a part of “the joy set before him, for which he endured the cross, despising the shame.” Death was not only necessary as a part—a main part of the sacrifice which he, as Priest, offered, but as a requisite for the glory with which he, as King, should be crowned. In fact all his three offices, as Prophet, Priest, and King, required to be sustained and magnified by his sufferings and death. What an example of meekness and martyrdom, what lessons of suffering and patient endurance of the deepest agony and shame are seen in the dying Prophet; what precious blood in a dying Priest; what grace in a dying King! How this last shone forth so conspicuously that the dying thief acknowledged him as King, and begged for an interest in his kingdom.
But there was another reason why the road to the throne lay through the valley of the shadow of death. Our blessed Lord had “to destroy death and him that had the power of death, that is the devil.” But this was “through death.” (Heb. 2:14.) Through sin death had come into the world, and had no sooner entered than it set up its throne on the earth, for “it reigned from Adam to Moses, even over them (that is, infants) who had not sinned after the similitude of Adam’s transgression,” which was a voluntary act of disobedience, but as overwhelmed in his original sin, they had fallen under the power and authority of the grim king of terrors. The scepter had therefore to be wrung out of his hand. But, according to the eternal appointments of infinite wisdom, this could only be by the Son of God submitting to die. He therefore took a nature which could die—not in itself mortal, but capable of dying by a voluntary act. No man took his life from him. The Lord of life could not be robbed of life by the creatures to whom he had himself given breath. But he could lay down the life which he had taken by a voluntary submission to the reign of death. He could thus snatch the scepter from his grasp, destroy and disannul him, and by the same act of meritorious obedience break to pieces the reign of Satan, “who had the power of death,” as ever terrifying by it the children of God, whom by this terror he held in cruel bondage.
It deserves our utmost attention and prayerful consideration to see, by the eye of faith, the display of wisdom and power shining forth in the way in which the all-wise God sent his dear Son “to destroy,” or as the word is in the original, to unloose “the works of the devil.” (1 John 3:8.) Satan had, so to speak, spun a raveled knot when he cast the cords of sin round man’s heart. This tangled and tightly drawn knot could not be cut through as by a sword of omnipotent power; but had by infinite wisdom and patience to be unraveled through its whole length. The work which Satan had done was to be undone. Disobedience had to be repaired by obedience—the voluntary obedience of the Son of God, and therefore of infinite value. Sin had to be atoned for by sacrifice—the sacrifice of the nature which had sinned, in union with the Person of the Son of God, and therefore deriving from it unspeakable efficacy. Death had to be destroyed by the ever-living Son of God submitting to die. The law must be magnified by being obeyed by him who by his divine Person is above law. The Lawgiver must be the law-fulfiller. He who is the ever-blessed One must be made a curse; and the holy One of Israel, who know no sin, must be “made sin, that we might be made the righteousness of God in him.” “Who will set the briars and thorns against me in battle?” asked the Lord; “I would go through them,” is his answer. (Isa. 27:4.) So our blessed Lord went through these thorns and briars set against him in battle. He thoroughly went through all that he undertook; and by going through unraveled the work of Satan.
Let us explain this more distinctly, as a point full of truth and blessedness. Thus he went through temptation—wholly through, for he “was in all points tempted like as we are,” (Heb. 4:15,) and by going through every possible temptation which can beset us, threaded, so to speak, the whole avenue of temptation from beginning to end. So he went through the whole of the law, rendering a perfect obedience to it in every demand of unfailing love to God and his neighbor. So he went through the whole of suffering, for “he was a man of sorrows and acquainted with grief,” experiencing every possible form of suffering that was compatible with a holy nature. And, in a sense, he went through the whole of sin—not as a personal transgressor, for he was perfectly holy in body and soul, “a lamb without blemish and without spot”—but by imputation, feeling the weight, grief, and burden of all the sins of his elect people. So also did he go through the whole wrath of God, for he drank the cup of his indignation against sin to the very dregs. We can only glance at these things, but they are full of the deepest import—and might, with God’s help and blessing, form a theme of most fruitful meditation, for they embrace the whole of the work which the Father gave him to do.
But in thus going through, and by going through undoing the works of the devil, it is desirable to bear in mind and have, as it were, before our eyes that the blessed Lord went through all that we have mentioned in his complex Person as God-man. Thus his sacred humanity, in union with his Deity, went through the law, temptation, suffering, and death—the human nature tasting each and all in their utmost intensity—but the divine nature sustaining, dignifying, ennobling, and bestowing unutterable value, merit, and validity upon every thought, word, and act of the suffering and obedience of the holy humanity—for there was but one Person, though two natures, and therefore all the acts were personal acts. As an illustration of this, look at the actings of our own soul and body. These are distinct, but as united in one person are viewed as one. Thus, as our blessed Lord went through the whole work which the Father gave him to do, his Deity, being in union with his obeying, suffering humanity, stamped each successive movement, as he went through it, with all the value and validity of Godhead. If this is difficult to understand—or at least realize, for who can understand it?—revert to our figure. Is not the mind of an artist stamped upon his work? Does not our soul impress itself and express itself by our body? So Deity stamped value and validity on all the acts of the Redeemer’s humanity.
This is beautifully alluded to, Psalm 45, in the description of the bridal garments of the Church as the queen—“The King’s daughter is all glorious within; her clothing is of wrought gold. She shall be brought unto the King in clothing of needlework.” The gold was to be wrought into her clothing, the clothing to be of needlework, intimating that her robe of justifying righteousness was wrought, as it were, as in needlework, stitch by stitch; yet that every thread was embroidered with gold. Here we have the thread of the humanity in union with the gold of Deity, and yet each in such close union that the thread is but one. In gold thread the beauty, the value is in the gold; yet how close the union. Gold by itself could not be made into embroidery. So Deity cannot suffer, bleed, or die; but humanity can in union with it. It is this union of Deity with humanity which made the work of redeeming love so unspeakably glorious, and so meritoriously efficacious. As Hart says—“Almighty God sighed human breath.”
It is indeed a mystery; but “great is the mystery of godliness, God manifest in the flesh.” O glorious mystery!”
“The highest heavens are short of this;
‘Tis deeper than the vast abyss;
‘Tis more than thought can e’er conceive,
Or hope expect, or faith believe.”
Yet what or where would redemption have been, unless Deity had imparted value and validity to every thought, word, and act of the obedient, suffering humanity.
Our blessed Lord, then, passed through death seemingly conquered, but really a conqueror; seemingly overthrown by Satan, but really his overthrower; seemingly covered with shame, but only to be crowned with glory and honor; seemingly under the curse of God, but really enduring the curse that he might be made a blessing; as a servant, obedient unto death, for crucifixion was the mode of punishment for slaves, yet that he might be exalted in that very nature which there suffered, bled, and died—to a throne of immortal glory. Thus, too, he lay in the grave, that as by dying he might rob death of his sting, so by the tomb he might spoil the grave of its victory. But death could not hold the Lord of life, nor the grave enchain the hand that held the keys of hell, as the Apostle preached, and as faith believes—“Whom God has raised up, having loosed the pains of death; because it was not possible that he should be held by it.” (Acts 2:24.) He fought, he won, and to him as the overcomer was the crown given—“To him that overcomes will I grant to sit with me in my throne, even as I also overcame, and have sat down with my Father in his throne.” (Rev. 2:21.)
But the question may arise in the mind, When, that is, at what particular period, did the blessed Lord enter upon his kingly office? We have already shown that in his other offices there was an initial entrance before his full assumption of them. Thus, as Priest, he entered initially into the priestly office at his circumcision; as Prophet, he entered initially into his prophetical office when, a child in the temple, he sat among the doctors, both hearing them, and asking them questions. But he did not enter fully upon his prophetical office until after his baptism, nor upon the priestly until he consecrated himself in the prayer recorded John 17. In a similar way he entered initially upon his kingly office at his birth, for he was “born King of the Jews;” (Matt. 2:2;) but he did not enter actually upon it until after his resurrection, for then it was that “all power was given unto him in heaven and in earth.” (Matt. 28:18.) But it was more especially when he went up on high, and sat down at the right hand of the Father that the scepter of royal dignity and power was put into his hands. In Psalm 24 we have a beautiful description of Zion’s anointed King entering into the courts of bliss as he returned victorious from the conquest over sin, death, and hell—“Open up, ancient gates! Open up, ancient doors, and let the King of glory enter. Who is the King of glory? The Lord, strong and mighty, the Lord, invincible in battle. Open up, ancient gates! Open up, ancient doors, and let the King of glory enter. Who is the King of glory? The Lord Almighty—he is the King of glory.” Then did God highly exalt him, and give him a name which is above every name.
In bringing before our readers our thoughts and Meditations on the Kingly Office of the Lord Jesus Christ we have thus far attempted to trace out, in full harmony, we trust, with the word of truth, two prominent, though as yet preliminary, features of its peculiar character, and have shown, 1. The eternal purpose of God the Father to glorify his dear Son, and exalt him to his own right hand as Lord and King; and, 2. The execution of this purpose in the incarnation, death, resurrection, ascension, and glorification of our adorable Redeemer.
The point at which we somewhat abruptly stopped was the exact period at which the blessed Lord entered upon the full exercise of this royal dignity and power. We drew, as our readers will doubtless remember, a distinction between the initial and the full assumption of his kingly authority, and showed, from his own words to the disciples, that “all power in heaven and in earth” was not given unto him until after his resurrection and just antecedently to his ascension and glorification. Until then, though his Son, he was the Servant of the Father, meekly doing his will, and finishing the work which he had given him to do. (Isa. 42:1; 49:3; John 17:4; Heb. 10:7.) Even among his disciples, in the days of his flesh, he was “as he who serves;” (Luke 22:27;) and “being found in fashion as a man, he humbled himself, and became obedient unto death, even the death of the cross.” (Phil. 2:8.) He was then “a man of sorrows and acquainted with grief;” who “hid not his face from shame and spitting.” Out of his mouth there went not then “a sharp two-edged sword,” (Rev. 1:16,) but “prayers and supplications, with strong crying and tears.” (Heb. 5:7.) “His visage” then, as viewed in vision by the evangelical prophet, “was so marred more than any man;” (Isa. 52:14;) for “his countenance” was not yet, as seen by the beloved disciple in the Isle of Patmos, “as the sun shines in his strength.” (Rev. 1:16.) Lots were then cast on his vesture; (Matt. 27:35;) for on it was not yet written, “King of Kings and Lord of Lords.” (Rev. 19:16.) The kiss which touched his sacred cheek was the kiss of a base traitor, (Matt. 26:49,) not that of loving, loyal, submissive allegiance. (1 Sam. 10:1; Psalm 2:12.) The crown of thorns then pressed his brow, not the diadem of glory; a reed, not a scepter, was put into his right hand; and the knee bowed before him was not the knee “of things in heaven, and things in earth, and things under the earth,” but the knee of mockery and scorn. (Matt. 27:29; Phil. 2:10.)
Yet was there a joy set before him; and this was the joy of being “set at the right hand of God in the heavenly places, far above all principality, and power, and might, and dominion, and every name that is named, not only in this world, but in that which is to come;” in seeing of the travail of his soul, and having “all things put under his feet, and made the Head over all things to the Church.” Eph. 1:20-22.) But when exalted to the throne of glory, then was fulfilled the promise, “The Lord said unto my Lord—Sit at my right hand, until I make your enemies your footstool. The Lord shall send the rod of your strength out of Zion. Rule in the midst of your enemies.” (Psalm 110:1, 2.)
This present kingly power is mystically represented in the word of truth by his sitting on Mount Zion; for that is “the city of the great King,” (Psalm 48:2,) and as such typified the royal dignity and sway of Jesus.* As thus mystically his royal residence, Zion became the perfection of beauty, for out of it God had shined; and out of it now sends forth the rod, or scepter, of his strength. (Psalm 50:2; 110:2.)
The peculiar glory and blessedness of this exaltation of Jesus is that it is in our nature. As one with the Father and the Holy Spirit, he ever was King; for “Christ is the one through whom God created everything in heaven and earth. He made the things we can see and the things we can’t see—kings, kingdoms, rulers, and authorities. Everything has been created through him and for him. He existed before everything else began, and he holds all creation together.” (Col. 1:16, 17.) He who created all things must be the King of all things; he who is before all things must rule all things, as their rightful Sovereign; he who daily holds all creation together, must needs ever sway over them his protecting scepter. But this is not the regal dignity which Jesus now wears, nor the peculiar scepter put by the Father into his hands. The peculiar glory of his kingly office is that the scepters held by human hands—by those very hands through which the nails of the cross were driven. Yes; that very hated Nazarene, against whom “the kings of the earth set themselves, and the rulers took counsel together;” that very abhorred Jesus, against whom the maddened crowd, in their bitter enmity, cried, “Crucify him, crucify him;” that despised One of men, and rejected of the people, whom they, in their judicial blindness, did “esteem stricken, smitten of God, and afflicted;” that “very Man of Sorrows,” who poured out his soul unto death, and who was numbered with the transgressors, now seated on his throne of glory, reigns with sovereign sway, and must reign until he has put down all rule and all authority and power. This exaltation to the right hand of power was the promised reward of his humiliation, sufferings, and death. (Phil. 2:9-11; Heb. 12:2; Rev. 3:21.) But as we shall have occasion to enter more fully into this subject before we close our Meditations, we shall now proceed to our next point.