Heavenly Teaching
En al uwe kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn. Jesaja 54:13a
De volle omvang der ’’geestelijke zegening”, waarmee God de Kerk gezegend heeft ”in de hemel in Christus”, kan in deze bedeling nooit helemaal worden gekend. Pas wanneer de vrijgekochten des HEEREN het hemelse Kanaän zullen binnengaan, zullen zij op een volkomen wijze kennen, beide de verschrikkelijke afgrond van ellende, waaruit zij zijn verlost, en de hoogte van zaligheid en heerlijkheid, tot welke zij in Christus verhoogd zijn. Maar er wordt genoeg geopenbaard in het Woord van God om aan te tonen, dat zij waarlijk gezegend zijn met bijzondere voorrechten en genaden: en dat zijzich voornamelijk tot ”een bijzonder volk” onderscheiden, door aldus gezegend te zijn. Daar vandaan heeft Mozes bij een zekere gelegenheid aldus met God gepleit: ’’Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uwe ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is. (Ex. 33:16).
Maar van deze bijzondere zegeningen, waarmee God Zijn Kerk in Christus gezegend heeft, schijnen er vier op een bijzondere wijze uit te steken boven de rest: hun verkiezing van eeuwigheid – hun bijzondere en persoonlijke verlossing – hun wedergeboorte – en hun hemels onderwijs, welke laatstgenoemde zegening de belofte is, vervat in de tekst: ”en al uwe kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn.” Maar waarom zou deze laatstgenoemde zegening een voorname plaats innemen in de reeks van Verbondszegeningen? Omdat zonder deze zegening de andere tot op zekere hoogte zonder uitwerking zouden zijn. Want de blindheid van ’s mensen hart is van nature zodanig, er ligt zulk een zwaar deksel van onkunde over zijn verstand, en hij is zo volkomen ’’vervreemd van het leven Gods,” dat hij nooit enige geestelijke kennis bezitten kan van de ’’enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft” (in de kennis waarvan het eeuwige leven bestaat), totdat wij dit Goddelijke onderwijs deelachtig zijn geworden. Wij willen dus, met Gods zegen, trachten wat van de aard en de uitwerkingen van dit Goddelijk onderwijs in de ziel na te gaan. En daar dit overwegend uit twee voorname stukken bestaat:
In de eerste plaats: het onderwijs, waardoor wij God kennen, en in de tweede plaats: het onderwijs, waardoor wij onszelf kennen, zullen wij deze beide stukken, elk op zijn plaats overdenken.
a. Maar in de eerste plaats zal het wenselijk zijn, te overdenken wat de aard van dit hemels onderwijs is. En aangezien de Heilige Geest de natuur ervan gewis het beste kent en beschreven heeft, bestaat er hiertoe geen beter middel dan enkele schriftuurlijke voorbeelden en verklaringen, welke ervan gegeven worden, te onderzoeken.
b. Welnu, dit Goddelijk onderwijs wordt op een zekere plaats vergeleken bij dauw en regen: ’’Mijne leer druipe als een regen, mijne rede vloeie als een dauw.” (Deut. 32:2). Doch wat is de natuur en de uitwerking van de regen en meer in het bijzonder van de dauw? Deze valt zachtkens: en toch, alhoewel deze op zulk een kalme en stille wijze neerdaalt, is de uitwerking ervan doordringend en weekmakend. Zodanig is het ook gesteld met het onderwijs Gods in de ziel. Zoals de dauw daalt het op een stille en kalme wijze uit de hemel in het hart neer en evenwel doordringt het de ziel met een verborgen en onoverwinnelijke kracht, welke het hart toegankelijk maakt, terwijl het dit vertedert. Het scheurt het hart niet open: zoals hagel of bliksem kan openscheuren, doch het zinkt op een grondige en nochtans kalme wijze weg in het hart en doordringt dit met zulk een bijzondere vertederende kracht, dat het er op een algehele en volkomen wijze bezit van neemt.
Een tweede zaak, waarmee het in de Schrift vergeleken wordt, is olie, of zalving, zoals de apostel Johannes zegt: ’’Doch gij hebt de zalving van de Heilige.” En voorts: ”En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u: en gij hebt niet van node, dat iemand u lere: maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen: en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.” (1 Joh. 2:20, 27). Dit voorbeeld is niet heel erg onderscheiden van het beeld, dat ik zojuist heb genoemd, maar het bergt drie voorname begrippen in zich: het doordringt, het vertedert, en het verbreidt zich. Aldus doordringt en vertedert de zalving van het onderwijs Gods in de ziel niet alleen het hart, waarin dit komt, maar geleidelijk verbreidt het zich, en zinkt het steeds dieper weg: het maakt de consciëntie week en teder, en het dringt door tot de diepste wortels en vezels van het hart des mensen.
Dit onderwijs is het bijzondere werk van God de Heilige Geest in de ziel: en is even onderscheiden van onze eigen wijsheid, of van enige kennis, welke wij kunnen verkrijgen door de oefening van het natuurlijke verstand, als de eeuwigheid van de tijd, de hemel van de hel, en als Christus is van Belial.
2. Maar wij gaan voort met het overdenken van wat de bijzondere uitwerkingen en vruchten van deze Goddelijke zalving zijn. De aard van dit onderwijs is in de Schriften minder klaar geopenbaard, dan de uitwerkingen ervan. En daarom, ofschoon de voorbeelden, welke hierboven zijn aangehaald, op genoegzame wijze aantonen, dat er in de aard ervan iets zachts en vertederends ligt, dat het als de regen, op het vers gemaaide gras valt, of dat het als de olie het hart doordringt, waarin het komt, toch kunnen wij, uitgezonderd door de vruchten en uitwerkingen ervan, merendeels niet zeker ervan zijn, dat wij dit Goddelijk onderwijs deelachtig zijn. Doch als wij deze vruchten en uitwerkingen beschouwen (want het zal altijd vruchten en uitwerkingen voortbrengen), dan kunnen wij soms, wanneer het de Heere behaagt licht te geven in de ziel, tot de gezegende vaststelling komen, dat wij gezalfd zijn met deze zalving van de Heilige.
a. Welnu ik geloof, dat de eerste uitwerking van dit bijzondere onderwijs Gods in de ziel is, ons te overtuigen van de waarheid en van het gezag van Gods Woord. Wij mogen van kindsbeen af beleden hebben het Woord van God te geloven: wij mogen door onze ouders of op de zondagsschool onderwezen zijn in de waarheid der Schriften: wij mogen in de boeken de echtheid en de inspiratie ervan hebben bestudeerd, maar al die tijd werd ons hart niet door een Goddelijke kracht geraakt. Het hoofd moge verlicht zijn geweest, doch nimmer werd onder de kracht der Waarheid, op een gevoelige wijze, een verruiming van het hart ondervonden, noch werd er een krachtige overtuiging gewerkt in de ziel door de toepassing ervan, door ons op een stellige wijze ervan te overtuigen, dat God Zelf in de Schriften spreekt.
Maar wanneer de ’’zalving” van ”de Heilige” met kracht in de ziel nederdaalt, dan spreekt dit met zulk een gezag door de Schriften, dat deze meteen gekend en bevonden worden het Woord van de levende God te zijn. Werd men tevoren verzocht tot ongeloof, werd de geest verward door ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, zodat men bijna op het punt stond de Schriften niet meer voor een Goddelijke openbaring te houden, wanneer dit bijzondere onderwijs en deze Goddelijke zalving evenwel het hart bereikt, dan gaat er een kracht en gezag gepaard aan het Woord van God, dat ieder ongelovig argument op de vlucht drijft, en dat ieder bezwaar verjaagt, zoals de zon de morgennevels doet verdwijnen: en de ziel is er op een overvloedige wijze van overtuigd, dat de Schrift, de openbaring is van de mening en wil van de gezegende God.
En welk ongelovig bezwaar er zich later ook moge voordoen, welke twijfelingen de geest ook mogen bestormen, wat voor tegenstrijdigheden het fundament van zijn hoop ook mogen doen wankelen, nimmer raakt hij volkomen de plechtige overtuiging kwijt, welke God Zelf hem gegeven heeft, dat de Schrift de Waarheid is van de levende God. b. De volgende zaak; die, naar ik geloof, deze “zalving van de Heilige” leert, is het Godsbestaan. Welnu, van het Godsbestaan zouden wij overtuigd geweest kunnen zijn door de godsdienst, volgens de overlevering, of zouden wij overtuigd geworden kunnen zijn door de natuurlijke consciëntie, maar dit alles kon ons nimmer een gevoelige overtuiging schenken van zulk een God, als waarvan de Schrift spreekt. De apostel Paulus verklaart, dat alle mensen van nature ’’geen hoop hebben, en zonder God in de wereld zijn.” (Efeze 2:12). Letterlijk ’’godloochenaars”.
En zij hebben niet alleen geen kennis van het bestaan van God, maar zoals hij verder zegt, uit de psalmen aanhalende: ”Er is geen vreze Gods voor hun ogen.” (Rom. 3:18). Zij bezitten geen innerlijke overtuiging, dat er een van Zichzelf bestaande Jehovah is, Wiens ’’ogen zijn in alle plaatsen”. Dat Hij een alomtegenwoordig, alwetend, almachtig, eeuwig en rechtvaardig God is. Dat Zijn ogen de verborgen en binnenste schuilhoeken van de ziel doorlopen, en dat Hij ze eenmaal zal oordelen. Doch niet zodra overtuigt ”de zalving van de Heilige” ons van de kracht en het gezag van de geïnspireerde Schriften, of wij leren erdoor het bestaan van de grote en heerlijke Jehovah, Die rondom ons nachtleger is, en onze paden kent, en Die al onze wegen gadeslaat.
Maar met deze innerlijke geestelijke overtuiging van het bestaan van God, wordt door deze Goddelijke zalving het Wezen van Jehovah openbaar gemaakt. Niet alleen, dat Hij bestaat, maar dat Hij is, hetgeen Hij Zichzelf verklaart te zijn in de openbaarmaking van Zijn heilig Wezen en heilige eigenschappen. Zijn Woord wordt met Goddelijk gezag op de ziel en met een levendige kracht op de consciëntie thuisgebracht. En op deze wijze wordt haar geleerd Hem te beschouwen als een heilig en een rechtvaardig God, Die ”de schuldige geenszins onschuldig houdt”. Dat Hij de zonde haat met een volkomen haat, en Die op een onfeilbare wijze al degenen zal straffen, die onder de vloek en veroordeling van de Wet gevonden’zullen worden, wanneer zij voor Zijn geduchte Rechterstoel zullen staan. Zodat hier de heilige natuur van God met kracht aan de ziel wordt openbaar gemaakt, door het werk der Wet in iemands consciëntie.
Ik geloof, dat er velen van Gods volk zijn, die een werk der Wet in hun consciëntie hebben gekend, wier geest bij ogenblikken geoefend en beproefd wordt, of zij dit waarlijk hebben leren kennen, en wel vanwege deze reden, dat er geen vonnis van de Tien Geboden, of dat er geen bijzonder deel van het Oude Testament met kracht in hun hart is gekomen. Doch wanneer ooit de natuur van JEHOVAH als een rechtvaardig en een heilig God, op geestelijke wijze, is bekendgemaakt aan de ziel, daar heeft de Wet zijn werk in de consciëntie gedaan. God als de Wetgever wordt gekend, ofschoon de juiste letter van de Wet niet gevoeld moge worden.
De geestelijkheid van de Wet, in de handen van een rechtvaardig en een heilig God, wordt bekendgemaakt in hart en consciëntie, hetgeen overtuiging, veroordeling, schuld en een gevoel van ellende teweegbrengt, waar de juiste letter van de Wet niet gebruikt wordt door de Wetgever om het werk te doen. Maar de geestelijkheid der Wet, in de hand van de Wetgever, heeft veroordeling, vreze, schuld en een gevoel van ellende en verlorenheid teweeggebracht, zodat dit alle wettische hoop afsnijdt, de eigengerechtigheid neerhaalt en de ziel in haar ellende neerlegt aan de voetbank der voeten Gods. En waar dit dan ook ondervonden wordt, daar is een werk der Wet in de consciëntie.
d. Doch dit onderwijs des Geestes, wanneer de ziel de heiligheid Gods heeft leren kennen en zichzelf veroordeeld heeft gevoeld door Zijn rechtvaardige Wet, en wanneer zij zich afgesneden heeft gevoeld van alle hoop of hulp in het eigen ik – deze zelfde ’’zalving van de Heilige”, welke ’’waarachtig is en geen leugen”, openbaart aan het hart en brengt ook op bevindelijke wijze in de consciëntie een kennis van de Heere Jezus Christus. De volgende woorden zijn treffende woorden en deze hebben vaak met gewicht en met kracht op mijn gemoed gelegen: en wellicht meer dan enig ander deel van de Schrift dit ooit gedaan heeft: ”En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.” (Joh. 17:3). Wat heeft de Heere van leven en heerlijkheid hier in een paar woorden samengevat, waarin het eeuwige leven bestaat! Wat zijn er velen verlangend de weg der zaligheid te kennen, hoe het eeuwige leven te verkrijgen, en hoe te ’’vlieden van de toekomende toorn!”
Maar de Heere Jezus heeft met één korte uitspraak verklaard, waarin het eeuwige leven bestaat, namelijk in de kennis van de ’’enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.” Bijgevolg heeft hij, die de Vader en de Zoon kent, het eeuwige leven in zijn ziel. In het hoofdstuk, dat ik hedenmorgen las, haalde de Heere Jezus onder de andere teksten uit het Oude Testament, deze tekst aan, zeggende: ”Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.” (Joh. 6:45). Hij stelt dit dus vast, als een bijzondere vrucht van het Goddelijk onderwijs, dat het een komen tot Hem teweegbrengt.
De Geest, Die u leert wat nut is, houdt het zielsoog de Persoon, het werk, het bloed, de liefde, de genade en de gerechtigheid voor van de Heere Jezus Christus. Hij openbaart de ziel, dat Hij juist zulk een Zaligmaker is, als deze nodig heeft. Hij verklaart de waardij van Zijn Persoon en openbaart, dat Hij de Godmens is. Hij maakt in de consciëntie bekend, dat Hij Zichzelf tot een offerande heeft gesteld voor de zonde, dat Hij Zijn verzoenend bloed gestort heeft, zodat de zonde van de Kerk voor eeuwig van voor het oog van een rechtvaardig God is weggedaan. Hij openbaart voor het geestesoog Zijn heerlijke gerechtigheid, als datgene, waarin de Vader een welgevallen heeft, en waarin, zo de ziel deze ook maar deelachtig is, zij er zeker van is, aan de toorn te ontkomen. Hij verklaart aan het hart de gewilligheid van Christus, om iedere zondaar, die tot Hem komt te ontvangen: Hij toont de schatten van genade en barmhartigheid, welke in Hem zijn opgelegd: en Hij doet in het hart de troostvolle woorden nederdalen, welke Hij in de dagen Zijns vieses gesproken heeft, te weten: ’’Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” (Matth. 11:28). ”En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” (Joh. 6:37). ”Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke!” (Joh. 7:37).
En soms openbaart Hij aan het verstand en brengt Hij in het hart een zoete vertederende indruk door te verstaan hoe, toen Christus op aarde vertoefde, Hij de kranken genas, de blinden deed zien, en de doven deed horen: doden opwekte, rondom ging goeddoende: en hoe Hij in al hetgeen Hij zei of deed, de weldadigheid en goedertierenheid van Zijn liefhebbend hart deed gelden. Op deze wijze trekt Hij op zoete wijze de ziel, waardoor deze tot Christus komt, zich aan Zijn gezegende voetbank nederwerpt, en op Hem ziet door het oog des geloofs. En wanneer Hij de ziel er dan ook aldus toe brengt, tot Christus te komen met een waarachtig gevoel van verlorenheid en ellende, met een waarachtig gevoel van schuld en veroordeling, met een oprechte onderwerping aan de rechtvaardigheid Gods (zoals de apostel spreekt: ’’niet zoekende onze eigengerechtigheid op te richten”, maar ”een ons onderwerpen aan de rechtvaardigheid Gods.” (Rom. 10:3) en een zichzelf overgeven in Zijn handen, daar is een blijk van het hemelse onderwijs. En wanneer dan ook die gezegende samenhang van ootmoed en liefde wordt gevoeld, waardoor de ziel aan de voeten des Heeren ligt, zoals Ruth aan de voeten van Boaz lag, hem smekende haar te bedekken met de zoom van zijn mantel, dan heeft de Heilige Geest met kracht in die ziel gewerkt: is ze geleerd van God. En is zij dat bijzondere onderwijs deelachtig, waarvan de Heere verklaard heeft, dat de uitwerking is: ”Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij(Joh. 6:45).
Dit gezegende onderwijs brengt de ziel ook tot de kennis van de Heilige Geest. Al Gods volk wordt tot de kennis gebracht van de Drieëenheid: weliswaar niet door een bovennatuurlijk redeneren, of met doordringende argumenten, gericht tot het verstand. De Geest leert hen, niet door redenering, gericht tot het hoofd, doch door de kracht en de dauw der Goddelijke Waarheid, welke op het hart rust. Al Gods volk leert het leerstuk der Drieëenheid in hun ziel kennen. Zij leren, onder het Goddelijk onderwijs, de macht, de rechtvaardigheid, majesteit en heiligheid Gods kennen, en op Zijn tijd gevoelen zij de liefde Gods des Vaders. Zij leren de Godheid van Christus in hun ziel kennen, door de kracht van Zijn bloed op te merken en te gevoelen, als het bloed van God. (Hand. 20:28). En zijn rechtvaardigheid als de ’’rechtvaardig- heid Gods”. En zij leren de Godheid en de Persoon des Heiligen Geestes kennen, door de Goddelijke kracht Zijner werkingen in hun hart te gevoelen.
Zij leren ook, dat Hij God is, door op te merken, hoe Hij al hun werken onderzoekt, iedere verborgen gedachte aan het licht brengt en hoe Hij teksten uit de Schrift aan hun ziel toepast, welke teksten niemand anders dan God kan bijbrengen, of op zulk een voegzame wijze kan toepassen. En wanneer zij aldus door Goddelijk onderwijs gebracht worden tot de kennis van de drie Personen der Godheid, dan worden zij ertoe gebracht in de diepten der consciëntie te weten en te gevoelen, dat er drie Personen zijn, gelijk in kracht, wil. Wezen en in heerlijkheid, en maar één Jehovah. Welnu, deze waarheden kan niemand op een zaligmakende wijze leren, dan door dit bijzondere onderwijs. Hij moge in zijn verstand en oordeel dit alles, en nog meer dan dit kennen: maar een gevoelig besef van de kracht dezer zaken in de consciëntie, een Goddelijke vertedering van het hart eronder, met een verruiming der ziel en een bevindelijke genieting ervan, is alleen de vrucht van het onderwijs Gods, dat op hem rust, om hem tot ”een nieuw schepsel” in Christus te maken.
3. Maar, zoals ik tevoren liet blijken, bestaat een voornaam deel van dit hemels onderwijs uit het in ons voortbrengen van zelfkennis: want een geestelijke kennis van ons eigen ik, loopt altijd evenwijdig aan een geestelijke kennis van God.
a. Wij kennen, bijvoorbeeld, niet het kwaad der zonde, totdat God dit daadwerkelijk bekend maakt in de consciëntie. Wij mogen weliswaar door de werkingen van de natuurlijke overtuiging weten, dat deze of die uitwendige overtreding zonde is. Ook mogen wij, bij tijden, enige scherpe consciëntie-overtuigingen hebben gehad, vanwege het begaan van openlijke zonden tegen licht en kennis in. Maar het kwaad der zonde, het verschrikkelijke en vreselijke karakter ervan, kunnen wij niet kennen, dan door dit bijzondere onderwijs.
Welnu, er zijn twee manieren, waardoor God ons het kwaad der zonde doet kennen en gevoelen: ten eerste door de Wet en ten tweede door het Evangelie. In de Wet aanschouwen wij, in het licht van de gerechtigheid Gods, de verdoemende kracht der zonde. Wij bevinden, dat de gerechtigheid Gods hiertegen is opgesteld, dat de zonde volkomen tegengesteld is aan Zijn heiligheid: en dat Hij niet rechtvaardig zou kunnen zijn, tenzij Hij hierover bezoeking zou doen met Zijn eeuwige toorn en ongenoegen. Maar ofschoon de Wet ons het kwaad der zonde doet zien, zoals deze is begaan tegen de gerechtigheid en heiligheid, deze overtuigt ons niet van de boosheid ervan, begaan tegen de liefde en de genade. Bijgevolg leert de Wet ons niet de zonde te haten en te verafschuwen: noch brengt deze zekere gevoelens van droefheid naar God teweeg, vanwege de zonde: maar de Wet verwekt opstand en baart dienstbaarheid. Deze doet de vijandschap tegen God oprijzen, omdat Hij de zonde veroordeeld heeft, en ons deze niet wil laten begaan.
Om de ziel dan ook het kwaad van de zonde te leren kennen als buitengewoon zondig, moeten wij dit beschouwen in het licht van een lijdende Jezus. Wij moeten door het geloof de Zone Gods, even gelijk met de Vader in Wezen, heerlijkheid en kracht, op de aarde zien komen. Wij moeten Hem door het oog des geloofs zien, als ”een Man van smarten, en verzocht in krankheid”. Wij moeten Zijn ganse leven van vernedering volgen van krib tot kruis.
Wij moeten met Hem de hof van Gethsémané binnengaan: van Gethsémané naar Calvarië, en wij moeten daar Gods eniggeboren Zoon zien, hangende tussen hemel en aarde, ”der wereld, en den engelen, en den mensen een schouwspel geworden”, in Zijn ziel zeer ontroerd zijnde onder de last der zonde, welke op Hem was gelegd, en onder de verbergingen van Zijns Vaders aangezicht. En alleen voor zover de Geest de ziel inleidt in het lijden en in de zielsangsten van een bloedende Jezus, ziet en gevoelt ze inderdaad de zonde, en haat en verafschuwt ze deze waarlijk, als zijnde buitengewoon zondig.
b. Doch hemels onderwijs is ook noodzakelijk om ons te doen zien wat ons hart is. Wij kunnen, door de werkingen van het natuurlijke gemoed gade te slaan, tot een zekere gevolgtrekking komen, dat wij en dat alle mensen van nature erg egoïstisch, erg trots en erg werelds zijn, maar dit alles brengt niet een enkel gevoelen van droefheid naar God, of enige zelfverfoeiing teweeg, vanwege de inwonende zonde. Maar wanneer de gezegende Geest ons aanvat, het deksel van zelfmisleiding van ons hart afscheurt, en de diepten blootlegt van onze gevallen natuur, de verborgen schuilhoeken ontdekt, waar al hetgeen onrein en walgelijk is zich schuilhoudt, dan beginnen wij te zien en te gevoelen, dat wij waarlijk zondaars zijn, zowel in inwendige, als in uitwendige zin, in gedachten en in de overlegging, evenals in de gewoonte en praktijk. Het was dat bijzondere onderwijs in de consciëntie, dat Jesaja, toen hij het gezicht in de tempel zag, deed uitroepen: ”Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is: want mijne ogen hebben de Koning, den HEERE der heirscharen gezien.” (Jes. 6:5).
Het was dit gezicht van de reinheid Gods, dat Daniël deed zeggen, dat “zijn sierlijkheid werd veranderd in een verderving, zodat hij geen kracht behield.” (Dan. 10:8). Dit was hetgeen Job deed uitroepen: “Met het gehoor des oors heb ik U gehoord: maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.” (Job 42:5, 6). En wanneer iemand van ons ooit geleerd heeft zichzelf voor God te verfoeien, dan is dat door een zekere bijzondere ontdekking te ontvangen van de reinheid en heiligheid Gods, als tegengesteld aan onze eigen walgelijkheid en onreinheid, Een andere vrucht en uitwerking van dit Goddelijk onderwijs is, dat al onze vleselijke wijsheid, kracht en gerechtigheid aan stukken wordt gehakt en uitgeroeid.
God is nooit voornemens een nieuw stuk op een oud kleed te zetten. Hij heeft nooit bedoeld onze wijsheid, onze kracht, onze gerechtigheid met die van Hem te doen samengaan. Dit alles moet aan stukken worden gescheurd, het moet alles met wortel en tak worden uitgeroeid, opdat een nieuwe wijsheid, nieuwe kracht, en een nieuwe gerechtigheid op de puinhopen ervan moge verrijzen. Maar totdat het de Heere behaagt ons te leren, kunnen wij nooit scheiden van onze eigen gerechtigheid, kunnen wij nooit onze eigen wijsheid opgeven en onze eigen kracht verzaken.
Deze zaken zijn een stuk en een deel van onszelf, zijn ons zo ingeworteld, zijn ons zo aangeboren, groeien zo met ons op, dat wij niet gewillig zijn, om van een greintje ervan afstand te doen, totdat de Heere Zelf deze afbreekt en ze wegneemt. Vervolgens brokkelt onze gerechtigheid af bij de Goddelijke aanraking, als Hij in onze ziel enige geestelijke kennis brengt van onze eigen vreselijke verdorvenheden en verschrikkelijke goddeloosheid: als Hij ons ertoe brengt onze onkunde, en dwaasheid in wel duizend gevallen op te merken en te voelen hoe onbekwaam wij zijn, om ook maar iets juist te verstaan, anders dan door Goddelijk onderwijs, dan verdwijnt onze wijsheid, en als Hij ons onze onbekwaamheid toont om de verzoeking te wederstaan en om de zonde te overwinnen, door enige inspanning van onszelf, dan wordt onze kracht geleidelijk minder, en dan worden wij gelijk Simson toen zijn haarlokken waren afgesneden.
Dus op de puinhopen van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht, bouwt God de wijsheid, de gerechtigheid en de kracht van Christus, zoals Jezus sprak tot Zijn dienstknecht Paulus: ’’Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” En dit bracht hem tot de wonderbaarlijke gevolgtrekking: ”Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.” (2 Korinthe 12:9).
Maar alleen voor zover wij begenadigd zijn met dit bijzondere onderwijs, worden wij ertoe gebracht, een plechtig vonnis der veroordeling uit te spreken over onze eigen wijsheid, kracht en gerechtigheid en zoeken wij op een gevoelvolle wijze de Heere.
e. Nog een vrucht en uitwerking van het Goddelijk onderwijs is het geloof, waardoor in Jezus wordt geloofd tot behoudenis der ziel. Van nature ligt er niet één korrel van het levende geloof in het hart. Wij mogen weliswaar een zeker soort geloof bezitten, wij mogen de werkzaamheden bezitten van een natuurlijk geloof: maar wat betreft enig waar geestelijk geloof, zoals hetgeen de apostel beschrijft, als ”een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet,” zulk een geloof, als de oudtestamentische geloofshelden, die worden aangehaald in het elfde hoofdstuk van de Hebreënbrief, hebben bezeten, zulk een geloof, dat de ziel verlost van de ’’toekomende toorn”, daarvan kennen wij absoluut niets, totdat het Gode behaagt dit door Zijn bijzonder onderwijs in ons hart te verwekken.
Voorts hebben wij geen enkele hoop, die ook maar iets waard is, dan hetgeen voortvloeit uit het Goddelijk onderwijs. Wij mogen weliswaar ”de verwachting des huichelaars bezitten, welke vergaat”, maar ”een goede hoop door genade”, als ”een anker der ziel”. De hoop, waarin ”wij zalig worden” (Rom. 8:24) ’’welke niet beschaamt” (Rom. 5:5) een ’’goede hoop” als deze, moet alleen ontstaan door het onderwijs Gods, een bekendmaken van de Heere van leven en heerlijkheid, en een verwekken van die kracht in onze ziel, waardoor het anker wordt uitgeworpen in Zijn bloed en gerechtigheid.
f. En de liefde: deze is ook een vrucht en uitwerking van dit hemels onderwijs. Er is geen liefde tot God, tenzij het Hem behaagt deze in het hart uit te storten, de ziel lerende Hem te kennen, als de God van liefde. Wij mogen proberen Hem lief te hebben en Hem voor ons geestesoog te halen, maar de liefde kan op deze wijze niet worden gedwongen tot Hem uit te vloeien; ons hart blijft dood, koud en gevoelloos. En het is alleen als het Hem behaagt een druppel liefde in de ziel te doen neerdalen, dat dit terugvloeit naar de eeuwige Fontein, waaruit het kwam. En zo is het in betrekking tot de liefde tot de broederen. De apostel spreekt: ”Gij zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.” Bijgevolg kan dit alleen voortvloeien uit het Goddelijk onderwijs, door de Geest Gods, Die Zijn gezegende zalving aan de ziel mededeelt, waardoor wij, wanneer wij de genade in hen opmerken, een zoete vertedering des harten, geestelijke vereniging en een liefdesbetrekking tot hen gevoelen. Wij mogen een zelfzuchtige, vleselijke liefde hebben gehad, maar er kan geen ware liefde zijn jegens het volk van God, dan wanneer het de Heere behaagt ons door Zijn Geest te leren elkander lief te hebben.
g. Noch is er enige ootmoed, tenzij het de Heere behaagt de ziel te leren ootmoedig te zijn. En op welke wijze brengt Hij ware zi- elsvernedering teweeg? Door ons te tonen wat wij zijn, de verborgenheden van het hart bloot te leggen, de hopeloze verdorvenheid van onze gevallen natuur ontdekkende en door ons te overtuigen, dat de zonde vermengd is met iedere gedachte, woord, blik en daad.
h. Ook is er in geen enkel opzicht geestelijke lijdzaamheid, behoudens hetgeen voortvloeit uit dit bijzondere inwendige onderwijs. Beproevingen brengen niet tot lijdzaamheid: deze verwekken alleen opstand. Wij mogen de zwaarste bezoekingen doormaken en verre van ons hieronder lijdzaam te gevoelen, bijna tot wanhoop worden gebracht. Maar lijdzaamheid en overgave aan de wille Gods, vloeien rechtstreeks voort uit de Heere Zelf. Hij alleen kan de ziel leren lijdzaam te zijn onder Zijn slagen en ons tonen, dat ”het verdriet niet uit het stof voortkomt, en de moeite niet uit de aarde spruit.” (Job 5 : 6). Hij alleen kan de ziel doen gevoelen, dat de kastijding komt uit de hand van de Vader, en het hart verklaren, dat dit geschiedt tot ons geestelijk nut: en het hart aldus de gezegende en vreedzame vruchten doen gevoelen, welke hieruit voortvloeien, wanneer ze ”een vreedzame vrucht der gerechtigheid van zich geeft, dengenen, die door dezelve geoefend zijn.” (Hebr. 12:11).
Noch is er in enig opzicht de Geest des gebeds, tenzij de Heere ons leert hoe te bidden. De discipelen voelden dit, toen zij zeiden: ’’Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.” (Lukas 11:1)
Wij kunnen niet op een geestelijke en aangename wijze bidden, behoudens als God ons leert. Ouders trachten soms hun kinderen bidden te leren, en leiders en leidsters van de zondagsschool trachten hetzelfde te doen met hun leerlingen. Maar wat zijn deze zaken het oor van een van God geleerde ziel onaangenaam! Er is nauwelijks iets, dat vroeger, toen ik de diensten van de Staatskerk leidde, mijn oren onaangenamer was, dan de kinderen van de zondagsschool luidkeels te horen roepen: ’’Neem Uwen Heiligen Geest niet van ons,” en andere soortgelijke smeekbeden, waaraan zij geen geestelijke kennis hadden. Er zijn, naar ik geloof, maar een paar zaken, die de oren van Godvrezende ouders meer kwetsen, dan hun vleselijke kinderen op een ijdele wijze tot de Heere uitdrukkingen te horen gebruiken, waarvan zij de betekenis noch kennen, noch gevoelen.
En in het algemeen mag ik wel opmerken, dat er voor een geestelijk oor niets walgelijker is, dan vleselijke personen gebruik te horen maken van smeekbeden, waarvan zij de kracht en de zoetigheid nooit hebben gevoeld. God moet de ziel leren bidden. Wij mogen de kinderen kerkgebeden en andere gebeden leren, en wij mogen ze een zegen leren vragen voor de maaltijd, maar deze door de mens gemaakte beden zijn Gode niet aangenaam, noch worden deze met goedkeuring aangehoord. Maar wanneer Hijzelf de Geest des gebeds mededeelt, dan leert Hij de ziel in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, Zijn aangezicht te zoeken en Zijn Naam aan te roepen. Hij leert ons onze verdorvenheid en Zijn genade, onze krankheid en Zijn geneesmiddel, onze verlorenheid en Zijn behoudenis. Geen menselijke onderwijzing kan ons deze zaken doen kennen, maar wanneer Hij leert, dan haalt Hij de verborgen begeerten en zuchtingen der ziel tot Hem uit.
j. Een gestorven zijn aan de wereld en een zowel inwendige als uitwendige afscheiding van het gezelschap en de ellendige geest ervan, is eveneens een uitwerking van het Goddelijk onderwijs. Totdat het Gode behaagt ons te leren, zien wij niet de boosheid van de wereld, maar wanneer de Geest de consciëntie teder maakt in Zijn vreze, dan ondervinden wij, dat wanneer wij ons in de wereld begeven, dit gelijk staat met de aanraking van pek. Onze handen worden bezoedeld en wij gevoelen meteen, dat ’’kwade samensprekingen goede zeden verderven.” Wanneer de Heere ons leert wat wij zijn, dan bevinden wij, dat wij zulke ontvlambare stoffen, zoveel kruit met ons omdragen, dat wanneer er een vonk in onze nabijheid komt, er een ontploffing kan plaatsvinden.
En zoals degenen, die bezorgd zijn voor hun leven, niet een kruitmagazijn zouden binnen gaan met iets, dat een ontploffing zou kunnen veroorzaken, zo zal het kind van God, wanneer hij onder de kracht der Goddelijke onderwijzing verkeert en op een merkbare wijze gevoelt, welk een walgelijke natuur hij bezit, ervoor bevreesd zijn, zijn hart in de wereld te brengen, uit vrees dat er een vonk naar binnen zou slaan van een onverwachte zijde, welke in een ogenblik al zijn verdorvenheden in vlam zou zetten.
k. Door Goddelijk onderwijs leren wij ook, wat een ellendig kwaad de gierigheid Het is waarlijk een zonde, waarvan moet worden gevreesd, dat velen van Gods volk hiermee grondig besmet zijn. Maar de strekking ervan is, dat deze juist het hart van de levende godzaligheid verteert en juist de geest en het wezen hiervan is de afgodendienst. Want de mens, die knielt voor goud en zilver, is evenzeer een afgodendienaar, als had hij de knie gebogen voor stokken en stenen. Maar wanneer God Zijn volk leert tot hun nut, dan zet Hij hun hart op betere dingen: Hij toont hen de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, en maakt aldus hun geest los van die ellendige liefde tot het geld, hetwelk ”de wortel van alle kwaad is”.
l. Het is alleen door Goddelijk onderwijs, dat wij in staat worden gesteld medegevoel te hebben met de noden van Zijn kinderen,dat ons hart bewogen wordt met hun menigvuldig tijdelijk lijden, en dat ons de genegenheid geschonken wordt, bij te dragen tot hun behoeften. Maar wanneer u iemand ziet, die doorgaat voor één van Gods volk, die zoveel bezit van ”het goed dezer wereld”, en die evenwel zo ongevoelig blijkt te zijn, voor de noden van zijn armere broederen, dan vraagt u zich af, wat hij van deze Schrift- plaats denkt: ”En gij zijt allen broeders.” Doch God moet ons leren medegevoel te hebben met hun noden en moet ons milddadig doen zijn, jegens hen overeenkomstig onze middelen, door hen op ons hart te leggen en door onze genegenheden tot hen uit te halen.
m. Alle goed woord, dat wij spreken tot de ere en tot de verheerlijking Gods, moet voortvloeien uit dit bijzondere onderwijs. Hoe helder en bekwaam een predikant, bijvoorbeeld, ook de waarheid moge prediken, alle woord zal totaal niet besteed zijn aan zijn toehoorders, tenzij het Gode behaagt gedachten te inspireren en woorden in te geven en door hem tot de consciëntie te spreken. Ook iedere daad van ons leven zal gewis verkeerd zijn, tenzij deze wordt verricht onder de bijzondere leiding Gods: en iedere stap, die wij in de voorzienigheid zetten, zal niet juist zijn, tenzij deze op een bijzondere wijze bestuurd wordt door God Zelf.
4. Het onderwijs Gods beperkt zich niet tot het openbaren van een paar voorname waarheden aan iemand, en deze dan achter te laten, om een zekere uitwerking op de consciëntie te hebben. Maar Gods volk heeft Zijn onderwijs zonder ophouden nodig. En zowel in de voorzienigheid, als in de genade, hebben wij zonder ophouden onderwijs nodig. Ik geloof, dat menig kind van God niet weet, hoe hij in de voorzienigheid de eenvoudigste zaak moet doen, zelfs niet hoe hij zijn dagelijkse bezighield moet uitoefenen, of hoe hij zijn handwerk moet verrichten, tenzij het de Heere behaagt hem te onderwijzen. God moet zijn oog en hand leiden, in de geringste, zowel als in de grootste zaken.
Hij heeft behoefte aan Goddelijk onderwijs bij iedere handeling, wanneer deze tot de ere Gods moet worden verricht, en voor ieder woord, wanneer dit moet worden gesproken in Zijn vreze. Maar dit bijzondere onderwijs Gods kan alleen worden gekend en geëigend door degenen, die met alle volmaaktheid van het schepsel aan een eind zijn gekomen, en die op een algehele en bevindelijke wijze ontbloot zijn van alle vleselijke wijsheid.
Totdat een mens ertoe gebracht is op te merken, dat hij geen wijsheid van zichzelf heeft, zal hij nooit zoeken naar de wijsheid Gods. Maar wanneer hij ertoe gebracht wordt te wandelen in de duisternis, welke gevoeld moge worden, wanneer het zware deksel zich over zijn geest samentrekt en wanneer God Zich aan zijn oog onttrekt. Wanneer de dingen der eeuwigheid in duisternis zijn gehuld, en hij de Goddelijke zaken niet kan waarnemen, noch zijn aandeel eraan kan gevoelen.
Wanneer “hij naar de wand tast, gelijk de blinden en gelijk die geen ogen hebben”. Wanneer hij ”in de duisternis wordt gevoerd, en niet in het licht”, dan wordt hij ertoe gebracht te verstaan, dat de Heere alleen zijn ziel tot nut kan leren. Goddelijk onderwijs laat iemand niet waar het hem vond: dood, stom, wereldsgezind, gevoelloos en vleselijk. Wanneer hij in benauwdheid verkeert, dan doet het hem niet in benauwdheid blijven: wanneer hij zich schuldig voelt, dan doet dit hem niet schuldig blijven. Wanneer hij in de duisternis verkeert, dan doet dit hem niet in de duisternis blijven, doch het heft hem op uit deze kwaden.
Aldus wordt Gods volk gedurig geleid tot Hem te komen voor Zijn onderwijs, omdat zij voelen, dat zonder dit bijzondere onderwijs, zij niets kunnen weten, zoals zij dit behoorden te weten. Ja, zelfs hoe meer zij bezitten, des te meer willen zij bezitten. Want niet zodra is het licht onttrokken, of de duisternis wordt op een nog merkbaarder wijze gevoeld.
Wanneer zij in een tekst van de Schrift hebben mogen inblikken, dan doet dit hen verlangen, dat andere teksten op een soortgelijke wijze worden bekend gemaakt. Wanneer zij enige vertroosting hebben ontvangen en deze wordt weggenomen, dan doet dit hen er wederom naar verlangen. Zodat hoe wijzer en geestelijker Gods volk wordt, des te dwazer en vieselijker zij schijnen te worden in eigen oog: hoe sterker zij zijn in den Heere, en in de sterkte van Zijn vermogen, des te merkbaarder gevoelen zij de zwakheid van hun vlees, en hoe meer zij in staat worden gesteld in een nauwe omgang met de Heere te wandelen, des te meer worden zij ontdekt aan de ellendige afzwervingen van hun gemene en zondige hart.
Hier zien wij dus, hoe Gods volk zich onderscheidt van alle roekeloze, opgeblazen, uiterlijke belijders. Zij wassen, maar Gods volk wordt minder. Bijzondere en Goddelijke onderwijzingen voeren de ziel niet tot hoogmoed, aanmatiging en vermetelheid, maar deze leiden tot ootmoed, eenvoud, oprechtheid, verslagenheid van geest, verbrokenheid van hart, geringe gedachten van zichzelf en bewonderende gedachten van de Heere. De natuurlijke wijsheid verhardt het hart van de mens slechts, deze schroeit zijn consciëntie toe, en doet hem meer wereldsgezind zijn. Geestelijke onderwijzingen vertederen het hart, doen de ere Gods zijn voorname oogmerk zijn, en doen hem vurig verlangende zijn naar geestelijke gemeenschap met de Heere.
Hoe zullen wij dus weten of wij tot Gods volk behoren? Omdat wij geloven in de verkiezing, de persoonlijke verlossing, de daadwerkelijke roeping en de volharding tot het einde toe van de gelovigen? Omdat wij naar een bepaalde predikant gaan luisteren, of tot een zekere kerk behoren? Iemand moge al deze zaken bezitten en wel tienduizend zaken meer, en uiteindelijk als een misleide huichelaar in de hel wegzinken. Doch kunnen wij in onze ziel iets van dit Goddelijk onderwijs naspeuren? De Heere heeft ons twee blijken of toetsen geschonken, waardoor dit kan worden aangetoond. Laten wij dan nog een paar ogenblikken onze aandacht hierbij bepalen, en onderzoeken of wij kunnen vaststellen, of ze in ons openbaar komen.
Eén blijk is: ”Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.” Komt u van tijd tot tijd tot Christus, en geeft u uiting aan uw verlangens en uw hijgen naar Hem, of Hij Zichzelf in uw ziel zou willen openbaren? Bent u, in meerdere of in mindere mate, dagelijks zoekende om ”Hem te kennen, en de kracht Zijner opstanding”, en om de zoete openbaringen Zijner liefde te mogen genieten? Dan bezit u een schriftuurlijke blijk, dat u van God geleerd zijt.
Doch laten wij de andere toetssteen nemen: ’’Want gij zelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.” (1 Thess. 4:9). Kent u bevindelijk iets van de liefde tot Gods volk? Ik bedoel een ware, geestelijke liefde tot het arme, geoefende, verzochte, met zonden belaste en door de satan gekwelde huisgezin Gods? Dan wil ik zeggen, dat u van God geleerd zijt! De Heere stelle ons in staat te geloven, dat wij ”de zalving van de Heilige” hebben verkregen, die ’’zalving, die waarachtig is, en geen leugen”. Het zekere onderpand en de voorsmaak van het eeuwige leven. Maar bedenk, dat de belofte luidt:
Preached at Zoar Chapel, London, on August 6, 1843
“All your children shall be taught of the Lord.” — Isaiah 54:13
The full extent of the “spiritual blessings” with which God has blessed the church in “heavenly places in Christ” can never be thoroughly known in this present world. It is only when the ransomed of the Lord shall reach the heavenly Canaan, that they will fully know either the dreadful gulf of misery from which they have been delivered, or the height of bliss and glory to which they are exalted in Christ. But sufficient is revealed in the word of God to show that they are indeed blessed with especial privileges and mercies; and that in being thus blessed their distinction as “a peculiar people” chiefly consists. Moses, therefore, on one occasion thus pleaded with God— “Wherein shall it be known here that I and your people have found grace in your sight? Is it not in that you go with us? so shall we be separated, I and your people, from all the people that are upon the face of the earth”. Ex 33:16
But of these peculiar blessings that God has blessed his church with in Christ, four seem especially prominent above the rest— their eternal election— their particular and personal redemption— their regeneration— and their heavenly teaching, which last is the promise contained in the text, “All your children shall be taught of the Lord.”
But why should this last occupy a prominent place in the catalogue of covenant blessings? Because without it the others would be in a measure nugatory; for such is the blindness of man’s heart by nature, so thick a veil of ignorance is spread over his understanding, and so completely is he “alienated from the life of God,” that he never can have any spiritual knowledge of the “only true God, and of Jesus Christ, whom he has sent” (in which knowledge eternal life consists) , until he is made a partaker of this divine teaching.
We will endeavor, then, with God’s blessing, to trace out a little of the NATURE and EFFECTS of this divine teaching in the soul. And as it consists for the most part of two leading branches— first, the teaching whereby we know GOD; and secondly, the teaching whereby we know OURSELVES, we will look at each of these in their order.
I. But it will be desirable, first, to consider what is the NATURE of this heavenly teaching. And as the Holy Spirit certainly knows and has described its nature best, we cannot do better than examine one or two of the scriptural figures and explanations given of it.
1. This divine teaching, then, is compared in one place to dew and rain— “My teaching shall drop as the rain, my speech shall distill as the dew” De 32:2 But what is the nature and effect of rain, and more particularly of dew? It falls gently; and yet, though it falls so quietly and stilly, it has a penetrating and softening effect. Thus it is with God’s teaching in the soul— like dew, it falls from heaven stilly and gently into the heart, and yet it penetrates the soul with a secret and invincible power, that opens while it softens it. It does not tear it up, like hail or lightning, but it sinks deeply and yet quietly into it, and with a peculiar softening power so pervades it as to take a thorough and entire possession of it.
2. Another thing to which it is compared in scripture, is oil, or unction, as the apostle John says, “You have an anointing from the Holy One;” and again, “But the anointing which you have received of him abides in you, and you need not that any man teach you; but as the same anointing teaches you of all things, and is truth, and is no lie, and even as it has taught you, you shall abide in him” 1Jo 2:20,2:27 This figure does not differ very widely from the one just mentioned, but contains three leading ideas— that it penetrates, softens, and spreads. Thus the unction of God’s teaching in the soul not merely penetrates and softens the heart into which it comes, but also gradually spreads and sinks into it more and more deeply; it supples the conscience and makes it tender, and penetrates into the inmost roots and fibers of a man’s heart.
This teaching is the special work of God the Holy Spirit on the soul, and is as distinct from our own wisdom, or from any knowledge that we may obtain by the exercise of the natural understanding, as eternity from time, heaven from hell, and Christ from Belial.
II. But we pass on to consider what are the special EFFECTS and FRUITS of this divine anointing.
The nature of this teaching is less plainly revealed in the scriptures, than its effects. And therefore though the figures above quoted sufficiently show that there is in its nature something soft and gentle, falling like rain upon the new mown grass, or like oil penetrating the heart into which it comes, yet, for the most part, we cannot, except by its fruits and effects, be certain that we are partakers of this divine teaching. But when we look at them (for it always will produce fruits and effects) we may sometimes, when the Lord is pleased to shine into the soul, come to a blessed conclusion, that we are anointed with this unction from the Holy One.
1. I believe, then, that the first effect of this special teaching of God in the soul is, to convince us of the truth and authority of God’s word. We may have professed to believe the word of God from our infancy; we may have been instructed by our parents or in the Sunday School as to the truth of the scriptures; we may have studied in books the evidence of their authenticity and inspiration; but all the while our heart was not touched with any divine power. The head might have been enlightened, but no enlargement of heart was ever sensibly felt under the power of truth, nor any powerful conviction wrought in the soul by the application of it, so as positively to convince us that God himself speaks in the scripture.
But when the “anointing” of “the Holy One” drops into the soul with power, it speaks with such authority through the scriptures, that they are at once known and felt to be the word of the living God. If previously one had been tempted with infidelity, if the mind had been puzzled by apparent contradictions, so as to be almost on the point of giving up the scriptures as a divine revelation, yet when this special teaching and divine anointing come into the heart, the word of God carries with it a power and authority that puts every infidel argument to the rout, and disperse every objection as the sun dissipates the morning mists— and the soul is abundantly satisfied that the scripture is the revelation of the mind and will of the blessed God. And whatever infidel objection may afterwards arise, whatever doubts may assault the mind, whatever contradictions may seem to unsettle the foundation of his hope, he never thoroughly loses the solemn conviction which God himself has given him— that the scripture is the truth of the living God.
2. The next thing, I believe, that this “anointing from the Holy One” teaches is, the BEING of a God. Now, of the being of a God, we might have been persuaded by traditional religion, or we might have been convinced of it by natural conscience— but these could never give us a feeling conviction of the being of such a God as the scripture sets forth. The apostle Paul declares, that all men by nature are “without Christ… having no hope, and without God in the world”, Eph 2:12 literally ‘atheists.’ And not only have they no knowledge of the being of God, but as he again says, quoting from the Psalms, “There is no fear of God before their eyes” Ro 3:18 They have no inward conviction that there is a self-existent Jehovah, whose “eyes are in every place;” that he is an omnipresent, omniscient, almighty, eternal, and just God; that his eye sees into the secret and inmost recesses of the soul, and that he will one day bring them into judgment. But no sooner does “an anointing from the Holy One” convince us of the power and authority of the inspired scriptures, than we learn through it the being and existence of a great and glorious Jehovah, who is around our bed, and about our paths, and spies out all our ways.
3. But with this inward spiritual conviction of the being of God, there is manifested by this divine anointing the CHARACTER of Jehovah. Not merely that he exists, but that he is what he declares himself to be in the revelation of his holy character and attributes. His word is brought home with divine authority to the soul, and with a living power to the conscience; and thus it is taught to see him as a HOLY and a JUST God who will “by no means clear the guilty;” that he hates sin with an absolute hatred, and will infallibly punish all those who are found under the curse and condemnation of the law, when they stand before his dread tribunal. So that here the holy character of God is opened up with power to the soul by the work of the law in a man’s conscience.
Many, I believe, of God’s people, who have had a work of the law on their conscience, are at times much exercised and tried in their minds, whether they have really known it, for this reason, because no sentence of the Decalogue, or particular portion of the Old Testament has come with power into their heart. But, wherever the character of Jehovah, as a just and holy God, has been spiritually made known to the soul, there the law has done its work on the conscience. God, as the Lawgiver, is known, though the exact letter of the law may not be felt. The spirit of the law, in the hands of a just and a holy God, is made known to the heart and conscience, producing conviction, condemnation, guilt, and a sense of ruin; where the exact letter of the law is not made use of by the Lawgiver to do the work. But the spirit of the law, in the hands of the Lawgiver, has produced condemnation, fear, guilt, and a sense of misery and ruin, so as to cut away all legal hopes, pull down self-righteousness, and lay the soul in ruins before God’s footstool. And wherever this is experienced, there is a work of the law on the conscience.
4. But this teaching of the Spirit, when the soul has learned the holiness of God, and has felt itself condemned by his righteous law, and cut off from all hope or help in self— this same “anointing from the Holy One,” which “is truth and is no lie,” unfolds to the heart, and brings into the conscience experimentally, a knowledge of the LORD JESUS CHRIST. Those are striking words, and they have often rested with weight and power on my mind, perhaps no part of scripture more so, “This is life eternal, that they might know you, the only true God, and Jesus Christ, whom you have sent” John 17:3 How briefly the Lord of life and glory has here summed up in what eternal life consists!
How many are anxious to know what is the way of salvation, how eternal life is to be obtained, and how to “flee from the wrath to come!” but the Lord Jesus has shown in one short sentence in what eternal life consists, that it is in the knowledge of the “only true God, and of Jesus Christ whom he has sent.” He therefore that knows the Father and the Son has eternal life in his soul. The Lord Jesus, in the chapter, which I read this morning, quoted this among other passages of the Old Testament, and says, “It is written in the Prophets, And they shall be all taught of God. Every man therefore that has heard, and has learned of the Father, comes unto me” John 6:45 He lays this down, then, as one especial fruit of divine teaching, that it produces a coming unto him.
The Spirit, who teaches to profit, holds up before the eyes of the soul, the Person, work, blood, love, grace, and righteousness of the Lord Jesus Christ. He shows the soul that he is just such a Savior as it needs. He opens up the dignity of his Person, and shows that he is God-man. He makes known in the conscience that he has offered up himself a sacrifice for sin— that he has shed his atoning blood so that the sin of the church is forever put away from the sight of a just God. He opens up before the eyes of the mind his glorious righteousness, as that in which the Father is well-pleased, and in which, if the soul has but a saving interest, it is secure from the wrath to come. He unfolds to the heart the willingness of Christ to receive every coming sinner; he shows the treasures of mercy and grace which are locked up in him— and brings down in the heart the comforting words that he spoke in the days of his flesh, such as, “Come unto me, all you that labor and are heavy-laden, and I will give you rest” Mt 11:28 “Him that comes unto me I will never cast out.” “If any man thirsts, let him come unto me, and drink” John 7:37
And sometimes he unfolds to the understanding, and brings into the heart a sweet melting sensation from seeing how, when Christ was upon earth, he healed the sick, gave eyes to the blind, and ears to the deaf; raised the dead, went about doing good; and how that in everything he said or did, he spoke forth the kindness and compassion of his loving heart. Thus, he sweetly draws the soul on, whereby it comes to Christ, casts itself at his blessed footstool, and looks upon him with the eye of faith. And whenever he brings the soul thus to come to Christ, with a real feeling of ruin and misery, with a true sense of guilt and condemnation, with a sincere submission to God’s righteousness (as the apostle says), “Not going about to establish our own righteousness,” but a “submitting of ourselves to the righteousness of God,” Ro 10:3 and a yielding up of ourselves into his hands, there is a proof of heavenly teaching.
And whenever that blessed union of humility and love is felt, whereby the soul lies at the feet of the Lord, as Ruth lay at the feet of Boaz, beseeching him to cover it with the skirt of his garment, the Holy Spirit has wrought with power in that soul— it is taught of God— and has a saving interest in that special teaching, the result of which the Lord has declared to be, “Every man therefore that has heard, and has learned of the Father, comes unto me” John 6:45
5. This blessed teaching also leads the soul up into a knowledge of the HOLY SPIRIT. All God’s people are led into a knowledge of the Trinity— not indeed by metaphysical reasoning or subtle arguments addressed to the understanding. The Spirit teaches them, not by reasoning addressed to the head, but by the power and dew of divine truth resting upon the heart. All God’s people learn the doctrine of the Trinity in their souls. They learn, under divine teaching, the authority, justice, majesty, holiness, and in due time feel the love of God the Father. They learn the Godhead of Christ in their souls, by seeing and feeling the power of his blood, as the blood of God, Ac 20:28 and his righteousness as the “righteousness of God.” And they learn the Deity and Personality of the Holy Spirit by feeling the divine power of his operations on their hearts. They learn also that he is God, by perceiving how he scrutinizes all their actions, brings to light every secret thought, and applies passages of scripture to their souls, which none but God could produce, or so suitably apply. And when they are thus led by divine teaching, into the Three Persons of the Godhead, they are brought to know and feel in the depths of conscience, that there are three Persons, equal in power, will, essence, and glory, and but one Jehovah.
Now these truths no man can learn in a saving manner, except by this special teaching. He may know all this, and much more than this, in his understanding and judgment— but a sensible realization of the power of these things in the conscience, a divine melting of the heart under them, with an enlargement of soul, and an experimental enjoyment of them, is the alone fruit of God’s teaching resting on him, so as to make him “a new creature” in Christ.
III. But, as I before hinted, a considerable branch of this heavenly teaching consists also in producing in us a KNOWLEDGE OF OURSELVES, for spiritual acquaintance with ourselves runs ever side by side with a spiritual knowledge of God.
1. We know not, for instance, the EVIL of sin until God makes it effectually known in the conscience. We may, indeed, by the workings of natural conviction know this and that outward crime to be sin. We may at times, also, have had some sharp pangs of conscience on account of committing open sins against light and knowledge. But the evil of sin— its horrible and dreadful nature, we cannot know, except by this special teaching.
Now there are two ways whereby God makes us to know and feel the evil of sin— first, by the law; and secondly, by the gospel.
In the LAW, in the light of God’s justice, we see the damning power of sin. We find God’s justice arrayed against it, that it is totally contrary to his holiness; and that he could not be just, unless he visited it with his eternal wrath and displeasure. But though the law shows us the evil of sin, as committed against justice and holiness, it does not convince us of its evil as committed against love and mercy; it does not, therefore, teach us to hate and abhor it; nor does it produce any sensations of godly sorrow on account of it; but it rather stirs up rebelliousness, and genders to bondage; it rather works up enmity against God, because he has condemned sin, and will not let us commit it. In order, therefore, to teach the soul the evil of sin as exceedingly sinful, we must see it in the light of a suffering Jesus.
We must view by faith the Son of God, equal with the Father in essence, glory, and power, come down to the earth; we must behold him by the eye of faith as “a man of sorrows, and acquainted with grief;” we must trace out all his life of humiliation from the cradle to the cross; we must go with him to the garden of Gethsemane; from Gethsemane to Calvary, and there behold God’s only begotten Son, stretched between heaven and earth, as “a spectacle unto the world, and to angels, and to men,” groaning out his soul under the weight of sin laid on him, and the hidings of his Father’s countenance. And only so far as the Spirit leads the soul into the sufferings and agonies of a bleeding Jesus, does it really see and feel, and truly hate and abhor sin and itself as extremely sinful.
2. But heavenly teaching is also necessary to show us what OUR HEARTS are. We may, by observing the workings of the natural mind, come to some conclusion that we and all men are naturally very selfish, very proud, and very worldly— but all this does not produce any sense of godly sorrow, or any self-loathing on account of indwelling sin. But when the blessed Spirit takes us in hand, strips away the veil of delusion from our hearts, and opening up the depths of our fallen nature, discovers the secret recesses where everything that is filthy and loathsome hides itself— then we begin to see and feel that we are sinners indeed; inwardly as well as outwardly, in thought and imagination, as well as by habit and practice.
It was this special teaching in the conscience that made Isaiah, when he saw the vision in the temple, cry out, “Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips— for my eyes have seen the King, the Lord of Hosts” Isa 6:5 It was this sight of the purity of God, that made Daniel say, that “his loveliness was turned into corruption, and he retained no strength” Da 10:8 It was this that made Job exclaim, “I have heard of you by the hearing of the ear; but now my eye sees you— therefore I abhor myself, and repent in dust and ashes” Job 42:5,6 And if any of us have ever learned to loathe ourselves before God, it is by having some special discovery of the purity and holiness of God, contrasted with our own vileness and filthiness.
3. Another fruit and effect of this divine teaching is, to cut in pieces, and root up all our fleshly wisdom, strength, and righteousness. God never means to patch a new piece upon an old garment; he never intends to let our wisdom, our strength, our righteousness have any union with his— it must all be torn to pieces— it must all be plucked up by the roots, that a new wisdom, a new strength, and a new righteousness may arise upon its ruins. But until the Lord is pleased to teach us, we never can part with our own righteousness, never give up our own wisdom, never abandon our own strength. These things are a part and parcel of ourselves, so ingrained within us, so innate in us, so growing with our growth, that we cannot willingly part with an atom of them until the Lord himself breaks them up, and plucks them away.
Then as he brings into our souls some spiritual knowledge of our own dreadful corruptions and horrible wickedness, our RIGHTEOUSNESS crumbles away at the divine touch— as he leads us to see and feel our ignorance and folly in a thousand instances, and how unable we are to understand anything aright but by divine teaching, our WISDOM fades away— and as he shows us our inability to resist temptation and overcome sin, by any exertion of our own, our STRENGTH gradually departs, and we become like Samson, when his locks were cut off.
Upon the ruins, then, of our own wisdom, righteousness, and strength, does God build up Christ’s wisdom, Christ’s righteousness, and Christ’s strength— as Jesus said to his servant Paul, “My strength is made perfect in weakness;” and this brought him to that wonderful conclusion, “Most gladly therefore will I rather glory in my infirmities, that the power of Christ may rest upon me” 2Co 12:9 But only so far as we are favored with this special teaching are we brought to pass a solemn sentence of condemnation upon our own wisdom, strength, and righteousness, and feelingly seek after the Lord’s.
4. Another fruit and effect of divine teaching is, faith, whereby Jesus is believed in to the saving of the soul. There is not a grain of living faith in the heart by nature. We may indeed have a certain sort of belief, we may have the workings of a ‘natural’ faith— but as to any real spiritual faith, such as the apostle describes, as “the substance of things hoped for, and the evidence of things not seen;” such a faith as was possessed by the Old Testament worthies recorded in the eleventh of Hebrews; such a faith as saves the soul from “the wrath to come,” we know absolutely nothing of, until God is pleased to kindle it by his special teaching in our hearts.
5. Nor, again, have we any hope worth a straw, except what springs from divine teaching. We may indeed have the “hope of the hypocrite” which perishes, but “a good hope through grace,” as “an anchor of the soul;” the hope whereby “we are saved,” Ro 8:24 which “makes not ashamed,” Ro 5:5 a “good hope” like this must spring up alone through the teaching of God, a making known of the Lord of life and glory, and raising up that power in our souls whereby anchor is cast on his blood and righteousness.
6. And love— that also is a fruit and effect of this heavenly teaching. There is no love to God, except as he is pleased to shed it abroad in the heart— teaching the soul to know him as the God of love. We may try to love him, and set him before the eyes of our mind— but love cannot be thus compelled to flow out to him— our hearts remain dead, cold, and stupid. And it is only as he is pleased to let a drop of love fall into the soul, that it flows back unto the eternal fountain whence it came down.
And so, with respect to love to the brethren. The apostle says, “You are taught of God to love one another.” This, therefore, can only flow from divine teaching, by the Spirit of God communicating his blessed unction to the soul, whereby when we see grace in them, we feel a sweet melting down of heart, a flowing together of spirit, and a knitting of affection to them. We may have had a selfish love in the flesh; but there can be no real love towards God’s people, except as the Lord is pleased to teach us by his Spirit to love one another.
7. Nor is there any humility, except as the Lord is pleased to teach the soul to be humble. And how does he produce genuine soul humility? By showing us what we are, opening up the secrets of the heart, discovering the desperate wickedness of our fallen nature, and convincing us that sin is intermingled with every thought, word, look, and action.
8. Nor is there any spiritual patience, except what springs from this special inward teaching. Trials do not bring patience; they only stir up rebellion. We may pass through the heaviest afflictions, and so far from feeling patience under them, be worked up almost into desperation. But patience and resignation to the will of God flow immediately from the Lord himself; he alone can teach the soul to be patient under his strokes, and show us that “affliction comes not forth of the dust, neither does trouble spring out of the ground” Job 5:6 He alone can make the soul feel that chastisement comes from the hand of a Father, and open up to the heart that it is for our spiritual good; and thus allow us to realize the blessed and happy results which flow therefrom, when it “yields the peaceable fruit of righteousness unto those who are exercised thereby” Heb 12:11
9. Nor is there any spirit of prayer, except as the Lord teaches us how to pray. The apostles felt this when they said, “Lord, teach us to pray, as John also taught his disciples” Lu 11:1 We cannot pray spiritually and acceptably, except as God teaches us. Parents sometimes try to teach their children to pray; and Sunday School teachers attempt the same thing with their scholars. But how grating these things are in the ear of a God-taught soul! Scarcely anything used to grate more upon my ears, when I had to attend the Church of England services, than hearing the Sunday School children shout out, “Take not your Holy Spirit from us,” and other similar petitions with which they had no spiritual acquaintance. And few things I believe more hurt the ears of godly parents than to hear their carnal children idly repeating to the Lord words of which they neither know nor feel the meaning; and generally, I may remark, nothing is more offensive to a spiritual ear, than to hear carnal persons make use of petitions the power and sweetness of which they have never felt. God must teach the soul to pray. We may teach children prayers, and to say a blessing before meals; but these man-made petitions do not please God, nor reach his approving ear. But when he himself imparts a spirit of prayer, he teaches the soul in sincerity and godly simplicity to seek his face, and to call upon his name. He teaches us our ruin and his mercy, our malady and his remedy, our lost estate and his salvation. No human teaching can make us know these things; but when he teaches, he draws forth the secret desires and breathings of the soul after himself.
10. Deadness to the world, and inward as well as outward separation from its company and wretched spirit, is an effect too of divine teaching. Until God is pleased to teach us, we do not see the evil of the world; but when the Spirit makes the conscience tender in his fear, we find that going into the world is like touching pitch; our hands become defiled, and we feel at once that “bad company corrupts good character.” When the Lord teaches us what we are, we find we carry about with us such combustible materials, so much gunpowder, that if a spark comes near us an explosion may take place. And as those who are careful of their lives would not enter a storehouse of explosives with anything that might cause an explosion— so when the child of God is under the power of divine teaching, and feels sensibly what a vile nature he has, he will be afraid of carrying his heart into the world, lest a spark might come in from some unexpected quarter, and in an instant set all his corruptions aflame.
11. By God’s teaching, also, we learn what a wretched evil covetousness is. It is indeed a sin, which it is to be feared many of God’s people are deeply tainted with— but its tendency is to eat out the very heart of vital godliness, and its very essence and spirit is idolatry; for the man who bows down before gold and silver, is as much an idolater as though he bowed his knee before sticks and stones. But when God teaches his people to profit, he fixes their heart on better things; he shows them the unsearchable riches of Christ, and thus unlocks their mind from that wretched love of money which is “the root of all evil.”
12. It is only by God’s teaching that we are enabled to feel for theneeds of his children, that our hearts are moved with a sense of their many temporal sufferings, and have a disposition given to administer to their needs. But when you look at some who pass for God’s people, who have so much of “this world’s goods,” and yet appear so insensible to the needs of their poorer brethren, you wonder what they think of that scripture, “you are all brethren.” But God must teach us to feel for their necessities, and make us liberal towards them according to our means, by laying them on our heart, and drawing out our affections towards them.
13. Every good word that we speak for the honor and glory of God must arise from his special teaching. However clearly and ably a minister, for instance, may preach the truth, every word will be utterly lost upon his hearers unless God is pleased to inspire thoughts and dictate words, and speak by him to the conscience. Every action, also, of our life will surely go wrong, unless it is under God’s special guidance; and every step in providence we take will not be right, unless it is specially directed by God himself.
IV. The teaching of God is not confined to showing a man a few grand truths, and then leaving them to have a certain effect upon the conscience. But God’s people need his teaching perpetually; and, in providence as in grace, we need unceasing instruction. I believe many a poor child of God often does not know how to do the simplest thing in providence, not even how to carry on his daily business, or execute his manual labor, except as the Lord is pleased to teach him— God must guide his eye and direct his hand, in the least things as well as the greatest. He needs divine teaching in every action if it is to be done to God’s glory, and for every word if it is to be spoken in his fear.
But this special teaching of God can only be known and realized by those who have seen an end of all creature perfection, and who are completely and experimentally destitute of all wisdom in the flesh. Until a man is brought to see that he has no wisdom of his own, he will never seek after God’s wisdom. But when he is brought to walk in darkness that may be felt, when the thick veil gathers over his mind, and God hides himself from his view; when eternal things are wrapped up in obscurity, and he cannot see the things of God, nor feel his interest in them; when “he gropes for the wall like the blind, and gropes as if he had no eyes;” when he is “led into darkness and not into light,” he is brought to see that the Lord alone can teach his soul to profit.
God’s teaching does not leave a man where it found him— dead, stupified, worldly, unfeeling, and carnal. If he is in distress, it does not leave him in distress; if he feels guilty, it does not leave him guilty; if he is in darkness, it does not leave him in darkness; but it lifts him out of these evils. Thus God’s people are continually led to come unto him for his instruction, because they feel that without his special teaching they can know nothing as they ought to know. No— the more they have, the more they want to have; for no sooner is the light withdrawn, than the darkness is more sensibly felt. If any text of scripture has been opened up to them, it makes them want to have others made known in a similar way; if they have had any consolation, and it is taken away, it makes them want it again. So that the more wise and spiritual God’s people become; the more foolish and carnal they appear in their own eyes; the stronger they are in the Lord and in the power of his might; the more sensibly do they feel the weakness of their flesh— and the more they are enabled to walk closely with the Lord, the more they discover the wretched wanderings of their base and sinful hearts.
Here, then, we see how God’s people are distinguished from all heady, high-minded professors. They grow upward— but God’s people grow downward. Special and divine teachings do not lead the soul into pride, arrogance, and presumption— but they lead to humility, simplicity, sincerity, contrition, brokenness of heart, low views of self, and admiring views of the Lord.
‘Natural wisdom’ only hardens a man’s heart, sears his conscience, and makes him more worldly-minded— spiritual teachings make the heart tender, the glory of God its great object, and spiritual communion with the Lord ardently desired.
How, then, shall we know if we are God’s people? Because we believe in election, particular redemption, effectual calling, and the final perseverance of the saints? Because we go to hear a certain minister, or belong to a certain church? A man may have all these things, and ten thousand times more, and sink to hell at last as a deceived hypocrite! But can we trace in our souls anything of this divine teaching?
The Lord has given us two marks or tests whereby it may be proved; let us then confine our attention to them for a moment or two, and see if we can find them manifested in us.
One is, “Every man therefore that has heard and learned of the Father comes unto me.” Are you from time to time coming unto Christ, and breathing forth your desires and pantings after him, that he would reveal himself in your soul? Are you more or less daily seeking to “know him, and the power of his resurrection,” and to enjoy the sweet manifestations of his love? Then you have a scriptural proof that you are taught of God.
But let us take the other test— “You yourselves are taught of God to love one another” 1Th 4:9 Do you know anything experimentally of love to God’s people? I mean a real, spiritual love to the poor, exercised, tempted, sin-burdened, and Satan-harassed family of God? Then, I will say you are taught of God!
May the Lord enable us to see that we are taught of him. May the Lord enable us to believe that we have received “an anointing from the Holy One,” that “anointing which is truth and is no lie”— the sure pledge and foretaste of eternal life.
But remember that the promise runs, “ALL your children shall be taught of the Lord.” There is no exception here. “All shall know me, from the least unto the greatest.” It is very plain, then, that those who know nothing of this divine teaching are not manifestly the children of God— what they may be in the purpose of God we know not— but in their present state and standing they are not manifestly his children.
May the Lord enable some of you to lay this to heart. And if it be his pleasure, may he touch the consciences of some who have never yet sought his face, and bring them to cast themselves as ruined sinners at the footstool of his grace and mercy! For he, who said, “All that the Father gives me shall come unto me:” also added, “And him that comes to me I will never cast out.”