Sanctification
DOOR J.C. PHILPOT
Zoals alle verlossing voortkomt uit het kruis, zo komt ook alle heiliging voort uit het kruis. Wat hebben mensen niet allemaal geprobeerd om zichzelf te heiligen, om zo – naar hun eigen inzicht – aanvaardbaar voor God te worden! Hoeveel martelingen van het lichaam, hoeveel vasten, geselingen en zelfopgelegde boetedoeningen hebben ze niet ondergaan om hun zondige natuur te heiligen en hun eigen opstandige vlees in overeenstemming te brengen met de heiligheid die de wet vereist! En wat was het resultaat? Ze zijn óf in zelfingenomenheid terechtgekomen, óf in wanhoop – hoewel dat twee totaal tegenovergestelde uitersten zijn.
Het vlees kan niet geheiligd worden: het is in wezen, en ongeneeslijk, verdorven. Daarom, als wij die innerlijke heiligheid willen bezitten, “zonder welke niemand de Heere zal zien”, dan kan dat alleen door Christus zijn, die “voor ons van God geworden is tot heiliging”, evenals tot gerechtigheid; Hij heiligt ons niet alleen “met Zijn Eigen bloed” (Hebr. 13:13), maar werkt dit ook in ons door Zijn Geest en genade. Als wij in Hem geloven, zullen wij Hem liefhebben (“voor u die gelooft, is Hij kostbaar”); als wij Hem liefhebben, zullen wij ernaar verlangen Hem te behagen en vrezen om Hem te mishagen; en als wij in Hem geloven, zal dit Goddelijke, levende geloof – als gave en werk van God – ons hart reinigen, de wereld overwinnen, en die geestelijke gezindheid voortbrengen die leven en vrede is. Dit geloof zal ons verenigen met de Heere des levens en der heerlijkheid, en ons laten delen in gemeenschap met Hem. Iedere gelovige blik op Hem, elke vertrouwvolle daad, elk moment dat Hij ons nabij is, zal ons steeds meer aan Hem gelijkvormig maken. Zoals de apostel zegt: “En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.” (2 Kor. 3:18.)
Als wij dus een inwendige kracht willen ervaren die ons hart heiligt, onze gedachten naar het hemelse richt, onze zonden onderwerpt, onze geest zachtmoedig en mild maakt, ons van de wereld afzondert, ons vervult met heilige gedachten, verlangen naar genade en zuivere gevoelens – die ons zo geschikt maakt voor het erfdeel van de heiligen in het licht – dan moet deze innerlijke heiliging volledig voortkomen uit de Heilige Geest, als gave van de opgestane Jezus. Zoals Hij zelf zei: “Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden… Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” (Johannes 16:7, 14.)
Het is dus niet het boetekleed, de monnikscel, de middernachtelijke waken of het langdurige vasten – en ook niet de rustgevende tonen van het orgel, het melodieuze zingen van koorzangers in kazuifels, of het “schemerige religieuze licht” van gotische glas-in-loodramen; evenmin zijn het de verschrikkingen van de wet, de aanklachten van het geweten, de tranen, het schreien en de voornemens van een hart dat nog altijd de zonde liefheeft, terwijl het beweert zich ervan te bekeren. Ook niet sombere blikken, verwaarloosde kleding, fluisterende woorden, een trage gang, een heilig gezicht, uiterlijke manieren en gebaren, holle stemmen, ingetogen gezichten, of zorgvuldig gekozen bijbelteksten bij elke gelegenheid – al deze uiterlijke vormen van vroomheid en heiligheid, die Satan, vermomd als een engel van het licht, heeft uitgedacht om duizenden te misleiden, kunnen het geweten niet reinigen van schuld, smet, liefde, kracht of praktijk van de zonde, en kunnen evenmin de nieuwe mens voortbrengen die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
Net zoals het bloed van stieren en bokken, en de as van een jonge koe die over de onreinen wordt gestrooid, slechts uiterlijk, en dan nog onvolmaakt, kan reinigen, zo kunnen deze dingen slechts het vlees reinigen. Maar alleen het bloed van Christus, die zichzelf door de eeuwige Geest zonder smet aan God heeft geofferd, kan werkelijk het geweten reinigen van vuilheid, schuld en dode werken, om de levende God te dienen. Het is het werk van de gezegende Geest alleen – door Christus aan ons te openbaren en Hem in ons hart te vormen, “de hoop der heerlijkheid” – die die nieuwe mens van genade kan scheppen en doen groeien, die vernieuwd is in kennis naar het beeld van God, die hem geschapen heeft.
As from the cross flows all salvation, so from the cross flows all sanctification. What have not men done, to make themselves holy; and by this means render themselves, as they have thought, acceptable to God! What tortures of body, what fastings, scourgings, self-imposed penances to sanctify their sinful nature, and conform their rebellious flesh to the holiness demanded by the law! And with what success? They have landed either in self-righteousness or despair—though at opposite points of the compass.
The flesh cannot be sanctified. It is essentially and incurably corrupt; and therefore, if we are to possess that inward holiness, “without which no man shall see the Lord,” it must be by Christ being “of God, made unto us sanctification,” as well as righteousness—sanctifying us not only “with his own blood,” (Heb. 13:13,) but by his Spirit and grace. If we believe in Him, we shall love him (“unto you which believe, he is precious;”) if we love him, we shall seek to please, and fear to displease him; if we believe in Him, by the gift and work of God, this divine and living faith will purify our heart, overcome the world, produce that spiritual mindedness which is life and peace, give union and communion with the Lord of life and glory; and every believing view of him, every act of faith upon him, and every visit from him, will conform us to his likeness, as the Apostle speaks: “But we all, with open face beholding as in a glass the glory of the Lord, are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord.” (2 Cor. 3:18.)
If, then, we are to feel an inward power sanctifying our hearts, drawing up our minds to heavenly things, subduing our sins, meekening and softening our spirit, separating us from the world, filling us with holy thoughts, gracious desires, and pure affections, and thus making us “meet for the inheritance of the saints in light,” this inward sanctification must flow wholly and solely from the Blessed Spirit, as the gift of a risen Jesus: as he himself said, “Nevertheless I tell you the truth; it is expedient for you that I go away: for if I go not away, the Comforter will not come unto you; but if I depart, I will send him unto you.” “He shall glorify me: for he shall receive of mine, and shall show it unto you” (John 16:7, 14).
It is not, then, the hair-shirt, the monk’s cell, the midnight vigil, the protracted fast; no, nor the soothing strains of the swelling organ, the melodious chant of surpliced choristers, the “dim religious light” of the stained Gothic window; no, nor the terrors of the Law, the accusations of conscience, the tears, cries and resolutions of a heart that still loves sin, though professing to repent of it; no, nor gloomy looks, neglected apparel, softly uttered words, slow walk, holiness of face, manner, and gesture, hollow voice, demure countenance, a choice assortment of Scripture words and phrases on every occasion, or no occasion; no, nor all the array of piety and sanctity which Satan, transformed into an angel of light, has devised to deceive thousands, that can purge the conscience from the guilt, filth, love, power and practice of sin, or raise up that new man, which after God is created in righteousness and true holiness.
Like the blood of bulls and goats, and the ashes of a heifer sprinkling the unclean, they may, and even that very imperfectly, sanctify to the purifying of the flesh; but it is the blood of Christ, who through the eternal Spirit, offered himself without spot to God, which can alone purge the conscience from filth, guilt, and dead works, to serve the living God; and it is the work of the blessed Spirit alone which, by revealing Christ, and forming him in the heart, “the hope of glory,” can create and bring forth that new man of grace which is renewed in knowledge after the image of him who created him.