Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · vandaag
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s Vallei

Vandaag
5 oktober Door Baca’s vallei

Wat klaagt dan een levend mens? een ieder klage vanwege de straffen zijner zonden.
Klaagliederen 3:39 (Eng. vertaling)

Onder het woord „straffen” moeten wij niet iets verstaan dat wrekend of straffend van aard is. God straft de zonden van Zijn uitverkorenen nooit zoals Hij de verworpene straft. Het eeuwig verbond verhindert dat. „Grimmigheid is bij Mij niet”, zegt de Heere. De uitverkorenen zijn aangenomen in Jezus, zijn verzoend in Hem, zijn volmaakt in Hem. Dat is hun staat in het eeuwige, onveranderlijke verbond – de vrucht en het gevolg van de eeuwige vereniging met de Zoon van God.

Maar hoewel dit daarom niet in straffende zin moet worden opgevat, betekent het geenszins dat zij vrijgesteld zijn van kastijding. Onder het woord „straffen” in de tekst moeten wij dus niet het opleggen van Gods rechtvaardige toorn verstaan, de voorsmaak van de eeuwige verdoemenis waarmee Hij soms in dit leven de goddelozen tuchtigt. Het betekent de kastijding die het voorrecht is van de erfgenaam en hem onderscheidt van de bastaard. Onder deze kastijding wordt de levende mens dan gebracht om te klagen, en hij zal in de verdrukkingen die hem overkomen vaak de roede van de Heere opmerken als een kastijding vanwege de zonde. Wanneer hij dus in Gods licht het licht ziet, mag hij met goed recht zeggen: „Wat klaagt een levend mens? een ieder klage vanwege zijn zonden.”

Misschien is zijn bezit verloren geraakt door onvoorziene omstandigheden of door de schurkenstreken van anderen, en is hij uit een redelijke welstand in armoede terechtgekomen. Maar wanneer hij kan opmerken dat dit een kastijding is voor zijn hoogmoed en vleselijkheid in de achter hem liggende dagen, dan zal hij verwaardigd worden zijn mond in het stof te steken. Of misschien beschikt de Heere hem een verdrukking in zijn lichaam toe, zodat hij nauwelijks een dag gezondheid kan genieten. Als hij dan gewaarwordt hoe hij zijn gezondheid en krachten heeft verwaarloosd toen hij ze bezat, en tegelijk opmerkt hoe hij door zijn lichamelijke verdrukkingen, als middelen in Gods hand, voor menige schadelijke strik bewaard wordt, dan kan hij dit bij tijden met zachtmoedigheid en geduld dragen.

Hij kan ook vreselijke verdrukkingen in zijn gezin meemaken en met David moeten uitroepen: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God”, in elk geval niet zoals hij het zou wensen. Hij ziet dan misschien dat een ziekelijke echtgenote of ongehoorzame kinderen even zovele slagen zijn van een kastijdende hand, maar toch veel lichter dan zijn afdwalingen verdienden. Hij ziet dat zij voortkomen uit een hand van liefde en niet uit een eeuwige toorn, dat zij slagen zijn van een Vader en niet de wrekende slagen van een vertoornde Rechter. Wanneer hij voelt dat de kastijding met liefde vermengd is en zijn geest daaronder vernederd en zijn hart vertederd wordt, dan kan hij zeggen: „Waarom zou een levend mens klagen?”

Totdat hij geestelijk tot het inzicht wordt gebracht dat al zijn verdrukkingen, smarten en droefheden kastijdingen zijn en geen straffen, en hij ze als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zal hij klagen. Maar in het algemeen zal de Heere, voordat Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over hem laat schijnen en voordat Hij hem de vrede in zijn geweten laat smaken, hem brengen op de plaats waarvan de Schrift spreekt: „dat hij aan de straffen zijner ongerechtigheid een welgevallen hebbe” (Lev. 26:41). Hij zal deze kastijdingen dan aanvaarden met een onderworpen geest. Hij zal belijden dat hij ze rechtvaardig verdiend heeft. En wanneer zijn opstandigheid in zekere mate gebroken is, zal hij zich als een arme en nooddruftige bedelaar neerleggen aan de voet van het kruis.

Aan de lezer…

Het kan zijn dat er een zware hand op u ligt: verlies van bezit, een lichaam dat geen dag gezond is, zorg en verdriet in uw gezin. Misschien vraagt u zich dan in stilte af of God u straft in Zijn toorn. Weet dan dat Hij de zonden van Zijn uitverkorenen nooit straft zoals Hij de verworpene straft. Wat u voelt, is de roede van een Vader, niet de wrekende slag van een vertoornde Rechter; het is de kastijding die de erfgenaam onderscheidt van de bastaard.

Het is niet vreemd dat u klaagt; totdat u uw smarten als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zult u klagen. Maar bid of de Heere u wil brengen op de plaats waar u belijdt dat ze rechtvaardig verdiend zijn en toch veel lichter dan u verdiend hebt. Daar wordt het opstandige hart gebroken, en daar mag een arme en nooddruftige bedelaar zich neerleggen aan de voet van het kruis. Wie daar ligt, zal ook het licht van Zijn vriendelijk aangezicht zien.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk