Wat klaagt dan een levend mens? een ieder klage vanwege de straffen zijner zonden.
Klaagliederen 3:39 (Eng. vertaling)
Wij moeten onder het woord „straffen” niet verstaan iets dat van een wrekende of straffende natuur is. God straft de zonden Zijner uitverkorenen nooit zoals Hij de verworpeling straft. Het eeuwig verbond verhoedt zulks. „Grimmigheid is bij Mij niet”, zegt de Heere. De uitverkorenen zijn aangenomen in Jezus, zijn verzoend in Hem, zijn volmaakt in Hem. Dit is hun staat in het eeuwig, onveranderlijk verbond – de vrucht en het gevolg van de eeuwigdurende vereniging met de Zoon van God.
Doch ofschoon dit als gevolg daarvan niet in een straffende zin moet worden opgenomen, sluit het geenszins in dat zij vrijgesteld zijn van de kastijding. Dus moeten wij onder het woord „straffen” in de tekst niet verstaan het opleggen van Gods rechtvaardige toorn, de voorsmaak van de eeuwige verdoemenis, waarmede Hij somtijds in dit leven de goddelozen tuchtigt, maar het betekent de kastijding die het voorrecht is van de erfgenaam en hem onderscheidt van de bastaard. Het is dan onder deze kastijding dat de levende mens gebracht wordt om te klagen; en hij zal menigmaal in de verdrukkingen die hem overkomen, de roede des Heeren bemerken als een kastijding om der zonden wil. Wanneer hij dus in Gods licht het licht aanschouwt, mag hij met goed recht zeggen: „Wat klaagt een levend mens? een ieder klage vanwege zijn zonden.”
Misschien is zijn eigendom verloren geraakt door onvoorziene omstandigheden of door de schelmstukken van anderen, en is hij van een tamelijke welstand in een armelijke stand van leven geraakt. Wanneer hij echter kan bemerken dat dit een kastijding is om zijn hoogmoed en vleselijkheid in de achter hem liggende dagen, dan zal hij verwaardigd worden zijn mond in het stof te steken. Of indien de Heere hem een verdrukking in zijn lichaam toeschikt, zodat hij nauwelijks een dag gezondheid genieten kan, en hij wordt dan gewaar hoe hij zijn gezondheid en krachten heeft veronachtzaamd toen hij ze bezat, en hij bemerkt tegelijkertijd hoe hij voor menige schadelijke strikken door zijn lichamelijke verdrukkingen, als middelen in Gods hand, bewaard wordt, dan kan hij dit bij tijden met zachtmoedigheid en lijdzaamheid dragen.
Hij kan ook vreselijke verdrukkingen in zijn huisgezin beleven en het met David moeten uitroepen: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God”, althans niet zoals hij het zou wensen. Wanneer hij ziet dat een ziekelijke echtgenote of ook ongehoorzame kinderen als zo vele slagen zijn van een kastijdende hand, maar evenwel veel lichter zijn dan zijn afmakingen wel verdienden; wanneer hij ziet dat zij voortkomen uit een liefdehand, en niet uit een eeuwige toorn, maar dat zij slagen zijn van een Vader, niet de wrekende slagen van een vertoornd Rechter; wanneer hij gevoelt dat de kastijding is vermengd met liefde en zijn geest daaronder vernederd en zijn hart vertederd wordt, dan kan hij zeggen: „Waarom zou een levend mens klagen?”
Totdat hij geestelijk gebracht wordt om te zien dat al zijn verdrukkingen, smarten en droefheden kastijdingen en geen straffen zijn, en hij deze als liefdeslagen krijgt te aanvaarden, moet en zal hij klagen. Maar in het algemeen gesproken zal de Heere, alvorens Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over hem doet lichten, alvorens Hij hem de vrede in zijn consciëntie doet smaken, hem brengen op die plaats waarvan de Schrift spreekt: „dat hij aan de straffen zijner ongerechtigheid een welgevallen hebbe” (Lev. 26:41). Hij zal dan deze kastijdingen aanvaarden met een onderworpen geest. Hij zal belijden dat zij rechtvaardig verdiend zijn, en, zijn opstandig bestaan in zekere mate verbroken zijnde, zal hij zich als een arme en nooddruftige bedelaar neerleggen aan de voet van het kruis.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat er een zware hand op u ligt: verlies van bezit, een lichaam dat geen dag gezond is, zorg en verdriet in uw huisgezin. Misschien vraagt u zich dan in stilte af of God u straft in Zijn toorn. Weet dan dat Hij de zonden Zijner uitverkorenen nooit straft zoals Hij de verworpeling straft. Wat u voelt, is de roede van een Vader, niet de wrekende slag van een vertoornd Rechter; het is de kastijding die de erfgenaam onderscheidt van de bastaard.
Het is niet vreemd dat u klaagt; totdat u uw smarten als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zult u klagen. Maar bid of de Heere u brengen wil op de plaats waar u belijdt dat ze rechtvaardig verdiend en toch veel lichter zijn dan u verdiend hebt. Daar wordt het opstandige hart verbroken, en daar mag een arme en nooddruftige bedelaar zich neerleggen aan de voet van het kruis. Wie daar ligt, zal ook het licht van Zijn vriendelijk aangezicht zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat klaagt dan een levend mens? een ieder klage vanwege de straffen zijner zonden.
Klaagliederen 3:39 (Eng. vertaling)
Onder het woord „straffen” moeten wij niet iets verstaan dat wrekend of straffend van aard is. God straft de zonden van Zijn uitverkorenen nooit zoals Hij de verworpene straft. Het eeuwig verbond verhindert dat. „Grimmigheid is bij Mij niet”, zegt de Heere. De uitverkorenen zijn aangenomen in Jezus, zijn verzoend in Hem, zijn volmaakt in Hem. Dat is hun staat in het eeuwige, onveranderlijke verbond – de vrucht en het gevolg van de eeuwige vereniging met de Zoon van God.
Maar hoewel dit daarom niet in straffende zin moet worden opgevat, betekent het geenszins dat zij vrijgesteld zijn van kastijding. Onder het woord „straffen” in de tekst moeten wij dus niet het opleggen van Gods rechtvaardige toorn verstaan, de voorsmaak van de eeuwige verdoemenis waarmee Hij soms in dit leven de goddelozen tuchtigt. Het betekent de kastijding die het voorrecht is van de erfgenaam en hem onderscheidt van de bastaard. Onder deze kastijding wordt de levende mens dan gebracht om te klagen, en hij zal in de verdrukkingen die hem overkomen vaak de roede van de Heere opmerken als een kastijding vanwege de zonde. Wanneer hij dus in Gods licht het licht ziet, mag hij met goed recht zeggen: „Wat klaagt een levend mens? een ieder klage vanwege zijn zonden.”
Misschien is zijn bezit verloren geraakt door onvoorziene omstandigheden of door de schurkenstreken van anderen, en is hij uit een redelijke welstand in armoede terechtgekomen. Maar wanneer hij kan opmerken dat dit een kastijding is voor zijn hoogmoed en vleselijkheid in de achter hem liggende dagen, dan zal hij verwaardigd worden zijn mond in het stof te steken. Of misschien beschikt de Heere hem een verdrukking in zijn lichaam toe, zodat hij nauwelijks een dag gezondheid kan genieten. Als hij dan gewaarwordt hoe hij zijn gezondheid en krachten heeft verwaarloosd toen hij ze bezat, en tegelijk opmerkt hoe hij door zijn lichamelijke verdrukkingen, als middelen in Gods hand, voor menige schadelijke strik bewaard wordt, dan kan hij dit bij tijden met zachtmoedigheid en geduld dragen.
Hij kan ook vreselijke verdrukkingen in zijn gezin meemaken en met David moeten uitroepen: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God”, in elk geval niet zoals hij het zou wensen. Hij ziet dan misschien dat een ziekelijke echtgenote of ongehoorzame kinderen even zovele slagen zijn van een kastijdende hand, maar toch veel lichter dan zijn afdwalingen verdienden. Hij ziet dat zij voortkomen uit een hand van liefde en niet uit een eeuwige toorn, dat zij slagen zijn van een Vader en niet de wrekende slagen van een vertoornde Rechter. Wanneer hij voelt dat de kastijding met liefde vermengd is en zijn geest daaronder vernederd en zijn hart vertederd wordt, dan kan hij zeggen: „Waarom zou een levend mens klagen?”
Totdat hij geestelijk tot het inzicht wordt gebracht dat al zijn verdrukkingen, smarten en droefheden kastijdingen zijn en geen straffen, en hij ze als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zal hij klagen. Maar in het algemeen zal de Heere, voordat Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over hem laat schijnen en voordat Hij hem de vrede in zijn geweten laat smaken, hem brengen op de plaats waarvan de Schrift spreekt: „dat hij aan de straffen zijner ongerechtigheid een welgevallen hebbe” (Lev. 26:41). Hij zal deze kastijdingen dan aanvaarden met een onderworpen geest. Hij zal belijden dat hij ze rechtvaardig verdiend heeft. En wanneer zijn opstandigheid in zekere mate gebroken is, zal hij zich als een arme en nooddruftige bedelaar neerleggen aan de voet van het kruis.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat er een zware hand op u ligt: verlies van bezit, een lichaam dat geen dag gezond is, zorg en verdriet in uw gezin. Misschien vraagt u zich dan in stilte af of God u straft in Zijn toorn. Weet dan dat Hij de zonden van Zijn uitverkorenen nooit straft zoals Hij de verworpene straft. Wat u voelt, is de roede van een Vader, niet de wrekende slag van een vertoornde Rechter; het is de kastijding die de erfgenaam onderscheidt van de bastaard.
Het is niet vreemd dat u klaagt; totdat u uw smarten als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zult u klagen. Maar bid of de Heere u wil brengen op de plaats waar u belijdt dat ze rechtvaardig verdiend zijn en toch veel lichter dan u verdiend hebt. Daar wordt het opstandige hart gebroken, en daar mag een arme en nooddruftige bedelaar zich neerleggen aan de voet van het kruis. Wie daar ligt, zal ook het licht van Zijn vriendelijk aangezicht zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore doth a living man complain, a man for the punishment of his sins?
Lamentations 3:39
We must not understand by the word “punished,” anything of a vindictive nature. God never punishes the sins of His elect penally; that is, not as He punishes the sins of the reprobate. The eternal covenant forbids this. “Fury is not in Me, says the Lord.” The elect are accepted in Jesus, are pardoned in Him, are complete in Him. This is their eternal and unalterable covenant standing—the fruit and effect of their everlasting union with the Son of God. But though this forbids punishment in its strictly penal sense, it by no means excludes chastisement.
Thus we are not to understand by the word “punishment” in the text the infliction of God’s righteous wrath, that foretaste of eternal damnation with which, sometimes even in this life, He visits the ungodly; but it signifies that chastisement which is the privilege of the heir, and distinguishes him from the bastard. It is under this chastisement, then, that the living man is brought to complain, and he will often see in the afflictions that befall him the rod of the Lord as the chastisement of sin. When he thus sees light in God’s light, he may justly say, “WHY should any living man complain when punished for his sins?” Are they not chastisements, not punishments; the rod of a father’s correction, not the vindictive stroke of offended justice?
Perhaps his property is lost through unlooked-for circumstances, or the roguery of others; and he is brought down from comparative affluence to be a poor man. When he can see that this is a chastisement for his pride and carnality in former days, he is able to put his mouth in the dust. Or if the Lord afflicts him in his body so that he shall scarcely enjoy a day’s health, when he sees and feels how he abused his health and strength when he possessed them, and at the same time perceives from how many hurtful snares his bodily affliction instrumentally preserves him, he is able at times to bear it meekly and patiently.
He may also have serious afflictions in his family, or find, like David, “his house not so with God” as he could wish; but when he sees that a sickly wife or disobedient children are but so many strokes of chastisement, and far lighter than his sins demand, when he sees that they come from the hand of love, and not from eternal wrath, that they are the stripes of a Father, not the vindictive strokes of an angry judge, he feels then that love is mingled with chastisement, and his spirit is meekened, and his heart softened, and he is brought down to say, “Why should any living man complain?”
Now, until a man gets there he cannot but complain. Until he is brought spiritually to see that all his afflictions, griefs, and sorrows are chastisements and not punishments, and is able to receive them as the stripes of love, he must and he will complain. But, generally speaking, before the Lord lifts up the light of His countenance upon him, before He gives him a sense of peace in his conscience, He will bring him “to accept,” as the Scripture speaks (Lev. 26:41), “of the punishment of his iniquity.” He will thus receive these strokes of chastisement with a subdued spirit; he will confess that they are justly deserved; and his obstinacy and rebelliousness being in a measure broken, he will lie as a poor and needy supplicant at the foot of the cross.
To the reader…
It may be that a heavy hand lies upon you: loss of property, a body that is not well for a single day, care and grief in your family. Perhaps you then quietly wonder whether God is punishing you in His wrath. Know, then, that He never punishes the sins of His elect as He punishes the reprobate. What you feel is the rod of a Father, not the vindictive stroke of an angry Judge; it is the chastisement that distinguishes the heir from the bastard.
It is not strange that you complain; until you learn to accept your sorrows as stripes of love, you must and will complain. But pray that the Lord will bring you to the place where you confess that they are justly deserved and yet far lighter than you have deserved. There the rebellious heart is broken, and there a poor and needy supplicant may lie down at the foot of the cross. Whoever lies there will also see the light of His countenance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Por qué murmura el hombre viviente, el hombre en el castigo de su pecado?
Lamentaciones 3:39
No debemos entender por la palabra “castigo” nada de naturaleza vengativa. Dios nunca castiga los pecados de Sus elegidos de manera penal; es decir, no como castiga los pecados de los réprobos. El pacto eterno lo prohíbe. “No hay enojo en Mí,” dice el Señor. Los elegidos son aceptos en Jesús, son perdonados en Él, están completos en Él. Esta es su posición eterna e inalterable en el pacto: el fruto y efecto de su unión eterna con el Hijo de Dios. Pero aunque esto excluye el castigo en su sentido estrictamente penal, de ningún modo excluye la disciplina.
Así pues, no hemos de entender por la palabra “castigo” en el texto la imposición de la justa ira de Dios, ese anticipo de la condenación eterna con que Él visita a veces a los impíos aun en esta vida; sino que significa esa disciplina que es el privilegio del heredero y lo distingue del bastardo. Es bajo esta disciplina, pues, que el hombre viviente es llevado a quejarse, y a menudo verá en las aflicciones que le sobrevienen la vara del Señor como corrección del pecado. Cuando así ve la luz en la luz de Dios, puede decir con razón: “¿POR QUÉ ha de quejarse hombre viviente alguno cuando es castigado por sus pecados?” ¿No son disciplinas y no castigos; la vara de la corrección de un padre, y no el golpe vengativo de la justicia ofendida?
Quizá pierde sus bienes por circunstancias inesperadas o por la bellaquería de otros, y desciende de una relativa abundancia a ser un hombre pobre. Cuando puede ver que esto es una disciplina por su orgullo y carnalidad de días pasados, es capaz de poner su boca en el polvo. O si el Señor le aflige en su cuerpo de tal modo que apenas goza de un día de salud, cuando ve y siente cómo abusó de su salud y de sus fuerzas cuando las poseía, y al mismo tiempo percibe de cuántos lazos dañinos le preserva su aflicción corporal como instrumento, es capaz a veces de llevarla con mansedumbre y paciencia.
También puede tener serias aflicciones en su familia, o hallar, como David, que “no es así su casa para con Dios” como él quisiera; pero cuando ve que una esposa enfermiza o unos hijos desobedientes no son sino otros tantos golpes de disciplina, y mucho más leves de lo que sus pecados merecen; cuando ve que vienen de la mano del amor y no de la ira eterna, que son los azotes de un Padre y no los golpes vengativos de un juez airado, siente entonces que el amor está mezclado con la disciplina, y su espíritu se amansa, su corazón se ablanda, y es llevado a decir: “¿Por qué ha de quejarse hombre viviente alguno?”
Ahora bien, hasta que un hombre llega allí, no puede menos que quejarse. Hasta que es llevado espiritualmente a ver que todas sus aflicciones, penas y dolores son disciplinas y no castigos, y puede recibirlos como azotes de amor, tiene que quejarse y se quejará. Pero, por lo general, antes que el Señor alce sobre él la luz de Su rostro, antes que le dé un sentir de paz en su conciencia, le llevará a “aceptar,” como dice la Escritura (Lev. 26:41), “el castigo de su iniquidad.” Así recibirá estos golpes de disciplina con un espíritu sumiso; confesará que son justamente merecidos; y, quebrantadas en cierta medida su obstinación y su rebeldía, yacerá como un pobre y necesitado suplicante al pie de la cruz.
Al lector…
Puede ser que una mano pesada esté sobre usted: pérdida de bienes, un cuerpo que no está bien ni un solo día, preocupación y pena en su familia. Quizá entonces se pregunta en silencio si Dios le está castigando en Su ira. Sepa, pues, que Él nunca castiga los pecados de Sus elegidos como castiga a los réprobos. Lo que usted siente es la vara de un Padre, no el golpe vengativo de un Juez airado; es la disciplina que distingue al heredero del bastardo.
No es extraño que usted se queje; hasta que aprenda a aceptar sus penas como azotes de amor, tendrá que quejarse y se quejará. Pero pida que el Señor le lleve al lugar donde confiese que son justamente merecidas y, sin embargo, mucho más leves de lo que ha merecido. Allí se quebranta el corazón rebelde, y allí un pobre y necesitado suplicante puede tenderse al pie de la cruz. Quien yace allí verá también la luz de Su rostro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk