
God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem.
1 Johannes 4:16
De liefde is mededeelzaam. Dit is een eigenschap van haar natuur en wezen. Haar vermaak is te geven, en al wat zij behoeft en vraagt, is wederliefde. Te beminnen en bemind te worden, te genieten en die vurige en onderlinge genegenheid door woord en daad tot uitdrukking te brengen, is het vermaak der liefde en de hemel der liefde. Te beminnen en niet bemind te worden, is der liefde ellende en hel.
God is liefde. Het is Zijn natuur en een wezenseigenschap van Zijn heerlijk Wezen. En daar Hij, de oneindige en eeuwige Jehova, bestaat in een drie-eenheid van onderscheiden Personen, ofschoon onverdeeld in gelijkheid van bestaan, is er een wederzijdse, onuitsprekelijke liefde tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Van deze wederzijdse, onuitsprekelijke liefde der drie Personen in de gezegende Godheid getuigt de Schrift overvloedig. „De Vader heeft de Zoon lief.” „En hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.” „En gelijk de Vader de Zoon liefheeft, zo heeft de Zoon de Vader lief.” „Opdat de wereld mag weten, dat Ik de Vader liefheb.” Dit zijn Zijn eigen woorden. En dat de Heilige Geest de Vader en de Zoon liefheeft, blijkt niet alleen uit Zijn Goddelijke Persoonlijkheid in de Godheid, maar omdat Hij wezenlijk is de Geest der liefde (Rom. 15:30), en als zodanig stort Hij de liefde Gods in het hart van de uitverkorenen der genade.
Zo was de mens niet noodzakelijk als een voorwerp der Goddelijke liefde, vermits die liefde in de eeuwig gezegende Drie-eenheid bestond. Genoegzaam en meer dan genoegzaam voor al de gelukzaligheid, volmaaktheid en heerlijkheid van Jehova was en zal eeuwig zijn de onderlinge liefde en gemeenschap der drie Goddelijke Personen in de gezegende Godheid. Maar de liefde, de even gelijke, onderlinge liefde des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, vloeide uit haar oorspronkelijke en wezenlijke Bron tot de mens uit. En dit niet slechts tot de mens als mens, dat is tot de menselijke natuur, als het toebereide lichaam dat de Zoon van God zou aannemen, maar tot duizenden en miljoenen van het menselijk geslacht, die allen persoonlijk met een oneindige liefde Gods bemind waren, even gelijk alsof de liefde slechts één enig persoon gold, zoals de Vader Zijn Zoon bemint.
„Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”, wordt gezegd tot elk der uitverkorenen, zowel als tot de gehele kerk, beschouwd als het verborgen lichaam des Lams. Dus bepaalt zich de liefde Gods niet slechts tot de natuur die de Zoon van God in de volheid des tijds zou aannemen, dus het vlees en bloed der kinderen, het zaad Abrahams, dat Hij aannemen zou (Hebr. 2:14-16), en om die reden door de drieënige Jehova beschouwd met een oog van welbehagen, maar zij bepaalt zich ook tot de ontelbare menigte van menselijke wezens die het verborgen lichaam van Christus uitmaken.
Was de Schrift minder duidelijk, wij konden nog geloven dat de natuur, die één der Personen uit de heilige Drie-eenheid zou aannemen, door de heilige Drie-eenheid zou worden bemind. Maar wij hebben in dit opzicht het getuigenis van de Heilige Geest, dat boven alle twijfel verheven is. Toen in de eerste schepping van die natuur de heilige Drie-eenheid Zich op deze wijze uitliet: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”, en toen als gevolg van die Goddelijke raad de Heere God die mens formeerde uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten blies de adem des levens, en de mens tot een levende ziel werd, verenigde de Heere een onsterfelijke ziel met een aards lichaam. Deze menselijke natuur werd niet slechts geformeerd naar het zedelijk beeld van God, maar naar het patroon van dat lichaam, hetwelk door de Vader zou worden toebereid voor de Zoon van God.
Aan de lezer…
Wat een woord: God is liefde! En Hij had de mens niet nodig om gelukzalig te zijn; de onderlinge liefde van Vader, Zoon en Heilige Geest was meer dan genoegzaam. Staat u daar wel eens bij stil? Dat die liefde toch tot zondaren uitvloeide, is geen plicht die Hij moest vervullen, maar een vrije, eeuwige liefde, die haar oorsprong alleen in Hemzelf heeft.
Wellicht denkt u: Die liefde geldt de kerk als geheel, maar wie ben ik? Ziet dan dat het woord „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde” tot elk der uitverkorenen persoonlijk wordt gezegd, even gelijk alsof die liefde slechts één enig persoon gold. De liefde zoekt wederliefde. Zo de Heilige Geest ook maar een vonk van die liefde in uw hart heeft uitgestort, dan blijft u in God, en God in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem.
1 Johannes 4:16
De liefde deelt zich mee. Dat hoort bij haar natuur en wezen. Haar vreugde is te geven, en het enige wat zij nodig heeft en vraagt, is wederliefde. Beminnen en bemind worden, genieten en die vurige en wederzijdse genegenheid in woord en daad uiten: dat is de vreugde van de liefde en de hemel van de liefde. Beminnen en niet bemind worden is de ellende en de hel van de liefde.
God is liefde. Het is Zijn natuur en een wezenseigenschap van Zijn heerlijk Wezen. En omdat Hij, de oneindige en eeuwige Jehova, bestaat in een drie-eenheid van onderscheiden Personen, hoewel onverdeeld in gelijkheid van bestaan, is er een wederzijdse, onuitsprekelijke liefde tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Van deze wederzijdse, onuitsprekelijke liefde van de drie Personen in de gezegende Godheid getuigt de Schrift overvloedig. „De Vader heeft de Zoon lief.” „En hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.” „En gelijk de Vader de Zoon liefheeft, zo heeft de Zoon de Vader lief.” „Opdat de wereld mag weten, dat Ik de Vader liefheb.” Dit zijn Zijn eigen woorden.
En dat de Heilige Geest de Vader en de Zoon liefheeft, blijkt niet alleen uit Zijn Goddelijke Persoonlijkheid in de Godheid, maar ook omdat Hij wezenlijk de Geest van de liefde is (Rom. 15:30). Als zodanig stort Hij de liefde van God uit in het hart van de uitverkorenen van de genade.
De mens was dus niet nodig als voorwerp van de Goddelijke liefde, omdat die liefde al bestond in de eeuwig gezegende Drie-eenheid. De onderlinge liefde en gemeenschap van de drie Goddelijke Personen in de gezegende Godheid was, en zal eeuwig zijn, genoeg en meer dan genoeg voor alle gelukzaligheid, volmaaktheid en heerlijkheid van Jehova. Maar de liefde, de volkomen gelijke, onderlinge liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, vloeide uit haar oorspronkelijke en wezenlijke Bron uit naar de mens. En dat niet alleen naar de mens als mens, dat wil zeggen naar de menselijke natuur als het toebereide lichaam dat de Zoon van God zou aannemen. Zij vloeide ook uit naar duizenden en miljoenen van het menselijk geslacht, die allen persoonlijk met een oneindige liefde van God bemind waren, precies alsof die liefde maar één enkel persoon gold, zoals de Vader Zijn Zoon bemint.
„Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”, wordt gezegd tegen ieder van de uitverkorenen, en ook tegen de hele kerk, gezien als het verborgen lichaam van het Lam. De liefde van God beperkt zich dus niet tot de natuur die de Zoon van God in de volheid van de tijd zou aannemen, het vlees en bloed van de kinderen, het zaad van Abraham, dat Hij aannemen zou (Hebr. 2:14-16), en die daarom door de drie-enige Jehova met een oog van welbehagen werd aangezien. Zij strekt zich ook uit tot de ontelbare menigte van mensen die samen het verborgen lichaam van Christus vormen.
Als de Schrift minder duidelijk was, konden wij toch nog geloven dat de natuur die een van de Personen uit de heilige Drie-eenheid zou aannemen, door de heilige Drie-eenheid bemind zou worden. Maar wij hebben hierover het getuigenis van de Heilige Geest, dat boven alle twijfel verheven is. Bij de eerste schepping van die natuur sprak de heilige Drie-eenheid Zich zo uit: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.” Als gevolg van die Goddelijke raad formeerde de Heere God die mens uit het stof van de aarde en blies in zijn neusgaten de adem van het leven, en zo werd de mens een levende ziel; de Heere verenigde een onsterfelijke ziel met een aards lichaam. Deze menselijke natuur werd niet alleen gevormd naar het zedelijk beeld van God, maar ook naar het patroon van het lichaam dat door de Vader voor de Zoon van God zou worden toebereid.
Aan de lezer…
Wat een woord: God is liefde! En Hij had de mens niet nodig om gelukzalig te zijn; de onderlinge liefde van Vader, Zoon en Heilige Geest was meer dan genoeg. Staat u daar wel eens bij stil? Dat die liefde toch naar zondaren uitvloeide, is geen plicht die Hij moest vervullen. Het is een vrije, eeuwige liefde, die haar oorsprong alleen in Hemzelf heeft.
Misschien denkt u: Die liefde geldt de kerk als geheel, maar wie ben ik? Zie dan dat het woord „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde” tegen ieder van de uitverkorenen persoonlijk wordt gezegd, precies alsof die liefde maar één enkel persoon gold. De liefde zoekt wederliefde. Als de Heilige Geest ook maar een vonk van die liefde in uw hart heeft uitgestort, dan blijft u in God, en God in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is love; and he that dwelleth in love dwelleth in God, and God in him.
1 John 4:16
Love is communicative. This is a part of its very nature and essence. Its delight is to give, and especially to give itself; and all it wants or asks is a return. To love and to be beloved, to enjoy and to express that ardent and mutual affection by words and deeds—this is love’s delight, love’s heaven. To love, and not be loved—this is love’s misery, love’s hell.
God is love. This is His very nature, an essential attribute of His glorious being; and as He, the infinite and eternal Jehovah, exists in a Trinity of distinct Persons, though undivided Unity of Essence, there is a mutual, ineffable love between Father, Son, and Holy Spirit. To this mutual, ineffable love of the three Persons in the sacred Godhead the Scripture abundantly testifies—“The Father loves the Son;” “And have loved them as you have loved Me;” “This is My beloved Son in whom I am well pleased.” And as the Father loves the Son, so does the Son love the Father—“But that the world may know that I love the Father,” are His own blessed words. And that the Holy Spirit loves the Father and the Son is evident not only from His divine personality in the Godhead, but because He is essentially the very “Spirit of love” (Romans 15:30), and as such “sheds the love of God abroad in the heart” of the election of grace.
Thus man was not needed by the holy and ever-blessed Trinity as an object of divine love. Sufficient, eternally and amply sufficient, to all the bliss and blessedness, perfection and glory of Jehovah was and ever would have been the mutual love and intercommunion of the three Persons in the sacred Godhead. But love—the equal and undivided love of Father, Son, and Holy Spirit—flowed out beyond its original and essential being to man; and not merely to man as man, that is to human nature as the body prepared for the Son of God to assume, but to thousands and millions of the human race, who are all loved personally and individually with all the infinite love of God as much as if that love were fixed on only one, and he were loved as God loves His dear Son. “I have loved you with an everlasting love,” is spoken to each individual of the elect as much as to the whole Church, viewed as the mystical Bride and Spouse of the Lamb.
Thus the love of a Triune God is not only to the nature which in due time the Son of God should assume, the flesh and blood of the children, the seed of Abraham which He should take on Him (Hebrews 2:14-16), and for this reason viewed by the Triune Jehovah with eyes of intense delight, but to that innumerable multitude of human beings who were to form the mystical body of Christ. Were Scripture less express, we might still believe that the nature which one of the sacred Trinity was to assume would be delighted in and loved by the holy Three-in-One. But we have the testimony of the Holy Spirit to the point, that puts it beyond all doubt or question.
When, in the first creation of that nature the Holy Trinity said, “Let Us make man in Our image, after Our likeness,” and when, in pursuance of that divine council, “the Lord God formed man of the dust of the ground, and breathed into his nostrils the breath of life, and man became a living soul,” God thereby uniting an immortal soul to an earthly body, this human nature was created not only in the moral image of God, but after the pattern of that body which was prepared for the Son of God by the Father.
To the reader…
What a word: God is love! And He did not need man in order to be blessed; the mutual love of Father, Son and Holy Spirit was more than enough. Do you ever pause to consider that? That this love nevertheless flowed out to sinners is no duty He was bound to fulfil. It is a free, eternal love, which has its source in Himself alone.
Perhaps you think: that love is for the Church as a whole, but who am I? See, then, that the word “I have loved thee with an everlasting love” is spoken personally to each one of the elect, just as if that love were fixed on one single person. Love seeks love in return. If the Holy Spirit has shed abroad even a spark of that love in your heart, then you dwell in God, and God in you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dios es amor; y el que vive en amor, vive en Dios, y Dios en él.
1 Juan 4:16
El amor es comunicativo. Esto forma parte de su misma naturaleza y esencia. Su deleite es dar, y especialmente darse a sí mismo; y todo lo que quiere o pide es correspondencia. Amar y ser amado, gozar y expresar con palabras y hechos ese afecto ardiente y mutuo: este es el deleite del amor, el cielo del amor. Amar y no ser amado: esta es la miseria del amor, el infierno del amor.
Dios es amor. Esta es Su misma naturaleza, un atributo esencial de Su glorioso ser; y así como Él, el infinito y eterno Jehová, existe en una Trinidad de Personas distintas, aunque en indivisa Unidad de Esencia, hay un amor mutuo e inefable entre el Padre, el Hijo y el Espíritu Santo. De este amor mutuo e inefable de las tres Personas en la sagrada Deidad la Escritura da abundante testimonio: “El Padre ama al Hijo”; “Y que los has amado, como también a Mí me has amado”; “Este es Mi Hijo amado, en el cual tengo contentamiento”. Y así como el Padre ama al Hijo, así el Hijo ama al Padre: “Empero para que conozca el mundo que amo al Padre”, son Sus propias benditas palabras. Y que el Espíritu Santo ama al Padre y al Hijo es evidente no solo por Su divina personalidad en la Deidad, sino porque Él es esencialmente el mismo “Espíritu de amor” (Romanos 15:30), y como tal “derrama el amor de Dios en el corazón” de la elección de gracia.
Así pues, el hombre no era necesario a la santa y siempre bendita Trinidad como objeto de amor divino. Suficiente, eterna y ampliamente suficiente para toda la dicha y bienaventuranza, perfección y gloria de Jehová era, y siempre habría sido, el amor mutuo y la comunión recíproca de las tres Personas en la sagrada Deidad. Pero el amor —el amor igual e indiviso del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo— se desbordó más allá de su ser original y esencial hacia el hombre; y no meramente hacia el hombre en cuanto hombre, es decir, hacia la naturaleza humana como el cuerpo preparado para que el Hijo de Dios lo asumiera, sino hacia millares y millones de la raza humana, todos los cuales son amados personal e individualmente con todo el amor infinito de Dios, tanto como si ese amor estuviera fijado en uno solo, y él fuera amado como Dios ama a Su amado Hijo. “Con amor eterno te he amado” es dicho a cada individuo de los escogidos tanto como a toda la Iglesia, considerada como la Novia y Esposa mística del Cordero.
Así, el amor de un Dios trino no es solo hacia la naturaleza que a su debido tiempo el Hijo de Dios había de asumir, la carne y sangre de los hijos, la simiente de Abraham que Él había de tomar (Hebreos 2:14-16), y que por esta razón es mirada por el trino Jehová con ojos de intenso deleite, sino hacia aquella innumerable multitud de seres humanos que habían de formar el cuerpo místico de Cristo. Aunque la Escritura fuera menos expresa, podríamos aun así creer que la naturaleza que una de las Personas de la sagrada Trinidad había de asumir sería objeto del deleite y del amor del santo Trino y Uno. Pero tenemos sobre este punto el testimonio del Espíritu Santo, que lo pone fuera de toda duda o cuestión.
Cuando, en la primera creación de esa naturaleza, la Santa Trinidad dijo: “Hagamos al hombre a Nuestra imagen, conforme a Nuestra semejanza”, y cuando, en cumplimiento de aquel consejo divino, “formó Jehová Dios al hombre del polvo de la tierra, y alentó en su nariz soplo de vida; y fue el hombre en alma viviente”, uniendo Dios así un alma inmortal a un cuerpo terrenal, esta naturaleza humana fue creada no solo a la imagen moral de Dios, sino conforme al modelo de aquel cuerpo que el Padre preparó para el Hijo de Dios.
Al lector…
¡Qué palabra: Dios es amor! Y Él no necesitaba al hombre para ser bienaventurado; el amor mutuo del Padre, del Hijo y del Espíritu Santo era más que suficiente. ¿Se detiene usted alguna vez a considerarlo? Que este amor, sin embargo, se haya desbordado hacia pecadores no es un deber que Él estuviera obligado a cumplir. Es un amor libre y eterno, que tiene su fuente solo en Él mismo.
Quizá piense usted: ese amor es para la Iglesia en su conjunto, pero ¿quién soy yo? Vea, pues, que la palabra “Con amor eterno te he amado” es dicha personalmente a cada uno de los escogidos, tal como si ese amor estuviera fijado en una sola persona. El amor busca amor en correspondencia. Si el Espíritu Santo ha derramado aunque sea una chispa de ese amor en su corazón, entonces usted vive en Dios, y Dios en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk