
En verhoord zijnde uit de vreze…
Hebreeën 5:7
Er ligt iets ongemeen verborgen in mijn gemoed, en nochtans vind ik iets buitengewoon heerlijks in de uitdrukking „uit de vreze”. En het is goed er melding van te maken dat er enige moeilijkheid bestaat wat betreft de juiste vertaling van deze uitdrukking. Het woord in de oorspronkelijke tekst beduidt niet zozeer vrees, aantonende schrik en ontsteltenis, als wel een heilige verering en tedere voorzichtigheid. Het betekent letterlijk de grote zorg waarmede wij breekbare vaten behandelen. Zo wordt het in het Nieuwe Testament gebruikt en beduidt het een eerbiedige Godsvreze.
Het wordt bijvoorbeeld van Noach zo gezegd, waar wij in Hebreeën 11:7 van hem lezen: „en bevreesd geworden zijnde”. Nu, dit wordt vertaald door vreze Gods, volgens Hebreeën 12:28: „Door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid.” Het wil derhalve niet zeggen vrees in zodanige zin van het woord, als zou het inhouden een slaafse vrees. Het wil niet zeggen dat de Heere Jezus bezet was met een slaafse vrees voor de Almachtige, welke de goddelozen hebben en zij die nooit deelgenoten waren van de genade Gods. Maar onze Heere, als een patroon van elke genade des Geestes, was bezet met die heilige eerbied en Goddelijke vreze in een bijzondere mate, waarvan wij maar een klein deeltje hebben.
Nu, juist in evenredigheid tot de diepte der genade die in Hem was, en de kracht Gods die op Hem rustte, en de werkzaamheden en invloed van de Heilige Geest in Zijn ziel, was de mate van heilige eerbied en Goddelijke vreze die in Zijn geheiligde mensheid woonde. Aanschouwende dus de grootheid van het werk, voor ogen hebbende niet zozeer het lichamelijk lijden op het kruis, dan wel de geestelijke strijd, de nood der ziel, de worsteling met de wet in haar zwaarte en vloek; de verbolgenheid van de Almachtige tegen de zonde, in de Persoon van de Middelaar; de verberging van Zijns Vaders aangezicht en de onttrekking van het licht Zijns aangezichts — al dit smartelijk lijden van het kruis voor ogen hebbende en reeds smakende de eerste druppelen van die stortregen die spoedig op Zijn gezegend hoofd stond neder te vallen, vervulde Zijn heilige ziel met de diepste, eerbiedige vreze voor de majesteit Gods. Dit is de vreze waarvan onze tekst spreekt.
In de kanttekening staat: Zijn achting met liefde tot God. Maar eerbied, Goddelijke vreze, heilige vreze en teder ontzag drukken de bedoeling van het woord veel beter uit. Het was van Hem geprofeteerd dat op Hem rusten zou de Geest des Heeren, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest der kennis en der vreze des Heeren, Jesaja 11:2. Zo kwamen Zijn gebeden, Zijn sterke roepingen, Zijn smekingen en tranen met aangenaamheid op in de oren Zijns Vaders, omdat zij kwamen uit een hart vervuld met eerbiedige en Goddelijke vreze, onder de aansporing van de eeuwige Geest, Die in Hem elke genade wrocht, beide in het bezit en in de beoefening, en door Wie Hij Zichzelf zonder vlek Gode opofferde.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat de nood hoog is; hoe bidt u dan? Uit slaafse angst, of met eerbied voor de majesteit Gods? Hier zien wij de Heere Jezus in Zijn diepste strijd, met de beker voor ogen, de verberging van Zijns Vaders aangezicht en de vloek der wet. En toch was Zijn ziel vervuld met een heilige, tedere vreze, en uit die vreze werd Hij verhoord. Zijn gebeden kwamen met aangenaamheid op in de oren Zijns Vaders.
Van die heilige eerbied hebben wij maar een klein deeltje, en dikwijls is ons bidden meer onrust dan ontzag. Maar Hij is het volmaakte patroon van elke genade des Geestes, en Hij heeft Zichzelf zonder vlek Gode opgeofferd. Wanneer u in Zijn Naam tot God komt, wordt u om Zijnentwil aangenomen. Bid dan dat dezelfde Geest ook in u een kinderlijke vreze werke, die niet van God wegvlucht, maar met teder ontzag tot Hem nadert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En verhoord zijnde uit de vreze…
Hebreeën 5:7
Voor mijn gemoed ligt er iets ongewoon verborgens in de uitdrukking „uit de vreze”, en toch vind ik er ook iets buitengewoon heerlijks in. Het is goed te vermelden dat er enige moeilijkheid bestaat over de juiste vertaling van deze uitdrukking. Het woord in de oorspronkelijke tekst betekent niet zozeer vrees in de zin van schrik en ontsteltenis, als wel een heilige eerbied en tedere behoedzaamheid. Het betekent letterlijk de grote zorg waarmee wij breekbare vaten behandelen. Zo wordt het in het Nieuwe Testament gebruikt, en het betekent een eerbiedige godsvrucht.
Het wordt bijvoorbeeld zo van Noach gezegd, waar wij in Hebreeën 11:7 over hem lezen: „en bevreesd geworden zijnde”. Dit wordt ook weergegeven met vreze Gods, volgens Hebreeën 12:28: „Door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid.” Het betekent dus geen vrees in die zin van het woord dat het een slaafse vrees zou inhouden. Het wil niet zeggen dat de Heere Jezus vervuld was van een slaafse vrees voor de Almachtige, zoals de goddelozen die hebben en zij die nooit deel hadden aan de genade van God. Maar onze Heere, als voorbeeld van elke genade van de Geest, was in bijzondere mate vervuld van die heilige eerbied en goddelijke vreze, waarvan wij maar een klein deeltje hebben.
Juist in verhouding tot de diepte van de genade die in Hem was, de kracht van God die op Hem rustte en de werkingen en invloed van de Heilige Geest in Zijn ziel, was ook de mate van heilige eerbied en goddelijke vreze die in Zijn geheiligde mensheid woonde. Hij zag de grootheid van het werk. Hij had niet zozeer het lichamelijk lijden aan het kruis voor ogen, als wel de geestelijke strijd, de nood van de ziel, de worsteling met de wet in haar zwaarte en vloek, de verbolgenheid van de Almachtige tegen de zonde in de Persoon van de Middelaar, de verberging van het aangezicht van Zijn Vader en het onttrekken van het licht van Zijn aangezicht. Terwijl Hij al dit smartelijke lijden van het kruis voor ogen had en al de eerste druppels proefde van die stortregen die spoedig op Zijn gezegend hoofd zou neerkomen, werd Zijn heilige ziel vervuld met de diepste, eerbiedige vreze voor de majesteit van God. Dit is de vreze waarover onze tekst spreekt.
In de kanttekening staat: Zijn achting met liefde tot God. Maar eerbied, goddelijke vreze, heilige vreze en teder ontzag geven de bedoeling van het woord veel beter weer. Van Hem was geprofeteerd dat op Hem zou rusten de Geest des Heeren, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest der kennis en der vreze des Heeren, Jesaja 11:2. Zo kwamen Zijn gebeden, Zijn sterke roepingen, Zijn smekingen en tranen aangenaam in de oren van Zijn Vader. Want zij kwamen uit een hart dat vervuld was met eerbiedige en goddelijke vreze, gedreven door de eeuwige Geest, Die in Hem elke genade werkte, zowel in het bezit als in de beoefening ervan, en door Wie Hij Zichzelf onbevlekt aan God heeft opgeofferd.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat de nood hoog is; hoe bidt u dan? Uit slaafse angst, of met eerbied voor de majesteit van God? Hier zien wij de Heere Jezus in Zijn diepste strijd, met de beker voor ogen, de verberging van het aangezicht van Zijn Vader en de vloek van de wet. En toch was Zijn ziel vervuld met een heilige, tedere vreze, en uit die vreze werd Hij verhoord. Zijn gebeden kwamen aangenaam in de oren van Zijn Vader.
Van die heilige eerbied hebben wij maar een klein deeltje, en vaak is ons bidden meer onrust dan ontzag. Maar Hij is het volmaakte voorbeeld van elke genade van de Geest, en Hij heeft Zichzelf onbevlekt aan God opgeofferd. Wanneer u in Zijn Naam tot God komt, wordt u om Zijnentwil aangenomen. Bid dan dat dezelfde Geest ook in u een kinderlijke vreze werkt, die niet van God wegvlucht, maar met teder ontzag tot Hem nadert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And was heard in that He feared.”
Hebrews 5:7
There is something in my mind extremely mysterious and yet divinely blessed in the expression, “in that He feared,” and it is right to mention that there is some little difficulty as to the right rendering of the expression. The word means in the original not so much fear, as indicating dread or apprehension, as a holy reverence and tender cautiousness. It means literally the great care with which we handle brittle vessels, and, as used in the New Testament, signifies a reverential fear of God. It is used, for instance, of Noah, where he is said to be “moved with fear” (Heb. 11:7), and is translated “godly fear” in those words, “whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear” (Heb. 12:28).
It does not, therefore, mean fear in any such sense of the word as would imply a servile dread. It does not mean that our gracious Lord was possessed with that servile dread of the Almighty which reprobates feel and those who never were partakers of the grace of God. But our Lord, as an exemplar of every grace of the Spirit, was possessed of that holy reverence and godly fear in its abundant measure of which we have but a small portion. Now just in proportion to the depth of the grace that was in Him, the power of God that rested upon Him, and the operations and influence of the Holy Spirit in His soul, so was the measure of holy reverence and godly fear which dwelt in His sacred humanity.
Contemplating, therefore, the greatness of the work; having before His eyes not so much the bodily sufferings of the cross as all the mental agonies—the distress of soul, the conflict with the law in its load and curse, the indignation of the Almighty against sin in the Person of the Surety, the hidings of His Father’s face, and the withdrawal of the light of His countenance—foreseeing all these dolorous sufferings of the cross, and tasting the first drops of that shower which was so soon to fall upon His sacred head, it seemed as if His holy soul was filled with the most solemn reverence and deep apprehension of the majesty of God. This is the fear of which our text speaks. It is in the margin “His piety.” But reverence, godly fear, holy apprehension, and tender awe convey the meaning of the word much better than the expression “piety.”
It was prophesied of Him that “the Spirit of the Lord should rest upon Him, the spirit of knowledge and of the fear of the Lord, and should make Him of quick understanding in the fear of the Lord” (Isaiah 11:1, 2). Thus His prayers, His cries, His supplications, and His tears rose up with sweet acceptance into the ears of His Father, because they came out of a heart filled with reverence and godly fear under the promptings and influences of that eternal Spirit Who wrought in Him every grace both in its possession and its exercise, and through Whom He offered Himself without spot to God.
To the reader…
It may be that your need is great; how do you pray then? Out of slavish dread, or with reverence for the majesty of God? Here we see the Lord Jesus in His deepest conflict, with the cup before His eyes, the hiding of His Father’s face and the curse of the law. And yet His soul was filled with a holy, tender fear, and He was heard in that He feared. His prayers came with acceptance into the ears of His Father.
Of that holy reverence we have but a small portion, and our praying is often more unrest than awe. But He is the perfect example of every grace of the Spirit, and He offered Himself without spot to God. When you come to God in His Name, you are accepted for His sake. Pray, then, that the same Spirit may work in you too a childlike fear, which does not flee from God, but draws near to Him with tender awe.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Fue oído por Su reverencial miedo.”
Hebreos 5:7
Hay para mí algo sumamente misterioso y, sin embargo, divinamente bendito en la expresión “por Su reverencial miedo”, y es justo mencionar que hay alguna pequeña dificultad en cuanto a la traducción correcta de la expresión. La palabra en el original no significa tanto temor, en el sentido de pavor o aprensión, como una santa reverencia y una tierna cautela. Significa literalmente el gran cuidado con que manejamos los vasos frágiles, y, tal como se usa en el Nuevo Testamento, significa un temor reverente de Dios. Se usa, por ejemplo, de Noé, de quien se dice que “con temor aparejó el arca” (Heb. 11:7), y en aquellas palabras se traduce por “reverencia”: “sirvamos a Dios agradándole con temor y reverencia” (Heb. 12:28).
No significa, por tanto, temor en ningún sentido de la palabra que implique un pavor servil. No significa que nuestro clemente Señor estuviera poseído de aquel pavor servil del Todopoderoso que sienten los réprobos y los que nunca fueron partícipes de la gracia de Dios. Sino que nuestro Señor, como modelo de toda gracia del Espíritu, poseía en abundante medida aquella santa reverencia y aquel temor piadoso del que nosotros solo tenemos una pequeña porción. Ahora bien, en la misma proporción que la hondura de la gracia que había en Él, el poder de Dios que reposaba sobre Él y las operaciones e influencias del Espíritu Santo en Su alma, así era la medida de santa reverencia y temor piadoso que moraba en Su sagrada humanidad.
Contemplando, por tanto, la grandeza de la obra; teniendo ante Sus ojos no tanto los padecimientos corporales de la cruz como todas las agonías interiores: la angustia del alma, el combate con la ley en su carga y su maldición, la indignación del Todopoderoso contra el pecado en la Persona del Fiador, el ocultamiento del rostro de Su Padre y la retirada de la luz de Su semblante; previendo todos estos dolorosos padecimientos de la cruz, y gustando las primeras gotas de aquel aguacero que tan pronto iba a caer sobre Su sagrada cabeza, parecía como si Su santa alma estuviera llena de la más solemne reverencia y de una honda aprensión de la majestad de Dios. Este es el temor de que habla nuestro texto. En el margen dice “Su piedad”. Pero reverencia, temor piadoso, santa aprensión y tierno sobrecogimiento expresan el sentido de la palabra mucho mejor que la expresión “piedad”.
Se profetizó de Él que “reposará sobre Él el espíritu de Jehová; espíritu de conocimiento y de temor de Jehová. Y harále entender diligente en el temor de Jehová” (Isaías 11:1, 2). Así Sus ruegos, Sus clamores, Sus súplicas y Sus lágrimas subieron con dulce aceptación a los oídos de Su Padre, porque salían de un corazón lleno de reverencia y temor piadoso bajo los impulsos e influencias de aquel Espíritu eterno que obraba en Él toda gracia, tanto en su posesión como en su ejercicio, y por el cual Él se ofreció a Sí mismo sin mancha a Dios.
Al lector…
Puede ser que su necesidad sea grande; ¿cómo ora usted entonces? ¿Por pavor servil, o con reverencia ante la majestad de Dios? Aquí vemos al Señor Jesús en Su combate más hondo, con el vaso ante Sus ojos, el ocultamiento del rostro de Su Padre y la maldición de la ley. Y sin embargo, Su alma estaba llena de un temor santo y tierno, y fue oído por Su reverencial miedo. Sus ruegos llegaron con aceptación a los oídos de Su Padre.
De esa santa reverencia solo tenemos una pequeña porción, y nuestro orar es a menudo más inquietud que sobrecogimiento. Pero Él es el modelo perfecto de toda gracia del Espíritu, y se ofreció a Sí mismo sin mancha a Dios. Cuando usted viene a Dios en Su Nombre, es aceptado por causa de Él. Ore, pues, para que el mismo Espíritu obre también en usted un temor filial, que no huye de Dios, sino que se acerca a Él con tierno sobrecogimiento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk