
En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Psalm 107:7
Wanneer de Heere leidt, kunnen wij volgen. De weg moge hobbelig zijn, doch als de Heere ondersteunt, dan kunnen wij die weg bewandelen zonder struikelen. Wat de Heere ook gebiedt, dat kunnen wij doen, als Hij maar tegenwoordig is. Welk lijden Hij ons oplegt, wij kunnen het dragen, als wij maar de goedkeuring hebben van een goede consciëntie en Zijn vriendelijke toelaching. O, wonderen van soevereine genade!
Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen; verdrukking is geen verdrukking als de Heere ons ondersteunt; beproeving is geen beproeving als zij door Zijn toelachingen verzoet wordt; en smart is geen smart als zij verlicht of licht gemaakt wordt door Zijn liefde. Het is onze prikkelbaarheid, ons ongeloof, onze vleselijke redenering, opstand en zelfbeklag, die een hobbelachtige weg tot een smartelijke weg maken; doch de genade in haar alles overwinnende kracht onderwerpt niet slechts iedere moeilijkheid van buitenaf, maar, wat nog groter is, zij onderwerpt ook elke moeilijkheid in ons hart. Het is en het moet ook zo zijn; één van de sterkste gronden van ons geloof is dat iedere weg in zijn einde een rechte weg is, als het Gods weg is.
En is het niet een rechte weg, overeenkomstig de uitspraak onzer eigen consciëntie, die ons leidt uit de wereld, de zonde, ons eigen ik, uit onze hoogmoed en eigengerechtigheid, uit alle kwaad, in welke vorm dan ook, en die ons leidt in alles wat goed is, wat heilig, wat welgevallig is in de ogen Gods, wat aannemelijk, heilzaam, heiligend is, ons leidt in hetgeen ons het beeld van Christus kan gelijkvormig maken, Die een Man van smarten was en verzocht in krankheden, en Die ons bekwaam maakt om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht? En wat is het einde van deze leiding en besturing? Dat zij mogen gaan tot een stad ter woning: het nieuwe Jeruzalem, de heerlijke stad die fundamenten heeft, welker Bouwmeester God is.
Daar zijn enigen onzer vrienden al voorgegaan, daar wonen zij als burgers van die gezegende stad van zuiver goud, gelijk doorluchtig glas; een stad die de zon niet behoeft, noch de maan ter verlichting, want de heerlijkheid Gods verlicht ze en het Lam is haar kaars. Dit is de stad ter woning, waar de heiligen voor eeuwig wonen zullen. En de Heere zal al Zijn wandelaars door deze woestijn leiden door de rechte weg, opdat Hij hen in dezelfde weg brenge in Zijn eeuwige tegenwoordigheid en tot de genietingen van die liefelijkheden die aan Zijn rechterhand zijn, eeuwiglijk.
Aan de lezer…
Misschien is uw weg hobbelig, en kunt u niet begrijpen waarom de Heere u zo leidt. Wees eerlijk: is het niet vaak onze prikkelbaarheid, ons ongeloof en ons zelfbeklag die een moeilijke weg tot een smartelijke maken? Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen, en smart is geen smart als zij door Zijn liefde verlicht wordt. Wanneer Hij leidt, kunnen wij volgen; als Hij maar tegenwoordig is.
Bid dan niet allereerst om een andere weg, maar om Zijn nabijheid op deze weg. Want iedere weg is in zijn einde een rechte weg, als het Gods weg is. Hij leidt u uit de wereld, uit de zonde en uit uw eigen ik, en Hij leidt u in alles wat u het beeld van Christus gelijkvormig maakt. En het einde is zeker: een stad ter woning, die fundamenten heeft, welker Bouwmeester God is, waar het Lam de kaars is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Psalm 107:7
Wanneer de Heere leidt, kunnen wij volgen. De weg mag hobbelig zijn, maar als de Heere ondersteunt, kunnen wij die weg gaan zonder te struikelen. Wat de Heere ook gebiedt, dat kunnen wij doen, als Hij maar tegenwoordig is. Welk lijden Hij ons ook oplegt, wij kunnen het dragen, als wij maar de goedkeuring hebben van een goed geweten en het vriendelijk lachen van Zijn aangezicht. O, wonderen van soevereine genade!
Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen; verdrukking is geen verdrukking als de Heere ons ondersteunt; beproeving is geen beproeving als zij door Zijn vriendelijk lachen verzoet wordt; en smart is geen smart als zij door Zijn liefde verlicht of licht gemaakt wordt. Het zijn onze prikkelbaarheid, ons ongeloof, onze vleselijke redeneringen, onze opstand en ons zelfbeklag die van een hobbelige weg een smartelijke weg maken. Maar de genade onderwerpt in haar alles overwinnende kracht niet alleen iedere moeilijkheid van buitenaf, maar, wat nog groter is, ook elke moeilijkheid in ons hart. Zo is het en zo moet het ook zijn; een van de sterkste gronden van ons geloof is dat iedere weg uiteindelijk een rechte weg is, als het Gods weg is.
En is het niet een rechte weg, naar het oordeel van ons eigen geweten, die ons leidt uit de wereld, de zonde en ons eigen ik, uit onze hoogmoed en eigengerechtigheid, uit alle kwaad in welke vorm dan ook? Een weg die ons leidt in alles wat goed is, wat heilig en welgevallig is in de ogen van God, wat aangenaam, heilzaam en heiligend is; die ons leidt in wat ons gelijkvormig kan maken aan het beeld van Christus, Die een Man van smarten was en verzocht in krankheden; en die ons bekwaam maakt om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht? En wat is het doel van deze leiding en besturing? Dat zij mogen gaan tot een stad ter woning: het nieuwe Jeruzalem, de heerlijke stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwmeester is.
Enkelen van onze vrienden zijn daar al heengegaan; daar wonen zij als burgers van die gezegende stad van zuiver goud, als doorluchtig glas; een stad die de zon niet nodig heeft, en ook de maan niet om haar te verlichten, want de heerlijkheid van God verlicht haar en het Lam is haar kaars. Dit is de stad ter woning waar de heiligen voor eeuwig zullen wonen. En de Heere zal al Zijn reizigers door deze woestijn op de rechte weg leiden, opdat Hij hen langs die weg brengt in Zijn eeuwige tegenwoordigheid en tot het genieten van de liefelijkheden die aan Zijn rechterhand zijn, eeuwig.
Aan de lezer…
Misschien is uw weg hobbelig, en kunt u niet begrijpen waarom de Heere u zo leidt. Wees eerlijk: zijn het niet vaak onze prikkelbaarheid, ons ongeloof en ons zelfbeklag die een moeilijke weg tot een smartelijke maken? Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen, en smart is geen smart als zij door Zijn liefde verlicht wordt. Wanneer Hij leidt, kunnen wij volgen, als Hij maar tegenwoordig is.
Bid dan niet in de eerste plaats om een andere weg, maar om Zijn nabijheid op deze weg. Want iedere weg is uiteindelijk een rechte weg, als het Gods weg is. Hij leidt u uit de wereld, uit de zonde en uit uw eigen ik, en Hij leidt u in alles wat u gelijkvormig maakt aan het beeld van Christus. En het einde is zeker: een stad ter woning, die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwmeester is, waar het Lam de kaars is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And He led them forth by the right way, that they might go to a city of habitation.”
Psalm 107:7
When the Lord leads, we can follow. The path may be rough, but if the Lord upholds, we can walk in it without stumbling. Whatever the Lord bids, we can do if we have but His presence; whatever He calls upon us to suffer, we can bear if we have but the approbation of a good conscience and His approving smile. Oh, the wonders of sovereign grace! The cross is no cross if the Lord gives strength to bear it; affliction is no affliction if the Lord supports under it; trial is no trial if sweetened by His smile, and sorrow no grief if lightened by His love. It is our fretfulness, unbelief, carnal reasoning, rebellion, and self-pity which make a rough way a wrong way; but grace in its all-conquering power, not only subdues every difficulty without, but what is its greater triumph, subdues every difficulty within.
It is, and ever must be, one of the strongest principles of our faith, that every way must, in the end, be a right way if it be God’s way. And is it not, according to the verdict of our own conscience, a right way to lead us forth out of the world, out of sin, out of self, out of pride and self-righteousness, out of evil in every form, into everything which is good, holy, gracious, acceptable, saving, and sanctifying; everything that can conform us to the image of Christ, Who was a man of sorrows and acquainted with grief, and make us fit for the inheritance of the saints in light?
And what is the end of all this leading and guiding? “That they might go to a city of habitation”—the new Jerusalem, the glorious city which has foundations, whose builder and maker is God. There, some of our friends have gone before; there they dwell as citizens of that blessed city which is all of pure gold, like unto clear glass; a city which has no need of the sun, neither of the moon to shine in it, for the glory of the Lord enlightens it, and the Lamb is the light thereof. This is the city of habitation where the saints will forever dwell; and the Lord is leading forth each and all of His wilderness wanderers by the right way, that He may bring them in the same way into His eternal presence, and to the enjoyment of those pleasures which are at His right hand for evermore.
To the reader…
Perhaps your road is rough, and you cannot understand why the Lord leads you this way. Be honest: is it not often our fretfulness, our unbelief and our self-pity that turn a hard road into a painful one? The cross is no cross if the Lord gives strength to bear it, and sorrow is no grief if it is lightened by His love. When He leads, we can follow, if only He is present.
Do not pray first of all, then, for another road, but for His nearness on this one. For every way is in the end a right way if it is God’s way. He leads you out of the world, out of sin and out of self, and He leads you into everything that conforms you to the image of Christ. And the end is certain: a city of habitation, which has foundations, whose builder and maker is God, where the Lamb is the light thereof.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y dirigiólos por camino derecho, para que viniesen a ciudad de población.”
Salmo 107:7
Cuando el Señor guía, podemos seguir. El camino puede ser áspero, pero si el Señor sostiene, podemos andar por él sin tropezar. Cualquier cosa que el Señor mande, podemos hacerla con tal de tener Su presencia; cualquier cosa que nos llame a padecer, podemos soportarla con tal de tener la aprobación de una buena conciencia y Su sonrisa de aprobación. ¡Oh, las maravillas de la gracia soberana! La cruz no es cruz si el Señor da fuerza para llevarla; la aflicción no es aflicción si el Señor sostiene bajo ella; la prueba no es prueba si la endulza Su sonrisa, ni la tristeza es pena si la aligera Su amor. Son nuestra irritación, nuestra incredulidad, nuestros razonamientos carnales, nuestra rebelión y nuestra autocompasión los que hacen de un camino áspero un camino equivocado; pero la gracia, en su poder que todo lo vence, no solo somete toda dificultad de fuera, sino, lo que es su mayor triunfo, somete toda dificultad de dentro.
Es, y siempre ha de ser, uno de los principios más firmes de nuestra fe que todo camino ha de ser al final un camino derecho si es el camino de Dios. ¿Y no es, según el veredicto de nuestra propia conciencia, un camino derecho el sacarnos del mundo, del pecado, del yo, del orgullo y de la justicia propia, del mal en todas sus formas, y llevarnos a todo lo que es bueno, santo, lleno de gracia, aceptable, salvador y santificador; a todo lo que puede conformarnos a la imagen de Cristo, que fue varón de dolores, experimentado en quebranto, y hacernos aptos para la suerte de los santos en luz?
¿Y cuál es el fin de todo este guiar y dirigir? “Para que viniesen a ciudad de población”: la nueva Jerusalén, la gloriosa ciudad con fundamentos, el artífice y hacedor de la cual es Dios. Allá han ido delante algunos de nuestros amigos; allí moran como ciudadanos de aquella bendita ciudad que es toda de oro puro, semejante al vidrio limpio; una ciudad que no tiene necesidad de sol ni de luna para que resplandezcan en ella, porque la claridad de Dios la ilumina, y el Cordero es su lumbrera. Esta es la ciudad de población donde los santos morarán para siempre; y el Señor está dirigiendo a todos y cada uno de Sus peregrinos del desierto por el camino derecho, para traerlos por ese mismo camino a Su presencia eterna y al goce de aquellos deleites que hay a Su diestra para siempre.
Al lector…
Quizá su camino sea áspero, y no puede entender por qué el Señor le lleva por aquí. Sea sincero: ¿no son a menudo nuestra irritación, nuestra incredulidad y nuestra autocompasión las que convierten un camino duro en uno doloroso? La cruz no es cruz si el Señor da fuerza para llevarla, y la tristeza no es pena si la aligera Su amor. Cuando Él guía, podemos seguir, con tal de que Él esté presente.
No pida, pues, ante todo otro camino, sino Su cercanía en este. Porque todo camino es al final un camino derecho si es el camino de Dios. Él le saca del mundo, del pecado y del yo, y le lleva a todo lo que le conforma a la imagen de Cristo. Y el fin es seguro: una ciudad de población, la ciudad con fundamentos, el artífice y hacedor de la cual es Dios, donde el Cordero es su lumbrera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk