The Lost Sheep Restored
Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen; zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering. Jeremia 50:6
God de Vader in Zijn eeuwig voornemen, God de Zoon in Zijn Middelaars werk, en God de Heilige Geest in Zijn inwendige onderwijzingen — de Drie-enige God heeft een eeuwige lijn van onderscheid getrokken, tussen de witgewassen naamchristen en de levende ziel. Hoe ook de huichelaars in Sion zich met het volk van God in de gemeenten vermengen; ofschoon zij ook dezelfde waarheden belijdén te geloven, er is er toch een scheidsmuur tussen hen gesteld, die niet te verbreken is. Een scheidslijn, door de Drie-enige Jehovah opgericht, die noch door de daden, noch door de wijsheid der mensen ooit te vernietigen zal zijn.
In het hart van een kind van God bevindt zich die kinderlijke vrees, waarvan de naamchristen niets weet. Het heeft die oprechtheid voor God, die vroomheid, die eenvoudigheid en Goddelijke tederheid, dat begeren naar recht te zijn, die vrees voor zich te bedriegen, die hunkering des harten, om gevoelig en bevindelijk te kennen „den enigen waren God, en Jezus Christus Dien Hij gezonden heeft.” Hij heeft een uitzien om ten allen dage onder de gezegende onderwijzingen des Geestes te verkeren, die nederigheid der ziel en verbrokenheid des harten, die tederheid der consciëntie en meer andere vruchten des Geestes, die, ofschoon door sommigen nagemaakt en nagevolgd, toch nooit in waarheid bestaan dan in het hart van hen wie God met Zijn vinger heeft aangeroerd.
Daarom hebben allen, wie het Gode behaagd heeft tot wachters op Sions muren te stellen, om aan te zeggen de uren van licht en van duisternis, en te verkondigen wanneer „de morgenstond is gekomen en het nog nacht is,” (Jes. 21:11, 12) – luid uit te roepen, wie een eerlijk man, en wie een dief is, en dat zonder enige verschoning. De getrouwe herders worden door de Heere geroepen, „te richten tussen kleinvee en kleinvee, tussen de rammen en de bokken.” (Ezech. 34:17) . En bij Jer. 15:19, worden de profeten des Heeren dringend verzocht, om het kostelijke van het snode uit te trekken, en zó als de mond van God te zijn.
In de twee verzen, die de tekst voorafgaan, en, in betrekking met dezelve, ook in de tekst, hebben wij een beschrijving van de Heilige Geest, sprekende door Zijn dienstknecht Jeremia van de wijze, waarop de Heere Zijn volk leidt. Door de onfeilbare pen des Geestes vinden wij hier beschreven:
- De plek waar Hij hen vindt;
- De oorzaak, die hen daarheen dreef;
- De weg, waarin zij verlost worden;
- De plaats waarheen zij gebracht worden;
En daarom zal ik, sprekende over deze zaken, mij niet zo nauw aan de tekst te houden hebben, maar zo de Heere mij gelieft te helpen de tekst nemen, gelijk hij in verband staat met de twee onmiddellijk voorgaande verzen.
En mocht de gezegende Geest Zich verwaardigen, ons met Zijn dauw en Zijn zalving te beweldadigen, buiten welke al mijn spreken en al uw horen zal wezen, gelijk „water, verspild op de aarde.”
I. De plek waar Hij hen vindt
„Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen; zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.” Zoals in alles veel afhangt van een goed begin, zal ik vooreerst mijn grond zoeken goed te maken, door zo klaar en beslissend ik vermag aan te tonen, wie de personen zijn, van wie hier gesproken wordt.
God noemt ze zelf in de tekst: „Mijn volk”; en het is dat bijzonder volk, dat God de Vader in Christus uitverkoren heeft vóór de grondlegging der wereld; die uitverkorenen, welke God de Zoon, door hun natuur deelachtig te worden, verlost heeft, door Zijn eigen dierbaar bloed; en dat heilig volk, hetwelk God de Heilige Geest behaagt te onderwijzen, te leren, te besturen en veilig te leiden naar de eeuwige woningen van heerlijkheid. Dit uitverkoren gedeelte van het menselijk geslacht noemt God in de tekst „Mijn volk,” alsof Hij van hetzelve zeggen wilde: „Zij zijn de Mijnen door verkiezing; de Mijnen uit kracht van koping, de Mijnen door aanneming; eeuwiglijk de Mijnen, onomstotelijk de Mijnen; de Mijnen, in spijt van zonde, dood en hel; de Mijnen, in spijt van vlees, wereld en duivel.”
Onze eerste beschouwing nu van dit bijzonder volk moet zich bepalen tot de plaats, waar God het vindt. „Mijn volk,” zegt Hij, „waren verlorene schapen.” Hun eeuwig, oorspronkelijk, onveranderlijk karakter is: schapen te zijn. Zij worden geen schapen, omdat zij gevonden zijn, noch verliezen dat karakter, door verloren te wezen. Bij God waren zij eeuwig schapen; en hun „verloren” zijn veranderde noch vernietigde, te dien aanzien, evenmin hun karakter, als dat een schaap, in het natuurlijke, van de kudde dwalende, in een bok verkeert. Het kan kreupel, ziek of met ongemakken gekweld zijn; het mag mijlen ver van de kudde afdolen; derzelver wol mag door de struiken verminderd of met slijk bezoedeld, en zijn ganse gedaante zo veranderd zijn, dat de herder het nauwelijks herkent, het blijft toch een schaap, en het zal een schaap blijven, zolang het bestaat. Zo ook de uitverkorenen, eeuwig schapen zijnde in het gemoed Gods, en als zodanig een eeuwige vereniging met de Zoon van God bezittende, konden evenmin door hun val in Adam als door hun eigen struikelingen, zonden en ongerechtigheden hun oorspronkelijk, onveranderbaar karakter van schapen verliezen.
Maar beschouwen wij de plaats, waar Jehova h de Geest he n vindt, dan zijn zij „verloren schapen,” bedorven en ongedaan – zonder hoop, zonder hulp, zonder kracht, zonder wijsheid, zonder gerechtigheid; verloren en zonder vermogens, om de weg der heerlijkheid te vinden – verloren en zonder enige verwachting, om iets in het schepsel te vinden, dat Gode aangenaam kan zijn; verloren en geen hoop ziende, om ooit de Hemelse kusten te bereiken, buiten de onmiddellijke leidingen van de Heilige Geest; verloren en uitgeput en ganselijk onbekwaam om het geringste te doen, waardoor Gods gunst herkregen, of een erfdeel in Zijn liefde herwonnen zou worden!
Wanneer God de Heilige Geest een ziel in handen neemt, dan is het, gelijk eertijds de vingeren van een man hand het vonnis der veroordeling aan de wanden van het paleis des konings van Babel schreef, dat de Heilige Geest het woord „verloren” in de consciëntie van ieder vat der barmhartigheid schrijft. En wanneer Hij dit woord met kracht in hun consciëntieus geschreven heeft, dan dragen zij het brandende, als vurige letters, met zich om, zodat derzelver indruk nooit verloren gaat, totdat zij door het verzoenend bloed des Middelaars uitgewist wordt.
Zo zijn door de onderwijzingen van de Heilige Geest, in en aan de consciëntie van het Gods geslacht, de woorden „verloren, verloren, verloren!” geschreven in hun hart. „Verloren, verloren, verloren!” is de uitroep van hun lippen; „verloren, verloren, verloren!” is het diepgaande gevoel van hun ziel. Niemand is er ooit gevonden, die niet het gevoel van verloren te zijn, meer of minder levendig, in zijn hart had. Niemand werd er ooit vergaderd in de armen van de Hemelse Herder, opgezocht van de bergen en de heuvels, gelegd op Zijn schouders en thuis gebracht met verheuging; niemand werd ooit tot een geestelijke omgang met Jezus gebracht, waardoor er met Hem gemeenschap geoefend wordt, of hij heeft gezucht, gekermd en geroepen door een gevoel van zijn verlorenen staat; als een schuldig zondaar voor God.
Wanneer de ziel nu, onderwezen door de Heilige Geest, om te gevoelen zowel als te zien en te weten, dat zij niet bij machte is, zichzelve van de toekomende toorn te bevrijden, en bijgevolg in moedeloosheid en verslagenheid neergezonken is, dan is het gewoonlijk de tijd, dat Hij een ontdekking geeft van de barmhartigheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Wij vinden dit liefelijk voorgesteld in dat merkwaardig hoofdstuk, Ezech. 16. De vaten der barmhartigheid worden daar afgemaald onder het zinnebeeld van een pasgeboren kind, door zijn moeder verlaten, en „op het vlakke des velds geworpen, om de walgelijkheid van zijne ziele, ten dage toen het geboren werd.” (vers 5) Zo onbeklaagd, verlaten, bezoedeld, hulpeloos, omkomende, zo ellendig en uitgeworpen is de levendgemaakte ziel.
Maar zij wordt niet aan het verderf prijs gegeven. „Als Ik nu bij u voorbij ging,” zegt de beminnelijke Verlosser, „zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne: zo breidde Ik Mijnen vleugel over u uit,” (het teken der huwelijksverbinding, Ruth 3:9) „en dekte uwe naaktheid; ja Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere, en gij werd de Mijne.” (vers 8) .
Dit schijnt enigszins aangeroerd te worden in de laatste woorden van de tekst: „Zij vergaten hun legering,” te kennen gevende, dat deze „verlorene schapen” al sinds enige tijd gevonden waren, en rust gevonden hadden in Christus; dat Jehovah de Heilige Geest sommigen van hen op een diepe, andere op een meer lichtere wijze; deze meer, andere minder treffend, Jezus als hun Rustplaats had doen vinden. Zodat hun verloren, beangste en benauwde zielen enigszins rust in Christus gevonden hadden, rust in Zijn bloed, in Zijn gerechtigheid en in „het eeuwige verbond, dat in alles welgeordineerd en vast is.”
Maar de Heere zegt in de tekst van Zijn volk, dat zij hun legering vergeten hadden. Wanneer zij niet wisten, wat een legering (een rustplaats) was, konden zij niet gezegd worden, die te vergeten. En dit is, naar mijn zienswijze, zekerheid genoeg voor de mening, dat Gods volk gevoerd is naar de bergen, door middel van valse herders. Het is ontegenzeggelijk waar, dat hun eerste verloren toestand niet ontstond uit verkeerde leidslieden. Dat houdt in dat zij verloren lagen in Adam, verloren in het lichaam, toen zij in zonden ontvangen werden en verloren in hun leven toen zij op een dwaalweg gingen en leugens spraken. Liever zou ik denken aan een schaap, dat in de kooi geweest is, dan aan een schaap dat lammeren wierp op de bergen en nooit de stem van de goede Herder kende; eerder aan de dwalingen van de afwijker, dan aan hen, die dood in de zonden zijn. En dat in overeenstemming met de gelijkenis van het verloren schaap, (Lucas 15:4—6) die de zaak van een afwijker beschrijft, en instemmende met de boetvaardige uitroep van David (Ps. 119:176) „Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht.”
II. De oorzaak, die hen daarheen dreef
De Heere geeft in de tekst de oorzaak op, de middellijke oorzaak van het afwijken en de dwalingen van Zijn volk. Hij legt de schuld op hun valse herders, hun bedriegers, en bedriegelijke leidslieden, die hen óf door onkunde, óf boosaardig op een dwaalweg voerden. „Mijn volk,” zegt Hij, „waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen; zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hunne legering.”
O, welke bliksemstralen van Goddelijke wraak zijn er in Gods Woord tegen de valse dienstknechten bedreigd! Voldoende om iemand, die met een tere consciëntie opstaat in de Naam des Heeren, van het hoofd tot de voeten te doen schudden en beven! Welke ontzaggelijke aankondiging van de gramschap Gods tegen de nietige herders, (Zach. 11 : 17) de trage, zelfzoekende herders, die het zwakke niet versterken, het kranke niet helen, het gebrokene niet verbinden, het weggedrevene niet weder brengen, noch het verlorene zoeken, maar over hen heersen met strengheid en hardigheid, die zich zelf weiden, en niet de kudde ! (Ezech. 34:4-8).
Maar is des Heeren volk, nadat zij enige kennis van Christus verkregen hebben, door deze valse herders op het dwaalspoor geleid, dan zijn hun verraderlijke leidslieden in het kleed der waarheid tot hen gekomen. De leer der genade was op hun lippen, maar bedrog en geveinsdheid in hun harten. En zo, onder het masker der waarheid, dringen zij zich in hun genegenheden, nemen het oordeel voor hen in, en misleiden de harten van Gods volk. Kwamen zij in openbare misslagen, stelden zij in eens hun bedriege lijke gevoelens bloot, openbaarden zij van stonde aan hun onchristelijk leven, de schapen zouden een wapenkreet laten horen, en niet naar hun aanlokkende stem luisteren. Maar zij komen tot de kudde als een waar herder, de Goddelijke gevolmachtigde herder der kudde, hoewel met geen ander doel, dan om de horden weg te breken, en de schapen te verstrooien en weg te voeren. Wij willen met de hulp des Heeren enige van die valse herders, die in Christus’ Naam komen, hoewel niet door Hem onderwezen noch door Hem gezonden, ontmaskeren en ten toon stellen.
– Sommigen van deze valse herders voerden hen ter zijde af, door hen op te bouwen in de leer, zonder dat zij de zoete kracht en de levende uitwerking der waarheid in hun zielen ondervinden; en zo houden de kinderen van God op met zuchten, roepen en kermen naar de Heere, zij rusten op de leer, als leer, zonder dat de zoete zalving, de zaligende kracht en Goddelijke geur van die leer aan hun medegedeeld en in hun hart geschonken is, door de mond van God. Wat het ook zijn moge, dat een ziel van haar „legering” wegdrijft; wat haar ook ter zijde afvoert van een bevindelijke kennis van de Zoon Gods; wat haar ook van de geest tot de vorm en van de kracht tot de letter verleidt, dat verongelijkt een levende ziel ernstig.
Hoe Schriftuurlijk en waar deze leer ook zijn mag, hoe bekwaam ook opgehelderd, duidelijk bewezen, of welsprekend aangedrongen, nochtans, wanneer zij door dienaars der ongerechtigheid gebruikt wordt, – wat menigmaal geschiedt; om de ziel op te bouwen in een verwaande vrijmoedigheid, en het werk des Geestes in de consciëntie tegen te staan, – dan trekken zij de schapen af van de kracht, de geest, en de geur der Goddelijke waarheden, gelijk die bevindelijk gekend worden, tot een blote letter en droge vorm. De waarheden in de letter zijn voor hen niets dan een geraamte en door snaren vastgehechte beenderen der waarheid, zonder dat er zenuwen en vlees op hen is, en zij met een huid bedekt worden, of de adem des Heiligen Geestes daarop blaast, opdat zij leven zouden. (Ez. 37 : 8, 9.) Ik beroep mij op het geweten van sommigen, die hier zijn, zo u niet op deze wijze weggevoerd werd. Toen de Heere het eerst Zijn werk in uw ziel begon, (ik mag en kan van mijzelf spreken) was er toen geen eenvoudigheid, oprechtheid, een hijgen naar de kennis van Jezus, gelijk Hij Zichzelf alleen bekend maakt, met de overtuiging van zonde en hulpeloosheid gemengd?
En toen u enigermate gebracht werd tot het geloof in en de hoop op Hem, was er toen geen oprecht kinderlijk steunen en rusten op Zijn bloed en Zijn gerechtigheid? Maar zijn sommigen van u niet weggevoerd van deze eenvoudigheid en Goddelijke oprechtheid, dit onbetwistbaar en hijgend leunen op de uitwendige onderwijzingen des Geestes, tot een droge, koude en verharde belijdenis der waarheid, veel verder in de kennis van de letter gaande, dan in de frisheid, de geur en de levende staat der waarheid, hetwelk de kracht der waarheid gevoelig deed vervallen, en als het ware verdrogen in uw zielen? En wat was de werkende oorzaak van deze plaatsvervanging van de wijsheid der mensen voor de kracht van God? Spoor haar bron op, en gewoonlijk wordt zij gevonden in de valse herders, die tot de kudde kwamen, de horden der Goddelijke vrees slechten, en de kudde wegdreven of trokken tot de barre bergen, haar voerende van berg tot heuvel, in leringen en bespiegelingen, fijn gezochte onderscheidingen en woordenstrijd, totdat, temidden van verschillen en redetwisten, de schapen hun legering vergaten.
– Weer anderen van deze valse herders, die in het kleed der waarheid tevoorschijn komen, brengen met zich een boze antinomiaanse geest, die zij in het eerst wel enigszins verbergen, maar na enige tijd luider verkondigen, en in het gemoed van die hen horen, overgieten. Het zijn niet zo zeer de woorden van een man, als wel zijn géést, waarvoor wij ons te wachten en waarop wij nauwkeurig te letten hebben. Waar ook een dienaar voor een gemeente optreedt en gedurig tot haar spreekt zal hij zijn géést aan haar mededelen, en in haar gemoed prenten datgene, waarvan zijneigen hart vol is.
– Het kan gebeuren, dat onder een volk, dat de leer der levende Godzaligheid belijdt, een leraar komt met de waarheid op zijn lippen, met de leer der genade en enige vertoningen van bevinding, en er nochtans in hem heerst een geest van wispelturigheid en zorgeloosheid, een geest van lichtachting van het bevelende gedeelte van Gods Woord, van veronachtzaming der ordinantiën van Zijn huis, van geringschatting van de werken der Goddelijke vrees en een tere consciëntie. En zonder de volstrekte loochening van de bevinding der heiligen – want dat ware al te onbeschaamd en kon voor hem zelf schadelijk zijn – zal hij versmadende opmerkingen uitwerpen tegen de zuchtingen en de uitroepen van een bekommerd hart, en tegen de tranen, de kermingen en smeekgebeden van een levende ziel. Deze dingen zoekt hij ter zijde te stellen als wettisch en slaafs, en roept luide voor, wat hij noemt, vrijheid des Evangelies en de onveranderlijke verzekering des geloofs. Wanneer hij hen afgebracht heeft van een hartrakende, een door God onderwezen en gewrochte Godsdienst, dan zal hij aan hun gemoed mededelen die liefdeloze, verharde verwaandheid, die tomeloze, antinomiaanse geest, die door de satan in hem geblazen is . Dit is een geest, zo zeer verschillende van een heilig beven, Goddelijk ontzag en kinderlijke vrees, als de Hemel van de hel, of Christus van Belial. Het schaap dat rust in Christus gevonden had, dat Zijn naam als een geur van uitgestorte olie had bevonden, maar daarna gedurig door zijn boze geest beademd, en die geschikt vindende voor de vrije loop zijner vuile lusten en driften, wordt menigmaal door deze wijn van Sodom, en deze druiven van Gomorra betoverd. Zodat zij „hun legering vergeten,” en „weggevoerd worden naar de bergen,” dolende „van berg tot heuvel” van verwaande vrijmoedigheid. Misschien zouden velen van die steile rots afvallen, zo niet de goede Herder hen opzocht op die plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, ten dage der wolk en der donkerheid.
– Anderen van deze valse herders voeren, onder de belijdenis der waarheid, het socinianisme, het arminianisme, de voorwezendheid en andere ijselijke dwalingen zo bedekt in, dat zij de onvoorzichtigen bedriegen.
– Maar daar is nog een andere klasse, van al deze geheel onderscheiden, valse herders, die grote ijveraars voor de geboden van Gods Woord en de bevelen van Zijn huis zijn, maar die ten doel hebben, om in het geheim een geest van eigen gerechtigheid den volke in te blazen; hen op te leiden tot, wat zij heiligheid noemen, alsof heiligheid iets ware dat door naarstigheid en vlijt te verkrijgen is. En zo trekken zij hen terzijde af, van als een arm ellendig zondaar aan de voet
des kruises te liggen, tot het leunen op iets van het eigen ik, waardoor de Heilige Geest smaadheid wordt aangedaan, dewijl Hij de Onderwijzer van de kerk van God is, en de Heere Jezus Christus wordt onteerd, Die zowel onze heiligmaking als onze rechtvaardigmaking is. Wat ook de mens aftrekken mag, van aan de voet des kruises kruipende te blijven, van Goddelijke vrees, kinderlijk ont zag en een bevend gevoel van Gods tegenwoordigheid, wat hem ook ter zijde voert van gemeenschapsoefening met Jezus, van boetvaardigheid en zelfverloochening, dat is niet uit God. Hoe Schriftuurlijk de taal ook zij, waar het mede uitgedrukt wordt, hoe groot ook de Godsvrucht en de heiligheid van het gelaat, de rede en het gewaad van de prediker zij, welke vurige Godsdienstijver hij ook vertone, ja, ofschoon hij ook als een engel des lichts kwam, hij en zijn boodschap is zeer te wantrouwen, als hij iets leert, dat de ziel kan afvoeren van het kruis des Heeren Jezus: „Zo hij niet leert, ’t zij zuur of zoet, Het Lam van God – des Midd’laars bloed!”
Maar in de eerste dagen, als de ziel nog niet diep ingeleid is in de verborgenheid der zonden en de verborgenheid der zaligheid, dan is er niets, dat zo spoedig met de diep ingewortelde eigengerechtigheid van onze harten instemt, als het ernstig aandringen op heiligheid uit de mond van een leraar, die met al derzelver geur gebalsemd is, en in onze ongeopende ogen van het hoofd tot de voeten rein en bijna zonder zonden schijnt te zijn.
Maar hoeveel ook deze afgodische herders van elkaar verschillen, in één punt zijn zij het allen eens; één beschuldiging wordt tegen hen allen ingebracht: „Zij hebben de schapen verleid en hen gevoerd naar de bergen.” Zij hebben ze afgekeerd van het kruis van Christus, van de eenvoudigheid en Goddelijke oprechtheid, van de teerheid der consciëntie, van de bekommerende en beproevende paden van de kinderen Gods, van hun bedelaarsgestalte, bankroetschap en nooddruftigheid, van het zien op de Heere van leven en heerlijkheid, als de enigste hoop, sterkte en gerechtigheid van hun behoeftige en naakte ziel.
Nog is dit niet alles. „Zij hebben hen gevoerd naar de bergen,” hebben hen gevoerd of gedreven naar de onvruchtbare bergen; de bergen van Gilboa, waar geen dauw noch regen, geen voedsel noch schuiling is, waar hen bij dag de hitte en bij nacht de koude verteert. Zij voeren hen niet in de vallei des ootmoeds, te midden van de groene weiden, en langs de stille wateren, welke alleen in die vallei gevonden worden; maar zij hebben ze gevoerd naar de bergen van hoogmoed en zelfverhoging, verwaandheid en dorre bespie geling.
En wat is daarvan het gevolg? „Zij gingen van berg tot heuvel;” van de ene onvruchtbare hoogte tot de andere, niet wetende, waarheen zij dwaalden, onvoldaan met elke plaats waar zij kwamen, en nochtans onbekwaam, om in de vallei neder te komen; onderzoekende van berg naar heuvel, van denkbeeld tot denkbeeld, tekst tot tekst, de ene leer na de andere, maar vinden noch rust noch voedsel.
Want, hoewel ook het levende schaap een tijdlang van de eenvoudigheid, die in Christus is, afgedwaald kan zijn, zoekt het toch naar voedsel en weide, en voedt zich inderdaad nooit met iets, dat de Heilige Geest Zelf niet meedeelt. Hoewel een kind van God ook gedurig verstrikt mag zijn in leringen en bespiegelingen, zo vindt het toch nergens een wezenlijke rust, dan in de zoete vereniging met Jezus; is met niets voldaan, dan met die Goddelijke openbaringen der genade aan zijn ziel, de verheffing van het licht van ’s Heeren aangezicht, de zoete influistering en indruiping van Zijn eeuwige liefde en onderscheidende gunstbetoning. Maar het gebeurt zo menigmaal, en ik geloof, dat het veel in deze stad geschiedt, dat, door de verleiding der valse predikers, de levende zielen weggevoerd worden, gaande van berg tot heuvel, beproevende dan het ene en dan het andere, zoekende rust en ze niet vindende; zijnde rusteloos, verward, bedrogen, onbekwaam, om zich te voeden met hetgeen hen voorgezet wordt, en nochtans niet bij machte tot de weide te gaan, waar zij kunnen nederliggen, gerust zijn, zich voeden en verkwikken.
III. De weg, waarin zij verlost worden
Maar wij komen tot de weg, langs welke de Heere deze schapen verlost; de wijze, waarop Hij de belofte vervult van Ezech. 34 : 10-12. „Alzo zegt de Heere Heere, ziet, Ik (wil) aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet (meer) tot spijze zullen zijn. Want zo zegt de Heere Heere: ziet, Ik, ja Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, ten dage der wolk en der donkerheid.”
„In dezelve dagen, en terzelver tijd, spreekt de Heere, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda tezamen, wandelende en wenende zullen zij heengaan, en den Heere, hun God, zoeken. Zij zullen den weg naar Sion vragen, met hunne aangezichten derwaarts, (zeggende) : „Komt, laten wij ons verenigen met den Heere, in een gestadig verbond (dat) niet zal worden vergeten.” (Jer. 50 : 4, 5 Engelse vertaling). De Heere had een wijs en genadig voornemen, in hen zo dwalende te laten. Hij wilde daardoor een zeker doel bereiken. Hij zocht hen te leren de ijdelheid en ledigheid der blote belijdenis, de nietigheid van het schepsel, en de bedorvenheid van hun gevallen natuur. Door hen te laten dwalen, verward, beproefd, benauwd te doen zijn, bracht Hij Zijn eigen voornemen aan het licht, hetwelk was, hen af te keren van alles wat mens heet, hen af te wennen van het schepsel, de hoogmoed huns harten te verbreken, hun bekend te maken met de ijdelheid van hun eigene wijsheid en sterkte, en hun ogen af te wenden van alles wat ijdelheid is.
Zo brengt Hij dan krachtige overtuigingen in hun consciëntie, en een vonnis, om er naar te handelen in hun harten. En dit doet Hij sommigen, door middel van te bedroeven of treffend te slaan in hun personen of families, door hen onder een ernstige prediking te brengen, door een verborgen pijl uit Zijn eigen Woord der waarheid in hun gewetens te schieten; of door hen voor de aandacht te brengen de voorleden bewegingen en gewaarwordingen van hun gemoed, en hoe ver zij daar nu van geweken zijn. Hierdoor wordt dan ook in hen verwezenlijkt, wat Hoséa 2:6 geschreven staat: „Ik zal heen gaan, en keren weder tot mijnen vorige man want toen was mij beter dan nu.”
Er is een beweging in de ziel, een uitgaan des harten, een terugkeren van het afkerige kind. „In dezelve dagen en terzelver tijd, spreekt de Heere, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda tezamen; wandelende en wenende zullen zij henen gaan, en den Heere, hunnen God zoeken.” „Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren.” (Jer. 31:9). „Ik zal opstaan,” zeide de boetvaardige verloren zoon, „en tot mijnen vader gaan.” Terwijl zij door de valse leraars betoverd en in dorre leringen opgewonden waren, was er geen uitgaan en wenen. Zuchten en kermingen werden onder de droesem van wettischheid gerekend, zeer goed voor eerstbeginnenden, maar niet voor zulke bevestigde gelovigen. Terwijl het hart verhard was door de bedrieglijkheid der zonde, was er geen henengaan en wenen. Terwijl er gesteund werd op eigen gerechtigheid en het werk van het schepsel, was er geen opstaan en wenen. Alle Godsdienst, die uit het vlees ontspringt en in de wijsheid van de mens haar grond heeft, laat het hart zonder indrukken. Geen boetvaardigheid, geen tederheid, geen nederigheid, geen verbrokenheid des harten, geen tranen van Goddelijk berouw, geen eerlijke belijdenis van zonden, geen dagelijkse zuchtingen, geen rusteloos wenden op het bed, geen middernachtelijk gekerm noch verborgen smekingen tot de troon der genade worden er gevonden in het hart dat door het vleeslievend bedrog terzijde getrokken is.
Maar wanneer de Heere opstaat om Zijn werk, Zijn zeldzaam werk, en Zijn wonderlijke daden te verrichten, wanneer Hij ten tweeden male Zijn handen zal uitstrekken, om het overblijfsel Zijns volks bijeen te vergaderen, en de verstrooiden van Juda tezamen te brengen van de vier hoeken der aarde; wanneer Hij als een herder Zijn schaap zal opzoeken van de heuvelen en de bergen, zal Hij hun consciënties treffen, en hun bekommeringen en droefheid doen gevoelen, om hun aangezichten naar Sion te wenden. „O!” zegt de arme ziel, gewond door en onder deze overtuigingen, „hoe ben ik bedrogen! hoe rustte ik op leringen, zonder derzelver kracht te gevoelen! Hoe schandelijk heb ik het verborgen bidden verwaarloosd! Hoe heb ik het lezen van Gods Woord bijna veronachtzaamd, het werk der genade in mijn ziel gering geacht, mij inbeeldende, dat ik in de vrijheid wandelde, schoon ik onder de ergste slavernij zuchtte! Och, tranen van bloed heb ik te wenen, daar ik mij zo liet wegvoeren door de valse herders, onder wie ik zat.
IV. De plaats waarheen zij gebracht worden
Overtuigd van zijn misslag, keert hij zijn rug naar de valse bedienaars, die hem verleid hadden, en hij keert zijn aangezicht naar Sion, gelijk wij lezen: „Zij zullen naar Sion vragen op den weg herwaarts zullen hunne aangezichten zijn.” De Apostel Paulus zegt ons bij Hebreeën 12 : 22-24, wat het zegt tot Sion te komen. Daar is het: „Maar gij zijt gekomen tot den Berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het Hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; tot de algemene vergadering, en de gemeente der eerstgeborenen, die in de Hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, en tot den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.” „Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.” (Psalm 50:2) „want de Heere gebiedt aldaar den zegen, en het leven tot in der eeuwigheid.” Sion is de zetel van al de Evangelische zegeningen. In haar is gelegd „de kostelijke Hoeksteen”; in haar „wordt heil gegeven aan Israël”; „het Lam Gods staat op haar tinnen”, barmhartigheid, verlossing, vergeving, vertroosting, sterkte, redding en heerlijkheid gaat van haar uit.
Door het keren van het aangezicht naar Sion, wordt te verstaan gegeven het zoeken van de Evangelische zegeningen. Zij worden daarom gezegd „den Heere, hun God te zoeken,” „Die alleen in Juda bekend is, en Zijn woning in Sion heeft;” „vanwaar de lofzang in stilheid tot Hem is.” Maar zij vragen naar de weg tot Sion, met hun aangezichten daarheen, niet in een lichtvaardige en geringschattende geest, en met geen ontwijfelbare verzekering, dat zij eens daar zullen aankomen. Zij hebben stap voor stap naar de weg te vragen, dikwijls bevreesd zijnde, of zij wel op de weg daarheen zijn. Ach, zij zijn ook zo menigmaal al bedrogen en verleid, zodat zij hun eigen hart niet meer durven vertrouwen; daarom hebben zij de Heere na te lopen, om elke duimbreed van de weg door Hem te worden geleid. Zij kunnen elke verwaande leidsman maar niet meer zo blindelings volgen, maar hebben tot de Heere te roepen, opdat Hij hen onderwijze, leide en verlevendige in de weg. En als zij gaan, dan gaan zij wenende. Zij treuren over hun boze afwijkingen, over de menigvuldige snoodheden die zij bedreven, over de wispelturigheid van hun gemoed, die zij hebben ingewilligd, over de wereldsgezindheid van hun geest, de hoogheid, verwaandheid, geveinsdheid, vleselijk- heid, zorgeloosheid en de hardnekkigheid van hun harten.
Zij gaan en wenen met een verbroken hart en een verslagen geest, niet in hun tranen, als bewijzen, berustende, maar zoekende de Heere, hun God; zoekende de verborgen openbaringen van Zijn barmhartigheid, de bezoekingen Zijner gunst, de “verheffing van het licht Zijns aangezichts;” zoekende naar de ontdekking van de liefde van Jezus. Hem te kennen door de geestelijke ontdekking van Zichzelf. Zo gezind zijnde, zoeken zij niet hun eigen gerechtigheid te bevestigen, niet de toejuiching van de wereld, niet de goede denkbeelden der belijders, noch de vriendschapsbetoning der heiligen, of zichzelf tot een christen te vormen, door eigen oefeningen. Maar zij zoeken, „den Heere, hun God,” — zij zoeken Zijn aangezicht bij dag en bij nacht, zij zoeken Zijn gunst, Zijn barmhartigheid, Zijn genade, Zijn liefde, Zijn heerlijkheid, de liefelijke bezoeken Zijner tegenwoordigheid en kracht, zoeken Hem, door met Hem te worstelen, totdat zij Hem, hun Verbonds God vinden, Die al hun afkeringen zal genezen.
En als zij Hem zoeken, zeggen zij: „Kom, laten wij ons verenigen met den Heere, in een gestadig verbond, dat niet zal worden vergeten.” De begeerte dus van hem, die zo onderwezen en geleid werd, die zo diep overtuigd is van de ijdelheid en de onwaardigheid van alle Godsdienst, die haar middenpunt niet heeft in de bevindelijke kennis van de Zoon van God, is, om een openbare vereniging met Christus te gevoelen; zijn ziel vertederd te vinden in de gemeenschapsoefening met Jezus: en daarom dringt hij op een vereniging met de Heere aan, waardoor de juiste mening van de wonderlijke woorden van Paulus, (1 Kor. 6 : 17) „die den Heere aanhangt is één geest met Hem,” in hem vervuld worden. Hij zegt tot zichzelve: „Het hoofd vervuld te hebben met droge waarheden kan mij geen goed doen; de lof van mensen kan geen schuldige consciëntie verlichten.” Niets kan hem een wezenlijke vrede aanbrengen, dan een geopenbaarde vereniging met Christus; zichzelve één met Hem te gevoelen; en te kennen de kracht Zijner liefde, de uitwerkingen van Zijn bloed, en de openbaringen van Zijn heerlijke gerechtigheid.
„Komt, laten wij ons verenigen met de Heere.” Geeft dit enige kracht in het schepsel te kennen, om zich den Heere toe te voegen? Nee; maar verstaat hierdoor: wanneer de Heere Zichzelf met ons verenigt, dan verenigen wij ons met Hem. Wanneer de Heere de gelovigen in een vereniging met Hem brengt, dan is daar een opspringen van de ziel, een uitgaan van de genegenheden, een kleven aan Hem met een voornemen des harten, een geloven in Hem met al de krachten des gemoeds, en een plechtig verzaken, een terzijde werpen, een onder de voet trappen, een verwerpen van alles, behalve dat in de kracht van God bestaat, en door de Heilige Geest der ziel bekend gemaakt is.
„Komt, laten wij ons met den Heere verenigen,” dat wordt niet op een verwaande wijze gezegd. Het is geen bewijs van een stoute en trotse eis aan de Heere, alsof zij, op de weg naar Sion zijnde, en daarvan zekere bewijzen kunnende aantonen, nu de erfenis konden eisen, en, als het ware, vertrouwen op en vasthouden aan de Evangelische zegeningen. Maar het wijst de handelingen van het levend geloof in de ziel aan, die uitgaan, wanneer zij opgewekt en uitgetrokken worden door de gezegende Geest. Het ijdel vertrouwen en de haastige voorbarigheid der gerusten in Sion, is zeer verschillend van het zachtmoedig geloof dergenen, die henengaan en wenen, de weg naar Sion vragen met hun aangezichten derwaarts, wier harten door de Geest vertederd zijn tot boetvaardigheid, die niets willen weten, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd, en begeren te gevoelen en te smaken de zoete openbaringen der liefde van een stervende Heere. Deze kunnen, zonder een verwaande en vrijpostige gemeenzaamheid, zeggen: „Komt laten wij ons verenigen met de Heere,” als gevoelende in hun zielen de daden van het levend geloof, waardoor zij Hem aankleven en op Hem leunen als de enige stut tussen hen en de hel.
Er was geen verwaande eis noch stoute gemeenzaamheid in die vrouw, die haar hand uitstrekte, om de zoom van Jezus kleed aan te raken, en evenwel verenigde zij zich met de Heere, door Zijn kleed aan te raken. Het aanraken van het levend geloof is geheel iets anders, dan het indringen van een vrijpostige gemeenzaamheid. Een kind mag op de knie van zijn vader klauteren; maar een dienstknecht moet de verschuldigde afstand bewaren.
„Komt,” zeggen zij met kinderlijke vrijmoedigheid, „laten wij ons verenigen met de Heere in een gestadig verbond”; als hadden zij behoefte, om de kracht van dat eeuwige verbond aan hun zielen te voelen bekend maken. Begerende te zien, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens. Begerende Hem te aanschouwen Wie zij doorstoken hebben, en hun zonden verzoend te zien door de uitstorting van het dierbaar bloed. Begerende op het grondigst in hun verbroken hart te gevoelen hun aandeel in het eeuwig verbond, „dat in alles wel geordineerd en vast is.” En ofschoon niets van zichzelf hebbende, dan een lelijke bedelaarsgestalte, een bankroetiers houding, gans naakt en nooddruftig, niets van nature zijnde dan een vuile massa van alles, wat walgelijk en verfoeilijk in de ogen van God is, worden zij toch een verlangen gewaar, om zich te gevoelen en te weten ingebonden in het bundeltje der levenden bij de Heere van leven en heerlijkheid; hun consciënties besprengd te hebben met die balsem, die er van het Bloed der verzoening druipt, welke, toegepast door de Heilige Geest. Wardoor zij zich kan reinigen van de dode werken, en zich in de Heere te verblijden als hun ganse zaligheid en enigste begeerte.
Toepassing
Het pad, dat ik in dit uur in zwakheid en onvolmaaktheid beschreven heb, zou ik niet graag willen neerleggen als een pad waar al de verlosten zonder onderscheid, op wandelen. De schets kan met allen dezelfde zijn, hoewel de aanvulling met ieder onderscheiden is. Velen, bijvoorbeeld, zijn niet verleid geworden door valse herders, maar hebben vanaf hun bekering onder getrouwe leraars verkeerd. Maar, hoewel niet door hen bedrogen, zijn zij dan ook het bedrog en de listen van hun eigen harten ontkomen? Of, zoal bewaard gebleven van het kwaad en de misslagen uitwendig, zijn zij dan inwendig daar ook van vrij gebleven? Hierin staan allen op gelijke grond, zodat de een niet boven de andere heeft te roemen.
Bedenk dit dan in uw gemoed; hebt u niet, elk in zijn mate, deze paden betreden? Toen de Heere Zijn werk der genade in uw zielen begon, was toen het woord „verloren” als geschreven op uw consciëntie? Droeg u die last niet met u waar u ook ging? Wanneer u in de doodse stilte der nacht ontwaakt, was daar niet dat verloren u voor de ogen? Hoe u ook uw overtuigingen zocht te verdrijven klonk niet overal u dat woord verloren in de oren? Wanneer u naar kerk ging, scheen dan het woord verloren niet voor u geschreven te zijn. En heeft de Heere u niet op Zijn tijd en Zijn wijze geleid tot de verzekering van uw aandeel in het bloed en de liefde des Lams, waardoor de hoop en de genegenheden van uw vernieuwde geest enigermate uitgetrokken werden? Dan hebt u een legering gevonden; en u verlangde nimmer enige andere rust, dan „die er overblijft voor het volk van God,” zijnde een ingaan door het geloof in het volbrachte werk van Immanuel.
Maar zocht u daar altijd uw rust, hetzij u vervoerd werd door de valse leidslieden, of ter zijde getrokken door uw eigen boos hart? Laat uw eerlijk geweten spreken, als de getrouwe vermaner in uw binnenste; getuige het of er soms geen verborgen verlaten of scheiden van de Heere was. Welk een ontzaggelijke misslag is het, de afwijkingen te willen loochenen! Hoe openbaart het de onkunde van zijn eigen hart! Hoe kenmerkt het de mens als een verdraaier der waarheid, en als een, die met de zonden en met het ongenoegen des Allerhoogsten de spot drijft! Zou hij, die zichzelve en de afgoderij van zijn gevallene natuur kent, durven ontkennen, dat hij gedurig afwijkt; zowel met zijn hart als met zijn mond en leven? Wie is er, die niet zijn eerste liefde heeft verlaten? Die niet afgegaan is van de eenvoudigheid en Goddelijke oprechtheid? Van de kinderlijke en Goddelijke vrees; van zijn eerste geestelijk en Hemelsgezindheid; van de uitstorting zijner genegenheden en zijn hart in de schoot des Heeren? En zo wij al voor openbare zonden zijn bewaard gebleven, zo de Heere ons behoed heeft, van ons niet in het slijk der zonden te wentelen, wie durft dan voor de Heere betuigen, dat hij vrij is van dat tweevoudig kwaad, dat de Heere bij Jer. 2 : 13 beschrijft „Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden?!”
En wat is de oogst die op die afwijkingen volgt? Is het vermaak, vertroosting of vrede? Oogsten wij de toelaching Gods, of de plechtige getuigenis des Geestes aan de consciëntie in? O nee! Laat uw geweten in uw binnenste getuigen, en het zal zeggen: dat elke afscheiding van den Heere smart en droefheid gebaard heeft. Dat, ver van uzelf in uw zonden te rechtvaardigen, u bijna gereed was tranen van bloed te schreien, omdat u zo goddeloos de Heere verlaten hebt. Het is ons een barmhartigheid geweest, dat de Heere ons niet aan de verharding van onze hart en de dichtschroeiing van ons geweten heeft overgelaten, zodat Hij ons niet heeft toegestaan met het oude Israël te zeggen: „Ik ben onschuldig, ik heb niet gezondigd.” Maar dat Hij ons „met geween en met smeking gevoerd heeft.
Zijn niet sommigen van ons (ik althans ben er een van) verplicht geweest, wenende heen te gaan, en de Heere in de jammerlijke taal van een afwijker na te lopen, daar wij van Zijn vreze afgeweken en zo snood tegen Hem hebben overtreden, daar wij zo onwillig waren om Zijn juk op onze schouderen te nemen, en in Zijn voetstappen te wandelen? Zijn wij niet gedrongen geworden, om Hem te belijden, hoe ongehoorzaam en weerspannig, hoe vuil en laag wij gehandeld hebben; en heeft Hij niet enigermate „onze aangezichten naar Sion gewend,” de rug doen keren naar de valse herders, naar de sterkte, wijsheid, gerechtigheid en eigen wil van het schepsel; en ons beweldadigd met enige eenvoudigheid, oprechtheid en vroomheid des harten, waardoor wij onze aangezichten naar Sion keerden, en wachtten een zegen, genade en heerlijkheid uit Sion? „Ik zal u ook krenken, u slaande,” zegt de Heere bij Micha 6 : 13,1) zinspelende op het gevoel van krankheid, voortgebracht door een wond.
En hebben deze wonden ons niet enigermate ziek gemaakt voor de wereld, voor het uitwendige naamchristendom, afkerig van ge veinsdheid, van het witgewassen Farizeïsme, van vleselijke belijders, van onze afwijkingen, van alles, behalve wat Gods Woord met kracht ons ontdekte, van alles, behalve het bloed en de liefde des Verlossers van alle leringen, behalve de onderwijzingen des Heiligen Geestes, van alle ge zelschap, behalve de vereniging met de kinderen Gods?
Kunt ook u dit betuigen? Hebt u alles buiten Christus, en Die gekruisigd, de rug toegekeerd? Hebt ge u van alle leer, welker middelpunt niet in het bloed des Lams bestaat, afgewend? Achte u het geen liefdadigheid noch mensenliefde te zijn, zo zij niet uit kracht der levende Godzaligheid ontsproot, (ofschoon u alle mensen hoofd voor hoofd begeert lief te hebben en te dienen,) en zijn uw geestelijke genegenheden tot God en Zijn volk? En is er in uw ziel de gewaarwording van Ruth geweest, toen zij zeide: „uw volk is mijn volk, en Uw God is mijn God.” Een liefelijk antwoord in uw binnenste, op de stem des Heeren: „Mijn Zoon! geef mij uw hart.” – „Neem het Heere, met alles wat ik heb en ben?” En u werpende aan de voet des kruises, om daar de Heere van leven en heerlijkheid te smeken, dat Hij van vrede tot uw ziel spreke?
Dit nu geloof ik is de weg, waarin de Heere de ziel van Zijn kinderen meer of minder leidt. Schoon het de Heere waarlijk niet is voor te houden, hoe Hij ons tot de kennis van Hem te leiden heeft, hetzij door een langer, of door een korter pad dan andere van Zijn kinderen, hetzij door verschrikkelijke dingen in gerechtigheid, of door een minder benauwende wijze; maar het is zeker, dat Hij te eniger tijd al Zijn volk ertoe zal brengen, om niets te zijn en niets te hebben; hun eigen gerechtigheid, als vuile vodden terzijde te werpen. Te eniger tijd zal het bijzonder volk te gaan hebben in de paden van verzoeking en beproeving; maar ook geleid worden tot de liefelijke vereniging met de Heere van leven en heerlijkheid, om, gelijk Nafthali, „verzadigd te zijn van de goedgunstigheid, en vol van de zegen des Heeren.”
Dit is de Godsdienst, die ik begeer te prediken, waarin ik wens te leven, en waarbij ik begeer te sterven. Want daar is geen andere, die een levende ziel verzadigen kan. Hij, die geen aandeel heeft in de eeuwige verkiezing van God de Vader, in het verzoenend bloed en de rechtvaardigmakende gerechtigheid van God de Zoon, in het werk en de getuigenis van God de Heilige Geest, hoe ook zijn naam, gezindheid, bediening of belijdenis zij, hoe zijn uitwendig gedrag ook moge wezen, wat ook de leer zij, die hij belijdt, of de belijdenis, waarvan hij een lid is, hij zal sterven, gelijk Ezau, Biléam, Saul, Judas of Achitófel stierf. Nooit zal hij de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen, nooit zien het vergelegen land, noch het nieuwe Jeruzalem of het bloed der besprenging, „dat betere dingen spreekt dan Abel.”
Maar elke levendgemaakte ziel, die haar verloren staat gevoeligheid heeft leren kennen; die iets van een legering in Christus kent; die de rug naar de wereld en de uitwendige belijdenis gekend heeft, en wenende naar Sion gegaan is; in wier hart God de Heilige Geest deze plechtige begeerte ingeplant heeft, en – veroorloof mij deze uitdrukking – het kostelijk besluit, onder de Goddelijke onderwijzing genomen heeft, (niet een besluit van de vrije wil, maar het inwendig besluit der genade, daartoe bekrachtigd door de Geest van God „om zich te verenigen met de Heere in een gestadig verbond, dat niet zal worden vergeten”, opdat zij in Jezus mochten leven en sterven; uit Hem en tot Hem zou leven, opdat hij Zijn kracht moge gevoelen, Zijn liefde smaken, Zijn bloed kennen en in Zijn genade zich verheugen); ieder der zodanige zal, gelijk Israël in de oude tijd, veilig door deze woeste, huilende wildernis gebracht worden. Zal gedragen worden door deze vallei van tranen, en opgenomen worden om eeuwige zaligheid en heerlijkheid te genieten in de tegenwoordigheid van Hem, Dien hij zien zal gelijk Hij is. Een zaligheid, weggelegd voor al de verlosten. Zulke arme, geoefende en verzochte zielen zullen gebracht worden tot een persoonlijke genieting van Christus, zowel hier beneden als daar boven, dat is: de voorsmaak des Hemels hier te smaken, en hiernamaals zich te baden in de oceaan van eindeloze zaligheid.
AMEN.
“My people have been lost sheep — their shepherds have caused them to go astray, they have turned them away on the mountains — they have gone from mountain to hill, they have forgotten their resting place.” — Jeremiah 50:6
God the Father in His eternal appointments, God the Son in His mediatorial work, and God the Holy Spirit in His inward teachings, have drawn an eternal line of distinction between the whitewashed professor and the living soul. However the ‘hypocrites in Zion’ may be mixed up in churches with the people of God; however they may profess to believe in the same doctrines, yet there is a boundary — never to be crossed — established between them by the hand of the triune Jehovah, a boundary line which not all the art or wisdom of men can ever break down. The child of God has that filial fear in his heart which the professor knows nothing of; he has that uprightness before God, that integrity, that simplicity and godly sincerity, that desire to be right, that fear to be wrong, that panting of heart feelingly and experimentally to know “the only true God and Jesus Christ whom He has sent,” John 17:3 that longing to live day by day under the blessed Spirit’s teachings, that humility of soul and brokenness of heart, that tenderness of conscience, and those other fruits of the Spirit, which may indeed be counterfeited and imitated, but which never really exist except in those hearts which God has touched with His finger.
It therefore behooves all those whom God has been pleased to plant upon the walls of Zion as watchmen, in order to call the hours of light and darkness, and to proclaim when “the morning comes, and also the night” Isaiah 21:11-12 to cry aloud and spare not between the honest man and the thief. The faithful shepherds are called upon “to judge between cattle and cattle, between the rams and the he-goats” Eze 34:17 Nor has there ever been a period when the prophets of the Lord were more urgently required to take forth the precious from the vile and be thus manifested as God’s mouth Jer 15:19.
In the two verses that precede the text, and in the text itself taken in connection with them, we have a description by the Holy Spirit, speaking through His servant Jeremiah, of the way in which the Lord leads His people. We find described by the unerring pen of divine inspiration, the place where He finds them, the cause which has driven them there, the way in which they are delivered, and the spot to which they are eventually brought. And, therefore, in speaking from these words I shall not confine myself to the words of the text, but shall, the Lord helping me, take them in connection with the two verses which immediately precede it. And may the blessed Spirit condescend to favor us with His unction and dew, without which all that I speak, and all that you hear, will be like “water spilled upon the ground.”
As there is nothing like a good beginning, I shall endeavor to make my ground good at first by stating as plainly and as decisively as I can who the persons are of whom these things are spoken. They are called in the text by the mouth of God Himself, “My people,” and they are that peculiar people whom God the Father chose in Christ before all worlds, that chosen generation whom God the Son, taking their nature into union with Himself, redeemed by His own most precious blood, and that holy nation whom God the Holy Spirit condescends to teach, and lead and guide, and bring home safe to glory. This elect portion of the human race, God calls in the text, “My people,” as though He would say of them, “They are Mine by choice, Mine by purchase, Mine by adoption; eternally Mine, irreversibly Mine; Mine in spite of sin, death, and hell; Mine in spite of the flesh, the world, and the devil.”
I. But our first view of this peculiar people shall be in the place where God finds them. “My people,” He says, “have been lost sheep.” They do not become sheep by being found, nor do they cease to be sheep by being lost. They were sheep eternally in the mind of God; and their becoming lost did not alter nor destroy their character of being sheep any more than the wandering of a sheep literally and naturally from the fold turns it into a goat. It may be lame, sick, or diseased; it may stray away miles from the fold; its fleece may be torn with briars or soiled with mud, and its whole appearance so altered that the shepherd can scarcely recognize it; but it is a sheep still, and ever will be a sheep while it continues to exist. And thus the elect being sheep eternally in the mind of God, and as such possessing an eternal union with the Son of God, could not cease to be sheep by falling in Adam, nor do their personal, individual falls, slips, and transgressions destroy their original, unalterable character.
But viewed as to the place where the Lord the Spirit finds them, they are “lost sheep,” ruined, undone, without hope, without help, without strength, without wisdom, without righteousness; lost, so as to have no power to find the way to glory; lost, as to any expectations of finding that in the creature which God can look upon with acceptance; lost, as to any hope of ever reaching the heavenly shore, except under the immediate guidance of the Holy Spirit; lost, as to any possibility of doing the least thing towards propitiating the favor of God, or gaining an interest in His love.
When God the Holy Spirit takes a soul in hand, just as the fingers of a man’s hand wrote a sentence of condemnation upon the wall of the palace of the king of Babylon, so does the blessed Spirit write the word “Lost” upon the conscience of every vessel of mercy; and when He has written this word with power on their consciences, they carry it about with them branded as it were in letters of fire, in such a manner that the impression is never to be erased, until it is blotted out by the atoning blood of the Mediator.
And thus in the teachings of the Holy Spirit in the consciences of God’s family, “lost, lost, lost,” is written on their heart; “lost, lost, lost,” is the cry of their lips; “lost, lost, lost,” is the deep feeling of their soul. And none was ever found who had not the feeling “lost”, written more or less deeply upon his heart. None was ever gathered in the arms of the heavenly Shepherd; sought out upon the mountains and the hills, laid upon His shoulders, and brought home with rejoicing; none was ever brought into a spiritual acquaintance with Jesus, so as to enjoy communion with Him, who had not sighed, and groaned, and cried under a sense of his lost state, as a guilty sinner before God.
Now when the soul has been taught by the Holy Spirit to feel as well as to see and know itself to be without strength to deliver itself from the wrath to come, and is in consequence sunk down into despondency and dismay, then is the time when the Holy Spirit usually gives it some discovery of the mercy of God in the face of Jesus Christ. We find this sweetly set forth in that remarkable chapter, Eze 16. The vessel of mercy is there delineated under the figure of a new-born babe, abandoned by its mother, and “cast out in the open field, to the loathing of its person in the day that it was born”. Eze 16:5 As unpitied, as abandoned, as polluted, as helpless, as perishing, as wretched as an outcast is the quickened soul. But it is not left to perish. “When I passed by you,” says the loving Redeemer, “and looked upon you, behold, your time was the time of love; and I spread my skirt over you” (the time of espousal), Ru 3:9 “and covered your nakedness; yes, I swore unto you, and entered into a covenant with you, says the Lord God, and you became mine”. Eze 16:8
There seems to be some hint of this in the last words of the text, “They have forgotten their resting place,” implying that these “lost sheep” had to a certain extent been found, and had had some rest given to them in Christ; that the Lord the Spirit had brought them, some by a deeper, others by a more shallow way, some more and some less strikingly, to find Jesus to be their rest, so that their lost, distressed, and troubled souls had found a measure of rest in Christ, rest in His blood, rest in His righteousness, rest in “the everlasting covenant, ordered in all things and sure” 2Sa 23:5
But the Lord speaks of His people in the text as having forgotten “their resting place.” Now if they never knew what a resting place was, they could not be said to have forgotten it. And this, if I am not much mistaken, affords us a clue to the meaning of the text in speaking of God’s people as being lost on the mountains through the instrumentality of false shepherds. It is clear that their being lost in the first instance could not arise from treacherous guides, as they were lost in their first parent, lost in the womb where they were conceived in sin, and lost from the womb, whence they went astray speaking lies. It is rather the straying away of a sheep which had once been gathered, than of one that had been born upon the mountains, and had never known the voice of the good Shepherd; the wandering of the backslider, rather than of the dead in sin. And thus it corresponds to the parable of the lost sheep Luke 15:4-6 which describes the case of a backslider; and it falls in with David’s penitent cry Psalm 119:176 “I have gone astray like a lost sheep; seek Your servant.”
II. The Lord then in the text states the cause, the instrumental CAUSE, of the backslidings and wanderings of His people. He charges it home upon their FALSE SHEPHERDS, their deceiving and deceived guides, who through ignorance or maliciousness lead them astray. “My people,” says He, “have been lost sheep; their shepherds have caused them to go astray, they have turned them away on the mountains; they have gone from mountain to hill, they have forgotten their resting place.”
O! what thunderbolts of divine vengeance are threatened in God’s Word against false ministers — enough to make any man with a tender conscience who stands up in the name of the Lord tremble from head to foot! What dreadful denunciations of the wrath of God against the idol shepherds Zec 11:17 the slothful, self-seeking pastors, who never strengthen the diseased, nor heal the sick, nor bind up the broken, nor bring again the driven away, nor seek the lost, but rule them with force and cruelty, feeding themselves, and not the flock! Eze 34:4,8
But if the Lord’s people are led astray by these shepherds after they have obtained some knowledge of Christ, we may be very sure that their treacherous guides came in the grab of truth. The doctrines of grace were on their lips, but deceit and hypocrisy in their heart; and thus, under the mask of truth, they insinuated themselves into the affections, biased the judgment, and beguiled the heart of God’s people. Did they come with open errors, did they at once propound their deceptive sentiments, did they at the outset manifest their ungodly lives, the sheep would take alarm and not listen to their alluring voice. But they come into the fold as real shepherds, the divinely commissioned pastors of the flock, though they enter it only to break down the hurdles, and scatter and lead astray the sheep. We will, the Lord enabling us, unmask and hold up to view some of these false shepherds who come in the name of Christ, but are neither taught nor sent by Him.
1. Some of these false shepherds lead them aside by building them up in doctrines, without the sweet power and living efficacy of truth being felt in the soul; and thus the children of God get drawn aside from sighs, and cries, and groanings after the Lord, to rest upon doctrines as doctrines, without the sweet unction and blessed power and divine savor of those doctrines being communicated and breathed into their heart by the mouth of God Himself.
Now whatever it is that leads the soul away from its “resting place,” whatever draws it aside from an experimental knowledge of the Son of God, whatever seduces it from the Spirit into the form, and from the power into the letter, injures, seriously injures, a living soul. However Scriptural, however true these doctrines are, however ably stated, clearly proved, or eloquently enforced, yet, when used by ministers of unrighteousness, as they frequently are used, to build the soul up in presumptuous confidence, and oppose the Spirit’s work upon the conscience, they draw the sheep away from the power and spirit and savor of divine realities as made experimentally known, into the dead letter and dry form. Doctrines in the letter are but the skeleton and wire-fastened bones of truth, without the sinews and flesh coming up upon them, and the skin covering them above, or the breath of the Holy Spirit breathing upon those who they may live Eze 37:8-9
I appeal to the consciences of some here present, if you have not been thus led astray.
When the Lord first began His work in your soul (I can speak for myself), was there not a simplicity, an uprightness, and mingled with convictions of sin and helplessness, a panting to know Jesus by His own manifestations? And when brought to some measure of faith and hope in Him, was there not a sincere, childlike reliance and rest upon His blood and righteousness? But have not some of you been led away from this simplicity and godly sincerity, this implicit and panting reliance upon the Spirit’s inward teachings, into a dry, cold, hard profession of truth, much further advanced indeed in the knowledge of the letter, but the freshness, the savor, the vitality, and the power of truth sensibly declined, and as it were dried up out of your soul? And what has been the instrumental cause of this substitution of the ‘wisdom of men’ for the ‘power of God’? Trace it to its source, and it will generally be found that the false shepherds were the cause, who came into the fold, pulled down the hurdles of godly fear, and drove or drew the flock away upon the barren mountains, leading them from mountain to hill of doctrines and speculations, hairbreadth distinctions and strifes of words, until amid disputes and controversies the sheep forgot their resting place.
2. Again; others of these false shepherds, who come in the garb of truth bring with them a base antinomian spirit, which they may conceal at first, but which, after a time, they breathe forth, and infuse into the minds of their hearers. It is not so much a man’s words as his spirit that we are to watch and narrowly observe.
Whenever a minister is over a people, and is preaching to them continually, he will breathe his spirit into them, will infuse into their minds what his own mind is full of. A minister, then, shall come among a people professing vital godliness, with truth on his lips, with the doctrines of grace and some show of experience, and yet there shall be a spirit of levity and carelessness about him, a spirit of slighting the preceptive parts of God’s Word, of neglecting the ordinances of His house, of making light of the workings of godly fear and tender conscience, and without absolutely denying the experience of the saints, for that were too barefaced and might damage his own interest, he shall throw out contemptuous remarks against the sighs and cries of a troubled heart, the tears, groans, and supplications of the living soul. He shall set aside these things as legality and bondage, and clamor loudly for what he calls the liberty of the gospel and the unwavering assurance of faith. When he has brought them off from “looking into self, and poring over frames and feelings,” in other words from a heart-felt, divinely-taught and wrought religion, he will infuse into their minds the reckless, hardened presumption, that licentious, antinomian spirit, which Satan has breathed into him — a spirit as different from holy trembling, godly awe, and reverential fear, as heaven from hell, or Christ from Belial.
The sheep who had found some resting place in Christ, who had felt the savor of His name as ointment poured forth, gradually drinking into this loose spirit, and finding how suitable it is to their vile lusts and passions, often get so intoxicated with this wine of Sodom and these grapes of Gomorrah, that they “forget their resting place;” and being “turned away on the mountains,” wander “from mountain to hill” of presumptuous confidence, and perhaps fall down some of the steep crags, until the good Shepherd seek them out where they have been scattered in the cloudy and dark day.
3. Others of these false shepherds, coming under a profession of truth, introduce Sabellian, Arian, and other abominable errors, and yet wrap them up so covertly that they deceive the unwary.
4. But there is another class of false shepherds of a totally different stamp, who are great zealots for the precepts of God’s Word, and the ordinances of His house, but whose object is secretly to infuse a spirit of self-righteousness — to lead the people up to what they call holiness, as though holiness were something to be attained by diligent cultivation; and thus they draw them aside from lying as poor miserable sinners at the foot of the cross, and bring them to lean upon something in self, where by dishonor is done to the Holy Spirit, as teacher of the church of God, and to the Lord Jesus Christ, who is our sanctification as well as our righteousness. Whatever leads a man away from lying at the foot of the cross, from godly fear, reverential awe, and a trembling sense of God’s presence, whatever draws him aside from communion with Jesus, from contrition and self-renunciation, does not come from God. Whatever Scriptural language it be dressed out in, whatever piety and holiness are worn in the features, manner and garb of the preacher, whatever zeal, devotion, and fervor he seems to carry with him, yes, though he comes as an angel of light, he and his message are to be rejected if he teach anything that leads the soul away from the cross of the Lord Jesus.
“If anything, easy or hard He teaches, except the Lamb and His blood.” But in early days, before the soul is led deeply into the mystery of sin and the mystery of salvation, nothing more readily falls in with the ingrained self-righteousness of our hearts than earnest persuasions to holiness from the lips of a preacher who seem embalmed in all the odor of it, and in our undiscerning eyes clad from head to foot in well-near sinless perfection.
But however these idol shepherds differ from one another, in one point they all agree; one charge is made against them all. “They have caused the sheep to go astray, they have turned them away on the mountains.” They have turned them away from the cross of Christ, away from simplicity and godly sincerity, away from tenderness of conscience, away from the distressed and troubled paths of the children of God, away from beggary, bankruptcy, and destitution, away from looking unto the Lord of life and glory as the only hope, strength, and righteousness of their needy and naked souls.
Nor is this all, “They have turned them away upon the mountains,” have driven or drawn them upon the barren mountains — the mountains of Gilboa, where there is neither dew nor rain, neither food nor shelter, where in the day the drought consumes them, and the frost by night. They do not lead them into the valley of humility, amid the green pastures, and beside the still waters, which are only to be found in that valley; but turn them away on the mountains of pride and self-exaltation, presumption, and barren speculation. And what is the consequence? “They have gone from mountain to hill” — from one barren height to another, wandering they knew not where, dissatisfied with every spot to which they came, but still unable to come down into the valley, trying mountain after hill, notion after notion, text after text, doctrine after doctrine, but finding rest and peace in none.
The living sheep who are seeking after food and pasture, however they may be led astray for a time from the simplicity that is in Christ, never really feed upon anything but that which the Holy Spirit Himself communicates. Though the child of God may be continually entangled in doctrines and speculations, yet he never really rests in anything short of sweet communion with Jesus; is never satisfied short of the divine manifestations of mercy to his soul, the lifting up of the light of the Lord’s countenance, the sweet whisperings and droppings in of His eternal love and discriminating favor. But it does continually happen, and I believe it has happened to some in these towns, that, seduced by false teachers, the living family go astray, wander from mountain to hill, trying first one thing and then another, seeking rest and finding none; restless, perplexed, baffled, confused, unable to feed upon what is set before them, and yet unable to get to the pastures, where they may lie down and feed.
III. But we come to the WAY in which the Lord delivers these sheep that have been thus led astray — the manner in which He fulfils the promise contained in Eze 34:10-12 “This is what the Sovereign Lord says: I am against the shepherds and will hold them accountable for my flock. I will remove them from tending the flock so that the shepherds can no longer feed themselves. I will rescue my flock from their mouths, and it will no longer be food for them. “ ‘For this is what the Sovereign Lord says: I myself will search for my sheep and look after them. As a shepherd looks after his scattered flock when he is with them, so will I look after my sheep. I will rescue them from all the places where they were scattered on a day of clouds and darkness.”
“Then the people of Israel and Judah will join together,” says the Lord, “weeping and seeking the Lord their God. They will ask the way to Zion and will start back home again. They will bind themselves to the Lord with an eternal covenant that will never again be broken.” Jeremiah 50:4-5
The Lord had a wise and gracious purpose in thus allowing them to wander. He had an end to accomplish thereby. He wanted to teach them the emptiness of all mere profession, the nothingness of the creature, and the depravity of their fallen nature. By thus allowing them to wander, baffled, troubled, and perplexed, He brought to pass His own secret purpose, which was to sicken them thereby of men, to wean them from the creature, to break down the pride of their hearts, to show them the emptiness of all their own wisdom and strength, and to turn away their eyes from beholding vanity.
He brings, then, powerful convictions into their consciences, and lays judgment to the line in their hearts. And this He does by some affliction or cutting stroke in their bodies or their families, by bringing them under a heart-searching ministry, by shooting a secret arrow into their consciences out of His own Word of truth, or by recalling to their mind their feelings in times past, and how they have declined from them. This produces in them the feeling described in Ho 2:7 “I will go and return to my first husband; for then was it better with me than now.” There is a movement in the soul, a going forth of heart, a returning of the backsliding child. “In those days, and at that time, says the Lord, the children of Israel shall come, they and the children of Judah together, going and weeping; they shall go and seek the Lord their God.” “They shall come weeping, and with supplications will I lead them” Jer 31:9 “I will arise,” said the repenting prodigal, “and go to my father” Luke 15:18
While they were bewitched by their false teachers, and wrapped up in dry doctrines, there was no going and weeping. Sighs and groans were counted the very dregs of legality, fit indeed for beginners, but not for such established believers. While the heart was hardened through the deceitfulness of sin, there was no going and weeping. While leaning to self-righteousness and the work of the creature, there was no going and weeping. All religion that springs from the flesh and stands in the wisdom of man leaves the heart unimpressed. No contrition, no tenderness, no humility, no brokenness of heart, no tears of godly sorrow, no honest confession, no daily sigh, no midnight groan, no restless tossing of the bed, nor secret supplications at the footstool of mercy, are to be found in the heart that is drawn aside into flesh-pleasing delusions.
But when the Lord “rises up that He may do His work, His strange work, and bring to pass His act, His strange act” — when “He sets His hand again the second time to recover the remnant of His people, and to gather together the dispersed of Judah from the four corners of the earth” — when as a shepherd He seeks His sheep on the hills and the mountains, He smites their conscience, and causes grief and distress to be felt, in order to bring them to turn their faces toward Zion, “O,” says the poor soul, smarting under these convictions, “how I have been deceived and deluded! how I have been resting upon mere doctrines without feeling their power! how I have neglected secret prayer! — how I had almost got above reading God’s Word! how slighting the work of grace in the soul! believing myself to be walking in liberty, when I was in the very worst of bondage! O I am ready to weep tears of blood, that I was so led astray by the false shepherds under whom I sat.”
Convinced of his error, he turns his back upon the false ministers who have beguiled him, and turns his face to Zion. As we read, “They shall ask the way to Zion, with their faces there.” The apostle tells us what it is to come to Zion Heb 12:22-24 “But we have come unto Mount Zion, and unto the city of the living God, the heavenly Jerusalem, and to an innumerable company of angels, to the general assembly and church of the firstborn, which are written in heaven, and to God the Judge of all, and to the spirits of just men made perfect, and to Jesus the Mediator of the new covenant, and to the blood of sprinkling that speaks better things than that of Abel.” “Out of Zion, the perfection of beauty, God has shined” Psalm 50:2 for “there the Lord commanded the blessing, even life for evermore.” (Psalm 133:3) Zion is the seat of all gospel blessings. In it is laid “the precious corner-stone” Isaiah 28:16 in it “is placed salvation for Israel” Isaiah 46:13 the Lamb of God stands upon it Re 14:1 mercy, and glory come out of it. In turning the face, then, Zionward, is implied the seeking of gospel blessings. They are therefore said “to seek the Lord their God,” who is only to be found in Zion, His dwelling-place Psalm 76:2 and where praise waits for Him Psalm 65:1
But they ask the way to Zion with their faces there in no light and trifling spirit, and in no positive certainty that they shall ever arrive there. They have to ask the way, step by step, often doubting and fearing whether they be in the way. Having been so often deceived and deluded, they dare no more trust their own hearts, but have to beg of the Lord to show them every inch of the road. They can no longer blindly follow every presumptuous guide, but have to cry to the Lord Himself to teach, and lead, and quicken them in the way. And as they go, they weep. They mourn over their base backslidings, over the many evils they have committed, over the levity of mind which they have indulged, over the worldliness of spirit, the pride, presumption, hypocrisy, carnality, carelessness, and obstinacy of their heart. They go and weep with a broken heart and softened spirit, not resting in their tears as evidences, but seeking the Lord their God; seeking the secret manifestations of His mercy, the visitations of His favor, the “lifting up of the light of His countenance;” seeking after a revelation of the love of Jesus; to know Him by a spiritual discovery of Himself. Being thus minded, they seek not to establish their own righteousness, they seek not the applause of the world, they seek not the good opinion of professors, they seek not the smiles of saints, they seek not to make themselves Christians by their own exertions. But “they seek the Lord their God” — seek His face day and night, seek His favor, seek His mercy, seek His grace, seek His love, seek His glory, seek the sweet visitations of His presence and power, seek Him, wrestling with Him until they find Him to be their covenant God, who heals all their backslidings.
And as they seek Him they say, “Come let us join ourselves to the Lord in a perpetual covenant that shall not be forgotten.” The desire of one thus taught and led, thus deeply convinced of the emptiness and worthlessness of all religion that does not center in the experimental knowledge of the Son of God, is to feel a manifested union with Christ; to find his very soul melted into communion with Jesus; and therefore he presses forward to join himself to the Lord, so as to drink into all the meaning of those wonderful words, “He that is joined unto the Lord is one spirit” 1Co 6:17 He says to himself, “Dry doctrines floating in the brain can do me no good; the praise of man cannot ease a guilty conscience.” “Nothing,” he says, “can give me solid peace, but a manifested union with Christ, to feel myself one with Him, to know the power of His love, the efficacy of His blood, and the manifestation of His glorious righteousness.”
“Come, let us join ourselves to the Lord.” Does this imply any power in the creature to join himself to the Lord? No; but it implies this — that, when the Lord unites us to Himself, then we unite ourselves to Him; when the Lord brings the believer into a manifested union with Himself, then there is a leaping forth of the soul, a going forth of the affections, a cleaving to Him with purpose of heart, a believing in Him with all the powers of the mind, and a solemn renunciation, a casting aside, a trampling under foot, a rejection of everything but that which stands in the power of God, as made known to the soul by the Holy Spirit.
It is not spoken in a presumptuous way; “Come, let us join ourselves to the Lord.” It does not indicate any bold presumptuous claim upon the Lord, as if being now on the road to Zion, and being possessed of certain evidences, they could claim the inheritance, and, as it were, rush in, and lay hold of gospel blessings; but it points out the actings of living faith in the soul, which goes forth, when raised up and drawn out by the blessed Spirit. The vain confidence and rash forwardness of those who are at ease in Zion, is a very different thing from the meek faith of those who are going and weeping, asking the way to Zion, with their faces there, whose hearts are melted by the Spirit into contrition, and desire to feel and taste the sweet manifestation of the love of a dying Lord. These, without presumption or bold familiarity, can say, “Come, let us join ourselves to the Lord,” as feeling in their souls the actings of that living faith whereby they cleave to and lean upon Him, as the only prop between them and hell.
There was no presumptuous claim nor bold familiarity in the woman who stretched forth her hand to touch the hem of Jesus’ garment, and yet she joined herself to the Lord by taking hold of His clothing. The touch of living faith is one thing; the intrusion of daring familiarity is another. A child may climb its parent’s knees; a servant must keep his due distance.
“Come,” say they, with filial confidence, “let us join ourselves to the Lord in a perpetual covenant;” as wanting to feel the power of that eternal covenant made manifest in their souls; desiring to see their names manifestly written in the book of life; desiring to look upon Him whom they have pierced, and see their sin atoned for by the shedding of His precious blood; desiring to feel in the depths of their broken heart their interest in the everlasting covenant “ordered in all things and sure.” And thus, though nothing in themselves but beggary, bankruptcy, destitution and nakedness; nothing by nature but a filthy mass of all that is loathsome and detestable in the sight of God, yet longing to find and feel themselves wrapped up in the bundle of life with the Lord of life and glory, to have their conscience sprinkled with those balmy drops of atoning blood which the Holy Spirit applies to purge it from dead works, and to rejoice in the Lord as all their salvation and all their desire.
Now, I would by no means wish to lay down the path I have feebly and imperfectly chalked out, as one in which all the redeemed walk without any variation. The outlines may be the same in all, but the filling up may be different in each. Many, for instance, have not been led astray by false shepherds, but have sat under sound ministers from the beginning of the work upon their souls. But if not deluded by false shepherds, have they escaped the deceits and delusions of their own hearts? or if kept from evil and error outwardly, have they been preserved inwardly? Here all are upon a level; nor can one boast over another. Bearing this then in mind, have you not, each in your measure, trod in these paths?
When the Lord began His work of grace in your soul, was not the word “lost” written upon your conscience? Did you not carry that burden with you wherever you went? Whenever you awoke in the dead of the night, did not the word lost stare you in the face? However you might seek to drown your convictions, did not the word ‘lost’ ring in your ears? Whenever you went to chapel, did not the word ‘lost’ seem written before your eyes?
And did not the Lord in His own time and way lead you up to some persuasion of your saving interest in the blood and love of the Lamb, and cause, in some measure, the hopes and affections of your renewed spirit to flow forth unto Him? Then you found a resting-place, and never wished for any other rest but that which “remains for the people of God,” even an entrance by faith into the finished work of Immanuel. But did you always rest there? Whether led astray by false guides, or drawn aside by your own base heart, let honest conscience, speaking like a faithful monitor in your bosom, testify whether there was not some secret departure from the Lord.
What an dreadful error it is to deny backsliding! What ignorance it manifests of a man’s own heart! How it stamps a man as a perverter of truth, and one that trifles with sin and the displeasure of the Most High! Who that knows himself and the idolatry of his fallen nature dares deny that he backslides perpetually in heart, lip, or life? Can any of us here deny that we have backslidden from our first love? — backslidden from simplicity and godly sincerity — backslidden from reverence and godly fear — backslidden from spirituality and heavenly-mindedness — backslidden from the breathings of affection and pouring forth of the heart into the bosom of the Lord? And if we have not been allowed to backslide into open sin, if the Lord has kept us, and not allowed us to be cast down into the mire, yet have we not committed the twofold evil which the Lord charges upon His people; “They have forsaken Me, the fountain of living waters, and hewed them out cisterns, broken cisterns, that can hold no water?” Jer 2:13
And what do we reap from backsliding? — do we reap pleasure, comfort, or peace? — do we reap smiles of God, or the solemn testimony of the Spirit in the conscience? No! If conscience speaks in your bosom, what does it say? That every departure from the Lord has brought grief and trouble, that so far from justifying yourself in your sin, you have been ready almost to weep tears of blood, that you have so wickedly departed from the Lord. It has been our mercy that the Lord has not given us up to hardness of heart and searedness of conscience, that we have not been allowed to say with Israel of old, “I am innocent, I have not sinned” Jer 2:35 but that He has “led us with weeping and with supplications.”
Have not some of us within these walls (I am sure I have for one) been obliged “to go and weep,” and tell the Lord a piteous tale of backsliding; how we have departed from His fear, and sinned basely against Him; how unwilling we have been to take His yoke upon us, and walk in His precepts? Have we not been forced to tell Him that we have been disobedient and stubborn, filthy and vile, and has He not, in some measure, led us “to turn our faces Zionward” — to turn our back upon all false ministers, upon all idol shepherds, upon all the strength, and wisdom, and righteousness, and will of the creature, and given to us some simplicity, uprightness, and integrity of heart and conscience, whereby we have turned our face Zionward, looking for a blessing to come out of Zion, looking for grace, looking for glory? “I will make you sick in smiting you,” say the Lord Mic 6:13 alluding to the feeling of sickness produced by a wound (“I am made sick),” 1Ki 22:34 (margin).
And have not these wounds in our conscience made us, in our measure, sick of the world, sick of the professing church, sick of hypocrites, sick of our backslidings, sick of all but the Word of God revealed with power, sick of all but the blood and love of the Redeemer, of all teachings but the teachings of the Holy Spirit, of all company but the company of the children of God? Can you say thus much? that you have turned back upon everything but Christ, and Him crucified? that you have turned away from all doctrines but those which center in the blood of the Lamb? that you have turned away from ‘universal charity’ and ‘general philanthropy’, as substituted for the power of vital godliness (though you desire to love and serve your fellow men as men), and that your spiritual affections are toward God and His people? and has there been in your soul any such feeling as Ruth had when she said, “Your people shall be my people, and your God my God?” Any sweet response in your bosom to the voice of the Lord, “My son, give Me your heart?” “Take it, Lord, with all that I have and am!” Any casting yourself at the foot of the cross, and there entreating the Lord of life and glory to speak peace to our souls?
Now this, I believe, is the way in which the Lord more or less leads the souls of His children. There is indeed no dictating to Him how He shall lead us into the knowledge of Himself, whether by a longer, or whether by a shorter path than others of His children, whether by terrible things in righteousness, or by a less distressing mode; but He will surely bring all His people sooner or later to be nothing and to have nothing — to cast aside their own righteousness as filthy rags; sooner or later to obey that precept — “Come out from among them, and be separate, and touch not the unclean thing.” Sooner or later the peculiar people will have to walk in the paths of temptation and sorrow; and sooner or later will be led into sweet communion with the Lord of life and glory, to be “satisfied,” like Naphtali, “with favor, and full with the blessing of the Lord.”
This religion is what I desire to preach; to live in, and to die by. For there is no other that can satisfy a quickened soul.
He that is not savingly interested in the eternal election of God the Father, in the atoning blood and justifying righteousness of God the Son, in the work and witness of God the Holy Spirit, whatever be his name, sect, denomination or profession; whatever be his outward conduct, the doctrines he professes, or the creed to which he signs his name, he will die as Esau died, as Balaam died, as Saul died, as Judas and Ahithophel died. He will never see the King in His beauty, never see the land afar off, never see the new Jerusalem, nor the blood of sprinkling, “that speaks better things than the blood of Abel.” But every living soul that has been feelingly taught his lost condition — that has known something of a resting-place in Christ — that has turned his back upon the world and the professing church, and gone weeping Zionward — in whose heart God the Holy Spirit has implanted those solemn desires, and (if I may use the expression) those solemn determinations under divine teaching — not a determination of freewill, but the inward determination of grace strengthened to it by the Spirit of God, “to join himself to the Lord in a perpetual covenant never to be forgotten” — that he may live in Jesus and die in Jesus — live out of Jesus and unto Jesus, that he may feel His power, taste His love, know His blood, rejoice in His grace — every such soul shall, like Israel of old, be borne safely through this waste howling wilderness, shall be carried through this valley of tears, and taken to enjoy eternal bliss and glory in the presence of Him whom to see as He is constitutes the blessedness of the redeemed. Every such poor, exercised, tempted soul shall be brought into personal enjoyment of Christ below and of Christ above, so as to enjoy a foretaste of heaven here, and hereafter to bathe in the ocean of endless bliss.