The Sovereignty of God
De soevereiniteit van God is een grote en onpeilbare diepte. De heiligen en dienaren van de Allerhoogste moeten haar altijd met bevende schreden naderen en met gelovige en eerbiedige ogen bezien en doorzien. Zo klaagt de ziel: Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen (Psalm 119:120). En: mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord (Psalm 119:161). De Heere zegt: op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft (Jesaja 66:2).
Zo is de gesteldheid van de ziel in de levende bevinding, hoe weinig die in onze dagen ook bekend is en hoe minder zij wordt geacht. In die gesteldheid past het hen die het ontkomen zullen in Israel (Jesaja 4:2) om te kijken naar het soevereine welbehagen van Jehova. Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde.
Velen strijden met alle wanhopige vijandschap en opstandigheid van de vleselijke gezindheid tegen het blote denkbeeld dat alle mensen en alle dingen ter vrije beschikking staan van de grote God van hemel en aarde. Anderen worden niet zo hard vastgehouden in de ketenen van opstand en dwaling. Maar zij houden de leer van de goddelijke soevereiniteit vast in een vleselijke en aanmatigende geest, zo niet in ongerechtigheid. Dat toont duidelijk dat zij haar nooit gevoelsmatig en uit eigen bevinding in hun ziel hebben geleerd onder het onderwijs en de zalving van de Heilige Geest.
Het is misschien moeilijk te zeggen wat voor wie geestelijk gezind is het meest weerzinwekkend is: de stoutmoedige ontkenning van de opstandige Arminiaan of de lichtvaardige vrijmoedigheid van de dode calvinist. Dwaling is hatelijk. Maar waarheid in een verhard geweten is vreselijk. De grote en heerlijke waarheden die in het Woord van God zijn geopenbaard moeten niet als louter bespiegelende leerstellingen worden aangenomen in het natuurlijke oordeel en het redenerende verstand.
Zij moeten worden aangenomen in het tedere hart en het levende geweten, als de genadige ontvouwing van de gedachten en raad, de wil en wijsheid van Hem van Wie geldt: God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn (Psalm 89:8).
Van alle waarheden die in de Schrift zijn geopenbaard verdient zeker geen enkele met meer bevende ontzag en heilige eerbied te worden bezien dan de soevereiniteit van Jehova. Hij verkiest sommigen tot het eeuwige leven en bestemt anderen tot het eeuwige verderf. Wij geloven dit op het gezag van Hem Die niet kan liegen.
Maar als wij omhoog kijken in de hemel en de onuitsprekelijke zaligheid en heerlijkheid ervan zien, en omlaag kijken in de hel en haar eeuwig brandende vlammen aanschouwen, kunnen wij wel even stilstaan en zeggen: Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend (Psalm 77:20).
Er zijn mensen die zich in een vleselijke geest bijna verheugen over het verderf van de verworpenen. Er bestaat inderdaad een plechtige onderwerping aan de soevereine wil van de Rechter der gehele aarde en een gelovig berusten daarin. Wij weten immers dat Hij recht moet doen. Zo zweeg Aaron stil toen een vuur van de Heere uitging en zijn twee zonen Nadab en Abihu verteerde (Leviticus 10:2-3). Ja, meer nog: er is een heilige vreugde in de overwinning van het Lam over Zijn vijanden.
Die klinkt in de woorden: Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld (Openbaring 18:20). En ook in deze woorden: Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht (Richteren 5:31).
Maar dit is heel iets anders dan een vleselijke juichtoon over de verlorenen. Die toont een gemoedstoestand die op zijn zachtst gezegd precies het tegenovergestelde is van Paulus’ grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart voor zijn ongelovige broeders (Romeinen 9:2). Zij ademt een taal die heel anders is dan het gebed van Mozes: Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt (Exodus 32:32).
Wie kan zonder droefheid en smart van hart denken aan een dierbare vader of moeder, een kind of een echtgenoot die is heengegaan zonder enig bewijs van een genadewerk in de ziel? Wanneer u midden in de nacht wakker wordt en aan de overledene denkt, waar is dan uw juichen over die vaste besluiten die zijn eeuwige staat hebben bepaald? Onderwerping aan de wil van God kan en moet er zijn. Maar wie geen zucht of traan heeft voor zijn eigen familie bij de gedachte aan hun eeuwige ondergang, moet wel een heiden zijn: zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen (Romeinen 1:31).
Wanneer wij de soevereiniteit van God van haar lichtende kant bezien, kunnen wij ons erin verheugen. Wij kunnen haar de barmhartige en genadige kant noemen. Dan plukt zij ontelbare brandhouten uit het vuur. En vooral wanneer het besluit van de uitverkiezing zijn lachende gezicht naar ons toekeert, bewonderen en aanbidden wij de uitverkiezende liefde van God die onze zielen uit de bodemloze put heeft gered. En niet alleen wij die uit de doden levend zijn gemaakt, maar elke wedergeboren ziel is een levende getuige van de soevereiniteit van de genade.
Er is geen enkel openbaar geworden vat van barmhartigheid, er is er nooit een geweest en er zal er nooit een zijn dat geen gedenkteken is van de soevereine, uitverkiezende, verlossende, wedergevende en bewarende liefde van de drie-enige Jehova. Elke heilige van God voelt dit wanneer de barmhartigheid zijn hart bezoekt en hij door de Heilige Geest wordt verzegeld tot de dag van de verlossing.
Waarom ik? Waarom ik? moet altijd de verwonderde, bewonderende en aanbiddende kreet zijn van elk kind van God. Dat geldt wanneer hij wordt gezegend met een gevoelig en toeëigenend besef van zijn persoonlijk heilzaam aandeel in het dierbare bloed en de liefde van het Lam!
Toch zijn er voorbeelden die met bijzonderlijke glans lijken te schitteren. Zij steken boven de gewone handelwijze van God uit als uitstekende voorbeelden van de soevereiniteit van Zijn eeuwige liefde. In een tuin kan elke bloem op haar manier mooi zijn en alle zijn geplant door de hand van dezelfde tuinman om zijn bedden te versieren.
Toch kunnen sommige het oog meer treffen door de schoonheid van hun vorm en de helderheid van hun kleur dan de andere bewoners van de tuin. Zo zijn er ook in de gemeente van God bomen van Zijn rechterhand die duidelijker dan andere de wonderen laten zien van Zijn soevereine, onderscheidende genade.
Saulus van Tarsen en de stervende moordenaar aan het kruis zijn ons altijd opgevallen als twee van de treffendste voorbeelden van soevereine genade in de Schrift. Paulus was een eigengerechtigde farizeeër, doordrenkt van alle geleerdheid en hoogmoed van het Sanhedrin en overvloeiend van de vervolgingsgeest van de moordenaars van Stefanus. De stervende moordenaar was beladen met de misdaden van een leven vol geweld en bloedvergieten. Toch werd hij op zijn laatste adem uit de muil van de hel gerukt!
Lezer en bewonderaar van de genade van God, kunt u de balans opmaken tussen deze twee gedenktekens van uitverkiezende liefde? Kunt u beslissen wie van hen het meest aan de soevereine genade te danken had?
Maar u zegt misschien: Ik ken een groter gedenkteken van soevereine genade dan beiden. Dat zij zo. Maar kunt u, na uzelf, beslissen wie het meest verschuldigd was aan de hoogten en diepten, lengten en breedten van het verzoenende bloed en de verlossende liefde: Paulus of de stervende moordenaar? Wij kunnen het zelf werkelijk niet zeggen.
Wij zien PAULUS voor en na zijn bekering. Wij verwonderen ons over en bewonderen de genade van God die van zo’n farizeeër, zo’n dweper, zo’n strikt en consequent wettisch mens en zo’n bloeddorstige vervolger een heilige maakte. Hij werd rijk in elke genade en als apostel begiftigd met elke vrucht en gave van de Heilige Geest.
Saulus was op weg naar Damascus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren. En Paulus had de woorden in zijn hart en op zijn lippen: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus (Handelingen 21:13). O, wat een genade om de leeuw zo te veranderen in het lam! De man die klaarstond om te martelen werd de man die klaarstond om gemarteld te worden.
Maar dan wenden wij ons tot de STERVENDE MOORDENAAR. Luister met verwonderde oren en een bewonderend hart naar zijn gelovige gebed. Dat richtte hij onder zulke omstandigheden en op zo’n ogenblik tot de Zoon van God in Zijn diepste vernedering. Op het laagste punt van schande en smaad hadden al Zijn discipelen Hem verlaten en waren zij gevlucht. Zijn heerlijkheid was verborgen onder de dichtste en donkerste sluier. Een verrezen Jezus verscheen aan Paulus in de volle gloed van hemelse heerlijkheid. Een gekruisigde Jezus hing voor de stervende moordenaar in nauwelijks minder schande en vernedering dan hijzelf en zijn mededader.
O, wat een geloof op zo’n ogenblik om Hem Heere te noemen en te geloven dat Hij een koninkrijk had! En wat een geloof om te verlangen deel te krijgen aan de tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid daarvan! Is dit gebed, gelovige lezer, niet ook het mijne en het uwe geweest? Hebben wij niet getracht de gezegende Verlosser zo voor onze ogen te stellen? En terwijl wij ons hele hart en onze hele ziel in dit bede legden, hebben wij dan niet gezucht: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn?
Het gebed van de stervende moordenaar schittert in onze ogen als een van de grootste daden van geloof die de Schrift vermeldt, zo niet de grootste. Alleen Abrahams offer van zijn zoon is er een evenknie van. Wij durven niet te zeggen dat het die overtreft. Maar laten wij niet denken dat er nu geen soortgelijke gedenktekens van soevereine genade op de aarde rondlopen.
Daar, in dat steegje, in die zolderkamer, ligt een stervende Maria Magdalena uit wie de Heere zeven duivelen heeft uitgedreven. Ginds, in die kolenmijn, is er een van wie eens gold: niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. En: niemand was machtig om hem te temmen. Maar nu zit hij aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand. Onder die heg loopt iemand die nu eens weent, dan weer bidt, dan zingt en dan weer in zijn kleine Bijbel kijkt. Het is een teruggekeerde verloren zoon, een lage afvallige die de Heere heeft vergeven maar die zichzelf nooit kan vergeven.
In een hoek van de kerkbank verbergt iemand zijn gezicht. Hij heeft zijn arme, gebroken vrouw vervolgd. Zij is nu in de heerlijkheid en de Heere heeft hem sinds haar dood door Zijn genade geroepen. Zijn tranen en zuchten tonen hoe diep hij zijn zonden tegen haar en tegen Hem berouwt. Terwijl de wereld doorgaat met kopen en verkopen, eten en drinken, trouwen en ten huwelijk geven, verwekt God hier en daar zulke gedenktekens van Zijn genade. Zij zullen voor eeuwig en altijd in Zijn tegenwoordigheid leven, wanneer de wereld en haar hele gedaante volkomen voorbij zijn gegaan.
Wat een zoete spijs voor het geloof is dit voor een geestelijk gemoed! Wat een veld van heilige overdenking wordt geopend in de soevereiniteit van de genade, zoals die blijkt uit de wonderen van verlossende liefde die zo nu en dan onder onze bijzondere kennis en waarneming komen! Tot welke lof en aanbidding geeft dit aanleiding. Welke openingen worden er gegeven in de diepten van de liefde van de Vader. Wat een zicht krijgen wij op de volheid en volkomenheid van het bloed en de gehoorzaamheid van de Verlosser. Wat een zicht op de zaligheid als een vrije, onherroepelijke gave.
Hoe onafhankelijk blijkt de genade van alle werken van gerechtigheid van schepselen. Hoe onderscheidend is zij en hoe overvloedig boven alle overvloed van zonde en schuld. Welke liefde en verbondenheid worden gevoeld voor de voorwerpen van deze opvallende barmhartigheid. Hoe wordt de ziel daardoor meer en meer bevestigd in de waarheid van God. En zij weet: Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods!
Durft iemand de soevereiniteit van God in Zijn uitverkiezende liefde en onderscheidende genade een losbandige leer te noemen? De onwetendheid heeft die leugen gesmeed en de vijandschap heeft haar in omloop gebracht. De soevereiniteit van de genade die in een gelovig hart wordt ontvangen heeft menigeen van de zonde weggeleid. Onder de zalving van de Heilige Geest heeft zij nooit iemand tot zonde geleid.
Menige arme, wanhopige ellendeling heeft zij gered. Zij heeft hem niet alleen verlost van de schuld van de zonde die zijn geweten benauwde. Zij heeft hem ook verlost van de macht van de zonde die zijn neigingen verstrikte en hem gevangen meevoerde.
Dezelfde Christus Jezus die voor Zijn volk is gemaakt tot rechtvaardigheid en verlossing, is hun ook gemaakt tot wijsheid en heiligmaking (1 Korinthe 1:30). En van hen die zijn afgewassen en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus geldt ook dat zij zijn geheiligd door de Geest van God: gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods (1 Korinthe 6:11).
The Sovereignty of God is a great, an unfathomable depth, and needs ever to be approached by the saints and servants of the Most High with trembling steps, and looked at and into with believing, reverent eyes. “My flesh trembles for fear of you, and I am afraid of your judgments.” “My heart stands in awe of your Word.” “To this man will I look, even to him that is poor, and of a contrite spirit, and trembles at my word.” Such is the frame of soul in vital experience, however in our day little known and less regarded, in which it becomes “those who are escaped of Israel” (Isa. 4:2) to look at the sovereign good pleasure of Jehovah in “doing according to his will in the army of heaven, and among the inhabitants of the earth.”
Many fight, with all the desperate enmity and rebellion of the carnal mind, against the bare idea that all men and all things are at the sovereign disposal of the great God of heaven and earth; and others, who are not thus held down hard and fast in the chains of rebellion and error, hold the doctrine of divine sovereignty, if not in unrighteousness, at least in a carnal, presumptuous spirit, which plainly shows that they never learned it feelingly and experimentally in their own souls under the teaching and unction of the Holy Spirit. It is hard, perhaps, to say which of the two is the more repulsive to the spiritual mind—the daring denial of the ‘rebellious Arminian’, or the flippant boldness of the ‘dead Calvinist’. Error is hateful, but truth in a hardened conscience is awful.
The grand and glorious truths which are revealed in the word of God are to be received not as mere speculative doctrines into the natural judgment and reasoning mind—but into the tender heart and living conscience—as the gracious unfolding of the mind and counsel, the will and wisdom of Him who is “greatly to be feared in the assembly of the saints, and to be had in reverence by all of those who are about him.” And surely of all truths revealed in the Scriptures none is more to be regarded with trembling awe and holy reverence than the sovereignty of Jehovah in electing some to eternal life and appointing others to eternal destruction. We believe this on the authority of Him who cannot lie; but when we look up into heaven, and see its unspeakable bliss and glory, and look down into hell and view its ever-burning flames, we may well pause and say, “Your way is in the sea, and your path in the great waters, and your footsteps are not known.” (Psalm 77:19.)
There are those who seem almost to exult in a carnal spirit over the destruction of the reprobate. There is, indeed, a solemn submission to, and a believing acquiescence in the sovereign will of the Judge of all the earth, knowing that he must do right, as Aaron “held his peace” when fire from the Lord went out and devoured his two sons, Nadab and Abihu. (Lev. 10:2, 3.) No, more, there is a holy joy in the conquest of the Lamb over his enemies, as expressed in the words, “Rejoice over her, O heaven, and you holy apostles and prophets; for God has avenged you on her” (Rev. 18:20;) and, “So let all your enemies perish, O Lord; but let those who love him be as the sun when he goes forth in his might.” (Judges 5:31.) But this is a very different feeling from a carnal exultation over the lost, which shows a state of mind, to say the least of it, the exact opposite of Paul’s “great heaviness and continual sorrow of heart” for his unbelieving brethren, (Rom. 9:2,) and breathes a language very unlike the prayer of Moses, “Yet, now, if you will forgive their sin—and if not, blot me, I pray you, out of your book which you have written.” (Exodus 32:32.)
Who can think, without grief and sorrow of heart, upon a dear parent, child, or husband—departed without any evidence of a work of grace upon the soul? When you awake at midnight and think of the departed one, where is your exultation over those fixed decrees which determined his eternal state? Submission there may be and should be to the will of God—but a man must be a very heathen—“without natural affection, implacable, unmerciful,” (Rom. 1:31,) who has neither sigh nor tear for his own family—at the thought of their eternal woe.
It is when we look at the sovereignty of God on what we may perhaps call its bright side—its merciful and gracious aspect, as plucking innumerable brands out of the fire, and especially when the decree of election turns its smiling face upon us, that we can rejoice in it, and admire and adore the electing love of God in delivering our souls from the bottomless pit. And not only we who have been made alive from the dead, but every regenerate soul is a living witness of the sovereignty of grace. There is not, there never was, there never will be—a manifested vessel of mercy, who is not a monument of the sovereign electing, redeeming, regenerating, and preserving love of a Triune Jehovah; and this every saint of God feels when mercy visits his heart and he is sealed by the Holy Spirit unto the day of redemption. “Why me? why me?” must ever be the wondering, admiring, adoring cry of every child of God when blessed with a feeling, appropriating sense of his personal saving interest in the precious blood and love of the Lamb!
But there are instances which seem to shine forth with peculiar luster, and to stand out beyond the usual dealings of God as prominent examples of the sovereignty of his eternal love. As in a garden every flower may be beautiful in its kind—and all were planted by the same gardener’s hand to deck and adorn his beds—but there may be some which strike the eye as more outstanding in beauty of shape and brightness of color than the other occupants of the garden—so in the church of God there are trees of his right hand planting which display more conspicuously than others—the wonders of his sovereign, distinguishing grace.
Saul of Tarsus and the thief on the cross have always struck our own mind as two of the most striking instances of sovereign grace contained in the Scriptures. Paul—the self-righteous Pharisee, imbued with all the learning and pride of the Sanhedrin, and overflowing with all the persecuting spirit of the murderers of Stephen; and the dying thief—loaded with the crimes of a life of violence and bloodshed, yet snatched from the jaws of hell at the last gasp! Reader, and admirer of the grace of God, can you strike the balance between these two monuments of electing love, and decide which was the more indebted to sovereign grace?
“Ah,” but say you, “I know a greater monument of sovereign grace than either.” Well, be it so; but next to yourself, can you decide whether Paul or the dying thief was the more indebted to the heights and depths, lengths and breadths of atoning blood and redeeming love? We really, for our part, cannot tell. We look at PAUL before and after his conversion, and wonder at and admire the grace of God that made out of such a pharisee, such a bigot, such a strict consistent legalist, such a bloodthirsty persecutor—a saint so rich in every grace, an apostle so endowed with every fruit and gift of the Holy Spirit. Saul on his road to Damascus, “breathing out threatenings and slaughter against the disciples of the Lord,” and Paul, with the words in his heart and mouth, “Why are you weeping and breaking my heart? for I am ready not to be bound only, but also to die at Jerusalem for the name of the Lord Jesus;” (Acts 21:13;)—O what grace thus to change the lion into the lamb, the man ready to martyr—into the man ready to be martyred!
But next we turn to the DYING THIEF. Listen with wondering ears and admiring heart to his believing prayer, addressed under such circumstances and at such a moment to the Son of God, in his deepest humiliation, at his lowest point of ignominy and shame, when his very disciples all forsook him and fled, and his glory was hidden under the densest, darkest veil. A risen Jesus appeared to Paul in all the blaze of heavenly glory; a crucified Jesus was hanging before the dying thief in little less shame and degradation than himself and his twin malefactor. O, what faith at such a moment to call him, “Lord,” and to believe he had a kingdom, and to desire to be made a partaker of its present grace and future glory! Has not this prayer, believing reader, been mine and yours? Have not we sought to realize the blessed Redeemer as set thus before our eyes? and while we threw all our heart and soul into the petition, breathed forth, “Lord, remember me when you come into your kingdom?” The prayer of the dying thief shines, we must say, in our eyes as one of the greatest, if not the greatest act of faith recorded in the Scriptures, and only paralleled, we cannot say surpassed, by Abraham’s sacrifice of his son.
But let us not think that there are not now walking on the face of the earth similar monuments of sovereign grace. Up that court, in that garret, there is a dying Mary Magdalene, out of whom the Lord has cast seven devils. Down in that coal-mine there is one whom once “no man could bind, no, not with chains,” “neither could any man tame him;” but he is now “sitting at the feet of Jesus, clothed and in his right mind.” Walking under that hedge, now weeping, now praying, now singing, now looking into his little Bible, is a returned prodigal—a base backslider whom the Lord has forgiven, but who can never forgive himself. Hiding his face in the corner of the pew is that persecutor of his poor broken-hearted wife, now in glory, whom since her death the Lord has called by his grace, and whose tears and sighs show how deeply he repents of his sins against her and Him. While the world is going on buying and selling, eating and drinking, marrying and giving in marriage, God is here and there raising up these monuments of his grace to live forever and ever in his presence, when the world and all the fashion of it shall have utterly passed away.
To a spiritual mind, what sweet food for faith, what a field of holy meditation is opened up in the sovereignty of grace as thus displayed in those wonders of redeeming love which every now and then come under our own special knowledge and observation! To what praise and adoration does it give birth; what openings up of the depths of the Father’s love; what views of the fullness and perfection of the Redeemer’s blood and obedience; what a sight of salvation as a free, irrevocable gift; how independent of all creature works of righteousness, how distinguishing, how superabounding over all the aboundings of sin and guilt, is grace seen to be; what love and union are felt to the objects of this signal mercy; how the soul is more and more firmly established thereby in the truth of God; and that “it is not of him that wills, nor of him that runs, but of God who shows mercy!”
Dare any call the sovereignty of God in his electing love and discriminating grace “a licentious doctrine?” Ignorance coined that lie; and enmity gave it circulation. The sovereignty of grace received into a believing heart has led many a one from sin; it never, under the unction of the Holy Spirit, led one into sin. Many a poor, despairing wretch it has saved, not only from the guilt of sin that distressed his conscience, but from the power of sin that entangled his inclinations, and carried him captive. The same Christ Jesus who is made to his people “righteousness and redemption,” is also made unto them “wisdom and sanctification;” (1 Cor. 1:30;) and those who are “washed and justified in the name of the Lord Jesus,” are also “sanctified by the Spirit of God.” (1 Cor. 6:11.)