The Conqueror’s Inheritance
Die overwint zal alles beërven; en Ik zal Hem tot een God zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn Openbaringen 21:7
Het pad van de Christen wordt in de Heilige Schrift onder verschillende zinnebeelden voorgesteld, maar allen wijzen de tegenstand aan, die hij bij het betreden van zijn weg aantreft. Bijvoorbeeld: Soms wordt ervan gesproken, als van een strijd: “Denzelfden strijd hebbende, hoedanig gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort.” (Fil. 1: 30). “Strijdt den goeden strijd des geloofs, grijpt naar het eeuwige leven.” (1 Tim. 6: 12) En wederom; “En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond zo hij niet wettelijk heeft gestreden.” (2 Tim. 2: 5) Dan eens, als van een loopbaan: “Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is.” (Hebr. 12: 1) Elders wordt het een tegenstaan genoemd: “Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonden.” (Hebr. 12: 4)
Al deze zinnebeelden leiden tot dit ene punt: dat het pad van de Christen een pad is van in- en uitwendige tegenstand. Maar daarin is meer op te merken dan dit. Het is niet een strijd zonder overwinning; het is geen gevecht zonder uitkomst; het is niet een lopen zonder de prijs te behalen, noch een tegenstaan, dat eindigt in de nederlaag van de strijder. Aan het einde van de strijd wacht een volle overwinning. “Maar in dit alles, zijn wij meer dan overwinnaars.” zegt de Apostel Paulus. In Openbaring 2 en 3 belooft de Heere, in iedere brief aan de zeven gemeenten, een onderscheiden belofte aan hem, die overwint.Ook onze tekst behelst een genadige belofte.
“Die overwint zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn ”
In de overweging van deze woorden, zal ik: Pogen aan te wijzen, wat het zegt te overwinnen.
En dan ten tweede: de dubbele belofte, welke aan hen, die overwint gegeven wordt, ontvouwen.
Namelijk: Hij zal alle dingen beërven
God zal zijn Vader en hij zal Gods zoon zijn.
Voor en aleer wij aantonen wat het is te overwinnen, moeten wij enige opmerkingen vooraf laten gaan. Weet dan, dat deze overwinning niet verkregen wordt door onze eigene sterkte, wijsheid of gerechtigheid. Het koninkrijk van God is niet beloofd op iets, dat door het schepsel verricht moet worden. De Apostel Paulus legt in de tekst, zo even aangehaald, een zekere regel neer als hij zegt: “Indien iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.” Met andere woorden: het is niet alleen strijden, maar een strijden, overeenkomstig zekere regels. Deze regels of voorschriften nu zijn geestelijk, en daardoor spreekt het vanzelf dat zij al het zinnelijke, de rede en de natuur buitensluit.
Niemand heeft in zijn onwedergeboren staat – hij mag openbaar goddeloos, of zedig naar de belijdenis leven – geen geestelijke kennis van de weg van overwinning. Hij mag strijden tegen zijn lusten; hij mag de dingen die zijn geweten benauwen, pogen te overwinnen; maar hij wordt niet gekroond, omdat hij niet wettelijk heeft gestreden. Hij strijdt in zijn eigen krachten, twist door zijn eigen wijsheid en vertrouwt op zijn eigen gerechtigheid. Zulke strijders en zulke overwinnaars – maar ze zijn geen overwinnaars – worden niet gekroond, omdat zij niet streden overeenkomstig de regels die in Gods Woord zijn voorgesteld. Deze sluiten al de gerechtigheid van het schepsel, de wijsheid van de mens en de vermogens van de natuur ten enenmale buiten. Dit ontrooft volkomen de kroon van het hoofd des mensen, en stelt haar op het gezegende hoofd van de Verlosser.
De Heilige Schrift stelt dus zekere regels voor, naar welke wij moeten strijden en zullen overwinnen. De Heere van leven en heerlijkheid wordt ons ook als Voorbeeld dienaangaande voorgesteld: “Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen.” (1 Petrus 2:21.) Hij streed voor ons de strijd en Hij verwierf de overwinning, niet alleen voor Zichzelf maar voor Zijn volk. Hij heeft ons bevolen hier beneden in Zijn voetstappen te wandelen en te overwinnen, zoals Hij overwon. Gelijk wij lezen: “Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon” Alle strijd dan en alle overwinning, die niet in navolging van Christus geschiedt, en enigermate gelijk is aan het strijden en overwinnen van Jezus, is de overwinning niet die God met Zijn goedkeuring wil kronen.
Pogen aan te wijzen, wat het zegt te overwinnen.
Laat ons, eer wij verder gaan, enige vijanden beschouwen, die de Heere overwon en daarbij bedenken dat Zijn vijanden ook onze vijanden zijn; dat wij te strijden hebben, zoals Hij streed, en zullen overwinnen, gelijk Hij overwonnen heeft.
Hij heeft de wereld. Hoort wat Hij Zijn treurende discipelen toesprak: “Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen.” (Joh. 16: 33) Maar hoe heeft Hij de wereld overwonnen? Geschiedde het door als een veroveraar het zwaard te laten zwaaien, of door de verschijning in de majesteit van Zijn Vader? Nee, het was door een staat van vernedering en bukken; door zichzelf gelijk te stellen aan “een worm, en geen man;” door “een man van smarten en verzocht te zijn in krankheid;” door geslagen, bespogen, veracht en gekruist te worden. Hij overwon dus de wereld niet met wapens \an de wereld, maar door het strijden tegen haar met geestelijke wapens: de wapens van gehoorzaamheid aan de wil van Zijn Vader, zowel met smart en lijden, als in schande en verachting. Hij overwon de wereld, door niet van de wereld te zijn. Hij verwierf de overwinning, niet door de wereld met oordelen te verwoesten, zoals een triomferend overwinnaar, maar door het oprichten van een geestelijk koninkrijk van geloof, liefde en gehoorzaamheid.
Hij overwon de satan. Want wij lezen: “Overmits dan de kinderen des vieses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet zou doen dengenen, die het geweld des doods had, dat is, den duivel.” En Hij zeide tot Zijn discipelen: “Ik zag de satan, als een bliksem uit de hemel, vallen.” En hoe overwon Hij de satan? Verpletterde Hij hem met de wenk van Zijn ogen, toen Hij hem in het strijdperk ontmoette? Daartoe had Hij immers, als “God boven allen te prijzen in der eeuwigheid” de macht gehad! O nee! Zo ontmoette Hij hem niet. Maar hij trok door de vallei des doods; en door lijden, door gehoorzaamheid; door het kruis, door het hoofd te buigen en de geest te geven vernietigde Hij dien, die het gewerd des doods had? Hij overwon niet met een viesen maar met een geestelijk wapen; met de gehoorzaamheid des lijdens tot de dood.
Daarenboven overwon Hij de wet, hoewel “Hij gekomen was onder de wet,” en aan haar onderworpen. In de overwinning van de wet, nam Hij haar vloek en verdoemenis weg. Niet door ze terzijde te schuiven, maar door haar te gehoorzamen en te vervullen; door haar veeleer te vergroten en heerlijker te maken. Hij overwon dus de vloek en de veroordeling van de wet, door Zélf een vloek, een veroordeelde te worden en in zijn heilige ziel en lichaam de geduchte wraak van de Almachtige tegen de ongerechtigheden te verdragen. Ik stel dit voorbeeld van Christus u voor omdat, als wij mogen overwinnen, en in die overwinning de zaligheid beërven, wij in deze Zijn voetstappen hebben te wandelen. Arme verwaande schepselen, blinde ellendelingen, die wij zijn! Wij denken met onze eigen krachten, door onze eigen wijsheid, naar onze eigen besluiten en door onze eigen gerechtigheid te overwinnen. Dit is de weg niet. De strijd is niet onze maar des Heeren! Het woord, eenmaal tot Josafat gesproken, is hierin ook op ons van toepassing: “Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil des Heeren.”
En nu, de belofte van onzen tekst is aan hem die deze overwint.” Wij hebben vijanden te overwinnen. Wie en wat zijn zij? Het zou ons bijkans onmogelijk zijn ze allen op te noemen. Laten we ons tevreden houden met enkele te beschouwen.
Er is die grote vijandin van de vrede onzer ziel: de wereld. En hoe moeten wij haar overwinnen? De Christen moet een van beiden doen: óf hij moet de wereld overwinnen, óf hij wordt van de wereld overwonnen. Indien hij door de wereld overwonnen wordt, hij zal met haar veroordeeld worden; maar wie de wereld overwint, zal behouden en gezaligd worden door Hem, Die de wereld overwonnen heeft. In deze strijd worden wij geslagen vóór dat wij overwinnen; wij worden overwonnen, vóór wij de zege behalen; wij verliezen ons leven, vóór wij het vinden, en wij vluchten, vóór dat wij het lied van de overwinning juichen. Dit alles is daartoe ingericht, om ons onze zwakheid en onvermogen te leren kennen.
Konden wij de wereld, haar verzoekingen, aanloksels, rijkdommen, eer, lof en heerlijkheid overwinnen door onze eigen wijsheid, sterkte en gerechtigheid, ‘wij zouden offeren aan ons eigen garen en roken aan onze eigen netten’. En in plaats van hiernamaals “het lied van Mozes en des Lams te zingen,” zouden wij moeten aanheffen het lied van onze eigen verkrijging, van onze eigen sterkte, van onze eigen wijsheid; van onze eigen gerechtigheid, van onze eigen goede hand en ons eigen goed zwaard, dat ons de overwinning wrocht. Maar zulk een vals geluid van ‘s mensen verhoging zal nooit boven in de zaal des hemels gehoord worden; geen lied wordt daar gezongen dan ter verheerlijking van de Drie-enige God. Zomin als de klank van hamers in Salomo’s tempel gehoord werd, zal ook in het hof des hemels het wanluidend getier van ‘s mensen glorie vernomen worden.
Zullen wij ooit de wereld overwinnen, het moet door het geloof geschieden, zoals wij lezen: “Wie is het, die de wereld overwint dan die gelooft, dat Jezus de Zoon van God is?” Nederlaag voert tot zegepraal; verliezen tot overwinning; overrompeling tot waakzaamheid, en zélf overwonnen te worden, leidt tot eindelijke overwinning van onszelf. Hoe? Waarom? Opdat wij zouden leren die grote verborgenheid van de geestelijke strijd: Jezus ’ kracht in onze zwakheid volbracht.
Wanneer wij bevindelijk van de liefde Gods iets gewaar worden, een weinig van de schoonheid, dierbaarheid en heerlijkheid van het Lam proeven, het hart voelen vermurwd en bevochtigd door de gezegende dauwdruppels van Boven, dit veegt de wereldse liefde weg en bekrachtigt ons haar te overwinnen door de werkingen van de
Heilige Geest in de ziel. Want wij zullen haar nooit overwinnen door enig goede voornemen, sterkte of wijsheid uit en van onszelf. Wij lezen Openbaring 12: 11: “Zij hebben overwonnen.” Hoe? “Door het bloed des Lam en door het Woord hunner getuigenis; en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.” Het bloed des Lams, gesprengd op het geweten, het Woord van Zijn getuigenis gevoeld in hun harten, en een niet-liefhebben van hun leven tot de dood toe, … dit waren hun wapens!
Verder, de zonde is een vijand. Ieder mens moet één van beiden, óf de zonden overwinnen, óf door de zonden overwonnen worden. Er is geen onzijdigheid in deze strijd. Het is: óf veroverd en als overwonnene veroordeeld te zijn, óf overwinnaar en als overwinnaar gekroond te wezen. Maar al Gods kinderen strijden, totdat zij beter onderwezen worden, in eigen kracht tegen de zonde. In hun geestelijke kindsheid kennen zij nog niet de kracht van de zonden; de kracht van de begeerlijkheden, van hun hoogmoed, van de opstand, van de verzoekingen, in één woord, de kracht van de verdorvenheden die in hen is. En onbekend zijnde met de overgrote listigheid, ervarenheid en schranderheid van de inwonende vijand, de zonde, worden zij gewis overwonnen, omdat zij er niet tegen strijden in de kracht des Heeren. Evenwel, hoe vreemd het ook schijnen mag, het leidt tot overwinning. Daarom is het nodig eerst overwonnen te worden. Onze veldoversten hebben dikwijls de strijd gewonnen, door te verliezen. Verlies heeft tot overwinning geleid, daar voorspoed hen alleen opgeblazen zou gemaakt en hen in de hinderlaag zou gevoerd hebben; terwijl vernietiging hen verstandig en voorzichtig heeft gemaakt. Zo ook in het geestelijke. Wij kennen alleen de kracht van de zonde, door overwonnen te worden, de nederlaag te krijgen en uit het veld geslagen te zijn. Dit slaat der mensen eigengerechtigheid en sterkte de bodem in. En dan, wanneer wij de schuld van de zonden in ons geweten en haar heerszucht in het staan naar het meesterschap over ons gevoelen, dan worden wij gebracht om van onszelf af te zien. En alleen op de Heere van leven en heerlijkheid te zien opdat wij uit Zijn volheid zouden ontvangen de vergeving, welke haar veroordeling uitwist. En ook de toepassing van de genade, welke ons alleen bekwaam kan maken tegen de zonde te strijden. Wij zullen nooit de zonde overwinnen, als “door het bloed des Lams en het woord Zijner getuigenis”. Het bloed des Lams, het geweten reinigende van de schuld van de zonde, en het Woord Zijner getuigenis mededelende een verborgen kracht, om de zonde te overwinnen.
Eindelijk, er is een overwinning van onze eigen geest, of met andere woorden, gelijk Salomo spreekt, Spreuk. 16: 32: ”De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.” Welk een vijand van onze rust en vrede in onze eigen geest? En hoe zal ik hem noemen? Het is dikwijls een helse geest. Waarom? Omdat hij de merktekenen van de satan draagt. Zijn hoogmoed, verwaandheid, geveinsdheid, geweldige eigenbaat en hebzucht, zijn helaas, maar al te dikwerf voor ons verborgen. Deze listige duivel, het eigen ik, kan zulke maskers aantrekken en gedaanten vertonen, die slang kan zich in duizenden bochten draaien, zich kruipende en klauterende vermommen en onder allerlei valse vertoningen voordoen, dat het maar al te jammerlijk voor onszelf verborgen is. En hoe veel vijanden er zich dan ook rondom ons bewegen, zeg mij, wie zou de snoodste zijn? Welke vijand hebben wij het meest te vrezen? Hij is het, die u in het binnenste met u omdraagt! Uw dagelijkse, u geen ogenblik verlatende metgezel, die zich bijna in elke gedachte des harten vlecht, die zo goed als alle motieven beïnvloedt, die soms opgeblazen is door hoogmoed, dan eens ontvlamt in vuile lusten dan weer in trotsheid
en verwaandheid zich lucht geeft, en niet zelden wroet en werkt onder een geveinsde nederigheid en vleselijke heiligheid.
Dit eigen ik moet dus overwonnen worden. Want, wanneer het eigen ik ons bij de uitkomst overwint, wij zullen in zijn verdoemenis ook vergaan. God zal gewis de hoogmoed en de heerlijkheid van de mens fnuiken. Hij zal nooit toestaan, dat het eigen ik (hetwelk slechts een ander woord is voor de mens) de kroon van de overwinning draagt. Het moet gekruist, verloochend en getuchtigd worden, opdat in zijn vernedering Jezus verhoogd moge worden! Opdat in zijn verloochening men in Jezus zou geloven. Opdat in zijn kruisiging, een waardige en geestelijke vereniging mag gewerkt worden met Hem die op Golgótha aan het kruishout stierf.
En nu mijn vrienden! Bent u door het eigen ik overwonnen? Wordt u geslagen? Het eigen ik zegt: “Sla terug!” Worden wij veracht? Het zegt: “Doet hetzelfde!” Het eigen ik beantwoordt een toornig gezicht met een toornig gezicht, een driftig woord met hetzelfde woord; “oog voor oog, en tand voor tand.” Maar wat zegt de Geest van God in een teer geweten? “Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede.” De weg om het eigen ik te overwinnen, is door af te zien van zichzelf op de gekruiste Immanuël; Zijn beeld in onze harten te ontvangen; naar Zijn gelijkenis hervormd te worden; zijn wil te omhelzen; en “uit Zijn volheid genade voor genade te ontvangen.”
Doch laat ons de wapenen in deze geestelijke strijd beschouwen. Wij hebben in deze strijd beschadigende en beschuttende wapenen nodig.
Een wapen is het geloof. Door het geloof staan wij; door het geloof strijden wij; door het geloof overwinnen wij, gelijk wij lezen: “Door het geloof hebben zij koninkrijken overwonnen.” Niet door hun eigene sterkte ‘of wijsheid, want “zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard en hun arm heeft hun geen heil gegeven, maar Uwe rechterhand, Uw arm en het licht Uws aangezichts, omdat u een welbehagen in hen hadt.” (Ps. 44: 4) Hoe strijdt het geloof nu in dezen strijd? Als een gans hulp- en weêrloze te vluchten, en schuiling en berging bij Jezus te zoeken. Het geloof handelt met onzichtbare, eeuwige waarheden, met op een verborgene wijze kracht te ontvangen van Jezus, die in het binnenste woont en regeert. Het geloof is sterk, door het zien op en het vluchten tot Hem, door de zaak in Zijne handen te geven, door Hem aan te kleven met een voornemen des harten, om zo het alles uit Zijne volheid te ontvangen.
Het geloof staat niet op zijne eigene grondslagen, noch strijdt in zijne eigene kracht; indien dit zo ware, het zoude het eigen ik wezen, onder een andere gedaante. Maar het geloof is gelijk een weerloze vrouw, die tot haren man vlucht ter schuiling, bescherming en bijstand in Zijne wijsheid. Zijne sterkte en het gebed is een ander wapen; en zo strijdt het geloof in Zijne gerechtigheid.
Het ware gebed is de uitstorting van het hart en de ziel voor de Heer; het is onze zaken in de handen te geven van Hem, Die rechtvaardig oordeelt; het is een hijgen en begeren naar Zijne tegenwoordigheid, en de benauwden geest in de schoot van God uit te gieten. Hier brengt God al Zijn volk. Hij toont hun aan hoe hulpeloos zij zijn, zonder Zijne hulpe; hoe hopeloos, buiten Zijne verwachting, hoe ellendig, bij ‘t gemis Zijner vertroosting; hoe ganselijk verloren, tenzij Zijne vrijmachtige genade zich in hen verheerlijkt! En deze begeerte naar Hem ontsteekt Hij Zelf, opdat Hij Zichzelf, in al Zijne heerlijke volheid, aan de arme, kermende, roepende en hijgende ziel zou mededelen. Een ander wapen is, eindelijk, het Woord van God. Dit is de enige ware kling – “het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.” Indien wij een strijd te strijden hebben; wanneer wij vijanden hebben te overwinnen; als wij verdorvenheden
hebben onder te brengen; als wij begeerlijkheden te veroveren hebben – welken strijd wij ook, hetzij in- of uitwendig, hier te voeren hebben – laat ons nooit menen, dat God enig ander wapen zal zegenen of erkennen, dan Zijn eigen Woord:
“het Woord Zijner getuigenis”, in het hart en geweten; “het Woord van de waarheid”, door de H. Geest in de ziel gegeven.
Nooit zullen wij verzoekingen overwinnen, dan door Zijn Woord en getuigenis; nooit zullen wij het vlees kruisigen, noch, iets uit Christus volheid ontvangen, dan door het kanaal van Gods Woord en Zijne getuigenis.
En dan ten tweede: de dubbele belofte, welke aan hen, die overwint gegeven wordt, ontvouwen. Namelijk:
Hij zal alle dingen beërven
God zal zijn Vader en hij zal Gods zoon zijn.
De belofte is absoluut, onbepaald, volstrekt: “Die overwint, zal alles beërven.” Laat mij twee vragen doen, om de zaken tot een nader begrip te brengen. “Hebt u nooit enige vijanden te bestrijden gehad? Kent uw ziel de moeilijkheden, oefeningen en verwarringen van de strijd? Zo ja?” De levendgemaakte ziel zegt: ‘Ik weet, wat het zeggen wil, ieder dag en uur, meer of minder met de zonden, de verdorvenheden, de verzoekingen en de wereld te moeten strijden.’
Laat mij u een andere vraag doen: “Overwint u wel ooit in die strijd? U zegt, dat u een deelgenoot van de strijd bent. Of is het altijd nederlaag? Is er nooit enige overwinning? Is er nooit enige uitkomst? Worden de verdorvenheden nooit eens gekruist? Overwint de verzoeker u altijd, of werpen uw begeerlijkheden en lusten u neer? Hoogmoed, onverenigdheid, ongeduld, geveinsdheid, ongeloof – voeren die altijd heerschappij in uw hart?” O, bedrieg u niet, ik vrees voor u, als u meent een strijd te hebben, en evenwel altijd overwonnen wordt. De belofte is maar niet enkel aan hem, die strijdt. Het is waarheid, wij moeten strijden, maar behoort de belofte alleen aan de strijd? Luidt de belofte niet: “Die overwint zal alles beërven?” Lees des Heeren eigen getuigenis, in het 2e en 3e hoofdstuk van het boek van de Openbaring. Daar is het duidelijk te zien, dat de belofte niet is aan dien, die strijdt, maar aan hem “die overwint.”
“Maar,” zegt u, en terecht, “ik word dikwijls overwonnen.” Maar leidt uw nederlaag ook tot zegepraal? Welke zijn de uitwerkingen als u door de zonde overwonnen wordt? Als uw hoogmoed, lusten, huichelarij, verdorvenheden in haar onderscheiden gedaanten en vormen u overwinnen; kwelt u dat? Bedroeft het u? Maakt het u verlegen? Wekt het bekommering? Vloeien uw ogen over van tranen van smart? Is uw binnenste zwaar geschud en beroerd door boetvaardigheid en berouw? Zo ja; dan bent u nog niet overwonnen. Dit innerlijk grondbeginsel in uw ziel is een van de bewijzen, dat er iets in uw binnenste is, dat vliedt van uzelf om vast te houden aan de sterkte van Jezus Christus. Ik zal u meedelen, wanneer een mens overwonnen is. Als hij gezondigd heeft en geen smart gevoelt; wanneer zijn lusten hem gevangen nemen, en hij nooit voor God met schaamte bedekt is; wanneer zijn hoogmoed, zijn verdorvenheid, zijn ongeloof, zijn hebzuchtige verlangens onbelemmerd over hem heersen.
Er is dan geen strijd; het oog wordt niet betraand; het hart loost geen zucht, het geweten gevoelt geen angsten. Maar smart en rouw te voelen, zuchtende, kermende en hijgende naar de Heere te zijn, wel, voor zover die er zijn, zijn het overwinningen. Zij mogen ons naderen als een nederlaag, maar in werkelijkheid zijn het overwinningen, omdat ze ons tot de verovering voeren. Zij reinigen ons van onszelf; zij overwinnen onze eigen gerechtigheid; zij ontledigen ons van dat ellendig leven van de Farizeeën, hetwelk is geveinsdheid; en zij bereiden het hart, door de geest zachtmoedig te maken, en de ziel te vermurwen, om een heerlijke, volmaakte en beminnelijke JEZUS in al Zijn volheid te ontvangen en aan te nemen.
De belofte is tot dezen: “Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.” Laat ons deze dubbele belofte enigszins nader beschouwen.
“Hij zal alle dingen beërven.” Wanneer? In de eeuwigheid? Ja gewis! Maar alleen in de eeuwigheid? O nee; ook in deze tijd. Er is een tweevoudige erfenis, ofschoon één en dezelfde: de éne in de tijd, de andere in de eeuwigheid; de éne als de eerste vruchten, de andere als de volle oogst; de éne, als het handgeld, de andere als de volle som. Er is een erfenis beneden, en een erfenis Boven; en hij die hier beneden nooit iets van die erfenis ontving, zal nimmer in de erfenis daar Boven delen. Naar die mate nu, dat wij overwinnen, hebben wij deel aan die erfenis. En wat is er wel te erven? Rijkdom, heerlijkheid, eer, macht en lof? Dit zijn wereldse dingen. Laat de wereld er zich ook mee vermaken! In de beërving van alle dingen, beërven wij de dingen Gods: de gunst van God, de liefde van God, de barmhartigheid van God, de heerlijkheid van God en alles wat een Verbondsgod geeft in het meedelen van Zichzelf. Vrede hier en heerlijkheid hiernamaals; vergeving beneden en zaligheid daar Boven; het beginsel van de rust hier op aarde, en de volmaakte rust in de hemel.
Wanneer wij overwonnen zijn, is er geen bezitting van deze eeuwige erfenis. Als ons de zonden overwinnen, beërven wij daardoor dan vergeving? Nee, niets anders dan schaamte en verwarring, schuld, vrees en toorn. Wanneer onze eigen diep bedorven gesteldheid, ons eigen zin, hoogmoed, wereldsgezindheid en gewin onze raadslieden zijn, beërven wij dan het beeld van Christus, de zachtmoedigheid van Jezus, de gunst van God, de dauw des Geestes en de ontferming van Jehovah? Wel nee! Wij voeden ons met as. Deze trossen zijn wijntrossen van Sodom en bittere druiven. Als wij onze hoogmoed begunstigen, zal Hij ons dan in het bezit stellen van een hemelse erfenis? Niets dan schaamte, berouw en verwarring zal het gevolg zijn. Als wij overwonnen worden door onze lusten, zal het ons tot voordeel verstrekken? Als wij ons vleselijk hart met de genietingen daarvan vervullen, wat nuttigheid zal het ons geven? Liefde, vrede, rust, zaligheid, zegening? O nee! Benauwdheid, schaamte, knaging, droefheid, vrees, twijfeling, moedeloosheid en de toorn Gods in het geweten. Zoeken wij onszelf, – hoe dan ook – te verhogen, – opdat dat lieve eigen ik geëerd, bewonderd, begunstigd en gevoed word? Beërven wij dan alle dingen? Hetzij de gunst van God, de getuigenis van barmhartigheid, de vertroostingen des Geestes, de dauw des Hemels? Nee niets, dan alleen de erfenis van dwazen, die niets dan schande en dwaasheid is.
Maar, overwinnen wij in Gods kracht, in Zijn Naam en in Zijn gerechtigheid; wel, op het ogenblik van de overwinning beginnen wij reeds bezit te nemen van de erfenis. En wat is de erfenis? Is het niet vrede en vergeving, het beeld van Christus, de “stromen van Zijn welbehagen die aan Zijn rechterhand zijn voor eeuwig?” Is deze erfenis niet dat goede land, dat met beken van honig, melk en wijn vloeit? Erven wij niet, naarmate wij overwinnen? Overwin ik dan wereld, ben ik in de geest van haar gescheiden, heb ik geen liefde tot haar? Zijn haar aanlokselen mij helder voor ogen gesteld? Dan overwin ik haar door het geloof, in de Naam des Zoons van God? Zodra ik overwin, begin ik te genieten de eeuwige erfenis, in het Koninkrijk der hemelen, dat in tegenstand is en onbestaanbaar met het koninkrijk van deze aarde.
Ik moet met mijn hart, mijn geest en mijn genegenheden uit de wereld gebracht zijn, zal ik in het Koninkrijk der Hemelen ingaan en een erfdeel ontvangen onder al de geheiligden. Overwin ik mijzelf? Wordt het eigen ik getuchtigd, gekruist, ten onder gebracht, afgezet? Niet eerder wordt Christus verhoogd, dan het schepsel vernederd wordt. Ik moet de oude mens afleggen, zal de nieuwe mens aangedaan worden. Dus, als ik het eigen ik verneder, verhoog ik Jezus; en in de verhoging van Jezus, geniet ik de eerstelingen van de eeuwige erfenis, hetwelk is Jezus in Zijn almachtige, heerlijke volheid.
Overwin ik mijn geaardheid, mijn hoogmoed, mijn geveinsdheid, de inwendige werkingen van het vlees in al zijn hatelijke vormen? Vergeld ik goed voor kwaad? Geef ik ook mijn linkerwang dien, die mij op de rechter slaat? Verneder ik mij onder de krachtige hand Gods? Zoek ik Zijn wil te weten, en die wetende te doen? Ben ik boetvaardig verbroken van hart, teder, zachtmoedig, ziende op de Heere en op Hem alleen? Overwin ik soms zó mijn vleselijke zin en wil? Op het ogenblik, dat ik zo overwin, ga ik in tot de erfenis. De erfenis is het beeld van Jezus. Want wij zijn uitverkoren om Zijn beeld gelijkvormig te zijn. Niet eerder overwin ik, dan als het Beeld van Christus wordt opgericht. En in die oprichting ga ik in tot de erfenis. Overwin ik de zonde, of word ik door de zonde overwonnen? Als rk de zonden overwin, het geschiedt niet door mijn eigen krachten, of door mijn eigen moed. Daarmee ben ik verloren. Maar overwin ik de zonden door de vreze des Heeren in mijn ziel, gelijk Jezus deed; overwin ik de zonde door te zien op de Heere van leven en heerlijkheid, en de besprenging van Zijn bloed op mijn geweten; overwin ik de zonde door de leiding en onderwijzing van de Heilige Geest in mijn hart. Wel, zodra ik haar zo door het bloed des Lams en het Woord Zijner getuigenis overwin, ga ik in de erfenis. Dus, hier is reeds een samenvlechting, een schone, een bevindelijke samensnoering, tussen het overwinnen en de erfenis hierbeneden.
Maar om in deze erfenis in te gaan, hebben wij een gedurige herinnering nodig, dat wij van en uit onszelf geen krachten hebben. En onze misslagen, ons vallen, onze afwijkingen, onze broosheid (hoewel het er ver vanaf is dat wij ze willen of durven rechtvaardigen), zijn dus barmhartige overwinningen die behoren onder “die dingen, die zullen medewerken ten goede.” Ze leren ons onze eigene zwakheid, en daardoor leiden zij ons op tot de sterkte van Christus; en door ons op te leiden tot de sterkte van Christus, óók “tot de erfenis aller dingen.” Want in de beërving van Hem, beërven wij alles wat Hij is voor Zijn volk.
Zij, die onbekend zijn met hun eigen hart, met hun eigen zwakheid, met hun eigen broosheid, met hun eigen uit- en inwendige misslagen en afwijkingen, weten ook niets van de verborgenheid van de overgrote genade, niets van de verborgenheid van het bloed van verzoening, niets van de verborgenheid van des Geestes inwendig getuigenis. Zij kunnen het niet weten. Alleen voor zover wij van onszelf uitgeledigd zijn, worden wij gevuld uit de volheid van Hem, die alles in allen vervult.
U bent misschien – ik spreek ook mijzelf aan, als onder enige arme, verzochte kinderen Gods staande; die zichzelf leert, als hij anderen onderwijst – een verzocht schepsel. En uw dagelijkse droefheid en gedurige smart is, dat u zo licht overwonnen wordt, dat uw aard, uw lusten, hoogmoed, wereldsgezind en vleselijk bedorven hart, zo gedurig de overhand over u hebben. En hieruit trekt u veelal bittere gevolgtrekkingen. U zegt uit de grond van uw hart: “Ben ik een kind van God, en dan zó wezen? Welke zijn de tekenen en bewijzen om in Gods gunst te delen, daar ik zo telkens en zo licht overwonnen word?
Och, arme, ik begeer van u dat u op het einde ziet. Wat is de uitkomst, het einde van deze nederlagen? Bedenk, het is een zekere waarheid, dat wij allengskens leren. Wij moeten overwonnen worden, zullen wij overwinnen. Het opzuigen in de stam van eigen vermogens, dagelijkse vermeerdering van sterkte en gedurige aanwas hiervan is niet denkbaar door onze eigen kracht. Zulk een veinzende heiligheid mag zich onder een Evangelisch gewaad vertonen en een schone gedaante aannemen, het verzwart slechts de huid van het stinkende vlees.
Bedenk daarom: zullen wij zegepralen, dan moeten wij onze zwakheid kennen. En wij kunnen alleen onze zwakheid kennen, doordat zij ons bevindelijk in het geweten ontdekt wordt. Wij leren haar niet van anderen, wij moeten haar in onze eigen ziel leren, en dat dikwijls op een pijnlijke wijs. Maar deze pijnlijke gewaarwordingen van een teer geweten leiden de mens tot meerdere nederigheid, gevoeligheid, en om meer het vertrouwen te stellen op de Heere van leven en heerlijkheid, om alles uit Zijn volheid te ontvangen. Zo leidt elke nederlaag tenslotte tot een zekere overwinning.
De Apostel zegt: “In al dezen zijn wij meer dan overwinnaars.” Hoe? Door onze eigene onbeschroomdheid en wijsheid? Nee, “door Hem, Die ons heeft lief gehad.” Er is geen andere weg om te overwinnen, dan door de “kracht van Jezus die in onze zwakheid wordt volbracht.”
In de “beërving van alle dingen,” beërven wij de vergeving van onze zonden. Maar wat weten wij van de vergeving van de zonde, als wij niet in ons geweten bevindelijk bekend zijn met de zonde zelf? In de “beërving van alles” beërven wij de gunst van God. Maar vloeit Gods liefde en genade niet uit door het kanaal van Immanuëls lijden en sterven? En was Zijn lijden en gehoorzaam zijn tot de dood niet voor misdadigers? Want “Hij is met de misdadigers gerekend geworden.” En het is een getrouw woord, dat “Hij kwam om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was; om zondaren zalig te maken.” Zullen wij dan de liefde en gunst van God kennen wij moeten ze als zondaars kennen. Het is een pijnlijke weg. Wij hebben wel begeerte, Gods genade te beërven, als heiligen, als een heilig volk, als godsdienstigen, als hebbende een gedaante van de godzaligheid; wat genoemd wordt: verzekerde vrome Christenen. Maar om de gunst van God met en door schaamte, droefheid, berouw, radeloosheid, knaging en boetvaardigheid te erven, dat is een pad, waarvan de natuur uiterst afkerig is. Nochtans Gods gunst en vergevende barmhartigheid, door het bloed en de gehoorzaamheid van Jezus, kan en wil zich alleen aan het geweten van een schuldige zondaar verheerlijken.
Maar wij gaan voort, om de volgende belofte aan de overwinning verbonden, met elkander te overwegen. “Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.”
Wat een belofte! De God van hemel en aarde zal onze God, onze Vader, onze Weldoener, onze eeuwige, almachtige Vriend zijn! En wij, wij zullen, in de overwinning, de aanneming tot kinderen ontvangen; zullen als “zonen en dochteren van de Almachtige geopenbaard worden; en de erve, weggelegd voor de kinderen Gods, ontvangen!
Deze belofte is verbonden aan de overwinning. Indien wij niet overwinnen, dan is de belofte niet voor ons. De belofte van het kindschap is met de overwinning verbonden, evenals die van de erving daar aangesnoerd is. Begeer ik de Geest van aanneming in mijn hart te ontvangen? Heb ik behoefte aan de uitstorting van de liefde Gods des Vaders in mijn ziel? Verlang ik een gezegend recht te hebben op de erfenis, die Hij Zijn kinderen geeft? Hoe zal ik er aankomen? Hoe is het te verwerven? Door mezelf godsdienstig te maken, heilig te worden, mijn lusten in eigen kracht ten onder te brengen? Dit brengt mij verder van God af, dan ik tevoren was. Dit maakt mij tot een God van mijzelf! Als ik zalig word door mijn eigene krachten, door mijn eigene heiligheid en gerechtigheid, dan vereer ik mijzelf. In die dienst en eerbetoning, word ik mijn eigen god. Dat is afgoderij, vervloekte afgoderij! Daarom, die leeft en sterft in de dienst van zichzelf, zal leven en sterven onder de toorn Gods tegen een afgodendienaar.
Maar hoe moet ik dan de aanneming tot kinderen ontvangen? Door te overwinnen! Niet in mijn krachten, maar in de sterkte des Heeren HEEREN. Voor en aleer ik dus niet overwin, word ik niet geopenbaard een kind van God te zijn. En hoe weet u, dat u een kind van God bent? Door snode begeerlijkheden, door hoogmoed, hebzucht, huichelarij, gelijkvormigheid aan de wereld die in het boze ligt? Zouden deze de merktekens zijn, die God op Zijn schapen stempelt? O nee! Het geweten onbesmet te bewaren.
En hoe openbaart ge u te midden van een krom en verdraait geslacht, Gods kinderen te zijn? Door het beeld van Christus te dragen. Wat was het beeld van Hem, de God- Mens? Slag voor slag, oog voor oog, tand voor tand, wraak voor wraak, kwaad voor kwaad? Nee, dat is de zin van Christus niet; dat is Zijn beeld niet. Wat is het dan? Hij gaf het over aan Dien, die recht vaardig oordeelt.” Hij onderwierp Zich in alles aan de wil van Zijn Vader. Hij gaf Zich geheel en alleen in Gods handen, opdat Zijn wil in en door Hem volbracht zou worden.
Als u dan het Beeld van Christus in uw ziel draagt, als u een kind van God bent, dan zal uw hoogmoed – en die zal er nog wel in u zijn overgebleven – uw geveinsdheid (en u zult er hier nooit van bevrijd worden) en uw wereldsgezindheid u ook tot een zware last wezen. De verdorvenheden zijn geen bewijs, dat u een kind van God bent; maar het geloof, dat Hij werkt, de hoop, die Hij geeft, de liefde, die Hij mededeelt, de nederigheid, de zachtmoedigheid, gerustheid, verbrokenheid, onderwerping, Goddelijke vrees, het teer geweten, afzondering des harten en des geestes van de wereld, vereniging met de Heere van leven en heerlijkheid, het smaken van Zijn liefde en het gevoelen van Zijn tegenwoordigheid; déze zijn de kentekenen van het zoonschap. En als wij overwinnen, gaan wij volkomen tot hetzelve over.
Als ik mijzelf ben, ik beërf het eigen ik – niets meer. Beërf ik de wereld, ik heb niets meer dan de wereld. Beërf ik de zonde, ik erf de dood, die de bezoldiging van de zonde is, niets meer. Maar als ik overwin, ik zwakke, hulpeloze en weerloze, als ik mij overgeef in de handen des Heeren, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, niet zoekende mijn wil, maar op den Heere ziende, om zijn wil in mijn geweten bekend te maken, en in mij te werken wat Hem welbehaaglijk is, als ik dit heb, dan heb ik een bewijs van mijn kindschap. En waar dit bewijs is, zal de overtuiging van de aanneming tot kinderen niet ontbreken, maar zal het de ziel tot de Heere doen zeggen: “Abba Vader!” En hij die hier beneden God zijn Vader mocht noemen, zal daarvan hierboven niet verstoken zijn, maar in het volle bezit daarvan delen en zich baden in de vertroostingen van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest tot in der eeuwigheid.
Het kunnen er misschien meer zijn, maar twee onderscheiden klassen van mensen zijn hier zeker. Daar zijn er, die in hun eigen krachten strijden en zich beroemen niet te zijn als andere mensen. Wel nee, ze zijn wijs, sterk, rechtvaardig en heilig. Maar dit is de weg van de overwinning niet. Uw zegepralen zijn niets dan verliezen, en ten enigen dage zult u met smart gewaar worden, dat al uw gewin met smart en beschaamdheid eindigt.
Daarentegen zullen hier anderen zijn, namelijk, arme, beproefde, benauwde kinderen van God, die iedere dag en ogenblik geplaagd worden met het lichaam der zonden en des doods, verdorvenheid en schuld; vleselijkheid en zonde werken en loeren in hun hart. Houd moed, mijn vrienden! U bent op het punt van de overwinning. Langs geen andere weg is het mogelijk. Het is zeker, als wij kinderen Gods zijn, zullen wij het ondervinden, dat wij niet door onze krachten of gerechtigheden kunnen overwinnen.
Gelukkig zijn wij, als wij, hoewel door een pijnlijke bevinding, deze les geleerd hebben, door een vernederend gezicht van onze hulpeloosheid en nietigheid. Elke gevoelige uitroep en gekerm, onder het gevoel van onze nietigheid en onwaardigheid, tot een levende en minzame Heere Jezus, dat Hij ons, “ten Zon en Schild mocht zijn;” ieder teder gevoel van de liefde, en alle ootmoedige overgave van onze ziel en onze geest in Zijn handen en bescherming; is een zeker pand en de voorsmaak van een onfeilbare overwinning. Nooit zal de Heere het toestaan, dat wij in een andere weg overwinnen. Maar als wij des Heeren zijn, wij zullen heersen en overwinnen, want de belofte is aan hén gedaan, en ook aan hén alleen.
Och, dat de Heere ons alle wapen uit de hand neme, dat niet het Zijne is! Dat Hij ons, naar Zijn barmhartigheid, daar brenge waar Hij neerziet op het verbroken hart en het teer geweten! Daar zijn wij >eilig. Wij mogen twijfelen, vrezen, en in ons gemoed benauwd en getroffen zijn; wij mogen de strijdwagen van de Almachtige niet tot onzer hulp zien naderen, maar wij zijn veiliger, zeker en op veel beter plaats, dan wanneer wij op de top van de overwinning staan in onze eigen kracht en wijsheid verkregen.
Zie op deze woorden, en de Heere legge ze in ons hart: “die overwint!” Anders is er geen belofte. Het is: “die overwint, zal alles beërven.” Niet één goed ding zal falen; de hemel hier zowel als hiernamaals; hier vrede en vrede daar Boven; hier het beeld van Christus in de ziel, en hiernamaals Zijn beeld in de ziel en in het lichaam beide. De ganse liefde Gods, al de zegeningen der heiligen en al de gelukzaligheden, weggelegd aan de rechterhand Gods – daar, waar eeuwige vermakelijkheden zullen gevonden worden – zijn allen, opgesloten in die ene belofte: “hij zal alles beërven.” Het tegenwoordig kindschap en het toekomstig genot daarvan is alles in de belofte verenigd. Het is alles bepaald voor en behoort aan een en dezelfde overwinnaar. En die zullen vroeger of later al de vrijgekochte zielen omvatten. “Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.”
AMEN.
Preached at Zoar Chapel, London, on July 6th, 1845
“He who overcomes shall inherit all things; and I will be his God, and he shall be My son.” — Revelation 21:7
The Scriptures, describing the path of the Christian, represent it under various figures, but all implying ‘opposition’ to the path he takes. For instance, it is sometimes spoken of as a conflict—“Having the same conflict which you saw in me, and now hear to be in me” (Phil. 1:30). Sometimes as a race—“Let us run with patience the race that is set before us” (Heb. 12:1). Sometimes as a fight—“Fight the good fight of faith, lay hold on eternal life” (1 Tim. 6:12). Sometimes as a struggle—“You have not yet resisted unto blood, striving against sin” (Heb. 12:4). Sometimes as a contest—“If a man also strive for masteries, yet is he not crowned, except he strive lawfully” (2 Tim. 2:5).
All these figures bear upon this one point, that the path of a Christian is one of ‘internal and external opposition’. But there is more to be observed than this. It is not a fight without a victory; it is not a conflict without success; it is not a race without reaching the goal; it is not a struggle that ends in the defeat of the contender. A victory is represented as the termination of the battle. “No, in all these things,” says the Apostle, “we are more than conquerors through Him that loved us” (Rom. 8:37). The Lord, in the Book of Revelation, in each of the addresses to the seven churches, assigns a distinct promise “to him who overcomes.” A gracious promise is also contained in the text—“He who overcomes shall inherit all things; and I will be his God, and he shall be My son.”
In looking at these words, my endeavor will be, first, to describe what it is to overcome; and then, if the Lord enables, to unfold the twofold promise which is given to him who overcomes— 1. He shall inherit all things. 2. God will be his Father, and he shall be God’s son.
I. In endeavoring to unfold what it is to overcome, we must premise a few observations. Observe, then, that this overcoming is not by our own strength, by our own wisdom, or by our own righteousness. The kingdom of God is not promised to anything done by the creature. The Apostle lays down a certain rule in the text before quoted—“If a man also strive for masteries, yet is he not crowned, except he strive lawfully” (2 Tim. 2:5). In other words, it is not a bare striving, but a striving according to certain rules. But these rules are spiritual rules, and being spiritual rules, exclude everything of sense, reason and nature. Now man, in an unregenerate condition, whether he be in a state of profanity, or in a state of profession, has no spiritual knowledge of the way by which to overcome. He may strive against his lusts, he may endeavor to overcome those things that conscience bears testimony against, but he is not crowned, because he strives not lawfully. He strives in his own strength, contends in his own wisdom, and trusts in his own righteousness. Such strugglers and such overcomers (if overcomers they ever are) are not crowned, because they strive not according to the rules laid down in God’s Word. This at once excludes all creature righteousness, human wisdom and natural strength. This takes the crown completely off the creature, and puts it on the head of the Redeemer.
There are certain rules, then, laid down in the Scripture, according to which we are to fight and to overcome. For instance, the Lord of life and glory is held out in the Word as our pattern—“He has left us an example that we should follow His steps” (1 Pet. 2:21). He fought the battle before us, and He gained the victory, not for Himself only, but for His people; and He has left us here below to walk in His footsteps, and to overcome in the same way as He did; as we read, “To him who overcomes will I grant to sit with Me in My throne; even as I also overcame, and am set down with My Father in His throne” (Rev. 3:21). All striving, then, and all overcoming which is not in the steps of Christ, and precisely (in a measure) in the same way in which Jesus strove and overcame, is not the overcoming which is crowned with God’s approbation.
A. But let us look at a few of the enemies which the Lord overcame. Remember that His enemies are our enemies; that as He fought we must fight; and that as He overcame we must overcome.
1. First, then, He overcame the world; as He told His sorrowing disciples—“These things I have spoken unto you, that in Me you might have peace. In the world you shall have tribulation; but be of good cheer, I have overcome the world” (John 16:33).
But how did the Lord overcome the world? Was it by taking up the sword of the conqueror, or by appearing in the majesty of the Father? No; it was by a state of humiliation and abasement; by emptying Himself so as to become “a worm, and no man”; by being made “a Man of sorrows, and acquainted with grief;” by being buffeted, spit upon, despised, and crucified. Thus He overcame the world; not by taking the world’s weapons, but by contending against the world with spiritual weapons—the weapon of obedience to His Father’s will, the weapon of sorrow and suffering, of shame and contempt. He overcame the world by not being of it. He did not gain the victory by desolating the world with judgments as a triumphant conqueror, but by setting up a spiritual kingdom of faith, love and obedience.
2. He overcame Satan; for we read, “Forasmuch then as the children are partakers of flesh and blood, He also Himself likewise took part of the same; that through death He might destroy him who had the power of death, that is, the devil” (Heb. 2:14). And He said to His disciples, “I beheld Satan as lightning fall from heaven” (Luke 10:18). How did He overcome Satan? Did He meet him upon the battlefield, and (as He might have done, being “God over all, blessed for evermore”) crush him with one look? He met him not so, but He passed through the territories of death; and by suffering, by obedience, by the cross, by bowing His head and giving up the spirit, He “destroyed him who had the power of death.” He conquered not with a carnal, but a spiritual weapon, even obedience in suffering unto death.
3. He also overcame the law, though He was “made under the law,” and subject to it. In overcoming the law, He took away its curse and condemnation; not by putting it aside, but by obeying and fulfilling it, by magnifying and making it honorable. Thus He overcame the curse and the condemnation by being Himself made a curse, and being Himself made a condemnation; enduring in His holy soul and holy body the vengeance of the Almighty due to the transgressors.
I put this example of Christ before you to show that if we are overcomers, and in overcoming inherit the blessing, we are to walk in these footsteps. Poor vain creatures, blind wretches! we are thinking of overcoming in our own strength, in our own wisdom, in our own resolutions, and in our own righteousness. This is not the way. “The battle is not yours, but the Lord’s.” We are to do as it was said to those of old—“You shall not need to fight in this battle; take your positions, stand still, and see the salvation of the Lord” (2 Chron. 20:17).
B. Observe, then, the promise is “to him who overcomes.” We have enemies to overcome. Who, and what are they? We can scarcely enumerate them all; we will therefore content ourselves with naming a few.
1. There is the world, that great enemy of our soul’s peace. How are we to overcome it? The Christian must either overcome the world, or be overcome by it. If he be overcome by the world, he will be condemned with it; but he who overcomes it will be saved by Him who has overcome it for him. In this battle we are losers before we are gainers; we are vanquished before we are victors; we lose our life before we find it; we flee before we shout the song of victory. All this is to teach us our weakness. Could we overcome the world, its temptations, its allurements, its riches, its honors, its praise, and its glory; could we overcome it standing upon the basis of our own strength, our own wisdom, or our own righteousness; we would “sacrifice to our own net, and burn incense to our own drag.” And instead hereafter of singing “the song of Moses and of the Lamb,” we would sing the song of our own attainments, our own strength, our own wisdom, our own righteousness, of our own good hand and our own good sword which had carved for us the victory.
But such a sound of creature exaltation will never be heard in the courts above; no notes are chanted there but those of praise to the Triune God. As the clink of the hammer was not heard in Solomon’s temple, so the noise of creature praise will never be heard in the courts of heaven. Therefore, if we overcome the world, we must overcome it by faith; as we read, “Who is he who overcomes the world, but he who believes that Jesus is the Son of God?” (1 John 5:5). Defeats lead to victories, losses to gains, surprisals to watchfulness, and ourselves being overcome leads eventually to ourselves overcoming. How? Why? That we may learn the grand secret of spiritual warfare; the strength of Jesus made perfect in our weakness. When we experience a little measure of the love of God, taste a little of the beauty and glory of the Lamb, feel the heart melted and watered by the blessings dropping down from above, this purges out the love of the world, and enables us to overcome it by the Spirit of God working in the soul, when we could never overcome it by any resolution, any strength, or any wisdom of our own. What read we? “They overcame.” How? “By the blood of the Lamb, and by the word of their testimony; and they loved not their lives unto the death” (Rev. 12:11). These were their weapons—the blood of the Lamb sprinkled upon the conscience, the word of His testimony felt in their heart, and a loving not their lives unto the death.
2. Again. There is sin; and every person must be either overcome by sin, or he must overcome it. There is no neutrality in this warfare. It is either being conquered, and being condemned as conquered; or conquering, and being crowned as victors. But all God’s children, until they are taught better, fight against sin in their own strength. They know not, at first, the power of sin in them, the power of lust, the power of pride, the power of rebellion, and the power of temper; in one word, the power of corruption. And being ignorant of the consummate craft, skill, and maneuvering policy of this inward enemy, sin, they are sure to be defeated, because they fight not in the Lord’s strength against it. Yet, strange though it may appear, it is necessary to be overcome that we may overcome. Generals have gained battles often by defeats. Defeats have led to victories, where success would only have flushed and led them into the ambush; when reverses have made them wary and skillful.
So spiritually, we only know the power of sin by being vanquished, overcome, got the better of, and laid low. This cuts down creature righteousness and strength. And then, when we feel the guilt of sin in the conscience, and its dominion in endeavoring to obtain the mastery over us, we are brought out of self to look unto the Lord of life and glory, that we may receive out of His fullness that pardon which blots out its condemnation, and those supplies of grace which alone can enable us to fight against it. We can never overcome sin but by “the blood of the Lamb,” and “the word of His testimony”—“the blood of the Lamb” purging the conscience from the guilt of it, and “the word of his testimony” communicating a secret power to conquer it.
3. But again. There is overcoming one’s own spirit. “He who is slow to anger is better than the mighty; and he who rules his spirit than he who takes a city” (Prov. 16:32). What a foe to one’s peace is one’s own spirit! And what shall I call it? It is often an infernal spirit. Why? Because it bears the mark of Satan upon it. The pride of our spirit, the presumption of our spirit, the hypocrisy of our spirit, the intense selfishness of our spirit, are often hidden from us. This wily devil, self, can wear such masks and assume such forms; this serpent, self, can so creep and crawl, can so twist and turn, and can disguise itself under such false appearances, that it is hidden often from ourselves.
Who is the greatest enemy we have to fear? We all have our enemies. But who is our greatest enemy? He who you carry in your own bosom; your daily, hourly, and ever-present companion, that entwines himself in nearly every thought of your heart; that suggests well near every motive; that sometimes puffs up with pride, sometimes inflames with lust, sometimes inflates with presumption, and sometimes works under feigned humility and fleshly holiness.
Now this self must be overcome; for if self overcomes us, eventually we shall perish in the condemnation of self. God is determined to stain the pride of human glory. He will never let self (which is but another word for the creature) wear the crown of victory. It must be crucified, denied, and mortified; it must be put off, that so Jesus may be put on; that in the denying of self Jesus may be believed in; and that in the crucifixion of self there may be a solemn spiritual union with Him who was crucified on Calvary. Now, are we overcoming self? Are we buffeted? What says self? “Buffet in return.” Are we despised? What says self? “Despise in return; retort angry look for angry look, and hasty word for hasty word; an eye for an eye, and a tooth for a tooth.” But what says the Spirit of God in a tender conscience? “Be not overcome of evil, but overcome evil with good” (Rom. 12:21).
The way to overcome self is by looking out of self to Him who was crucified upon Calvary’s tree; to receive His image into your heart; to be clothed with His likeness; to drink into His spirit; and “receive out of His fullness grace for grace.”
C. But what are the WEAPONS in this spiritual warfare? We need weapons offensive and defensive to fight in these battles.
1. One weapon is faith. By faith we stand, by faith we fight, by faith we conquer; as we read, “Through faith they subdued kingdoms.” Not by their own strength or wisdom—“They did not conquer the land with their swords; it was not their own strength that gave them victory. It was by Your mighty power that they succeeded; it was because You favored them and smiled on them.” (Psalm. 44:3). How does faith fight in this battle? By fleeing, all helpless and defenseless, to seek shelter and refuge in Jesus. Faith deals with invisible, eternal realities, with inward strength communicated in a secret way from Jesus who dwells and reigns within the veil. Faith prevails by looking and fleeing to Him, by committing the cause into His hands, by pleading with and cleaving to Him with full purpose of heart, and thus receiving out of His fullness. Faith does not stand upon its own foundation, or fight in its own strength; if it were so, it would still be self in another form. But faith, like a poor defenseless woman, flies to the Husband for shelter, strength and defense; and thus fights in His wisdom, His strength, and His righteousness.
2. But prayer is another weapon. True prayer is the pouring out of the heart and soul before the Lord; committing all one’s cause into His hands who judges righteously; panting and groaning after His presence, and venting forth the troubled spirit into the bosom of God. The Lord brings all His people here. He shows them how helpless they are without His help; how hopeless without His hope; how wretched without His consolation; how eternally lost without His sovereign favor! And He kindles and raises up these panting desires after Himself, that He may communicate Himself in all His glorious fullness to the groaning, crying and panting soul.
3. But another weapon is the Word of God. This is the only true blade—“the sword of the Spirit, which is the Word of God.” If we have battles to fight; if we have enemies to overcome; if we have corruptions to subdue; if we have lusts to conquer; whatever conflict, external or internal, we are engaged in, let us never think for a single moment that God will own or bless any weapon but His own Word, “the Word of His testimony,” in the heart and conscience; the Word of truth dropped by the Spirit into the soul. We can never overcome temptation but by the Word and the testimony; we can never mortify self but by the Word and the testimony; and we can never receive anything out of Christ’s fullness but through the channel of God’s testimony.
II. Now the promise is absolute—“He who overcomes shall inherit all things.” Let me ask you two questions to bring matters to a nearer compass. Have you ever had any enemies to encounter? Does your soul know the difficulties, the exercises, and the perplexities of a conflict? “It does,” answer you. “I do know,” says the living soul, “what it is to have, more or less, a daily, and sometimes an hourly, conflict with sin, corruption, temptation, and the world.” Good. Let me ask you another question—“Do you ever overcome in this battle? You say that you are fighting. Is it all defeat? Is there never any victory? Is there never any success? Is corruption never mortified? Does temper always overcome you, or lust always cast you down? Pride, peevishness, impatience, unbelief, hypocrisy— do these always bear the sway in your heart? Surely you are deceived if you think you have a conflict, and find yourself always overcome.”
Is there a promise merely to the fighter? It is true we must fight, but does the promise belong merely to the battle? Does not the promise belong to “him who overcomes”? Read the Lord’s own testimony in the second and third chapters of the Revelation. Is the promise made to the fighter, or is the promise made to the conqueror? “But,” you say, and that justly, “I am often overcome.” But do your defeats lead to victories? What is the effect when sin overcomes you? When temper, when pride, when lust, when hypocrisy, when corruption, in its various shapes and forms, overcome you, are you cut? are you grieved? are you distressed? are you troubled? Do the eyes overflow with tears of sorrow? Does the bosom heave with convulsive sobs of penitence and remorse? “Yes,” say you, “it does.” Then you are not overcome. That is the secret of victory. These things show that there is an internal principle in your bosom that flies out of self, to lay hold of the strength of Jesus.
I will tell you when a man is overcome—when he sins and feels no sorrow; when his lusts captivate him, and he is never filled with shame before God; when his pride, his ill-temper, his unbelief, his covetousness, exercise unchecked sway over him. There is no conflict then; no tear from his eye, no sob from his heart, no groan from his conscience.
But to be sorrowing and mourning, sighing, groaning and panting after the Lord; these are so many victories. They may come to us as defeats, but actually they are so many victories, because they lead us on to conquest. They purge us of self, they overcome our self-righteousness, they empty us of that leaven of the Pharisees which is hypocrisy, and they prepare the heart, by meekening the spirit and softening the soul, to receive a glorious and precious Jesus in all His fullness.
Now, the promise runs to such—“He who overcomes shall inherit all things; and I will be his God, and he shall be My son.” Let us look at these two promises.
1. “He shall inherit all things.” When? In eternity? Yes. But only in eternity? Oh no! In time also. There is a twofold inheritance, though one and the same—one in time, another in eternity; one the first-fruits, the other the harvest; one the pledge, the other the full sum. There is an inheriting here below, and an inheriting above; and he who never receives any portion of his inheritance below will never receive an inheritance above. Now, just in proportion as we overcome are we put in possession of this inheritance. What are we to inherit? Riches, glory, honor, power, praise? These are worldly things—let the world enjoy them. In inheriting “all things,” we are to inherit the things of God—the favor of God, the love of God, the mercy of God, the glory of God; all that a covenant God gives in giving Himself; peace here, glory hereafter; pardon below, salvation above; the beginning of rest on earth, the fullness of rest in heaven.
Now, while we are overcome, there is no being put into possession of this eternal inheritance. Does sin overcome us? Do we inherit pardon in being overcome? No! we inherit shame and confusion, guilt, fear, and wrath. When we cultivate our own temper, our own spirit, our own pride, our own worldliness, our own profit, do we inherit the image of Christ, the meekness of Jesus, the favor of God, the dew of the Spirit, the compassion of Jehovah? No! we feed upon ashes; the clusters are the clusters of Sodom, and grapes of gall. Let us have our pride gratified; does it put us into possession of a heavenly inheritance? Sorrow, shame, confusion follow. Are we overcome by our lusts? Do we gratify them? Do we fill our carnal heart with the enjoyment of them? What do we inherit? Love, pardon, peace, salvation, bliss? No! distress, shame, remorse, confusion, trouble, fear, doubt, despondency, the wrath of God in the conscience. Do we seek the exaltation of self in its various forms, that dear self may be honored, admired, gratified, fed? Do we then inherit all things? the favor of God, the testimony of mercy, the consolations of the Spirit, the dew of heaven? No! we inherit nothing but the inheritance of fools, which is shame and folly.
But do we overcome in God’s strength, in God’s name, in God’s righteousness? We begin, the moment that we overcome, to be put into possession of the inheritance. What is the inheritance? Is it not peace and pardon, the image of Christ, the “rivers of pleasure, which are at His right hand for evermore”? Is not this inheritance the goodly land flowing with brooks of honey, milk, and wine? Do we not, just in proportion as we overcome, drink into a portion of the inheritance?
Do I overcome the world? Am I separate in spirit from it? Is its love cast out? Are its allurements opened up to me in their true colors? Do I overcome it by believing on the name of the Son of God? Directly as I overcome it, I begin to drink into the eternal inheritance, into the kingdom of heaven, which is opposed to and incompatible with the kingdom of earth. I must be brought out of the world in heart, in spirit, in affection, that I may enter into the kingdom of heaven, and partake of the inheritance reserved for the saints.
Do I overcome myself? Is self mortified, crucified, subdued, put off? No sooner do I put off self than I put on Christ; I must put off the old man to put on the new. When I put off self, I put on Jesus; and in putting on Jesus, I put on the pledge of an eternal inheritance, which is Jesus in His almighty, glorious fullness.
Do I overcome my temper, my pride, my hypocrisy, the inward workings of self in all its hateful forms? Do I return good for evil? Do I turn the left cheek when the right is smitten? Do I humble myself under the mighty hand of God? Do I seek to know His will, and when known to do it? Am I contrite, brokenhearted, tender, softened, looking to the Lord, and to the Lord only? Do I sometimes thus overcome self? The moment that I overcome self, I begin to enter into the inheritance. The inheritance is the image of Jesus, for to that image we are predestinated to be conformed. Then no sooner do I overcome self than I put on the image of Christ; and in putting on the image of Christ I enter into the inheritance.
Does sin overcome me, or do I overcome sin? If I overcome sin, it is not in my own strength, or by my own resolutions. I am lost there. But do I ever overcome sin by the fear of God in my soul, as Joseph did? Do I ever overcome sin by looking to the Lord of life and glory to sprinkle His blood upon my conscience? Do I ever overcome sin by the leadings and teachings of the Spirit in my heart? No sooner do I thus overcome by the blood of the Lamb, and the word of His testimony, than I enter into the inheritance. So that there is a connection, a beautiful, an experimental connection, between overcoming here below, and inheriting here below.
But in order to enter into this inheritance, we must be perpetually reminded that we have no strength of our own. And thus our sins, our slips, our falls, our backslidings, our frailties (though we would not, dare not justify them), are mercifully overruled among the “all things” that work together for our good. They teach us our weakness, and by teaching us our weakness, lead us up to Christ’s strength—and by leading us up to Christ’s strength, to “inherit all things”—for in inheriting Him, we inherit all that He is to God’s people.
Those who know nothing of their own heart, of their own infirmities, of their own frailties, of their own inward or outward slips and backslidings, know nothing of the secret of superabounding grace, nothing of the secret of atoning blood, nothing of the secret of the Spirit’s inward testimony. They cannot. Only in proportion as we are emptied of self in all its various forms are we filled out of the fullness of Him who fills all in all.
Now you, perhaps, (I address myself personally to some poor tempted child of God, that in touching one, I may touch others) are a poor tempted creature, and your daily sorrow, your continual trouble, is that you are so soon overcome; that your temper, your lusts, your pride, your worldliness, your carnal corrupt heart, are perpetually getting the mastery. And from this you sometimes draw bitter conclusions. You say in the depth of your heart, “Can I be a child of God, and be thus? What mark and testimony have I of being in favor with God when I am so easily, so continually overcome?” Now I want you to look to the end. What is the outcome of these defeats? Remember, it is a solemn truth, and one that we learn very slowly, that we must be overcome in order to overcome. There is no setting out with a stock of strength, daily adding to it, weekly increasing it, and then gaining the victory by our own resolutions, our own innate strength. Such feigned holiness may come under a gospel garb, may wear a fair appearance; but it only more hides the rottenness of the flesh.
Then, remember this, that in order to gain the victory, we must know our weakness; and we can only know our weakness by its being experimentally opened up in our consciences. We cannot learn it from others; we must learn it in our own souls, and that often in a very painful manner. But these painful sensations in a tender conscience lead a man more humbly, more feelingly, more believingly, to the Lord of life and glory, to receive out of His fullness. Thus every defeat only leads to and ensures victory at the last. Says the Apostle, “In all these things we are more than conquerors.” How? Through our resolutions, through our wisdom? No. “Through Him who loved us.” There is no other way, then, to overcome, but by the “strength of Jesus made perfect in our weakness.”
Now, in “inheriting all things,” we inherit the pardon of sin. But what can we know of the pardon of sin, unless we know what sin is by the rankling of it in our conscience? In “inheriting all things,” we inherit the favor and love of God. But do not the favor and love of God flow through the channel of Immanuel’s sufferings and obedience? And were not Immanuel’s sufferings and obedience for transgressors? for “He was numbered with the transgressors” (Isa. 53:12); and it is a faithful saying, that “He came to seek and to save that which was lost” (Luke 19:10)—“to save sinners” (1 Tim. 1:15). Then, if we are to know the favor and love of God, we must know it as sinners. It is a painful way. We would desire to inherit the favor of God as ‘saints’, as holy people, as truly religious characters, as having a form of godliness, as being what is called ‘decidedly pious Christians’. But to inherit favor through shame, through sorrow, trouble, perplexity, remorse and penitence—that it is not the path that nature loves to walk in. Yet God’s favor and forgiving mercy, through the blood and obedience of Jesus, can flow, and do flow, only into a guilty sinner’s conscience.
2. But we pass on to consider the next promise connected with overcoming—“I will be his God, and he shall be My son.” What a promise! That the God of heaven and earth will be our God, our Father, our Benefactor, our eternal almighty Friend—and that we in overcoming shall receive the adoption of sons, shall be manifested as the “sons and daughters” of the Almighty, and receive the inheritance reserved for the children of God! The promise runs in connection with “him who overcomes.” If we do not overcome, the promise is not for us. The promise of sonship is connected with overcoming in the same manner as that of “inheritance” is connected with it. Do I want to receive into my heart the Spirit of adoption? Do I want to feel the love of God the Father shed abroad in my soul? Do I want to establish a blessed title to the inheritance that He gives to His children? How am I to get it? How is it to be obtained? By making myself religious, becoming holy, subduing my lusts in my own strength? This sets me farther from God than I was before! This makes me a god to myself! If I am saved by my own holiness, by my own strength, by my own righteousness, I worship myself, and in worshiping myself I become my own god. This is idolatry, damnable idolatry; so that he who lives and dies in the worship of self will live and die under the wrath of God as an idolater.
Then how am I to receive adoption? By overcoming—not in my own strength, but in the strength of the Lord of life and glory. No sooner do I thus overcome than I become manifestly a child of God. How are you to be known as children of God? By base lusts, by pride, by covetousness, hypocrisy, conformity to the world lying in wickedness? Are these the marks, the stamps upon God’s sheep? No! honest conscience bears witness. How are you manifested as God’s children, as lights in a crooked generation? By wearing the image of Christ. What was the image of Christ—blow for blow, eye for eye, tooth for tooth, revenge for revenge, evil for evil? No! that is not the mind of Christ, that is not the image of Christ. What was the mind of Christ? How did He act? “He committed Himself to Him who judges righteously;” He obeyed the will of the Father in all things; He gave Himself up wholly and solely into the hands of God, that His will might be done in and by Him. If, then, there is this image of Christ in your soul, if you are a child of God, your pride (and you will have pride to your dying day), your hypocrisy (and you will never be free from it), and your worldly-mindedness, will be your heaviest burdens. Corruptions do not prove that you are a child of God.
But the faith of God’s implanting, the hope of God’s giving, the love of God’s communicating; the meekness, quietness, humility, brokenness, resignation, tender conscience, godly fear, separation of heart and spirit from the world; communion with the Lord of life and glory, tasting His love and feeling His presence—these are the marks of sonship—and as we overcome, we enter upon it.
If I am shut up in self, I inherit self—nothing more. If I inherit the world, I have no more than the world. If I inherit sin, I inherit death, which is the wages of sin. Nothing more. But if I overcome, if weak, helpless and defenseless, I yield myself up to the hands of the Lord, as clay in the hands of the Potter; not seeking my own will, but looking to the Lord to make known His will in my conscience, and to work in me that which is well-pleasing in His sight. If I have this, I have an evidence of sonship; and where that evidence is, there will be a further evidence of it in the Spirit of adoption, enabling the soul to call God “Father.” And he who calls God “Father” here below, will call God “Father” above, where he will enter into the full enjoyment of it, and bathe in the consolations of Father, Son, and Spirit to all eternity.
Now there are two characters, perhaps more, here. There are those who are fighting in their own strength, and perhaps secretly congratulating themselves they are not as other men. No! they are wise, they are strong, they are righteous, they are holy. Now, be assured that this is not the way to overcome. Your victories are only defeats, and you will find one day, to your sorrow, that all your gain in self will end in shame and confusion of face.
There are others here, poor, tried, exercised children of God, who are daily and hourly plagued with the body of sin and death; corruption and sin, carnality and guilt perpetually lurking and working in their heart. You are on the high road to victory; you cannot overcome in any other way. Depend upon it, we shall find out, if we are the children of God, sooner or later, that we cannot overcome in our own strength, or our own righteousness. Happy are we, if we have learned this lesson, though by painful experience, through a humbling sense of our own helplessness and nothingness. Every feeling groan and cry, under a sense of our own nothingness and worthlessness, to a living and loving Lord, that He would be our “sun and shield”; every tender feeling of affection, and every submissive yielding up of the soul and spirit into His hands and keeping, is a sure pledge and foretaste of certain victory. We shall never be allowed to conquer in any other way; but if we are the Lord’s, we shall conquer, we shall overcome; for the promise is made to such—but then, we shall never overcome but in His own way.
May God, in mercy, beat out of our hands every weapon but His own. May God, in mercy, bring us to that spot where He works in the broken heart and tender conscience. We are safe there. We may doubt, we may fear, we may be exercised and distressed in our mind; we may not see the chariot of the Almighty coming to our relief. But we are in a much safer, in a much surer, in a much better spot than when standing upon the pinnacle of victory in our own strength and wisdom.
Do look at the words. The Lord lay it upon our hearts—“He who overcomes.” There is no promise to anyone else—“He who overcomes shall inherit all things.” Not one good thing shall fail; heaven here, and heaven hereafter—peace below, and peace above—the image of Christ now in his soul, and the image of Christ hereafter in soul and body. All the love of God, all the bliss of the saints, and all the happiness reserved at the right hand of God, where there are pleasures for evermore—all are summed up in that promise, shall “inherit all things.” Present sonship, and future enjoyment of it, are also contained in the promise. All are limited to, and belong to, that one character—and that one character, sooner or later, comprehends every ransomed soul—“He who overcomes shall inherit all things; and I will be his God, and he shall be My son.”