The Depth of the Fall
DOOR J.C. PHILPOT
Het meest duidelijk en tegelijk het meest doorslaggevend zijn de getuigenissen die de Heilige Geest in het Woord der waarheid heeft gegeven over de ernst van de zondeval—zo helder en overtuigend, dat het nauwelijks te begrijpen is hoe mensen die beweren de Schrift als goddelijke openbaring te aanvaarden, kunnen betwisten of ontkennen wat zo onmiskenbaar wordt verkondigd door Hem die noch dwalen noch liegen kan. Het gehele getuigenis van God, van het begin tot het einde—van de bladzijde die de moord op de martelaar Abel beschrijft, tot die waarop de hemelse stad wordt voorgesteld: “Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet”—is één voortdurende verklaring van wat de mens is: een gevallen zondaar in de ogen van oneindige Zuiverheid.
Wat de mens geworden is toen hij aan zichzelf werd overgelaten—en dus wat de menselijke natuur werkelijk is, als een troebele en bedorven bron waaruit zulke stromen van onuitsprekelijke gruwel voortkomen—wordt levendig beschreven door de apostel Paulus in Romeinen 1:21–32. Lees de samenvatting van die lange reeks misdaden; genoeg om de zon haar gezicht te doen verbergen voor zo’n vernedering van de natuur die eens, naar het beeld van God, zo schoon, onschuldig en zuiver was, waarin geen ijdele gedachte of zinnelijke begeerte de rust verstoorde van dat vlekkeloze hart waarin de trekken van zijn glorieuze Schepper zo helder schitterden.
Vergelijk de mens in het paradijs met het brute monster, de onreine ellendeling uit de heidense modderpoel, die als volgt wordt beschreven: “Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouders ongehoorzaam; Onverstandigen, verbondsbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen; Dewelke, daar zij het recht Gods weten (namelijk dat degenen die zulke dingen doen, des doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen.” (Romeinen 1:29–32)
Kan de menselijke taal een portret van de mens schetsen in nog donkerder tinten? Is er één lichtstraal die deze massa schaduw kan doorbreken? Eén edele en zuivere trek die de menselijke natuur zou kunnen redden van zo’n onvoorwaardelijke veroordeling? Men zou kunnen aanvoeren dat Paulus hier de heidense wereld tekent en de gruweldaden beschrijft die in zijn tijd werden bedreven—voordat het christendom zijn intrede deed in de wereld, voordat die zachte en weldadige genade de donkere hoeken der aarde verlichtte en een einde maakte aan de misdaden van het heidendom en de afgoderij. Het is waar dat hij de diepten van menselijke verdorvenheid beschrijft zoals die toen in de heidense wereld aan het licht kwamen—de misdaden die zonder schaamte of berouw werden gepleegd door de beschaafde Grieken en Romeinen. En dat deze beschrijving allerminst overdreven is, weet ieder die enigszins bekend is met de literatuur uit die tijd.
Maar zelfs wanneer al deze kanttekeningen zijn gemaakt, blijft de vraag zich met kracht opdringen: hoe kon de menselijke natuur uiterlijk zó verachtelijk worden, tenzij zij innerlijk reeds verachtelijk was? Hoe konden de lippen zonden uitspreken, hoe konden de handen zulke vuile en bloedige daden bedrijven, tenzij het hart eerst de gedachte had uitgebroed waaruit zulke afschuwelijke vruchten voortkwamen? De bron moet wel bitter zijn om zulk bitter water voort te brengen; de boom moet wel verdorven zijn om zulke “vergiftige wijndruiven” te dragen, waarvan de wijn “vurig drakenvenijn, en een wreed addervergift” is.
Maar heeft het christendom werkelijk zóveel bewerkt? Heeft het de mensheid hervormd en het menselijke geslacht vernieuwd?
Dank zij God heeft het veel gedaan—veel voor de man, en nog meer voor de vrouw. Het heeft misdaden die eertijds in het volle licht van de dag werden begaan, in de duisternis verbannen; het heeft de verschrikkingen van oorlog verzacht; het heeft de vrouw hersteld tot de zijde van de man, vanwaar zij oorspronkelijk genomen was; en het heeft beginselen van zedelijkheid en welwillendheid over de aarde verspreid, die de geest beïnvloeden van duizenden die nog altijd leven en sterven in de duisternis en de dood van onwedergeboorte.
Toch blijft – ondanks deze uiterlijke hervorming, die bovendien slechts beperkt en gedeeltelijk is – het hart van de mens een bron van kwaad, die onophoudelijk zijn verdorvenheid voortbrengt. Het is nog steeds door en door bedorven, verrot tot in het diepst van zijn wezen: een stromende, stinkende, kolkende, gistende massa van vuiligheid en dwaasheid, vol van bedrog en huichelarij, ongeloof en ontrouw, gemor en godslastering, begeerte en wellust, moordzucht en vijandschap, rebellie en wanhoop, voortwoekerend in goddeloosheid tot in de diepste diepten. Want ver, ver buiten het menselijk gezichtsveld strekken zich onpeilbare afgronden van misdaad uit, die zich – als een vulkaan – slechts verraden door de kokende lava die zij onophoudelijk uitwerpen.
Eén uitspraak van de Heilige Geest is ons vaak bijgebleven als de treffendste beschrijving van wat het menselijk hart werkelijk is: “Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.” (Romeinen 8:7.) Vijandschap tegen God draagt niet alleen de kiemen van alle andere misdaden in zich, maar is op zichzelf de grootste van alle misdaden. Een vijand van God te zijn is een huiveringwekkende toestand voor een schepsel dat door Zijn hand werd gevormd; maar vijandschap zélf is de geconcentreerde essentie van zonde en ellende. Een vijand kan worden verzoend, tot rust gebracht, in een vriend veranderd – maar vijandschap nooit. Vijandschap sterft, als ze al sterft, strijdend; zij is ongevoelig voor liefde, zoekt slechts de gelegenheid om haar weldoener nog sterker te haten om zijn goedheid, haat Hem juist om Zijn weldaden; zij kent geen medelijden, voelt geen berouw, is aan geen enkele heerschappij onderworpen, onverzoenlijk en onverbiddelijk, liever lijdend in haar eigen hel van haat dan genietend in een hemel van liefde.
En wanneer wij even stilstaan bij wie en wat de grote en glorieuze God is – Degene tegen wie dit reptielenhart zo’n hardnekkige en boosaardige vijandschap koestert; wanneer wij Hem door het oog van het geloof aanschouwen als Degene die hemel en aarde met Zijn heerlijkheid vervult, die woont in het ontoegankelijke licht en toch dagelijks al Zijn schepselen met weldaden overlaadt, wiens hart vol is van de tederste liefde en barmhartigheid jegens Zijn volk – dan, als wij een stervende sterveling zien, die met één enkele frons van de Almachtige kan worden neergeworpen uit de trots van gezondheid en kracht in de diepte van ellende en angst, en die, als een verachtelijke pad, zijn speeksel en gif uitspuwt tegen de glorieuze Koning der koningen en Heere der heren, dan mogen wij wel versteld staan van de hoogte van die aanmatiging en de afgrond van die slechtheid, die een worm van de aarde zo durft te bewapenen tegen de Majesteit van de hemel.
Toch is dit het ergste van alles: dat wij, dichter bij huis, in ons eigen binnenste moeten ontdekken dat ons hart, onze vleselijke geest, nog altijd is wat de Heilige Geest heeft genoemd “vijandschap” tegen de God van al onze barmhartigheid. Dat is de zwaarste, de meest wrede slag van allemaal!
Mensen verzetten zich tegen de soevereine genade; maar wat anders dan soevereine genade kan een situatie zo wanhopig als de onze verhelpen? Wat anders dan een zaligheid “zonder geld en zonder prijs”; wat anders dan de lengte, de breedte, de diepte en de hoogte van de stervende liefde van een vleesgeworden God? Wat anders dan het verzoenende bloed van een dierbare Verlosser kan zulke ellendige stakkers passen of redden? En wat anders dan de almacht en onoverwinnelijke genade van de Heilige Geest kan een ziel, die zo diep is weggezonken in vleselijkheid en dood, deelachtig maken aan die wonderlijke wedergeboorte van boven—waarbij zij “ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde”?
Most clear and decisive are the testimonies which the Holy Spirit has given in the word of truth to the depth of the fall—so clear and decisive that the wonder is how men professing to receive the Scriptures as an inspired revelation can dispute or deny what is so plainly declared by Him who cannot be deceived and who cannot lie. In fact, the whole testimony of God from first to last—from the page which records the murder of the martyred Abel to that which writes on the heavenly city, “For outside are dogs, and sorcerers, and whoremongers, and murderers, and idolaters, and whoever loves and makes a lie”—is a declaration of what man is as a fallen sinner before the eyes of infinite Purity. What man has done when left to himself, and therefore what human nature is, as a turbid and corrupt fountain, to pour forth such streams of unutterable abomination, is most vividly drawn by the apostle Paul in Romans 1:21-32.
Look at the summing up of the long catalogue of crime, enough to make the sun hide its face from such debasement of that nature created in the image of God, once so fair and beautiful, so innocent and so pure, in which not a vain thought or sensual desire ruffled the calm of that spotless heart in which the features of its glorious Creator so brightly shone. Compare man in Paradise with the brutal monster, the obscene wretch of the pagan sty thus described—“They are filled with all unrighteousness, evil, greed, and wickedness. They are full of envy, murder, disputes, deceit, and malice. They are gossips, slanderers, God-haters, arrogant, proud, boastful, inventors of evil, disobedient to parents, undiscerning, untrustworthy, unloving, and unmerciful. Although they know full well God’s just sentence—that those who practice such things deserve to die—they not only do them, but even applaud others who practice them.” (Romans 1:29-32)
Can human language paint man’s portrait in darker colors? Is there one bright tint to relieve this mass of shade? one fair and beautiful quality to redeem human nature from such unqualified denunciation? But it may be said, Paul is here describing the Gentile world, and picturing the abominations practiced in his days, before Christianity had dawned upon the earth, before that mild and beneficent dispensation had shone into the dark corners of the globe, and put to flight the crimes of heathenism and idolatry. True, he is describing the depths of human depravity as then manifested in the Gentile world, the crimes practiced without remorse or shame by the polished Greek and civilized Roman; and that his description is not exaggerated is well known to every one at all acquainted with the literature of that period. But after all this deduction, the question still recurs—How did human nature come to be so outwardly vile, unless it were inwardly base? How could lips utter words, how could hands perpetrate deeds of such filth and blood, unless the heart first conceived the thoughts which brought forth such horrid fruit? Surely the fountain must be bitter, to give forth such bitter waters; the tree must be corrupt, to bear such “grapes of gall,” the wine of which is “the poison of dragons and the cruel venom of asps.”
But has Christianity done so much? Has it reformed mankind and regenerated the human race? It has, thanks be to God, done much for man and more for woman; it has banished into darkness crimes once committed in the light of day; it has alleviated the horrors of war; elevated woman to the side of man, whence she was originally taken; and spread principles of morality and kindness far and wide, which influence the minds of thousands who still live and die in all the darkness and death of unregeneracy.
But beyond this outward reformation—and that most scanty and partial—the heart of man is still a fountain of evil, casting forth its wickedness. It is still corrupt to the very center, foul to the very core—a running, reeking, heaving, fermenting mass of filth and folly, full of deceit and hypocrisy, unbelief and infidelity, murmuring and blasphemy, lust and sensuality, murder and enmity, rebellion and despair, increasing in wickedness down to its lowest depths—for far, far beyond all human sight, unfathomable abysses of crime stretch themselves, which, like a volcano, only make themselves known by the boiling lava which they continually throw up.
One sentence of the Holy Spirit has often struck our mind as depicting more than any other what the heart of man really is—“Because the carnal mind is enmity against God; for it is not subject to the law of God, neither indeed can be.” (Rom. 8:7.) Enmity against God must not only include in its bosom the seeds of every other crime, but be in itself the worst of all crimes. To be an enemy to God must be a most awful position for a creature of his hand to stand in; but to be enmity itself must be the concentrated essence of sin and misery. An enemy may be reconciled, appeased, turned into a friend; but enmity, never. That dies, if die it can, fighting; that is proof against all love; that seeks only occasion by the very kindness of its benefactor to hate him more—hates him most for his goodness; that knows no pity, feels no remorse, is subject to no control, is unappeasable and irreconcilable, and would sooner bear its own inward hell of hate than enjoy a heaven of love.
And when we think for a moment who and what the great and glorious God is, against whom this reptile heart bears an enmity so enduring and so wicked; when we view him by the eye of faith as filling heaven and earth with his glory, dwelling in the light which no man can approach unto, and yet day after day loading all his creatures with benefits, and to his people so full of the tenderest love and compassion—then to see a dying mortal, whom one frown can hurl from all the pride of health and vigor into the lowest hell of misery and woe, spewing forth, like some miserable toad, his spit and venom against the glorious King of kings and Lord of lords—well may we stand amazed at the height of that presumption and the depth of that wickedness which can so arm a ‘worm of earth’ against the ‘Majesty of heaven’.
But worse than all, to come nearer home, to find our own heart, our own carnal mind, still what the Holy Spirit has described it, “enmity” against the God of all our mercies—that is the worst, the cruelest blow of all!
Men fight against sovereign grace; yet what but sovereign grace can meet a case so desperate as ours? What but a salvation without money and without price, what but the length and breadth, and depth, and height of the dying love of an incarnate God, and the atoning blood of a dear Redeemer can suit or save such miserable wretches! And what but the almighty power and invincible grace of the Holy Spirit can communicate to the soul, sunk so low into carnality and death, that wondrous birth from above whereby it is “delivered from the power of darkness and translated into the kingdom of God’s dear Son?”