Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Rijkdommen van Philpot — deel 8 (deel 2 van 2): Alle dingen werken mee ten goede

Philpot laat zien hoe halsstarrig de mens is en hoe de Heere beproevingen en ellende naar Zijn wijs plan zendt. Alle dingen werken mee ten goede voor wie Hem liefhebben en door soevereine genade worden getrokken.

Wat een schepsel is de mens! Wat een halsstarrige, verdraaide, opstandige ellendeling – dat toorn en oordelen hem niet kunnen verbeteren! De Heere vertelt ons hier waarom Hij Zijn volk sloeg. Het was om de ongerechtigheid van hun gierigheid. Het woord “gierigheid” wijst erop waarmee het menselijk hart zich vooral bezighoudt. Wij mogen de uitdrukking namelijk niet beperken tot hebzucht naar geld. Wij moeten haar opvatten als het uitgaan van het hart van de mens naar de dingen van tijd en zinnen – het onverzadigbare verlangen van de vleselijke gezindheid naar aardse en zinnelijke bevrediging.

Deze gierigheid noemt God ongerechtigheid. Zij ligt hierin dat de mens alles wat aards en zinnelijk is meer liefheeft dan God. Hij zoekt genot bij elk voorwerp behalve bij de Heere. Hij stort zich opzettelijk en gretig in elke lage lust en maakt van vleselijke dingen zijn vreugde en geluk.

Nu sloeg de Heere hem, tot toorn bewogen door de ongerechtigheid van zijn gierigheid – met slag op slag – met teleurstelling op teleurstelling – met ellende op ellende – met moeite op moeite. Maar al Zijn tuchtmiddelen waren tevergeefs! Zij wekten in hem geen geestelijk werk op – brachten hem niet aan de voeten van de Heere – veranderden zijn wil niet – en vernieuwden hem niet in de geest van zijn gemoed. Zij lieten hem zoals zij hem aantroffen – aards, zinnelijk en dood. Of liever: zij lieten hem slechter achter dan zij hem aantroffen. Want zijn hart werd harder en zijn geweten meer afgestompt dan tevoren!

Zo halsstarrig, opstandig, eigenzinnig en verdraaid is de mens dat geen stap die de Heere in oordeel of toorn kon zetten – los van de werkingen van de Geest, want dat is het punt dat ik probeer aan te dringen – ook maar het minste effect op hem kon hebben. Ziet u ouders dit niet vaak bij uw kinderen? Soms kunt u niets van hen maken. Er is zo’n eigenzinnigheid en verkeerdheid van aard in hen dat al uw kastijdingen en alle middelen die u gebruikt om hen beter te maken, hen alleen maar slechter lijken te maken. Met al de moeite die u zich voor hen getroost, kunt u hen geen haar beter maken!

Wat eigenzinnige kinderen vaak voor hun ouders zijn, zijn wij voor God. Zijn striemen – Zijn fronsen – Zijn Zich verbergen – Zijn scherpe ellende – brengen in ons niets geestelijks goeds voort. Wij gaan rechtdoor zondigen – mompelend van verkeerdheid, vol opstand, gemelijkheid en ontevredenheid. En al voelen wij de roede van God op ons, toch is er geen verbreking van hart – geen onderwerping van ziel – geen verslagenheid van geest voor Hem!

Zij doen hem treuren

Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde (Jesaja 61:3)

Het kind van God zal min of meer een geestelijk treurende zijn vanwege het kwaad dat in hem woont. Hoe meer hij zijn hart leert kennen – hoe langer hij wandelt in het goddelijke leven – en hoe meer de zonde voor hem wordt opengelegd in het licht van Gods aangezicht – des te meer zal hij een geestelijk treurende zijn.

Soms treurt hij over het kwaad van zijn hart – dat zijn lusten en verdorvenheden zo sterk zijn en hij zo zwak ertegen. Soms over de verzoekingen die Satan voor zijn voeten heeft gelegd, waarin hij verstrikt is geraakt en waardoor hij is neergeslagen. Soms over de afwezigheid van God en dat hij zo weinig toegang vindt tot Zijn gezegende Majesteit. Soms treurt hij omdat hij voelt hoe weinig genade hij heeft.

Soms treurt hij over zijn afvalligheden – hoe hij verstrikt is geraakt in zijn lusten en eraan heeft toegegeven – hoe zijn drift hem heeft overmeesterd – hoe hij heeft gemord en gemopperd tegen Gods handelingen met hem, zodat hij soms bijna losbarstte in vloeken of iets wanhopigs deed. Als deze en duizend andere kwaden in het hart van een mens worden gevoeld, doen zij hem treuren en hebben zij, zoals de tekst zegt, as tot zijn bedekking.

Hij treurt ook over zijn gebrek aan vruchtbaarheid – en dat hij niet kan zijn, doen of zeggen wat hij zou willen. Hij heeft sterke verlangens om de leer van God in alle dingen te sieren – geestelijkheid van gemoed en een teder geweten te hebben – en een leven van geloof, gebed en waakzaamheid te leiden. Maar hij moet met de apostel belijden: Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Romeinen 7:19). Want zijn gemoed doet vaak, zeer vaak, juist het tegenovergestelde.

Al deze dingen, samen met Satans krachtige verzoekingen en zijn vele bange twijfels vanwege het zich verbergen van Gods aangezicht om zijn zonden, en zijn volkomen onvermogen de lasten af te werpen die hem neerdrukken – maken hem diep neerslachtig. Daar komt bij dat hij ook nog vervolging moeten ondervinden om de waarheid van mensen die hem misschien na en dierbaar zijn. Zo heeft hij niet één maar vele smarten waar hij doorheen moet waden. Daardoor is hij soms in zijn gevoel van alle mensen het ellendigst!

Ik ben vol verwarring!

“Ik ben vol verwarring!” (Job 10:15)

God is de grote Heerser, Bestuurder en Beheerser van alle dingen! Wij moeten de velerlei gebeurtenissen die steeds in deze wereld plaatsvinden niet beschouwen als louter “toeval” – een verwarde mengelmoes – alsof al deze talloze omstandigheden als knikkers in een zak werden gegooid en er zonder enige orde of regeling weer uit werden geschud. God is een God van orde. In de natuurlijke wereld, de wereld van de schepping, is alles in orde. In de geestelijke wereld, de wereld van de genade, is alles in orde. En in de wereld van de voorzienigheid is ook alles orde.

Voor ons verstand lijkt het wel vaak wanorde. Maar dat komt door onze onwetendheid en doordat wij het geheel niet zien als één bepaald geordend plan.

Zag u een wever aan een weefgetouw werken en zag u niets dan de draden en de spoelen in voortdurende beweging op en neer springen – dan zou u niets dan verwarring zien. U zou zich niet het geringste denkbeeld kunnen vormen van het patroon dat geweven wordt. Maar is het geheel voltooid en de zijde van de rol gehaald, dan ziet u een patroon in prachtige orde – elke draad werkt mee aan één harmonieus ontwerp. Dat alles was echter vooraf bekend bij de kunstenaar die het patroon ontwierp en elke maatregel werd strikt daarop afgestemd.

Als dit zo is met Gods beschikkingen in de voorzienigheid – hoeveel te meer geldt het dan van Zijn heerlijke plannen in de genade. Elke beproeving, verzoeking, ellende en smart is slechts het gevolg van een bepaald plan in de eeuwige gedachte. Toch lijkt het ons zo vaak verwarring! Deze verwarring zit niet zozeer in de dingen zelf als in onze geest. Job riep, omringd door moeite: “Ik ben vol verwarring!” Toch kunnen wij bij het lezen van zijn geschiedenis zien dat al zijn beproevingen werkten naar een vastgesteld einde.

Elke beproeving, smart, verzoeking of ellende die ooit op uw pad heeft gelegen of ooit zal liggen is door oneindige, onfeilbare wijsheid afgebakend! Wordt niet de gewoonste weg uitgezet volgens een bepaald plan en plaatst de landmeter, wanneer hij hem uitzet, niet elke mijlpaal op de juiste plaats? Legt dan niet ook de Heere van tevoren de weg aan waarop Zijn volk moet wandelen? En plaatst Hij niet hier een beproeving en daar een smart – een ellende bij deze bocht en een moeite op die hoek? Alles is nauwkeurig vastgesteld in Zijn oneindige wijsheid om de reiziger veilig thuis te brengen in Sion!

Mijn innerlijke duivelsheid

“Ik heb een dagelijks kruis – een dagelijkse last – een dagelijkse ellende. Het is mijn vreselijke hart – mijn vleselijke gezindheid – mijn verdorven natuur – de zonde die in mij woont – mijn ongeloof – mijn goddeloosheid – mijn wereldgezindheid – mijn afvalligheid – mijn bedrieglijke, overspelige en afgodische hart – de begeerte van de ogen – de begeerte van het vlees en de grootsheid van het leven. Mijn innerlijke duivelsheid, waarmee ik vervuld ben, doet mij dagelijks diep kreunen, ontlokt mij menige zucht en doet mij treuren voor God dat ik zo’n goddeloos hard hart heb. Mijn zonden, mijn afvalligheden kwellen mij en bedroeven mij diep.”

De ellende die de Heere over Zijn volk zendt

Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren (Psalm 88:8)

Jezus was een Man van smarten, en verzocht in krankheid (Jesaja 53:3). En Zijn volk moet in hun mate hetzelfde ondergaan. De Heere heeft bepaald dat het zo zal zijn. Hij heeft Zijn Sion uitgekozen in de smeltoven van de ellende. Er is geen ontkomen aan. De ellende die de Heere over Zijn volk zendt, is van velerlei soort. De Heere acht het nodig ellende te zenden die past bij de omstandigheden, de staat en de toestand van ieder. Wat voor de een een ellende zou zijn, hoeft dat niet voor een ander te zijn. Ieder moet zijn eigen ellende dragen. Ieder moet zijn eigen last torsen – en ieder zijn eigen toegemeten lot doorstaan.

Onze wijze God ziet precies welke ellende Hij aan ieder en allen moet opleggen – wanneer zij komt – waar zij komt – waarom zij komt – hoe zij komt – hoe zij werkt – wat zij werkt – hoe lang zij duurt – wanneer zij wordt opgelegd – en wanneer zij wordt weggenomen. In deze dingen handelt de Heere als een soeverein. Wij hebben niet gekozen uit welke ouders wij geboren zouden worden – noch onze positie in het leven – noch hadden wij enige keus over onze gestalte of huidskleur. De Heere heeft al onze ellende voor ons bepaald – en wanneer Hij haar oplegt, kan geen menselijke arm haar wegnemen.

Hij kent onze gesteldheid en onze moeiten – onze eigenschappen en de geringste dingen in verband met onze positie in het leven. De Heere kent al onze zaken. Daarom legt Hij op ieder mens precies de ellende op die Hij ziet dat die mens nodig heeft – niet groter, niet kleiner. Het is precies de ellende die het door God bepaalde doel zal bewerken dat Hij bedoeld heeft – tot heil van de ziel en tot Gods eigen eer!

Wie zijn deze mensen?

tot Hem zal men komen (Jesaja 45:24)

Wie zijn deze mensen? Zijn het niet wedergeboren mannen en vrouwen – verlost door de Heere, wedergeboren door de Heilige Geest en levend gemaakt voor God door Zijn bijzonder onderwijs in het geweten? Deze mensen behoren tot Gods eigen gezegende, verloste en wedergeboren gezin. Het is Gods plechtige, onveranderlijke verklaring dat tot Hem zal men komen. Het rust dus niet op de wil van het schepsel – het hangt geheel en alleen af van het soevereine besluit van God Zelf.

Hoe brengt Hij dit teweeg? Door een bijzonder genadewerk in het hart. Hoe komen deze mensen? Onder het onderwijs, trekken en leiden van de gezegende Geest van God in hun ziel. Waar vindt de gezegende Geest hen? Vindt Hij hen bereid om te komen – bereid om alles te verlaten waarvan mensen van nature houden en waaraan zij vastkleven? Nee! Het moet het bijzondere werk van God Zelf zijn in hart en geweten. Hij brengt het teweeg door ons duidelijk te laten zien dat wij in onszelf verloren zijn.

Totdat een mens zich in zichzelf verloren en vernietigd voelt, zal hij nooit tot Jezus Christus komen. Want Hij is de Zaligmaker van de verlorenen. Zolang wij ons niet verloren voelen, is Hij voor ons geen Zaligmaker. Voelen wij ons verloren – wordt al onze gerechtigheid blootgelegd als vuile lompen – zien wij geen uitweg uit de vreselijke put – en behaagt het de Heere de Persoon van de Heere Jezus Christus voor ons te openen – Zijn verzoenend bloed – Zijn volmaakte gehoorzaamheid – Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid en stervende liefde – en legt Hij deze dingen met enige zoetheid en kracht op de ziel – dan komen wij.

Waarom komen wij? Omdat de gezegende Geest in ons werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:13). Hij stelt ons in staat te komen onder Zijn gezegend onderwijs, leiden en werken.

Eigenwaan en zelfverheffing?

Opdat geen vlees zou roemen voor Hem (1 Korinthe 1:29) en Die roemt, roeme in den Heere (1 Korinthe 1:31)

Opdat wij in de Heere zouden roemen, is het volstrekt noodzakelijk dat wij ophouden in ZELF te roemen. Van nature zijn wij allen geneigd in onszelf te roemen door die vervloekte beginselen van eigenwaan en zelfverheffing. Niets dan de machtige kracht van God kan deze vervloekte beginselen neerhalen. Wij zijn geneigd tot deze hoogmoed en zij wordt versterkt en rijpt in het hart van een gevallen zondaar.

Het is het werk van de Geest in het geweten van de zondaar – om alle hoogmoed van de mens met verachting te overstelpen – de diepte van de val te openen – al zijn verborgen verdorvenheden aan het licht te brengen – alle kwaad van zijn hart te ontbloten en bloot te leggen – de diepe verdorvenheden van zijn gevallen natuur voor zijn verbaasde ogen om te keren – opdat hij met ware nederigheid van ziel, verbrokenheid van hart en verslagenheid van geest voor God leert zichzelf te verfoeien en te verafschuwen in stof en as als een monster van ongerechtigheid.

Is een mens niet door de sterke hand van God in zijn ziel onderwezen om zichzelf te verafschuwen, te verfoeien en tegen zichzelf uit te roepen als een van de snoodste ellendelingen die op Gods aarde kruipen – dan heeft hij nooit geleerd te roemen in de Heere Jezus Christus. Openbaart de Heere Jezus Christus aan zijn ziel een besef van Zijn liefde en ontvouwt Hij een zicht op Zijn heerlijkheid voor zijn verbaasde ogen – dan wordt hij ertoe gebracht uit zichzelf te kijken en weg van alles wat hij heeft – naar de Heere Jezus Christus!

Het hoogste voorrecht

Het hoogste voorrecht, de grootste zegen, de rijkste gunst die God aan iemand kan schenken, is hem tot Zijn eigen innig geliefd kind te maken. Want daarmee verheft Hij hem niet alleen tot de edelste waardigheid maar ook tot de hoogste top van heerlijkheid en geluk die in Zijn eigen eeuwige, zalige tegenwoordigheid genoten kan worden. Onze hemelse Vader schenkt ons, Zijn kinderen, al die nodige barmhartigheden en gunsten die Zijn wijsheid kan bedenken – Zijn liefde kan aanzetten – en Zijn macht kan volbrengen.

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus (Romeinen 8:17)

Wat betekent het erfgenaam van God te zijn? Het is God te hebben als ons eeuwige bezit – dat alle liefde, heerlijkheid, zaligheid en gelukzaligheid van de zelfbestaande Jehova ons gegeven wordt om eeuwig te genieten. Wat de liefde van God ook kan geven – wat de genade van God ook kan schenken – wat de heerlijkheid van God ook kan openbaren – welke volheid van zaligheid er ook is in de eeuwige tegenwoordigheid van de grote en heerlijke Jehova – dat alles is het onze als wij kinderen van God zijn!

Een pelgrim en een vreemdeling

Het kind van God is als pelgrim en vreemdeling gescheiden van de wereld – en dringt door duizend vijanden en vrezen heen voort naar een hemels vaderland.

Zij hebben u goed gedaan

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28)

Hebben uw beproevingen u vernederd? Hebben zij u zachtmoedig en nederig gemaakt? Zo ja, dan hebben zij u goed gedaan. Hebben zij een geest van gebed in uw boezem opgewekt – en u doen zuchten, roepen en kermen dat de Heere zal verschijnen, bezoeken of uw ziel zegenen? Dan hebben zij u goed gedaan. Hebben zij die gedeelten van Gods woord voor u geopend die vol barmhartigheid en troost zijn voor Zijn bedrukte volk? Dan hebben zij u goed gedaan.

Hebben zij u oprechter, ernstiger, geestelijker, hemelser gezind gemaakt en meer overtuigd dat de Heere Jezus alleen uw ziel kan zegenen en troosten? Dan hebben zij u goed gedaan. Hebben zij de Bijbel dierbaarder voor u gemaakt – de beloften zoeter – en Gods handelingen met uw ziel meer gewaardeerd? Dan hebben zij u goed gedaan.

Zo gebeurt het dat alle dingen medewerken ten goede. Niet door u op te blazen met hoogmoed – maar door uw hart te vullen met nederigheid. Niet door aanmatiging aan te moedigen – maar door uw genegenheden te verheffen naar waar Jezus aan de rechterhand van God zit. Niet door ons de wereld in te voeren – maar door ons eruit te brengen. Niet door ons te bedekken met een sluier van onwetendheid en aanmatiging – maar door deze sluier weg te nemen en licht, leven en kracht in de ziel te brengen!

Gods goddelijke beschikking

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28)

“Alle dingen!” Kijk daar eens naar! Alles wat ons lichaam en onze ziel aangaat – alles in de voorzienigheid – alles in de genade – alles wat u hebt doorgemaakt – alles wat u doormaakt – alles wat u zult doormaken. “Alle dingen!” Wat! Is er dan geen enkel ding, hoe klein, hoe betrekkelijk onbelangrijk ook, dat niet tot mijn goed is als ik God liefheb? Nee! Niet één! Als er één ding was dat mij overkomt en niet medewerkt tot mijn goed, als ik een kind van God ben – dan zou, zeg ik het met eerbied, dit vers een leugen zijn in Gods boek.

En toch, als wij de verscheidenheid van dingen bedenken die ons raken – en geloven dat zij allemaal medewerken tot ons goed – hoe moeten wij dan de wonderlijke wijsheid, macht en regering van God bewonderen! Worden wij beproefd in onze omstandigheden? Dit is naar Gods goddelijke beschikking. Is het de wil en het welbehagen van de Heere ons in de wereld neer te halen door smarten en tegenspoed in de voorzienigheid? Ook dit is naar Gods goddelijke beschikking. Hebben wij ellende in het gezin? Ook dat is naar Gods goddelijke beschikking. Het komt van Hem. Niets kan gebeuren in het lichaam – in het bezit – in het gezin – dat niet voortkomt uit Gods goddelijke beschikking.

Worden kinderen weggenomen? Zij worden weggenomen door de hand van God! De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen (Job 1:21). Is vrouw of man getroffen? De hand van God is erin. Wordt het lichaam neergedrukt door ziekte? Het komt van God. Wordt de geest beproefd met duizend verlegenheden, zorgen en kommer? Ook dan is het de hand van God. Al deze zaken komen voort uit Zijn goddelijke beschikking! Niets kan plaatsvinden, noch in de voorzienigheid noch in de genade – behalve wat God in Zijn oneindige wijsheid heeft besloten uit te voeren – of besloten heeft toe te laten!

Behouden!

Hij zal komen en ulieden verlossen (Jesaja 35:4)

Behouden te worden! Wie kan de diepte van dat woord doorgronden? Pas in de eeuwigheid zal bekend zijn wat in het woord behouden ligt opgesloten. Want de verheerlijkte geest moet van de bolwerken van de hemel neerzien in de vreselijke put van de hel voordat hij een miljoenste deel kan begrijpen van wat in het woord behouden besloten ligt. Behouden van de hel – behouden van de uitstorting van Gods vreselijke toorn door ontelbare eeuwen heen – behouden van eeuwige straf met duivels en verloren geesten – en behouden tot die hemel die geen einde kent maar zich steeds opent met rijkere openbaringen van heerlijkheid en zaligheid!

Verdienste?

Verdienste? Ik ken maar één verdienste die wij hebben – de hel. Als de zaligheid uit menselijke verdienste was – dan zou geen enkele ziel behouden kunnen worden!

Met goddelijke kracht toegepast op het hart

En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden (Handelingen 20:32)

Wij worden niet opgebouwd door vleselijke heiligheid – door schepselvroomheid – door lange en luide gebeden – door de daden en plichten van het vlees – noch zelfs door gezonde leerstukken die in ons brein ronddrijven. Maar wij worden opgebouwd door “het woord van Gods genade”, met goddelijke kracht toegepast op het hart. Met andere woorden: door de zoete openbaring – de zalvende toepassing – en de goddelijke onthulling van het evangelie van de genade van God.

Hebt u geleden onder verzoeking – en bent u eruit verlost? Het was “het woord van Gods genade” dat u opbouwde. Bent u in zware beproeving geweest – en heeft de Heere u daarin gezegend en eruit geleid? Het was “het woord van Gods genade” dat u opbouwde.

Bent u verstrikt geraakt in een dwaling – en heeft de Heere u uit die dwaling gerukt door een gedeelte van Zijn waarheid op uw ziel toe te passen? Het was “het woord van Gods genade” dat u opbouwde. Bent u verstrikt geraakt in de lusten van het vlees – of neergeslagen door een strik van de duivel – en heeft de Heere u eruit verlost? Het was “het woord van Zijn genade” dat u opbouwde.

Als wij Hem verloochenen

indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen (2 Timotheüs 2:12)

Soms ontzeggen wij Jezus onze genegenheden. De wereld krijgt ons te pakken. Zij die wij liefhebben, slingeren zich om ons hart. De dingen van tijd en zinnen beginnen ons aangenaam en zoet te worden. Wij worden geleidelijk vleselijk, koud en dood. Dan zal Hij ons verloochenen – dat wil zeggen: Hij zal Zijn liefde niet laten druppelen in een ziel die al door een afgod in beslag is genomen. Zijn wij koud tegenover Hem, dan zal Hij Zich schuw tegenover ons gedragen. En zijn wij nalatig tegenover Zijn gunst en Zijn genade, dan zal Hij het ons vergelden door ze te onthouden.

Een voortdurende strik voor ons

Wij voelen dat de wereld, met al haar bekoringen – haar aantrekkingskracht – haar gewoonten – haar verzoekingen – een voortdurende strik voor ons is. Onze ogen worden gevangen door elke voorbijgaande ijdelheid. De glans en gloed van de dingen van tijd en zinnen trekken onze ogen aan. En zoals de mot rond de kaars fladdert totdat hij zijn vleugels verbrandt – zo fladderen ook wij voortdurend rond de glans en gloed van de wereld – en raken vaak treurig geschroeid!

Wij vragen de Heere dan dat Hij ons van de wereld scheidt – ons verlost van deze strikken – ons opvoert in zoete gemeenschap met Zichzelf – ons uit deze vleselijke gesteldheid haalt – en ons begunstigt met een gezegende verruiming van de ziel. Wij vragen de Heere dat Hij ons in staat stelt naar Hem op te zien – Hem te omhelzen in onze genegenheden – en Hem uit een rein hart vurig lief te hebben. De Heere verwaardigt Zich het gebed te verhoren – maar op een wijze waarvan wij nauwelijks dromen.

In plaats van het te beantwoorden door een zoete openbaring van Christus te geven – legt Hij schuld op ons geweten. Nieuwe verzoekingen brengen ons in een staat van strijd tot wij gedwongen worden ons aan de voet van het kruis neer te werpen – als schuldige, vuile rebellen. Wanneer de Heere de ziel daar heeft gebracht en haar door het geloof in staat stelt een gekruisigde Zaligmaker te zien – dan wordt er een kracht meegedeeld die het hart losmaakt van deze wereld en al haar ijdelheden!

En zijn wij in onze genegenheid van de wereld losgemaakt – dan wordt er een nieuw en onuitsprekelijk genoegen, een nieuwe zoetheid en zaligheid gevoeld in het uitstorten van het hart voor Hem – dat de wereld met al haar ijdele bekoringen nooit in ons kan teweegbrengen. Wordt hij in enige mate begunstigd met een zicht op een stervende Heere – krijgt hij door het geloof een blik op het kruis van Christus – en beginnen geloof, hoop en liefde, tederheid, droefheid en verslagenheid in zijn boezem op te komen – dan wordt de zonde gehaat – de verzoeking verzwakt – geestelijkheid van gemoed voortgebracht – en de vleselijke gezindheid voor een tijd afgestompt voor die lage begeerten die tevoren de bovenhand hadden!

De hemelse hardloper

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God (Hebreeën 12:1-2)

De hemelse hardloper kijkt geheel naar de vleesgeworden Zoon van God. Jezus trekt hem voort met Zijn onoverwinnelijke genade – en terwijl hij loopt en kijkt – en kijkt en loopt – geeft elke nieuwe blik hernieuwde kracht! En telkens als wij Zijn schoonheid en heerlijkheid aanschouwen, zien wij meer om te geloven, te bewonderen en Hem lief te hebben. Elke blik op Zijn schone Persoon doet de vlam van heilige liefde opnieuw ontbranden! En elke aanraking van Zijn heilige vinger doet het hart smelten tot gelijkvormigheid aan Zijn lijdend beeld.

Dit is het leven van een christen – dagelijks een wedloop voor de eeuwigheid te lopen. Hij snelt voort naar een hemels doel door voortdurend de verlangens van zijn ziel naar goddelijke werkelijkheden uit te ademen. En hij dringt steeds meer voort naar de Heere Jezus Christus die hem een hemelse kroon zal geven wanneer hij zijn loop met vreugde heeft voleindigd.

Maar terwijl hij loopt, wordt hij neergebogen onder lasten. Vele beproevingen en smarten – vele zorgen en vermoeiende angsten – vele krachtige verzoekingen – vele boezemzonden – vele innerlijke afgoden – vele twijfels en vrezen – vele wegzinkingen en bevingen – vele belemmeringen door zijn gevoelde koudheid en duisternis – hangen aan hem en drukken hem neer. Daardoor kan hij soms geen voet meer verzetten.

Maar ondanks belemmeringen van buiten en van binnen ziet hij elke keer weer Jezus aan het einde van de wedloop die de kroon uitreikt. Als hij Hem ziet, wordt hij aangemoedigd en in staat gesteld opnieuw te lopen – kijkend naar Hem – om kracht en deugd uit Zijn volheid te ontvangen.

Hij kan de wedloop niet met enige hoop op succes lopen dan door naar Jezus te kijken – en voorraden van kracht en macht uit Zijn volheid te ontvangen. Al bent u mat – blijf toch najagen. Loop door en loop door elke moeilijkheid heen. De gezegende Jezus, die u voorttrekt met blikken van liefde, zal u nooit loslaten – noch Zijn genadige werk in uw hart staken! Hij zal het geloof en de hoop die Hij u gegeven heeft onderhouden – en zal u nooit uit de wedloop laten vallen – maar u zeker als winnaar thuisbrengen en u kronen met eeuwige overwinning!

Vertroost uw harten

En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk (2 Thessalonicenzen 2:16-17)

Houd dit altijd in gedachten: welke ellende de kinderen van God ook overkomt, zij wordt hun opgelegd door de hand van God – en wel met het uitdrukkelijke doel hen in een toestand te brengen en in staat te stellen die vertroostingen te ontvangen die God alleen kan schenken. Al onze beproevingen en ellenden – tijdelijke of geestelijke – effenen de weg voor wat de apostel zo ernstig bidt in onze tekst – dat de Heere Zelf uw harten zou vertroosten.

Merk op dat Paulus geen melding maakt van aardse troost. Hij noemt alleen onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader – en over hen zegt hij: Vertrooste uw harten. O, niemand dan Jezus Zelf en de Vader kan een waarlijk bedrukt hart vertroosten! Maar Hij kan het en doet het van tijd tot tijd voor Zijn dierbaar volk – door een besef van Zijn tegenwoordigheid – door een machtig woord van Zijn genadige lippen – door het licht van Zijn aangezicht – door de balsem van Zijn verzoenend bloed en stervende liefde – door het werk en de getuigenis van de Geest van binnen. En wanneer zij deze vertroosting uit de mond van God ontvangen – worden hun harten getroost.

De hoop van de huichelaar

de verwachting des huichelaars zal vergaan (Job 8:13)

De hoop van de huichelaar is elke hoop die op het zelf is gebaseerd – in welke gedaante of vorm het zelf zich ook voordoet. De hoop van de huichelaar is elke verwachting dat God u zal belonen voor uw goede werken – elke hoop dat Hij u genadig zal zijn omdat u niet zo slecht bent geweest als anderen – elke hoop dat u door uw eigen kracht en wijsheid ooit in een betere positie zult zijn om te sterven dan nu – elke hoop gebaseerd op een louter belijdenis van de waarheid zonder gevoelde bevinding van haar kracht – elke hoop die steunt op de goede mening van anderen en niet rust op het getuigenis van de Geest van God in uw binnenste.

Kortom, elke hoop die niet door de adem van God in het hart is gelegd, is de hoop van de huichelaar.

Op weg naar de hemel?

opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden (Johannes 9:39)

Velen die denken dat zij naar de hemel gaan – gaan naar de hel. En velen die vrezen dat zij naar de hel gaan – gaan naar de hemel. Velen die zichzelf wijs achten en in het licht wanen – zijn in onwetendheid en duisternis. Terwijl velen die zich onwetend en dwaas voelen – ware kennis en wijsheid hebben.

Het was soevereine genade

De soevereiniteit van God is een groot geheim – een geheim zo diep dat het absoluut niet te doorgronden is voor het menselijk verstand. Daarom hebben mensen die niet kunnen of willen geloven wat zij niet kunnen begrijpen de soevereiniteit van God ontkend. Met zwakke handen hebben zij geprobeerd de scepter van de almacht te ontrukken aan de greep van de machtige Heere van hemel en aarde – de grote en heerlijke Beslisser van alle gebeurtenissen en Beschikker van alle omstandigheden.

Maar het kind van de genade, dat onder goddelijk onderwijs staat, wordt vroeg of laat gebracht tot het zien en erkennen van de soevereiniteit van God. Dat gebeurt hoe sterk zijn vooroordelen tegen de waarheid van de Schrift ook waren en hoe hevig zijn verzet daartegen ook was in de dagen van zijn onwetendheid. En wanneer hij in dit geheim wordt ingeleid, ontvangt hij het als een allergezegendste waarheid.

Wordt zijn oog geopend om de soevereine hand van God te zien in het bepalen en vaststellen van de omstandigheden van zijn aards bestaan – dan ziet hij hoe alles door oneindige wijsheid geregeld en door oneindige macht uitgevoerd is. En komt hij bij het gebied van de genade en kan hij met gelovig oog Gods handelingen met zijn ziel nagaan – dan straalt de soevereiniteit van God nog duidelijker in zijn hart.

Want hij weet heel goed dat de “vrije wil” daar geen plaats had – en dat het niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods was (Romeinen 9:16). Hoe duidelijk ziet en voelt hij dat het soevereine genade was – die hem eerst staande hield op zijn weg omlaag – die hem de last van de zonde deed voelen – die een kreet en een zucht in zijn ziel legde – die hem bracht aan de voetbank van de barmhartigheid – die de Zaligmaker openbaarde – en de boodschap van barmhartigheid en vrede op zijn hart toepaste.

Zo wordt hij ertoe gebracht wat sommigen ontkennen en anderen betwisten in de eenvoud van het geloof te aanvaarden als hoogst verheerlijkend voor God en passend voor de mens. En terwijl hij het aanvaardt – bewondert hij het – aanbidt hij het – en onderwerpt hij zich eraan!

Door Satan geplant

het onkruid zijn de kinderen des bozen … de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel (Mattheüs 13:38-39)

De gemeente wordt overspoeld door belijders in naam die de vreze Gods missen en niets van de genade Gods in hun ziel hebben. Zij zijn door Satan in de gemeente geplant met een “belijdenis van godsdienst” terwijl hun harten geheel verstoken zijn van de kracht van levende godzaligheid. Deze hoge, torenende, verheven, zwevende, aanmatigende belijder heeft zijn hoofd grondig gevuld met de leerstukken van de genade – maar hij mist de gevoelde kracht van levende godzaligheid in zijn ziel.

Hij heeft nooit de krachtige hand van God op zich gevoeld die hem in het stof verbrijzelde. Hij is nooit neergevallen voor de troon van Gods majesteit en barmhartigheid als een verloren ellendeling zonder hoop of hulp. Hij is nooit schuldig bevonden voor de Heere. Hij is nooit tot volslagen bedelarij, armoede en insolventie in zichzelf teruggebracht. Hij is slechts een “natuurlijk mens in een belijdenis van godsdienst” en heeft niets ervaren van het soevereine onderwijs en de goddelijke werkingen van God de Heilige Geest in zijn geweten.

Niets weten, niets hebben, niets zijn

In het begin van mijn bevinding in de dingen van God – dat is nu meer dan negenentwintig jaar geleden – werd mij deze waarheid op mijn geweten gedrukt, naar ik reden heb te geloven, zeer krachtig en zeer duidelijk door de vinger van God: dat ik niets kon weten – dan door goddelijk onderwijs – niets kon hebben – dan door goddelijk geven – en niets kon zijn – dan door goddelijk maken.

Er zijn vele afgoden in het hart

Er zijn vele afgoden in het hart – vele aardse vreugden, boezemspeeltjes, lage lusten en schepseldingen – die allemaal sterk vat hebben op onze genegenheden. Deze moeten uiteengerukt worden en niets minder dan de kracht van God kan dat doeltreffend doen.

Met de hel zijn wij in overeenstemming

Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen (Jesaja 28:15)

Hoe legt de Heere hier de huichelarij en bedrieglijkheid bloot van een godsdienst die in schepselgerechtigheid staat! Als het ware legt Hij hun Zijn eigen kijk erop in de mond. Dit is dan hun taal: “Wij hebben een verbond met den dood gemaakt – en wij hebben elkaar de hand geschud en zijn door en door goede vrienden. Waarom zouden wij hem dan als vijand vrezen? Wij hebben een godsdienst om bij te sterven – en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt. Waarom zouden wij dan de hel vrezen? Onze godsdienst zal ons zeker bevrijden van het neergaan in de put en onze eigen gerechtigheid zal ons zeker toegang geven tot de poort van de hemel.

Ja, al verklaart God Zelf dat het een leugenachtige toevlucht is – toch zijn wij er, eenmaal ons ervoor geschuild hebbend, zeer tevreden mee en willen wij er niet uit verdreven worden. En al geldt: onder de valsheid hebben wij ons verborgen – toch nemen wij liever onze kans en leven en sterven erin dan de pijn en het ongemak te lijden dat wij eruit geslagen worden.”

Zo is de mens – zo is de wijsheid van het vlees – zo is alle schepselgodsdienst – zo is de hoogmoed en halsstarrigheid van het menselijk hart – zo is de dodelijke vijandschap van de vleselijke gezindheid tegen zaligheid uit genade – dat het liever op zijn eigen wijze sterft en verdoemd wordt dan op Gods wijze leeft en behouden wordt.

De vreugde van zijn hart en het thema van zijn tong

Paulus predikte een evangelie van vrije genade. De soevereine, vrije, overvloedige genade van God, zoals die geopenbaard is in de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus, was de vreugde van zijn hart en het thema van zijn tong. En tegen niets laaide de heilige ijver die in zijn boezem brandde heviger op dan tegen elke verdraaiing of vervalsing van dit zuivere evangelie.

Met dit evangelie in zijn hart en met dit evangelie in zijn mond ging hij naar verschillende plaatsen, zoals de gezegende Geest hem leidde. Hij predikte Jezus Christus en de zaligheid door Zijn bloed en gerechtigheid. God erkende zijn getuigenis.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!