Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Parels van Philpot — band 5: Satans listen, de zonde en het eigen ik (deel 1 van 2)

Korte parels van Philpot over de listen van Satan, de zonde die aan het kruis veroordeeld is en het eigen ik als grootste vijand. Ook over de belijder die niets voelt en over genade die Gods kinderen bewaart.

Hij kan kruipen als een slang en brullen als een leeuw!

opdat de satan over ons geen voordeel krijge; Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend. (2 Korinthe 2:10-11)

Satan weet heel goed hoe hij moet verlokken en hoe hij moet aanvallen. Hij kan immers kruipen als een slang en brullen als een leeuw! Hij heeft strikken waarmee hij verstrikt en vurige pijlen waarmee hij doorboort.

De meeste mensen worden door hem naar zijn wil gemakkelijk gevangen weggevoerd en zonder de minste moeite verstrikt in de vallen die hij voor hun voeten legt. Ze zijn immers even bereid om gevangen te worden als hij om te vangen! Waarom zou Satan als een leeuw tegen hen moeten brullen als hij zich om hen heen kan winden en hen kan bijten als een slang?

Als u wilt zien wat zonde werkelijk is

De zondigende engelen uit de hemel werpen, Adam uit het paradijs verbannen, de oude wereld door een zondvloed vernietigen, Sodom en Gomorra met vuur uit de hemel verbranden: deze voorbeelden van Gods mishagen aan de zonde waren niet genoeg om Zijn veroordeling ervan uit te drukken. Daarom zou Hij een andere weg nemen om haar openbaar te maken.

En wat was dat?

Door Zijn eigen Zoon uit Zijn schoot te zenden en Hem als offer voor de zonde aan het hout op Golgotha te offeren, zou Hij openbaar maken hoe Hij de zonde verfoeide en hoe Zijn rechtvaardig karakter haar voor eeuwig moet veroordelen.

Zie hier de liefde van God voor de arme, schuldige mens, doordat Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Zie ook de haat van God tegen de zonde, doordat Hij haar veroordeelde in de dood van Jezus.

Het is bijna alsof God zei: “Als u wilt zien wat zonde werkelijk is, kunt u dat niet zien in de diepten van de hel. Ik zal u de zonde in nog zwartere kleuren tonen. U zult haar zien in het lijden van Mijn dierbare Zoon, in Zijn kwellingen van lichaam en ziel en in wat Hij als een heilig, onschuldig Lam onder Mijn toorn doorstond toen Hij erin toestemde de plaats van de zondaar in te nemen.”

Wat een wonderbare wijsheid, wat een diepten van liefde, wat een schatten van barmhartigheid en wat een hoogten van genade werden zo geopenbaard en aan het licht gebracht in Gods meedogenloze veroordeling van de zonde en toch in Zijn volkomen en vrije vergeving van de zondaar!

Hebt u ooit door het geloof de lijdende Zoon van God gezien in de hof en aan het kruis? Hebt u ooit de toorn van God, die u toekwam, zien vallen op het hoofd van de Godmens en een bloedende, worstelende Immanuël aanschouwd? Dan hebt u in de diepten van uw geweten gezien en gevoeld wat een vreselijk iets de zonde is. Dan ziet het gebroken hart van het kind van God op naar Hem, Dien zij doorstoken hebben, en rouwt en treurt het bitter om Hem, als om een gestorven eerstgeboren zoon.

Onder dit gezicht voelt hij wat een vreselijk iets de zonde is.

“Ach”, zegt hij, “heeft God Zijn dierbare Zoon geslagen? Heeft Jezus, de lieveling van God, al deze lijden en smarten doorstaan om mijn ziel te redden van de bodemloze put? O, kan ik de zonde ooit genoeg haten? Kan ik ooit genoeg treuren en rouwen over haar? Kan mijn stenen hart ooit genoeg smelten tot berouw, wanneer ik door het geloof de doodsangsten zie en het kermen hoor van het lijdende, bloedende Lam van God?”

Christenen haten hun zonden. Ze haten dat zondige, dat vreselijk zondige vlees van hen dat hen zo vaak en zo voortdurend in de zonde heeft laten vallen. Zo vellen ze samen met God het oordeel over heel hun vlees, over al zijn handelen en werken, over al zijn gedachten, woorden en daden. Ze haten het als de vruchtbare moeder van die zonde die Christus gekruisigd heeft en hen kwelt en plaagt.

De hardhartige, koelbloedige belijder met een wijs hoofd

We zijn omringd door strikken.

Op elk ogenblik liggen er verzoekingen uitgespreid op ons pad.

Deze strikken en verzoekingen sluiten zo goed aan bij de lusten van ons vlees dat we er zeker in zouden vallen en erdoor overwonnen zouden worden, als de tegenhoudende voorzienigheid of de bewarende genade van God er niet was. De christen ziet dit en de christen voelt dit.

De hardhartige, koelbloedige belijder met een wijs hoofd ziet geen strikken. Hij raakt erin verstrikt en valt erdoor. Omdat hij zijn zonden niet berouwt en ze niet verlaat, lijdt hij volslagen schipbreuk wat het geloof betreft.

Het kind van God . . . ziet de strik, voelt de verzoeking, kent het kwaad van zijn hart en is zich bewust dat hij zal struikelen en vallen als God hem niet ondersteunt.

Zoals een kind dat zich gebrand heeft het vuur vreest, zo vreest hij de gevolgen van een ogenblik aan zichzelf overgelaten te worden. En des te banger is hij dat hij zal vallen.

Hoe wijder zijn ogen geopend worden om . . . de reinheid van God, de gelukzaligheid van Christus, de kracht van het verzoenende bloed en de schoonheid van de heiligheid te zien, des te meer ziet hij ook het kwaad van de zonde en de vreselijke gevolgen van erin verstrikt te raken. En niet alleen dat, maar ook zijn eigen hulpeloosheid en zwakheid en onvermogen om in eigen kracht tegen de verzoeking stand te houden.

Al deze gevoelens verenigen zich tot een ernstiger roep: Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn!

Een stal, een keet, een heg, elk onopgesmukt hoekje

Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. (Ezechiël 11:16)

Elke plaats waar de Heere Zich openbaart, is een heiligdom voor een kind van God.

Jezus is nu ons heiligdom, want Hij is “de ware plaats van aanbidding die door de Heere is gebouwd en niet door mensenhanden”. We zien de kracht en heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.

Elke plaats is een heiligdom waar God Zich in kracht en heerlijkheid aan de ziel openbaart. Mozes was ongetwijfeld vaak langs het braambos gelopen dat op de Horeb groeide. Het was maar een gewoon braambos, door niets te onderscheiden van de andere struiken in het struikgewas.

Maar bij één plechtige gelegenheid stond het helemaal in een vuurvlam, want de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden ervan. En hoewel het met vuur brandde, werd het niet verteerd. Omdat God in het braambos was, was de grond eromheen heilig en kreeg Mozes het bevel zijn schoenen van zijn voeten te doen.

Was dit dan geen heiligdom voor Mozes? Dat was het zeker, want een heilig God was daar! Zo wordt overal waar God Zich openbaart een heiligdom voor een gelovige ziel.

We hebben geen plaatsen nodig die door de ceremoniën van mensen heilig zijn gemaakt, maar plaatsen die heilig zijn gemaakt door de tegenwoordigheid van God!

Dan kan een stal, een keet, een heg of een onopgesmukt hoekje een heiligdom zijn, en is het dat ook, wanneer God uw hart vervult met Zijn heilige tegenwoordigheid en elk heilig gevoel en elke genadige genegenheid in uw ziel doet opkomen.

Arme, ellendige, armzalige werken van een bezoedelde worm!

Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind. (Jesaja 64:6)

Eens dachten we de hemel te kunnen verdienen door onze eigen gerechtigheid. We hielden ons nauwgezet aan onze godsdienstige plichten en zochten door deze en vele andere middelen onszelf aan te bevelen bij God en Hem te bewegen ons de hemel te schenken voor onze oprechte pogingen om Zijn geboden te onderhouden.

Met deze godsdienstige prestaties meenden we zeker een ladder te kunnen maken waarlangs we naar de hemel konden klimmen. Dit was onze toren van Babel, waarvan de top tot de hemel moest reiken en waarlangs we dachten de sterren te beklimmen.

Maar dezelfde Heere Die de verdere bouw van de toren van Babel stillegde door hun spraak te verwarren en hen over de hele aarde te verstrooien, begon ook onze spraak te verwarren. Zo konden we niet meer bidden, praten of roemen zoals eerst. Hij begon heel onze godsdienst te verstrooien als het kaf van de dorsvloer. Onze monden werden gestopt, we werden schuldig voor God en onze steen en mortel werden een hoop verwarring!

Toen het de Heere behaagde onze ziel door het geloof Zijn wezen, majesteit, grootheid, heiligheid en reinheid te ontdekken, kregen we daarmee een overeenkomstig besef van onze vuilheid en dwaasheid. Toen begonnen we te zien dat al onze door het schepsel gemaakte godsdienst en natuurlijke vroomheid, die we eens als winst hadden gerekend, slechts verlies was.

Onze godsdienstige plichten en gebruiken bleken niet vóór ons maar tegen ons te zijn. In plaats van als zoveel daden van gerechtigheid voor ons te pleiten voor God, waren ze zo bezoedeld en verontreinigd door de zonde die er voortdurend mee vermengd was dat onze gebeden alleen al genoeg waren om ons in de hel te doen zinken. Dat zou zo zijn, ook al hadden we geen andere ongerechtigheden te verantwoorden in hart, mond of leven.

Maar toen we door het geloof de Persoon, het werk, de liefde en de genade van de Heere Jezus Christus zagen, begonnen we duidelijker te zien met wat voor godsdienstig speelgoed we ons zo lang hadden vermaakt. Wat veel erger is: we hadden daarmee God bespot.

We hadden in het geheim . . . Jezus en Zijn lijden, Jezus en Zijn dood, Jezus en Zijn gerechtigheid veracht en de arme, ellendige, armzalige werken van een bezoedelde worm in de plaats gesteld van het voleindigde werk van de Zoon van God.

Louter speelgoed en snuisterijen

Ware godsdienst moet bij ons alles of niets zijn. In de godsdienst is onverschilligheid de ondergang en verwaarlozing het verderf.

Van alle verliezen is het verlies van de ziel het enige dat volkomen onherstelbaar en onvergoedbaar is. U kunt bezit verliezen, maar u kunt het geheel of een deel ervan terugkrijgen. U kunt uw gezondheid verliezen, maar u kunt weer meer lichaamskracht krijgen dan vóór uw ziekte. U kunt vrienden verliezen, maar u kunt nieuwe krijgen, en wel oprechtere en waardevollere dan wie u verloren hebt. Maar als u uw ziel verliest, wat moet dat verlies dan goedmaken?

Voelt u ooit wat een geweldige inzet de hemel of de hel is? Hebt u ooit gevoeld dat de hemel winnen betekent alles te winnen wat de ziel eeuwig gelukkig kan maken, en dat de hemel verliezen niet alleen betekent de eeuwige zaligheid te verliezen maar ook neer te zinken in . . . peilloos, eeuwig, onuitsprekelijk wee?

Het is dit gelovige zicht en dit indringende besef van de eeuwige dingen. Het is dit gewichtige, soms overweldigende gevoel dat ze een onsterfelijke ziel in hun boezem dragen. Dit doet de kinderen van God de dingen van tijd en zintuigen vaak zien als . . . louter speelgoed en snuisterijen, beuzelarijen lichter dan ijdelheid en bezigheden zo leeg als lucht. Het geeft hun te voelen dat de dingen van de eeuwigheid de enige hechte, blijvende werkelijkheden zijn.

Hemelse dauw

mijn rede vloeie als een dauw (Deuteronomium 32:2)

De dauw valt onmerkbaar. Niemand kan hem zien vallen. Toch zijn de gevolgen ervan ‘s morgens zichtbaar. Zo is het met de zegen van God op Zijn Woord. Die dringt zonder geluid in het hart door en daalt diep in het geweten zonder dat er iets zichtbaars gebeurt. Zoals de dauw de poriën van de aarde opent en de grond verfrist na de hitte van een brandende dag, zodat het gewas zijn hangende kop weer opricht, zo gaat het met de zegen van God die op de ziel rust.

Hemelse dauw komt onmerkbaar, valt stil en wordt vooral zichtbaar door zijn werking: ze verzacht, opent en dringt door en doet in het verborgen elke genade van de Geest haar hangende hoofd opheffen.

Telkens als het de Heere behaagd heeft onze ziel te zegenen, bij het horen, bij het lezen of in de stille overdenking, waren dit dan niet enkele van de gevolgen? Stil, rustig en onmerkbaar, maar toch met een duidelijke indruk . . . die het hart verzacht als het hard is, het verfrist als het droog is en het doet smelten als het onbuigzaam is. In het verborgen houdt ze de ziel levend, zodat ze niet verdort door de brandende zon van de verzoeking en niet sterft aan gebrek aan genade.

Zo geve u dan God van de dauw des hemels (Genesis 27:28)

Opkomend uit de woestijn

Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? (Hooglied 8:5)

Opkomen uit de woestijn is opkomen uit ONSZELF, want wijzelf zijn de woestijn. Het is ons woestijnhart dat de wereld voor ons maakt tot wat ze is . . . Het zijn onze eigen dorre gemoedstoestanden en onze eigen verwarde geest. Het zijn onze eigen onwaardigheid en onmacht en ons eigen gebrek aan geestelijke vruchtbaarheid. Het zijn onze eigen beproevingen, verzoekingen en oefeningen en ons eigen hongeren en dorsten naar gerechtigheid.

Kortom, wat er in onze eigen boezem omgaat maakt de wereld voor ons tot een troosteloze woestenij.

Vleselijke mensen vinden de wereld geen woestijn. Voor hen is ze een Eden! Of ze doen in elk geval hun best haar dat te laten zijn. Ze zoeken al hun genot erin en bouwen al hun geluk erop. Ze dromen niet van enige andere oogst van vreugde en verrukking dan die in deze “gelukkige vallei” kan worden terugbetaald, waar jeugd, gezondheid en opgewektheid steeds nieuwe tonelen van bevrediging bedenken.

Maar het kind van genade, geoefend door duizend moeilijkheden, doorgaand door vele tijdelijke en geestelijke smarten en innerlijk bedroefd over zijn eigen gebrek aan hemelse vruchtbaarheid, vindt de woestijn in zichzelf.

Toch komt hij eruit op en dat doet hij door met gelovige ogen omhoog te zien naar Hem Die hem er als enige uit kan brengen.

Hij komt op uit zijn eigen gerechtigheid en schuilt onder de gerechtigheid van Christus.

Hij komt op uit zijn eigen kracht en vertrouwt op de kracht van Christus.

Hij komt op uit zijn eigen wijsheid en hangt aan de wijsheid van Jezus.

Hij komt op uit zijn eigen aangevochten, beproefde, verwarde en radeloze toestand om rust en vrede te vinden in het voleindigde werk van de Zoon van God.

Zo komt hij op uit de woestijn van het eigen ik, niet werkelijk maar bevindelijk. Elk verlangen van zijn ziel om verlost te worden van het walgelijke woestijnuitzicht dat hij heeft van de zonde en van zichzelf als zondaar is een opkomen uit de woestijn. Dat geldt ook voor elk streven naar Jezus, elke verlangende blik, ernstige zucht, jammerende roep of zwoegende kreun.

Dat hij zijn rug keert naar een goddeloze wereld en haar genoegens, eer, trots en eerzucht afzweert, is ook een opkomen uit de woestijn. Hetzelfde geldt voor het zoeken van gemeenschap met Jezus als zijn hoogste vreugde en voor het achten van alle dingen als schade en drek om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, zijn Heere, zoals die door de kracht van God aan zijn ziel is geopenbaard.

Wanneer we het levenloze lijk aanschouwen

Van de wieg tot de kist zijn verdrukking en verdriet het toegewezen deel van de mens. Hij komt de wereld binnen met een jammerende kreet en verlaat haar vaak met een pijnlijke zucht! Terecht wordt deze aarde een “tranendal” genoemd, want ze is nat van tranen in de kindertijd, de jeugd, de volwassenheid en de ouderdom. In elk land en in elk klimaat vallen overal tonelen van ellende en jammer in het oog, nog afgezien van die diepere zorgen en hartverscheurende smarten die voor alle waarneming verborgen blijven. Zo mogen we van het leven van de mens wel zeggen dat het, net als de boekrol van Ezechiël, vol staat met klaagliederen, en zuchting, en wee.

Maar dit is nog niet alles. Het tafereel eindigt hier niet!

We zien tot aan de dood, maar we zien niet voorbij de dood.

Iemand zonder Christus zien sterven is als op een afstand staan en een man van een hoge klif zien vallen: we zien hem vallen, maar we zien de klap op de rotsen beneden niet.

Zo zien we iemand sterven die niet gered is, maar als we naar het levenloze lichaam kijken, zien we niet hoe zijn ziel met een machtige klap neerstort op de rots van Gods eeuwige gerechtigheid! Als zijn tijdelijke beproevingen ten einde komen, beginnen zijn eeuwige smarten pas! Na weken of maanden van ziekte en pijn mag het bleke, koude gelaat in kalme rust onder het deksel van de kist liggen, terwijl de ziel net een eeuwigheid van wee binnengaat!

Maar is alles dan zo donker en somber, zowel in het leven als in de dood? Is de hemel altijd met een zwart gewelf behangen? Zijn er geen lichtstralen en geen stralen van blijdschap die door deze donkere wolken van verdrukking, ellende en wee schijnen die over het menselijk geslacht zijn uitgespreid?

Ja! Er is één punt in dit donkere tafereel waaruit stralen van licht en glans van heerlijkheid schijnen! God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:9).

Daar, aan de andere kant, is mijn eenzame ziel

Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? (Mattheüs 16:26)

Hier is mijn weegschaal van winst en verlies.

Ik heb een ziel die gered of verloren zal worden.

Wat zal ik dan geven in ruil voor mijn ziel?

Wat baat het mij als ik de hele wereld win en mijn ziel verlies?

Deze diepe overtuiging van een ziel die gered of verloren zal worden, ligt aan de wortel van heel onze godsdienst.

Hier, aan de ene kant, is de WERELD met al . . . haar voordelen en genoegens, haar bekoringen en glimlachen, haar innemende manieren, haar gemakken en haar weelde en eer. Die te verwerven is de grote strijd van het menselijk leven.

Daar, aan de andere kant, is mijn eenzame ZIEL, die na de dood voor eeuwig en altijd zal leven, wanneer de wereld met al haar genoegens en voordelen zal zinken onder de toorn van de Almachtige.

En deze dierbare ziel van mij, mijn eigen zelf, mijn enige zelf, mijn alles, moet verloren gaan of gered worden.

Zelfs uw eigen familieleden vinden u bijna krankzinnig

Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet (Johannes 14:17)

De wereld, dat wil zeggen de wereld die dood is in de zonde en de wereld die dood is in de belijdenis, mensen zonder het leven en de kracht van God, moet iets hebben wat ze kan zien. En omdat hemelse dingen alleen met hemelse ogen gezien kunnen worden, kunnen ze de onzichtbare dingen niet ontvangen.

Dit verklaart waarom een godsdienst die zich met een zekere schoonheid en grootsheid aan het natuurlijke oog voordoet altijd door de wereld wordt aanvaard, terwijl een . . . geestelijke, innerlijke, hartelijke en bevindelijke godsdienst altijd wordt verworpen.

De wereld kan een godsdienst aanvaarden die bestaat uit . . . vormen, riten en ceremoniën.

Dat zijn dingen die men ziet.

Prachtige gebouwen, gebrandschilderde ramen, galmende orgels, welluidende koren, de praal en vertoning van een aards priesterdom en een heel apparaat van godsdienstige plechtigheid hebben iets bij zich wat het natuurlijke oog kan zien en bewonderen. De wereld aanvaardt al deze uiterlijke godsdienst omdat ze past bij de natuurlijke geest en begrijpelijk is voor het redenerend vermogen.

Maar de . . . stille, innerlijke, bevindelijke, goddelijke godsdienst, die geen aantrekkelijkheid biedt voor het uiterlijke oog maar door een goddelijk werk in het hart gewrocht wordt, kan de wereld niet ontvangen. Ze biedt niets waarop het natuurlijke oog met genoegen kan rusten en is niet geschikt om hun algemene idee te bevredigen van wat godsdienst is of zou moeten zijn.

Verwonder u dus niet dat werelds gezinde belijders een godsdienst verachten die door de kracht van God in de ziel gewrocht is. Wees niet verbaasd als zelfs uw eigen familieleden u bijna krankzinnig vinden wanneer u spreekt over de vertroostingen van de Geest of over de onderwijzing van God in uw ziel. Ze kunnen deze dingen niet ontvangen, want ze hebben er geen bevinding van. Omdat deze dingen volkomen tegen de vleselijke gezindheid ingaan, verwerpen ze ze met vijandschap en hoon.

Maak rechte paden voor uw voeten.

En maakt rechte paden voor uw voeten (Hebreeën 12:13)

We leven te midden van een verkeerd geslacht, belijdend en onbekeerd, waarvan we de wegen maar al te gemakkelijk leren. Aan alle kanten worden we belaagd door verzoekingen . . . om af te buigen naar een kromme weg, om onze hoogmoed te voeden, onze lusten te botvieren en onze hebzucht te bevredigen.

Soms worden we verblind en verleid door de god van deze wereld, soms verhard door het bedrog van de zonde. Hier worden we misleid door het voorbeeld en daar betoverd door de vleierij van een vriend of kameraad. Het ene moment zijn we verward en onzeker in ons oordeel over goed en kwaad, het andere moment raken we, half weerstaand en half toegevend, verstrikt in een strik van de boze. Wat een strijd hebben sommigen van ons gehad om rechte paden voor onze voeten te maken, en wat een pijn en verdriet dat we ooit kromme hebben gemaakt.

Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. (Psalm 73:2)

Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. (Psalm 94:18)

En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. (Psalm 40:3)

Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn. (Psalm 119:117)

Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen. (Spreuken 4:11)

Heb niets met hen te maken.

Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. (Psalm 106:35-36)

De vleselijke belijders van onze dagen zien niets verkeerds, niets misplaatst en niets onsamenhangends in hun gedrag of geest, ook al zijn ze verzonken in . . . wereldgezindheid, vleselijkheid of hebzucht.

Maar waar goddelijk leven is, waar de gezegende Geest het hart beweegt met Zijn heilige werkingen en verborgen invloeden, daar zal licht zijn om te zien en een geweten om te voelen wat . . . verkeerd, zondig, onsamenhangend en ongepast is.

Het is maar al te duidelijk dat we ons niet met de belijders van onze dagen kunnen vermengen zonder in enige mate hun geest in te drinken en min of meer door hun voorbeeld beïnvloed te worden.

We kunnen nauwelijks ontkomen aan de invloed van mensen met wie we veel en vaak in aanraking komen. Als ze dood zijn, verlammen ze ons vaak met hun lijkachtige kilte. Als ze lichtzinnig en oppervlakkig zijn, verstrikken ze ons vaak in hun vleselijke lichtzinnigheid. Als ze werelds gezind en hebzuchtig zijn, kunnen ze ons een schuilplaats en een excuus bieden voor onze eigen wereldgezindheid en hebzucht.

Heb een afschuw van die losse belijdenis, van die bereidwillige instemming met alles wat de . . . hoogmoed, wereldgezindheid, hebzucht en lusten van onze verdorven natuur voedt. Die stempelt onze tijd met enkele van zijn gevaarlijkste en verschrikkelijkste kenmerken.

Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen. (2 Timotheüs 3:5)

Het smerigste vuil onder de schoonste mantel

Zo hebt dan acht op uzelven (Handelingen 20:28)

Er zijn weinig christenen die niet ooit het EIGEN IK als hun grootste vijand hebben gevonden. De hoogmoed, het ongeloof, de hardheid en de onboetvaardigheid van het eigen hart zullen altijd iemands grootste last zijn en zullen altijd zijn gevreesdste vijand blijken. Dat geldt ook voor het bedrog, de huichelarij en de goddeloosheid van de eigen gevallen natuur en voor de lusten en hartstochten, het vuil en de dwaasheid van de eigen vleselijke gezindheid!

Vijanden zullen we van buitenaf hebben en soms voelen we hun bittere uitspraken en wrede woorden en daden scherp. Maar geen vijand kan ons zo schaden als wijzelf! In vijf minuten kan een mens zichzelf meer werkelijk kwaad doen dan al zijn vijanden samen hem in vijftig jaar zouden kunnen aandoen!

Voor uzelf kunt u de verraderlijkste vijand en de grootste tegenstander zijn!

In al zijn vormen is het EIGEN IK in zijn diepste geest nog steeds een . . . bedrieglijk, sluw, rusteloos, hoogmoedig en ongeduldig schepsel. Het verbergt zijn ware karakter op duizend manieren en verhult zijn verwoestende plannen met ontelbare listen.

We hoeven maar naar de belijdende kerk te kijken om . . . de hoogste hoogmoed onder de diepste nederigheid te vinden, de grootste onwetendheid onder de ijdelste eigenwaan, het gemeenste verraad onder de warmste belijdenis, de laagste zinnelijkheid onder de meest hemelse vroomheid en het smerigste vuil onder de schoonste mantel.

Zo hebt dan acht op uzelven (Handelingen 20:28)

Vertrouwdheid met heilige dingen

Zo hebt dan acht op uzelven (Handelingen 20:28)

Dit was Paulus’ openbare waarschuwing aan de oudsten van de gemeente te Efeze. Het was Paulus’ persoonlijke waarschuwing aan zijn vriend en leerling, zijn geliefde zoon Timotheüs. Hebben niet allen die in de naam van de Heere schrijven of spreken dezelfde waarschuwing nodig?

Vertrouwdheid met heilige dingen heeft van nature de neiging het geweten te verharden, waar de genade het niet zacht en teder maakt.

Mensen kunnen preken en bidden totdat beide een louter mechanische gewoonte worden. Ze kunnen over Christus en Zijn lijden praten totdat ze er even weinig door geraakt worden als een tragische acteur op het toneel door de smarten die hij uitbeeldt.

Met recht laat de Heilige Geest deze waarschuwing als met bazuingeluid klinken in de oren van de dienaren van Christus: Zo hebt dan acht op uzelven!

Hoogmoed, eigenwaan en zelfverheffing

Hoogmoed, eigenwaan en zelfverheffing zijn zowel de grootste verzoekingen als de voornaamste hardnekkige zonden van wie in de gemeente enige openbare positie bekleedt.

Waar deze zonden dus niet door de Geest gedood en door Zijn genade bedwongen worden, zijn zij niet de nederigste mensen, zoals ze zouden moeten zijn, maar op zeldzame uitzonderingen na de hoogmoedigste.

Als we voortdurend onze misstappen, valpartijen en grievende afvalligheden indachtig waren en daarbij een gelovig zicht hadden op de heiligheid en reinheid van God, op het lijden en de smarten van Zijn dierbare Zoon en op wat het Hem gekost heeft ons uit de laagste hel te verlossen, dan zouden we met nederigheid bekleed zijn. Ja, dat moeten we dan zijn. Onder gevoelens van diepe zelfvernedering zouden we de laagste plaats innemen in de familie van God, als de voornaamste van de zondaren en als den allerminste van al de heiligen.

Dit zou het gevoel van elk kind van God moeten zijn.

Zolang deze hoogmoed niet in zekere mate gekruisigd is, zolang we haar niet haten en onszelf er niet om haten, zal de eer van God niet ons hoofddoel zijn.

Wat? Zal Hij ons alle zonden vergeven?

Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. (1 Johannes 1:9)

Wat? Zal Hij ons alle zonden vergeven?

Elke zonde die we bedreven hebben?

Zondigen we niet met elke ademtocht die we halen?

Is niet elke lustvolle begeerte zonde? En is niet elke hoogmoedige gedachte zonde? En is niet elke goddeloze inbeelding zonde? En is niet elk onvriendelijk vermoeden zonde? Elke daad van ongeloof zonde? En elke werking van een verdorven natuur zonde?

We bedreven zonde toen we aan de borst van onze moeder zogen! We bedreven zonde zodra we een woord konden stamelen. En naarmate we in lichaam groeiden, groeiden we in zondigheid.

Zal Hij . . . zonden van gedachte, van blik en van daad vergeven? Zonden van nalatigheid en zonden van overtreding? Zonden in de zuigelingentijd, in de kinderjaren, in de jeugd en in de ouderdom?

Zal Hij . . . alle lage lusten vergeven en alle vuile werkingen en snode daden? Alle hoogmoed, alle huichelarij en alle hebzucht? Alle nijd, haat en boosheid en alle overvloeiingen van innerlijke ongerechtigheid?

het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7)

Deze heilige zalving

Doch gij hebt de zalving van den Heilige (1 Johannes 2:20)

Overal waar de zalving van de Heilige het hart van een mens raakt, verspreidt ze zich en breidt ze haar werkingen uit. Zo deelt ze goddelijke gaven en genaden mee waar ze ook komt. Ze . . . schenkt en wekt geloof, geeft bekering en godzalige droefheid, werkt verborgen zelfverachting en afscheiding van de wereld, trekt de genegenheden omhoog en maakt dat de zonde gehaat wordt en Jezus en Zijn zaligheid bemind worden.

Overal waar de zalving van de Heilige Geest het hart van een mens raakt, verspreidt ze zich door heel zijn ziel en maakt ze hem geheel tot een nieuw schepsel. Ze . . . geeft nieuwe beweegredenen, deelt nieuwe gevoelens mee, verruimt en doet het hart smelten, vergeestelijkt de genegenheden en trekt ze omhoog.

Zonder deze heilige zalving . . . is al onze godsdienst een zeepbel, al onze belijdenis een leugen en zullen al onze verwachtingen eindigen in wanhoop.

O, wat een barmhartigheid om één druppel van deze hemelse zalving te hebben! Om één hemels gevoel te genieten! Om de geringste maat van de liefde van Christus, uitgestort in het hart, te proeven! Wat een onuitsprekelijke barmhartigheid om één aanraking, één glimp, één blik, één mededeling te hebben uit de volheid van Hem Die alles in allen vervult!

Door deze zalving van de Heilige worden de kinderen van God ondersteund onder . . . verdrukkingen, verlegenheden en smarten.

Door deze zalving van de Heilige zien ze de hand van God . . . in elke tuchtiging, in elke beschikking van de voorzienigheid, in elke beproeving, in elk verdriet en in elke last.

Door deze zalving van de Heilige kunnen ze de tuchtiging met zachtmoedigheid dragen, hun mond in het stof leggen en zich vernederen onder de machtige hand van God.

Elk goed woord, elk goed werk, elke genadige gedachte, elk heilig verlangen en elk geestelijk gevoel danken we aan dit ene: de zalving van de Heilige.

Doch gij hebt de zalving van den Heilige (1 Johannes 2:20)

Wat maakt de kinderen van God zo vreemd?

Aan Gods uitverkorenen, aan de vreemdelingen in de wereld (1 Petrus 1:1)

Vreemdelingen!

Wat maakt de kinderen van God zo vreemd?

De genade van God die hen uit deze ellendige wereld roept. Ieder mens die de genade van God in zijn boezem draagt, is ten opzichte van de wereld noodzakelijk een vreemdeling in het hart, evenals in belijdenis en leven.

Zoals Abraham een vreemdeling was in het land Kanaän, Jozef een vreemdeling in het paleis van Farao, Mozes een vreemdeling in het land Egypte en Daniël een vreemdeling aan het hof van Babel, zo is elk kind van God door genade afgezonderd om een vreemdeling te zijn in deze goddeloze wereld.

Als we er inderdaad uit het midden van hen moeten gaan en ons moeten afscheiden, dan moet de wereld voor ons een even vreemde plaats zijn. Want we zijn vreemdelingen voor . . . haar opvattingen en gedachten, haar verlangens, haar vooruitzichten en haar verwachtingen, in onze dagelijkse wandel en in onze spraak, in onze gezindheid en in onze geest, in ons oordeel en in onze genegenheden.

We zullen vreemdelingen zijn voor . . . het gezelschap van de wereld, haar stelregels, haar mode en haar geest.

en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Hebreeën 11:13)

Door Zijn striemen zijn wij genezen

De zonde heeft ons door en door ziek gemaakt en ons bloed zelf vergiftigd.

De zonde heeft ons verstand ziek gemaakt, zodat het de waarheid niet kan ontvangen.

De zonde heeft ons geweten ziek gemaakt, zodat het dof en zwaar is en recht en onrecht niet meer onderscheidt.

De zonde heeft onze verbeelding ziek gemaakt en haar bezoedeld met elke ijdele, dwaze en wellustige fantasie.

De zonde heeft ons geheugen ziek gemaakt, zodat het snel is in het vasthouden van wat slecht is en traag in het vasthouden van wat goed is.

De zonde heeft onze genegenheden ziek gemaakt en ze afgebogen van alles wat hemels en heilig is en vastgezet op alles wat aards en gemeen is.

Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. (Jesaja 53:5)

Wurg en verstik het!

Het heeft u bedorven, o Israel! want in Mij is uw hulp. (Hosea 13:9)

Is dit geen waarachtige beschuldiging? Stemt uw geweten ermee in als met een gegronde aanklacht? Bent u niet willens en wetens, met open ogen, in een of andere zonde gelopen die, zonder Gods barmhartigheid en ondersteunende hand, uw zekere ondergang zou zijn geweest? Hebt u niet aan de rand van een diepe put gestaan waarin nog één stap u had doen storten?

Naarmate u het kwaad van uw hart beseft, ziet u wat een wonder het is dat de genade in uw boezem in leven wordt gehouden! U ziet uzelf aan alle kanten omringd door wat haar onvermijdelijk zou verwoesten, als de machtige kracht van God er niet was!

U kijkt terug en verbaast zich over hoe het leven van God in uw ziel zovele jaren bewaard is gebleven. Soms was u in zulke vleselijkheid verzonken. U voelde zo’n leegte van alle goed en zo’n neiging tot alle kwaad dat u zich afvraagt hoe u niet verzwolgen, overwonnen en meegesleurd bent in de put van het verderf!

David zei: Ik ben velen als een wonder geweest. Maar u kunt zeggen: “Ik ben mijzelf een wonder!” De wereld, de duivel en uw eigen boze hart hebben jarenlang allemaal geprobeerd het kostbare leven van God in uw ziel te vernietigen, allemaal hun handen uitstrekkend om het te wurgen en te verstikken!

En toch heeft Hij in Zijn verborgen wijsheid, onuitsprekelijke genade en tedere barmhartigheid het heilige beginsel in uw ziel levend gehouden.

O, het geheim van de verlossende liefde!

O, de zaligheid van de bewarende genade! We zijn ondersteund en behouden en in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid!

HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald. (Psalm 30:4)

Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele. (Psalm 66:9)

Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn. (Psalm 119:117)

Zij zullen nooit verloren gaan!

Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. (1 Petrus 1:4-5)

De uitverkorenen worden in Christus bewaard VOORDAT ze door genade geroepen worden. Ze worden door de kracht van God behoed voor ondergang in hun onwedergeboren staat.

Bent u niet bijna wonderbaarlijk bewaard te midden van gevaren en ontkomen terwijl anderen naast u omkwamen, of als het ware opgericht van de rand van de ondergang en van de grens van het graf?

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!