Wanneer wij op de eerste morgen van het jaar onze ogen openen, zeggen wij bijna instinctief: „Het is nieuwjaarsdag.” Dat is niet alles wat wij van dat beginnende jaar merken en erkennen, waarvan wij het einde misschien niet zullen zien. Dat hoort ook niet alles te zijn. Wanneer wij onze knieën buigen voor de troon der genade, vermengen wij onze dankbare erkenning van de weldaden van het afgelopen jaar, in voorzienigheid en in genade, met ernstige bede om gelijke weldaden die wij door het huidige jaar heen mogen ondervinden en genieten.
Gisteravond klonken onze belijdenissen van de vele, vele ergerlijke zonden, dwalingen, afvalligheden en afwijkingen van de levende God in het jaar dat nu voorbij is. Deze morgen klinken onze smekingen om genade om onze gangen in Zijn paden te steunen, opdat onze voetstappen niet wankelen in het jaar dat zojuist is gekomen.
Tranen passen het best bij de begrafenis van de doden, hoop en verlangens bij de geboorte van de levenden. Het afgelopen jaar was de heengegane vader, uitgeput door ouderdom en gebrek. Het huidige jaar is het pasgeboren kind in de armen van de glimlachende verpleegster. Het is echter nog midwinter. Vandaag, de eerste van het huidige jaar, verschilt in uiterlijk weinig van gisteren, de laatste van het vorige.
Maar de bedachtzame, biddende geest let weinig op winterse luchten. Hij voelt dat het oude, uitgeputte jaar in zijn graf is gezonken met al zijn beproevingen en verdrukkingen en dat er een nieuw jaar in zijn plaats is gekomen met nieuwe hoop en nieuwe weldaden. En brengt het nieuwe beproevingen, dan staat toch nog altijd de belofte dat er nieuwe kracht zal worden gegeven om ze te ontmoeten en te overwinnen.
Verkwikt en versterkt aan de troon der genade door zulke of soortgelijke omgang met de God van al onze weldaden gaan wij naar beneden om onze gezinnen te ontmoeten. Aan alle kanten worden wij meteen begroet met: „Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.” Die groet beantwoorden wij even hartelijk en toegenegen. Bijna elke vriend en bijna elke kennis die wij in de loop van de dag tegenkomen begroet ons met dezelfde vriendelijke wens. Nu kan er in dit alles veel vormelijkheid, lippendienst en traditioneel gebruik zijn. Maar er kan ook veel oprechtheid, vriendelijkheid en genegenheid zijn.
Wij zijn toch zeker niet zo opgesloten in ons ellendige zelf dat wij geen verlangen hebben naar de gezondheid en het geluk, het tijdelijke en geestelijke welzijn van onze gezinnen, onze vrienden of zelfs onze kennissen? En als wij hun goed verlangen, hoeven wij niet terughoudend of onwillig te zijn dat in enkele woorden van vriendelijke groet uit te spreken. Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig; medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen: dat zijn voorschriften vol van de geest van het evangelie. Zij kunnen en moeten worden opgevolgd zonder het minste verlies van die getrouwheid die past bij hen die dagelijks in de vreze des Heeren willen wandelen.
Er kan een ‘vorm van vriendelijke woorden’ zijn, evengoed als het voorbeeld der gezonde woorden. (2 Tim. 1:13.) En zoals wij het laatste kunnen gebruiken in volkomen harmonie met de leer van het evangelie, zo kunnen wij het eerste gebruiken in volkomen harmonie met de geest van het evangelie.
Maar wij hopen dat er tussen onze geestelijke lezers en ons iets beters is dan vriendelijkheid en beleefdheid, en iets warmers dan de loutere uitdrukking van wederzijdse vriendelijkheid en genegenheid bij het begin van een nieuw jaar. Wij zijn elkaar niet helemaal vreemd, althans zo hoort het nu niet meer te zijn. In één opzicht lijkt een redacteur, zo niet in andere, veel op een predikant: zijn lezers weten veel meer van hem dan hij van hen kan weten.
Bij elke gezonde en gevestigde predikant liggen zijn opvattingen over de goddelijke waarheid en zijn wijze om die voor te stellen open voor zijn verstandige en genadige hoorders. Hetzelfde geldt voor zijn natuurlijke en geestelijke gaven, voor de bijzondere lijn van zaken waarin hij, en alleen daarin, thuis is of helder en sterk, en voor zijn gebreken en zwakheden. Zij begrijpen dit alles volledig.
Een predikant van werkelijk gewicht en kracht, van lange staat van dienst en algemene aanvaardbaarheid, die blijvend aan een gemeente en gehoor is verbonden, vormt geleidelijk zijn eigen hoorders. Wie hem niet kunnen horen, of althans niet tot hun nut, vallen geleidelijk af. Er blijft een gemeente over die zijn bediening ontvangt, als met zijn ogen ziet, zijn geest indrinkt en met hem verenigd is in liefde en genegenheid.
Hij staat in de loop der tijd tegenover hen als een vader tegenover zijn kinderen. En doordat de band is bevestigd door wederzijdse genegenheid, wordt hij in staat gesteld en gerechtigd om tot hen te spreken en met hen om te gaan op een wijze die bij een vreemde predikant of een tijdelijke invaller niet passend zou zijn en ook niet verdragen zou worden.
Nu kan een redacteur niet hopen zo’n eervolle positie te bereiken. Hij heeft niet dezelfde goddelijke zending, want de bediening is een ordening van God, en ook niet hetzelfde gezag en dezelfde invloed. Hij heeft ook niet die persoonlijke kennis van zijn lezers, noch zij van hem, die de herder van zijn volk heeft, en kan daarom niet evenveel achting en genegenheid winnen. En toch kan hij, ja moet hij, als hij van enig nut voor de gemeente van God is, een positie bereiken waarin zijn woorden een gewicht en kracht bezitten die daar niet veel voor onderdoen en in sommige opzichten veel voordeliger zijn.
Hoeveel wijder is zijn veld, hoeveel groter zijn gehoor! Zijn woorden kunnen huizen binnengaan waar zijn persoon zou worden geweigerd. Zij worden gelezen door vijanden en ontvangen door vrienden. De invloed die de gedachten en meningen van anderen op ons uitoefenen ontgaat vaak onze eigen aandacht. De kracht is zo fijn en het gevolg vaak zo geleidelijk en in zijn werking zo vermengd met de werkingen van ons eigen verstand dat wij nauwelijks onderscheid kunnen maken tussen de invloed en haar gevolgen, tussen wat van een ander is en wat van onszelf. En als dit in gewone zaken opgaat, hoeveel te meer in het koninkrijk der genade.
De waarheid, wij bedoelen daarmee de goddelijke waarheid, heeft een wonderlijke kracht en invloed op de geest waar ogen, oren en hart zijn geopend om haar te zien, te horen en te geloven.
Zij draagt haar eigen bewijs bij zich en schijnt in het licht van haar eigen getuigenis. De waarheid te kennen en haar bevrijdende, heiligende kracht te ervaren (Joh. 8:32; Joh. 17:17); de liefde der waarheid aan te nemen (2 Thess. 2:10); erin onderwezen te worden door een zalving van den Heilige (1 Joh. 2:20; 1 Joh. 2:27); uit haar te zijn en te weten dat wij uit de waarheid zijn (1 Joh. 3:19); dat zij in ons woont en wij in de waarheid wandelen (2 Joh. 1:4): dit zijn enkele van de bijzondere kentekenen van de levende familie van God.
En als dat zo is, zal zonder deze kentekenen geen predikant en geen boek door hen worden ontvangen of voor hen aanvaardbaar zijn. Maar waar zij deze waarheid vinden en zij aan hun geweten wordt aanbevolen, daar zullen zij een invloed en kracht vinden die werkt tot hun geestelijk goed. Twee dingen zijn echter bijzonder nodig voor deze werkzame invloed. Wij kunnen ze elementen van geestelijk gewicht en kracht noemen.
1. Het eerste element van deze invloed moet VERTROUWEN zijn. Als wij een man niet kunnen vertrouwen, in het particuliere of in het openbare leven, wat heeft hij dan voor nut of waarde? Van de loopjongen tot de bankdirecteur, van het dienstmeisje dat met een brief naar het postkantoor rent tot de eerste minister die de teugels van de regering in handen houdt: vertrouwen is het fundament van alle dagelijkse handelingen van het leven. Als de maatschappij zelf zonder een grote mate van wederzijds vertrouwen tussen mensen nauwelijks zou kunnen samenhangen, hoeveel te meer is dan wederzijds vertrouwen nodig in die zaken die het heil en de vrede van onze ziel betreffen?
Maar vertrouwen is een plant van trage groei. En zoals het langzaam groeit, zo kan het ook langzaam afnemen of plotseling vallen. Voor een zakenman is krediet alles. Welke inspanningen zal hij zich getroosten om het te verkrijgen en welke offers zal hij verdragen om het te behouden! Maar zullen de kinderen van deze wereld het verlies van krediet bijna erger achten dan het verlies van het leven? En zullen de kinderen des lichts onverschillig en onbezorgd zijn over het verlies van hun christelijke reputatie?
Hoe zorgvuldig moet dan elke predikant en elke redacteur die de leerstukken van ons allerheiligst geloof belijdt erop letten het vertrouwen dat in hem wordt gesteld niet te schaden, in woord noch werk. Hij moet net zo beducht zijn voor alles wat dat vertrouwen kan schokken als een bankier voor een run op zijn bank. Nee, nog veel meer. Het ene kan slechts een tijdelijk geldelijk verlies veroorzaken, maar het andere blijvende schade aan de zaak van de waarheid en aan zijn eigen geluk en bruikbaarheid.
Niemand wordt meer veracht en niemand is rechtvaardiger verachtelijk dan een predikant die de tijd naar de mond praat. Een weifelende redacteur die de tijd naar de mond praat is naar ons oordeel nauwelijks minder verachtelijk. Omdat er altijd godsdienstige partijen zijn geweest en altijd zullen zijn, zoekt elke partij, als zij enige omvang heeft, vanzelfsprekend en bijna noodzakelijk een erkend orgaan van opinie waardoor zij kan handelen en spreken.
Ons verlangen en doel zijn en waren altijd om geen partij te vertegenwoordigen, of althans alleen die partij die gezonde bevindelijke waarheid en degelijke levende godsvrucht bezit en belijdt. Als wij enig gewicht of enige invloed hebben, dan is dit het geheim ervan: wij drukken uit wat onze geestelijke lezers geloven en voelen. Wij leiden hen niet en zij leiden ons niet. Wij zijn vrienden en broeders, geen meester en knechten en ook geen knecht en meesters.
Het is de waarheid in de liefde en kracht ervan die ons verenigt, die geheime, geheimzinnige, onzichtbare en toch krachtige band die als met onverbrekelijke banden allen samenbindt die oog aan oog zien en hart aan hart voelen in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus. Maar omdat wij strijden voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is, kan men ons beschouwen als sprekend voor velen die niet de gelegenheid of misschien niet het vermogen hebben om voor zichzelf te spreken.
Wij doen dit vrij en eenvoudig en brengen van tijd tot tijd naar voren wat God ons, naar wij hopen, geleerd heeft. Wat wij zo schrijven of opnemen drukt de opvattingen en gevoelens uit van veel particuliere christenen en van veel predikanten. Daarom kan men ons, terecht of ten onrechte, beschouwen als het orgaan van een godsdienstige groep.
„De Standard-mannen” is bijna een scheldwoord geworden. Het zij zo. Maar laat iedereen weten dat wij, zoals wij niemand heerschappij over ons geloof toestaan, ook geen heerschappij voeren over het geloof van wie dan ook. Maar zelfs als het zo zou zijn dat wij feitelijk een grote groep christelijke mannen en predikanten vertegenwoordigen, dan is het één ding het vrije, ongebonden, onafhankelijke orgaan van een partij te zijn en iets anders het werktuig van een partij.
Een man, of hij nu predikant of redacteur is, die zich het werktuig van een partij laat maken, verdient het einde van alle werktuigen: als nutteloos en waardeloos terzijde gegooid te worden wanneer hij versleten is en het werk gedaan is. Beste lezers, als wij uw vertrouwen niet hebben, zijn wij geen geschikte redacteur voor u. Leest u wat wij schrijven of opnemen met enig wantrouwen, hetzij over de echtheid van het stuk zelf, hetzij over onze motieven om het u voor te leggen, leg het boek dan terzijde. U zult er geen nut van hebben. Het heimelijke wantrouwen dat in uw geest werkt zal het geheel voor u vergiftigen.
Maar voelt u zoveel vertrouwen in ons als redacteur, zowel in wat wij schrijven als in wat wij opnemen, dat wij u niet willens zouden bedriegen, en ook onszelf niet (want voor menselijke zwakheid en gebrekkigheid moet een billijke ruimte gelaten worden), dan legt dat ons des te meer de verplichting op het niet terecht te verspelen. Wij moeten het veeleer naar ons beste vermogen onderhouden en vergroten.
2. Het tweede element van gewicht en invloed is DEGELIJKE WINST. U kunt ons zover vertrouwen dat u niet twijfelt aan de oprechtheid van ons doel of zelfs aan ons vermogen om het uit te voeren, en toch weinig winst van ons werk hebben.
Is dat het geval, dan is het niet aan ons te onderzoeken, en nog minder te beslissen, waar of bij wie de schuld ligt. Maar als u geen winst hebt van onze bladzijden, lees ze dan niet. De wijze zegt: In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek. (Spr. 14:23.) Oordeelt u zelf of wat wij u voorleggen de vrucht van arbeid is of het woord der lippen. Is het eerste het geval, dan zal het voeden en winst opleveren. Is het tweede het geval, dan zal het u uithongeren en beroven.
In aardse zaken, in de dagelijkse handelingen van het leven, is winst de drijfveer van het bedrijf, het loon van de arbeid, de ziel van de nijverheid. Zij ondersteunt en bemoedigt allen die leven van het zweet uws aanschijns of het zweet van de hersenen. Winst in hogere zin is de sterkste drijfveer, zoals zij ook het zoetste loon is, van alle prediking, alle horen, alle schrijven, alle lezen en alle arbeid in de dienst van God en Zijn woord en waarheid.
Maar wat is winst, dat wil zeggen geestelijke winst? Laat ons proberen die vraag te beantwoorden en haar zo het hoofdonderwerp van onze huidige boodschap te maken. Onder winst in geestelijke zin verstaan wij alles wat de ziel verrijkt, dat wil zeggen haar rijk maakt voor God (Luk. 12:21), haar duurachtig goed en gerechtigheid meedeelt en hen die de Heere liefhebben beerven dat bestendig is doet en hun schatkameren vervult. (Spr. 8:18-21.) Dit is winst.
Van deze winst, van deze schatten houdt de Wijsheid, dat is Jezus, Die van God ons geworden is wijsheid van God, de sleutel in handen. (1 Kor. 1:30.) De Wijsheid roept daarom luid: Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt! Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. (Spr. 3:13-15.) En opnieuw: Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud. Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken. (Spr. 8:10-11.)
Maar de vrucht van deze wijsheid is dat zij ons wijs maakt tot zaligheid en zij is de vrije gave van God aan hen die de behoefte eraan voelen. (Jak. 1:5.) Wij moeten er dus om roepen en ernaar zoeken, maar zullen niet tevergeefs roepen en zoeken: Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid; Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden. Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand. (Spr. 2:3-6.)
Weinigen lijken echter deze hemelse wijsheid te kennen of op prijs te stellen, dit goddelijk onderwijs, deze zalving of aanzalving van den Heilige die alle dingen leert en waarheid is en geen leugen. Vormen en ceremoniën bevredigen sommigen. De naam van te leven bevredigt anderen. Een gezonde belijdenis met een redelijk degelijke wandel is genoeg voor deze belijder. De goedkeuring van mensen en de vleierij van zijn eigen hart zijn voldoende voor gene.
Maar och, de ontoereikendheid, de leegheid en de bedrieglijkheid van al deze vormen en schaduwen wanneer wij moeten zien en voelen wie en wat wij zijn! Onze geestelijke armoede komt dan over ons als een gewapend man. Onze ellendige behoeftigheid, naaktheid, bedelstaf en volkomen insolventie staren ons met alle bijbehorende nood en ellende in het gezicht. Wij staan voor de troon van de Allerhoogste zonder een lap om ons te bedekken, een toevlucht om ons te verbergen of een pleitgrond om ons te baten.
Het is dit gezicht op onszelf van binnen en van buiten, dit wegzinken voor God als de grote Hartenkenner, dit diepe en gevoelde besef van de erbarmelijke staat waarin de zonde, zowel de erfzonde als de dadelijke zonde, ons heeft gebracht, dat in de hand van de zalige Geest onze ogen opent om te zien wat ons alleen kan baten.
Eén straal van goddelijk licht die in de ziel schijnt is genoeg om ons niet alleen te tonen wat wij zijn maar ook wat ons alleen goed kan doen. Eén druppel van de zalving van den Heilige die op de oogleden valt is genoeg om de ogen te openen om te zien in Wie alle zaligheid is en van Wie alle zaligheid komt. Zo worden voor altijd verjaagd die ijdele dromen, die valse wanen, die bedrieglijke hoop waarin duizenden verkeren als in het hart van de zee of in het opperste van den mast.
Door honger leren wij wat ware spijs is, door dorst wat zuiver water, wijn en melk is, door armoede wat vriendelijke liefdadigheid is. Door koude en naaktheid leren wij wat warmte en kleding zijn, door meedogenloze stormen en striemende regens wat huis en haard, toevlucht en beschutting zijn. Wat dus de ziel voedt, verwarmt, verlicht, kleedt, beschut, troost, zegent en behoudt, dat alleen is wat haar baat.
Al het andere, elk ander surrogaat, is slechts een steen voor brood of een slang voor een vis (Matth. 7:9-10); het is wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig (Jes. 29:8); het is as tot voedsel en een leugen in de rechterhand in plaats van degelijke waarheid (Jes. 44:20); het is den wijnstok van Sodom en de velden van Gomorra in plaats van de beste wijn die zoet nederdaalt en de lippen der slapenden doet spreken. (Deut. 32:32; Hoogl. 7:9.)
Maar waar of vanwaar zullen wij dit degelijke, stevige voedsel krijgen, den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt? (Ps. 104:15.) Is het niet alles in Jezus, de opgestane, de opgevaren, de verheerlijkte en heerlijke Zoon van de Vader in waarheid en liefde? Hij alleen is het Brood des levens om ons te voeden (Joh. 6:48), het water des levens om ons te verkwikken (Joh. 7:37).
Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid is ons enige aanvaardbare kleed (Rom. 3:24; Ef. 1:6; Fil. 3:9) en Zijn verzoenende bloed onze enige verlossing en vergeving van zonden. (Ef. 1:7.) Zijn woord en belofte zijn onze enige hoop (Rom. 4:18-21; 2 Kor. 1:20; Hebr. 6:18-20) en Zijn medelijden en deernis als onze grote Hogepriester op Zijn troon onze voornaamste steun. (Hebr. 4:15.) Zijn vermogen om volkomen zalig te maken allen die door Hem tot God gaan is onze voornaamste bemoediging.
Maar hoe komen wij aan dit voedsel, deze beschutting, deze vrede, deze steun, deze kracht en troost? Wij zien, duidelijk zien, dat het niet in ons is, en wij zien, duidelijk zien, in Wie het alles samenkomt. Maar hoe verkrijgen wij het, hoe trekken wij het neer in onze eigen borst, om het brood te eten, de melk en wijn te drinken, de vrede, rust, stilte en rustige zekerheid te genieten, de verlossing van alle vijanden en vrezen?
Hoe krijgen wij de onderpanden en voorsmaken van de eeuwige zaligheid, de zoete zekerheid dat alle zonde is vergeven, alle afwijkingen zijn genezen, alles wat krom is recht is gemaakt en alles wat oneffen is effen? Hoe worden alle slavernij, afstand, duisternis, schuld en angst volledig verwijderd, zodat wij wandelen in het licht van Gods aangezicht als vrijelijk aangenomen in den Geliefde? Hoe zullen deze hemelse zegeningen als ons gelukkige deel worden verwezenlijkt?
Alleen wanneer de zalige Geest van de dingen van Christus neemt, ze ons openbaart, ons geloof geeft om in de Zoon van God te geloven en door dit kostbare geloof elke weldaad en zegen uit Zijn volheid te ontvangen. Wij zien dus dat wij, voordat wij tot nut kunnen prediken, tot nut kunnen schrijven en, zo mogen wij wel toevoegen, tot nut kunnen horen of lezen, deze drie dingen moeten kennen en voelen:
1. Een diep besef van onze eigen leegheid, armoede en nood.
2. Een blik door het geloof op de Zoon van God als Hem Die in Zichzelf alle schatten van genade en heerlijkheid bevat.
3. Een mededeling door de zalige Geest van enkele van deze heerlijke rijkdommen, gevoelsmatig en bevindelijk, aan ons hart.
In de handel en het dagelijks leven is winst iets werkelijks en tastbaars. Niet een stel boeken of een balans, een stapel rekeningen of een rij cijfers die aan het eind van het jaar de handelaar tonen waar hij staat, noemt hij winst. Winst is een echte, degelijke, wezenlijke toevoeging aan zijn inkomen of kapitaal, aan zijn levensbehoeften of gemakken, aan het onderhoud en de opvoeding van zijn gezin, aan zijn eervolle positie in het bedrijf en aan de uitbreiding en vergroting van zijn zaak.
Het is dit degelijke, wezenlijke karakter dat op winsten gedrukt staat dat ze zo gezocht en zo gewaardeerd maakt. Zo is het ook de ellende van verliezen en het voortzetten van een zinkende, verliesgevende zaak die het voorhoofd met zorgen doorploegt, de geest vult met sombere angsten en voor duizenden elke dag van hun leven verbittert.
Breng nu deze parallel over naar de dingen van God. De winst van de ziel is, of behoort te zijn, even degelijk, werkelijk, tastbaar en wezenlijk als de winst van een bedrijf. De ziel drijft handel evengoed als het lichaam. Er is een zaak, een dagelijkse zaak, die in de binnenkamer wordt gedreven evengoed als in het kantoor, aan de troon der genade evengoed als achter de toonbank.
De ziel heeft haar winsten en verliezen, haar ontvangsten en betalingen, haar boeken: haar kladboek, journaal en grootboek. Het eerste is voor verspilde tijd en gelegenheden, het tweede voor de zonden van elke dag en het derde voor de overtredingen die in het lange schuldboek van het geheugen gedurende vele jaren zijn opgetekend. Maar wanneer de boeken worden geopend, toont een blik op hun inhoud ons onze volledige insolventie en totale bankroet. Wij hoeven de totalen niet op te tellen of een balans op te maken.
Waar is dan de winst als het geheel verlies is? Terwijl wij hier de boeken wanhopig sluiten en omhoogkijken alsof zonder hulp of hoop, ontmoet het oog een Vriend daarboven Die tevoren elke schuld heeft betaald. Onze zonden dragend in Zijn eigen lichaam op het hout, heeft Hij het volgende gedaan: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende. (Kol. 2:14.)
Is hier geen winst? Wat! Geen winst in Zijn kostbaar bloed dat van alle zonde reinigt, geen winst in Zijn gerechtigheid die rechtvaardigt van alles waarvan wij niet konden worden gerechtvaardigd door de wet van Mozes? Ja, het is louter winst. Dit deed David zeggen: Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. (Ps. 32:1-2.)
Dit is wat Jezus zo geschikt en zo kostbaar maakt voor wie geloven: dat wij in Hem gezegend zijn, reeds gezegend, met alle geestelijke zegening. Wij hebben in Hem de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade. In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.
En waarom? Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben, niet in onszelf, niet in onze goede woorden of goede werken, niet in onze boeken, maar in Christus. (Ef. 1:3-12.) Deze heerlijke Christus voor te stellen, te verheffen en voor gelovige ogen en harten omhoog te houden, hetzij met de tong of met de pen, is tot nut spreken. Want in Hem al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. (Kol. 2:3.) Naarmate deze schatten worden geopend en hun kostbare inhoud wordt onthuld, wordt het gelovige hart verrijkt door de mededeling ervan door de zalige Geest.
Nu geloven wij dat alleen de levende familie van God iets van deze geestelijke winst voor zichzelf kent of wil kennen. Ja, alleen zij hebben dat eerste element van goddelijk onderricht werkelijk geleerd dat ons enigszins bezorgd maakt over winst of verlies. Onze gezegende Heere zei, en Zijn woorden raken dit punt tot in de kern: Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? (Matth. 16:26.)
Zo ligt er een diepe en gewichtige zaak aan de grond van de hele vraag over winst en verlies: dat ik een ziel heb die behouden of verloren kan worden. Wat zal ik dan geven in ruil voor mijn ziel? Wat baat het mij als ik de gehele wereld win en die verlies? Deze diepe overtuiging van een ziel die behouden of verloren zal worden ligt aan de wortel van al onze godsdienst als die van God is.
Hier aan de ene kant is de wereld met al haar winsten en genoegens, haar bekoringen, haar glimlachen, haar innemende manieren, haar gemakken, haar luxe en haar eer. Het verwerven daarvan is de grote strijd van het menselijk leven. Daar aan de andere kant is mijn eenzame ziel, onsterfelijk in een sterfelijk lichaam, om te leven in de dood, door de dood heen en na de dood, ja voor eeuwig en altijd, wanneer de wereld met al haar genoegens en winsten zal wegzinken onder de toorn van de Almachtige. En deze dierbare ziel van mij, mijn eigenlijke zelf, mijn enige zelf, mijn alles, moet verloren of behouden worden.
Alles dus wat ik win ten koste van mijn ziel is zeker verlies, alles wat ik verlies ten bate van mijn ziel is stellige winst. Hier is mijn maat, hier mijn schaal van verlies en winst. Mijn geweten houdt het kasboek bij waarin de posten worden ingeschreven. Er is op elke bladzijde een kant voor debet en een voor credit, een minteken en een plusteken.
Tegenover elke zonde staat een minteken. Dat geldt voor elk ijdel of dwaas woord en elke dwalende blik, voor elke goddeloze, ongelovige, onkuise, opstandige, ontevreden of mopperende gedachte en voor elke hoogmoedige, zelfzuchtige, zorgeloze, vleselijke of wereldse beweging of begeerte. Het geldt ook voor alle koude, duisternis, doodsheid, dorheid en gebedsloosheid en voor de hele oogst van aardsgezindheid.
Maar op de tegenoverliggende bladzijde staat tegenover deze vele posten, deze lange, lange sommen, een plusteken. Elke straal en glimp van goddelijk licht, elke zoete tijd in het gebed en elk bezoek van de tegenwoordigheid en kracht van de Heere dat de geest bewaart is een gezegend plusteken. Dat geldt ook voor elke genadige belofte of bemoedigende uitnodiging, elk zacht woord of elke zachte aanraking, elke vriendelijke fluistering en elke rijzende hoop. In één woord: alles wat de ziel verwarmt, verblijdt, doet smelten en van de aarde naar de hemel opheft is een gezegend plusteken.
Want al deze dingen worden op onze rekening bijgeschreven als zoveel onderpanden en als het ware vooruitbetalingen van de oneindige rijkdommen van de Zoon van God, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.
Nu is het voornaamste werk van de bediening deze vraag van winst en verlies te ontvouwen en als het ware de boeken van de familie van God te onderzoeken. Elke levende hoorder brengt zijn boek mee en terwijl hij voor de man van God zit, merkt hij dat zijn rekeningen worden onderzocht en ingeschreven. De dienaar van de Heere gaat eerst in op onze verliezen en toont wat wij zijn van nature en praktijk, door erfzonde en dadelijke zonde. Hij brengt tegen ons schuld na schuld en rekening na rekening in. Het geweten erkent daarbij niet alleen de waarheid van elke aanklacht maar fluistert heimelijk: „Ja, en duizend zonden tweemaal verteld die u niet hebt genoemd en niet kunt noemen, niet durft te noemen.”
Zo zinkt de arme ziel bijna in wanhoop weg, als een winkelier die zich in een koud zweet van angst over zijn boeken buigt bij het vooruitzicht van onmiddellijke ondergang die hem in het stof zal verpletteren. Maar nu slaat de man van God de andere kant van de bladzijde open en houdt de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Heere, het Lam, voor ogen.
Hij toont niet alleen dat elke zonde vergeven is, elke aanklacht beantwoord en betaald, elke schuld voldaan en volle aanneming voor de hele som gegeven. Terwijl de zalige Geest Zijn innerlijk getuigenis geeft, bewijst hij ook door het werk van genade te beschrijven tot vreugde van de ziel dat zij een aandeel heeft in het volbrachte werk van de Zoon van God.
Zo toont hij dat er geen verdoemenis is voor wie in Christus Jezus zijn en dat waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. Wordt dit ontvangen en geloofd, dan richt het de arme uit het stof op en verhoogt het de bedelaar uit den drek om hem te zetten bij de vorsten en hem den stoel der ere te doen beërven.
Deze prediking is tot nut. Zij is niet zoals veel in onze dagen een verkering der toehoorders door verkeerde krakelingen en dwaalleer (2 Tim. 2:14; 1 Tim. 6:5), maar een opbouwen van hen op hun allerheiligst geloof. (Judas 20.) Deze gezonde, doorzoekende, bevindelijke prediking, en wij mogen eraan toevoegen schrijven, want wij mogen beide insluiten, deelt de ziel degelijk goed mee.
Zij dringt immers door tot het geweten, het bijzondere domein van God, soms wondend en soms genezend. Maar altijd maakt zij, als door de Geest erkend en gezegend, het geweten levend en teder en koestert zij zo de vreze Gods als haar uitgelezen schat. Daardoor worden, als een boodschap van God, het geloof versterkt, de hoop vergroot en de liefde te voorschijn gelokt. Nederigheid, zachtmoedigheid, gebrokenheid en verslagenheid van geest worden voortgebracht of vernieuwd. Daardoor wordt de zonde uitermate zondig gemaakt.
En hoewel het licht dat zij in het hart werpt en misschien op sommige gedeelten van het voorbije leven soms bijna te groot is om te dragen, wordt toch in dat licht en door de werking ervan samen met het goddelijk Leven een bekering gewrocht. Er komt een godzalige droefheid, een zelfverfoeiing en een plechtig nederwerpen aan de voeten van de Heere, dat hoewel pijnlijk toch als nuttig wordt gevoeld.
Is Gods onderwijs niet tot nut? (Jes. 48:17.) Is de Schrift niet van God ingegeven en nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust? (2 Tim. 3:16-17.) Zegt Paulus niet over zijn prediking te Efeze dat hij niets achtergehouden heeft van hetgeen nuttig was en dat hij daardoor rein is van het bloed van u allen? Want hij heeft hun al den raad Gods verkondigd. (Hand. 20:20; Hand. 20:26-27.)
Wordt ons niet ook gezegd dat de openbaring des Geestes aan een iegelijk wordt gegeven, dat wil zeggen niet aan ieder mens in het algemeen maar aan ieder van hen aan wie zij gegeven wordt, tot hetgeen oorbaar is? (1 Kor. 12:7.) Als wij Gods gebouw zijn, is het dan niet opdat ons lichaam een tempel is van den Heiligen Geest? Als wij Gods akkerwerk zijn, is het dan niet opdat wij vruchtbaar zijn in elk goed woord en werk? (1 Kor. 3:9; 1 Kor. 6:19; Joh. 15:1-2; Joh. 15:8.)
Meet dan met deze schaal allen die u hoort en alles wat u leest. Laat dit uw eenvoudige vraag zijn: „Brengt het mij winst op? Deze bediening, dit boek, dit gezelschap, deze verbintenis, deze persoon, krijg ik daarvan werkelijke winst voor mijn ziel? Hoe staat mijn kasboek ervoor? Wat zegt mijn geweten? Weet ik niet, voel ik niet wanneer ik verlies en wanneer ik win, wanneer ik onder de moordenaars val en half dood word achtergelaten en wanneer de olie en wijn worden ingegoten en ik wordt verbonden en genezen?”
Waarom zouden wij dan dieven en rovers aanmoedigen? Dat zijn allen die niet door de deur ingaan in den stal der schapen (Joh. 10:1), in de bediening of daarbuiten. Houdt een bankier een oneerlijke bediende of een winkelier een stelende medewerker? Moeten wij dan oneerlijke mensen, predikanten of geen predikanten, dwalende boeken en publicaties die de tijd naar de mond praten aanmoedigen, zodra onze ogen zijn geopend om te zien wie en wat zij zijn en dat de waarheid in haar werkelijke levenskracht en kracht niet in hen is?
Toen wij mensen slechts konden zien als bomen, wandelen, was er enige verontschuldiging voor een zekere mate van onvastheid en weifeling. Onze natuurlijke vriendelijkheid deed ons goed van bijna allen te denken en te hopen die de waarheid beleden. Ons geweten stond niet toe dat wij tegen hen spraken of ons van hen afscheidden.
Maar nu wij door herhaalde en pijnlijke ervaring hebben geleerd hoe schadelijk hun gezelschap of voorbeeld voor ons is geweest, moeten wij hen dan nog aan onze borst drukken en met hen omgaan? Moeten wij ons gehoor geven aan dwalende mensen en onze ogen aan dwalende boeken, als wij iets weten van de waarheid in haar zuiverheid en kracht?
Moeten wij ons gezelschap geven aan hen die door hun ongerijmde gedrag, hun vleselijke gesprek, hun wereldse aanpassing, hun lichte en lichtzinnige manieren, hun ijdele aanmatigende vertrouwen en volslagen gebrek aan alles wat genadig en geestelijk is in hart, lip en leven niets anders kunnen dan onze ziel beroven en plunderen van elk greintje tederheid, zachtmoedigheid en godvruchtige vrees? Zit niet onder een bediening die u uithongert of schaadt.
Als wij geen boeken kunnen vinden die ons baten, laat ons dan niets anders lezen dan het gezegende woord van God. Als wij geen eenvoudig, nederig, geestelijk gezind kind van God kunnen vinden om mee te wandelen, laat ons dan liever alleen wandelen en op ons leger met ons eigen hart spreken en stil zijn.
Bij velen van ons ebt het leven snel weg. Van sommigen die deze bladzijden lezen kan het spoedig gezegd worden dat voor hen geen tijd meer zal zijn. Gods oordelen zijn in het land. Hij heeft ons geslagen met een zeer verschrikkelijke slag in deze vreselijke veepest, waarvan wij het begin hebben gezien. Maar wie kan het einde zeggen? Het kan spoedig zo met ons zijn als de profeet zegt, dat de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal. (Hab. 3:17.)
De schakels van de maatschappij zijn zo onderling verbonden dat deze ramp, die wij noch onze vaderen hebben gekend, niet alleen de directe slachtoffers treft maar allen die zichzelf en hun gezin moeten onderhouden. Gesloten markten, een algemene verlamming van het bedrijfsleven en het grootste risico en de grootste onzekerheid bij alle koop en verkoop, zelfs bij het aanhouden van voorraad, moeten voor velen het grootste verlies zijn, zo niet de volslagen ondergang. Voedsel tegen hongersnoodprijzen is voor de meesten werkelijke armoede en voor allen een ernstige schade.
Dit is niet alles wat wij zeer mogen vrezen of pijnlijk mogen voelen. Een bezoeking van cholera wordt door de medische autoriteiten over het algemeen verwacht in de komende zomer. En wie kan zeggen wanneer en waar zij zal beginnen en wanneer en waar zij zal eindigen? Hoe donker en somber zijn ook de tekenen der tijden! Wij hebben een veteraan van de staatkunde verloren. Met de steun en het vertrouwen van bijna alle politieke partijen en begiftigd met een ongelooflijke verbinding van scherpzinnigheid en vastberadenheid hield hij in een zeer moeilijke periode het roer van de regering en heeft hij ons, menselijk gesproken, behoed voor de ellende zelfs nu in oorlog te zijn.
Het pausdom rukt in snel tempo op en des te zekerder naarmate de ogen van de meesten blind lijken voor zijn voortgang. Een groot aantal geestelijken zijn Papisten in hart en nieren. Door hun gemeente aan Roomse ceremoniën te wennen effenen zij geleidelijk de weg naar een vollediger ontwikkeling van pauselijke leerstukken en gebruiken. In het Lagerhuis wordt elke motie die ertoe strekt zijn praktijken bloot te leggen of zijn voortgang te stuiten zozeer bespot en weggelachen of door ontbrekend quorum van tafel geveegd dat weinig leden de morele moed hebben ervoor te spreken of haar te steunen.
Ierland is zojuist ontsnapt aan het uitbreken van een wijdverbreide samenzwering. Zonder de goede hand van God had die, zoals andere eerder, kunnen uitlopen op een vreselijk bloedbad onder de protestantse bevolking, dat gewroken zou zijn door een vreselijke vergelding.
Wanneer wij van de wereld naar de gemeente kijken, valt er weinig aangenaams of hoopvols te zien. De Heere neemt Zijn dienaren thuis of zet hen terzijde en weinigen lijken in hun plaats te worden verwekt om met een duidelijk geluid de bazuin te blazen, op de wallen van Sion te staan of de slachtschapen te weiden. In de gemeenten is veel twist en verdeeldheid en er vindt weinig bekeringswerk plaats. Een algemene lusteloosheid lijkt over de meeste gemeenten te broeden, zelfs waar gezonde leer wordt gepredikt en bevindelijke waarheid wordt verdedigd.
Maar het wordt tijd om af te sluiten. Door barmhartigheid is niet alles volkomen of geheel donker. De Heere heeft altijd een zaad gehad en zal altijd een zaad hebben om Hem te dienen. Zo hopen wij, nee, geloven wij vast, bij al deze vreselijke en sombere vooruitzichten dat Hij in dit land nog een aanzienlijk aantal heeft van hen die Hem vrezen en liefhebben.
Voor hen werken wij en tot hen richten wij ons hier. En als de God aller genade het behaagt dat Hij in het huidige jaar met Zijn zegen kroont wat uit onze pen mag druppelen of in onze bladzijden mag verschijnen, dan moet aan Hem, in de Drie-eenheid van Personen en de onverdeelde Eenheid van Wezen, alle lof en eer en heerlijkheid worden toegeschreven.
Uw toegenegen Vriend en Dienaar, De Redacteur


