Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Nieuwjaarsboodschap 1851: Het leven van God in de ziel, tegenover farizeeën en antinomianen

Philpot toont dat alle ware godsdienst voortkomt uit het leven van God in de ziel en dat valse godsdienst uiteindelijk het zelf zoekt. Hij waarschuwt voor farizeeën en antinomianen, voor Rome en voor lege belijdenis, en stelt de banier van waarheid en liefde ertegenover.

Alle ware godsdienst vloeit voort uit het leven van God in de ziel. Waar dit goddelijke leven is, daar wordt ware godsdienst gevonden. Waar het niet is, kan wel de naam van godsdienst zijn, maar het is een schaduw zonder wezen, een vorm zonder kracht, een nabootsing zonder werkelijkheid.

Bijna de eerste waarheden die in het geweten worden verzegeld bij het eerste aanbreken van leven en licht, wanneer men mensen nog ziet als wandelende bomen, hangen samen met het leven van God in de ziel als een goddelijk werk. Dat God een Geest is; dat Hij in geest en waarheid moet worden aanbeden; dat er een nieuwe geboorte is; dat de zetel van alle ware godsdienst in het hart ligt; dat alles moet worden prijsgegeven voor Christus; dat de zonde een verschrikkelijke innerlijke werkelijkheid is en dat daarom ook genade en zaligheid innerlijke werkelijkheden moeten zijn. Te midden van alle duisternis en verwarring van de geest aan het begin van het genadewerk springen deze waarheden naar voren, zoals bergtoppen zich verheffen uit de mist van het dal.

Deze eenvoudige waarheden worden ook nooit aan het wankelen gebracht of ondermijnd door latere bevinding. Er zal veel moeten worden prijsgegeven. Vele meningen, vooroordelen, bezigheden, banden en gehechtheden moeten misschien worden opgegeven. Veel hoogmoed, eigengerechtigheid, schepselskracht en schepselswijsheid moet worden verbrand. De ziel kan naakt en kaal worden uitgekleed en achtergelaten gelijk een mast op den top van een berg, en als een banier op een heuvel.

Maar deze waarheid wordt nooit weggevaagd: het koninkrijk van God dat met goddelijke kracht in het hart is opgericht, is het hoofdpunt, het ene dat nodig is, de schat in aarden vaten, de witte keursteen en de nieuwe naam. Zonder dat is alle belijdenis slechts een masker en een schijnvertoning. Integendeel: alle stormen, golven en baren die over de ziel rollen en alle godsdienst die van het vlees en het schepsel is begraven en doen verdrinken, grondvesten haar slechts dieper in de vaste overtuiging dat alle ware godsdienst een goddelijk werk is en een nieuwe schepping. Zij wordt alleen door de soevereine, krachtdadige macht van God begonnen, voortgezet en voltooid.

Vandaar de scheiding tussen hen die uit het vlees geboren zijn en hen die uit de Geest geboren zijn. Peil alle valse godsdienst tot op de bodem. Steek de schep in haar hart en kern. Trek haar kleren en opschik uit. Wat vindt u dan? HET ZELF.

Valse godsdienst kan duizend gedaanten aannemen. Zij strekt zich uit van de voorbereiding op de Confirmation op een kostschool voor jongedames tot aan het haren boetekleed en de bloedende rug van een roomse heilige. Zij kan alle schakeringen van belijdenis doorlopen, van wild Ranterisme of Mormonisme tot de hoogste vlucht van leerstellig calvinisme. Maar jaag haar na door al haar bochten en kronkels en u zult aan het einde van de jacht het schepsel vinden.

Hoe dit zuurdesem Paulus bij elke stap tegenkwam en dwarsboomde! Het eerste struikelblok op het pad van de gelovigen uit de heidenen was dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. En door wie werd het neergelegd? Door sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden (Handelingen 15:5). Zij waren zelf gebonden in de slavernij van de wet van de werken en benijdden de heidense heiligen de vrijheid waarmee Christus hen vrij had gemaakt.

Voor hen, zoals voor allen die niet daadwerkelijk zijn vernederd onder de machtige hand van God, was dit de grote steen des aanstoots, en een rots der ergernis: dat Christus alles moet zijn en het schepsel niets. Zo getuigt de apostel: Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. (Romeinen 10:2-3)

En zo is het ook in onze dagen. De allerstrengste sekte van de farizeeën is niet uitgestorven in de dagen van de apostelen. Haar wortels liggen nog diep in het menselijk hart. Het is een godsdienst die op moeders schoot wordt geleerd en die wordt gekoesterd en gevoed door scholen, leraren en gouvernantes. In latere jaren wordt zij versterkt, voor zover zij niet door wereldse lusten stukgeslagen wordt, door preek na preek en traktaat na traktaat. Op hoge leeftijd wordt zij als een kostbare nalatenschap doorgegeven aan het opkomende geslacht.

Zij beperkt zich ook niet tot wat men de religieuze wereld noemt en is niet alleen te vinden in boekjes in karmozijnrode moiré gebonden als kerstcadeau voor brave jongetjes en meisjes. Helaas! Men vindt haar ook in een hogere, reinere sfeer, waar zij zich dringt in de gemeente van God — een schadelijk, woekerend onkruid in de specerijentuin. Bijna alle vergissingen, dwalingen, verwarring, twist en verdeeldheid die men overal ziet in de gemeenten die de waarheid belijden, komen voort uit gebrek aan goddelijk leven. Of zij komen voort uit het vermengen ervan met wat van het schepsel en het vlees is.

Voor sommigen is godsdienst bijna even onmisbaar als de lucht die zij inademen of het voedsel dat zij eten. Het is een natuurlijke behoefte die passend voedsel vraagt. Bij sommigen is het het pausdom, bij anderen het Arminianisme, bij weer anderen het calvinisme — een talrijk geslacht van zusters met een sterke familiegelijkenis.

Wij moeten wat godsdienst hebben. Wij kunnen niet zonder godsdienst. Onze kerk, onze kapel, onze bank, onze predikant, ons volk — zonder hen kunnen wij niet bestaan. Zo is het gevoel en zo is de taal van honderden die geen greintje echte godsdienst hebben en geen vonk van goddelijk onderwijs. Met al dat misbaar over godsdienst hebben zij misschien nooit één keer in hun leven vanuit een gebroken hart geroepen: O God! wees mij zondaar genadig! Zij hebben ook nooit door levend geloof één blik geworpen op de Koning in Zijn schoonheid.

Wanneer dit sterke natuurlijke gevoel van godsdienst goed is overschilderd met een paar tranen onder een preek, verguld met een gezonde calvinistische geloofsbelijdenis en netjes gepolijst gehouden door een consequent leven, wie kan zich dan verbazen dat er scharen belijders in de gemeenten zijn bij wie de wortel zelf van het goddelijk leven ontbreekt?

Deze mensen zullen, ook al zijn zij ingescheept onder een belijdenis van vrije genade, farizeeën of antinomianen zijn. Het zuurdesem kan een tijd verborgen blijven maar zal en moet gaan werken. Wanneer het losbreekt, volgt onvermijdelijk twist. Want vergissingen en dwalingen moeten ontstaan waar de Geest van de waarheid niet is. Strijd en verdeeldheid moeten bestaan waar de Geest van de liefde niet is. Hoogmoed en eigengerechtigheid moeten overheersen waar de Geest van Christus niet is. Vleselijkheid en dood moeten heersen waar de Geest van het leven niet is en de zonde moet regeren waar de Geest van de heiligheid niet is.

Een geest van losbandige antinomiaanse zedeloosheid heeft, naar te vrezen valt, veel calvinistische gemeenten diep besmet. Zij hebben beredeneerd — of, als zij het niet beredeneerd hebben, dan toch bijna zo gehandeld — alsof vrije genade een vrijheid tot het kwade was en evangelische vrijheid een vrijheid om het vlees en de wereld te behagen. En hoeven wij ons te verbazen dat er veel echte antinomianen zijn in gemeenten waar de toelating zo gemakkelijk is en waar een zo oppervlakkig werk voldoende wordt geacht voor het lidmaatschap? Het zijn antinomianen in hart en heimelijke praktijk die in hun leven niet genoeg zo zijn om onder kerkelijke tucht te vallen.

Maar moeten wij, omdat dit grote kwaad in de ene vorm bestaat, het genezen met een even groot kwaad in een andere vorm? Moeten wij, om Scylla te vermijden, naar Charybdis vluchten? (Scylla was een rots aan de ene kant van de nauwe zeestraat tussen Italië en Sicilië en Charybdis een draaikolk aan de andere kant. Omdat het vaak gebeurde dat een schip bij het ontwijken van de een op of in de ander terechtkwam, werd het een oud spreekwoord om uit te drukken hoe iemand die één moeilijkheid probeert te ontlopen, op de tegenovergestelde stuit.)

Omdat de antinomiaan de stok in de ene richting heeft gebogen, moeten wij dan de kromming rechtzetten door hem aan de farizeeër te geven om hem in de andere richting te buigen? Dat zou de stok breken en niet rechtzetten.

Het farizeïsme is een even dodelijke vijand van Christus als het antinomianisme. Heidense zondaars en Joodse farizeeën hebben in onderling goedvinden de Heere van leven en heerlijkheid gekruisigd. Van de strenge priesters van het Hebreeuwse Sanhedrin staat geschreven: Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. En de wilde soldaten van het Romeinse legerkamp bespotten Hem met de doornenkroon en het purperen kleed.

Eén dwaling is niet te verbeteren door een andere. Een misbruikt evangelie kan niet worden hersteld door er een sterke tinctuur van de wet in te brengen. Dwaling van welke aard of gedaante ook die in het evangelie van Jezus Christus wordt binnengebracht, is als een vreemd lichaam in het menselijk lichaam. Het moet wrijven en irriteren totdat het is verwijderd of eruit gewerkt.

Het Arminianisme is net zo goed een zandkorrel in een levend oog als het antinomianisme. In een evangeliegemeente veroorzaakt een handjevol Arminianen evenveel verwarring als een handjevol antinomianen. Het evangelie van Christus strijdt even sterk met beide en daarom strijden beide even sterk met het evangelie van Christus.

Sterker nog: de grootste verwarring ontstaat vaak uit de Arminiaanse hoek. Geïrriteerd door een veroordelende wet die zij tevergeefs trachten te houden, zijn zij bereid ruzie te maken om een strohalm. In het geheim haten zij een evangelie van vrije genade, omdat het geen gemene zaak wil maken met hun gerechtigheid.

Hoeven wij ons te verbazen dat er onder deze omstandigheden zoveel verwarring en verdeeldheid in de gemeenten is en zo weinig liefde en eensgezindheid onder de predikanten? Maar wat moeten allen doen die de levende, geestelijke, bevindelijke godzaligheid liefhebben? Strijden voor alle waarheid en alle dwaling weerstaan.

En bovenal ernaar zoeken om zelf aangedaan te worden met kracht uit de hoogte en hun godsdienst te halen bij de Fontein. Zij moeten zich met niets minder laten tevredenstellen dan met goddelijk onderwijs en goddelijk getuigenis. Zij moeten bij Christus goud, beproefd komende uit het vuur kopen en Hem smeken hun ogen te zalven met Zijn eigen kostbare ogenzalf, zodat zij zien.

Er is blijkbaar een machtige strijd op handen die de slaperigste kan wekken en de sterkste op de proef kan stellen. In die strijd zullen wij geen denkbeelden nodig hebben maar geloof. Wij zullen niet alleen vereniging met een gemeente nodig hebben maar vereniging met Christus. Wij zullen niet een lui aanhoren van preken nodig hebben, alsof dat het een en al van de godsdienst was, maar ervaringen waarin de liefde Gods in onze harten uitgestort wordt.

Wat wij nodig hebben, is niet het zitten onder de wijnstok en de vijgenboom van de kansel in een behaaglijk hoekje van een calvinistische kapel. Het is het aandoen van de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.

Terwijl de officieren ruzie maakten en de bemanning sliep, zijn de piraten langszij gekomen. Rome heeft haar zwarte vlag gehesen en misschien zullen wij met haar moeten strijden, voet aan voet en schouder aan schouder, op een dek dat van bloed stroomt.

Wanneer de dag komt van de doding van de getuigen (Openbaring 11:1-19) — een profetie die nog niet vervuld is, want het getuigenis van het evangelie is nog nooit tot zwijgen gebracht — zullen werkelijkheden, goddelijke werkelijkheden nodig blijken. Dan zullen er geen mooie, nette kapellen zijn met goede banken en zachte kussens. Er zullen geen rustige slaaphoekjes zijn om in weg te kruipen nadat de tekst is opgegeven. Onze kapel kan dan een pakhuis of een graanschuur zijn, onze predikant een balling of een gevangene en ons volk voor tweederde overgelopen naar het pausdom.

Laten wij dus, zolang er nog een ademruimte is, zoeken wat alleen “elke storm kan doorstaan en ten slotte leven”: een levende vereniging en gemeenschap met de Zoon van God. Als nederig werktuig in de handen van de Heere willen wij, zolang de gelegenheid wordt gegeven, ernstig gehoor geven aan het woord: dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.

Wij hebben gesproken over de zwarte vlag van Rome. Laat de onze een andere banier zijn: de banier van waarheid en liefde (Psalm 60:6; Hooglied 2:4). Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid.

1. De nieuwe mens van de genade heeft een zuivere eetlust. Draf kan haar niet verzadigen. Waarheid, zuivere waarheid is de lucht die zij inademt; brood, hemels brood het voedsel dat zij eet; water, levend water de stroom waaruit zij drinkt. Deze lucht, dit voedsel en dit water zoekt zij als met een geestelijk instinct. Zoals de pasgeboren baby de moederborst zoekt, zo begeert de pasgeboren ziel de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen.

Waarheid die door de Geest is geopenbaard, is het voedsel van de ziel, hetzij als melk voor de zuigeling of als vast voedsel voor de volwassene. Deze waarheid is in haar zuiverste vorm in de Schrift vervat. Maar zij moet vaak worden uitgedeeld. De waarheid stroomt in Gods Woord als een machtige rivier, maar zij bereikt de ziel vaak door kanalen, buizen en leidingen die door God zijn aangewezen of door Hem erkend.

Onder deze kanalen of leidingen van goddelijke waarheid hopen wij graag dat de “Gospel Standard” een plaats heeft. Moge het ons toenemend verlangen zijn dat er door hem zuivere waarheid vloeit. Maar welke waarheid? Niet waarheid in een droge, dode, koude, abstracte vorm. Alleen levende waarheid is nuttig: waarheid doortrokken van de kracht en zalving van de Geest, waarheid nat van de dauw van de hemel, waarheid waaraan de Heilige Geest bot en pees, leven en adem heeft gegeven. Wat dat is, vraagt een geestelijk oog om te zien en een geestelijk hart om te voelen.

2. Maar wij hebben ook de banier van de liefde boven ons nodig. Paulus heeft beide mooi verenigd in één korte zin: de waarheid betrachtende in liefde (Efeze 4:15). Het is liefde tot Jezus, liefde tot het volk van Jezus en liefde tot de waarheid, gelijk de waarheid in Jezus is. Liefde in het hart en waarheid op de lippen vormen een mooie en harmonische eenheid. Beide zijn nodig om de zilveren bazuin van het evangelie te blazen en haar melodieuze en blijde klank voort te brengen.

Een boogschutter heeft een doel nodig, een loods een kompas, een hardloper een eindstreep en een bouwmeester een plan. Zonder dit bepaalde doel heeft de pijl geen richting, het schip geen koers, de wedloper geen prijs en het gebouw geen symmetrie.

Wat is dan of behoort het doel te zijn van een tijdschrift dat zoals de “Standard” wijd verspreid is onder de levende familie? Hetzelfde doel dat Paulus de oudsten van Efeze voorhield (Handelingen 20:28): om de Gemeente Gods te weiden. Weid Mijn schapen en Weid Mijn lammeren was het driemaal herhaalde bevel van Christus aan Petrus.

Elke prediker, schrijver en redacteur die zich tot de gemeente van God richt, moet dit als zijn hele doel en verlangen voor ogen hebben. Dit mogen wij eerlijk van onszelf zeggen. Het is ook de enige drijfveer die ons op onze moeilijke en verantwoordelijke post houdt. Hier voelen wij ons geweten zuiver.

Het is niet wereldse winst of eerzucht en ook niet het streven naar populariteit en invloed. Het is het verlangen om een werktuig te zijn in het voeden van levende zielen dat ons overeind houdt. Het houdt ons op onze post te midden van vele ontmoedigingen van binnen en van buiten die alleen wij zelf kennen.

Daarbij missen wij de waardevolle hulp en raad van onze overleden dierbare vriend en medewerker, de arme M’Kenzie. Uit barmhartigheid met hemzelf, maar tot groot verlies voor de gemeente, is hij uit dit tranendal weggenomen. Wij voelen de druk van de moeilijkheden van onze post en zijn moe van het zwoegen. Wij zijn ons bewust van ons eigen onvermogen en zozeer op ons eigen oordeel aangewezen dat wij, wat onze redactionele taak betreft, wel kunnen zeggen: “Van vrienden en raadgevers beroofd”.

Wij willen het goede doen maar weten vaak niet hoe. Wij willen het verkeerde vermijden maar raken er vaak onbewust in verstrikt. Ons pad als redacteur lijkt daarom sterk op het beproefde pad van een christen. Laten zulke lezers met ons meevoelen. Laten zij onze moeilijkheden overwegen, onze zwakheden verdragen, onze handen ophouden bij de troon van de genade en de Heere smeken ons de genade en wijsheid te schenken die onze post vereist.

Wij kunnen hun verzekeren dat de bitterheden de zoetigheden ver overtreffen. Maar door barmhartigheid zijn er ook zoetigheden. Onze arbeid is niet tevergeefs in de Heere. Telkens weer waren wij op het punt onze post neer te leggen. Dan kwam er een voorbeeld van een zegen ons ter ore dat ons bemoedigde om vol te houden, moede, nochtans vervolgende.

In het jaar dat voor ons ligt moge de zegen van God vergezellen wat in ons kleine werk aan de gemeente van Christus wordt voorgelegd. Zoals deze zegen op onze bladzijden heeft gerust, hopen wij dat hij er opnieuw op mag rusten. Dat zal een ruime beloning zijn voor alle moeilijkheden en ontmoedigingen die tot nu toe ons pad hebben belaagd en, als wij getrouw zijn, tot het einde zullen belagen.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!