Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Meer parels van Philpot — Genade op genade: de arme zondaar en zijn Zaligmaker (deel 2 van 2)

Philpot toont hoezeer wij elk moment genade nodig hebben en hoe de Heere Zijn volk door strijd en lijden leidt. De zondaar die niets heeft, ontvangt in Christus alles.

Wanneer wij zien en voelen hoezeer wij op elk moment van ons leven genade nodig hebben, begrijpen wij meteen hoe schoon het is om te bidden om een overvloedige, overstromende maat van genade.

Wij kunnen de straat niet uitlopen zonder te zondigen.

Onze vleselijke gezindheid en onze ijdele verbeeldingen zijn voortdurend op de uitkijk naar het kwaad. De zonde biedt zich aan op elke weg en ligt op de loer als de rondsluipende nachtdief die elke gelegenheid zoekt voor heimelijke roof. In onszelf, in onze gevallen natuur, zondigen wij bijna bij elke ademhaling. Alleen de genade houdt ons in bedwang en beïnvloedt ons. Wij hebben dus genade op genade nodig. In de woorden van de tekst moet de genade “vermenigvuldigd” worden naar de mate van onze zonden. Zal ik zeggen naar de mate? Nee! Als de zonde overvloedig is, en tot onze schaamte en droefheid weten wij dat zij dat is, dan hebben wij genade nodig die nog veel overvloediger is!

Wanneer het “getij van de zonde” binnenstroomt met zijn modder en slijk, hebben wij het “getij van de genade” nodig dat nog hoger vloeit. Het moet het slijk en het vuil meevoeren naar de diepten van de oceaan, zodat zij, als men ze zoekt, niet meer te vinden zijn.

Wij hebben genade nodig, vrije genade … genade vandaag, genade morgen, genade op dit moment, genade op het volgende, genade de hele dag lang.

Wij hebben genade nodig, vrije genade … helende genade, herlevende genade, herstellende genade, reddende genade en heiligende genade.

En dat alles vermenigvuldigd met al onze … behoeften en nood, zonden, misstappen, vallen en onophoudelijke en verzwaarde afvalligheden.

Wij hebben genade nodig, vrije genade … genade om te geloven, te hopen en lief te hebben, genade om te strijden en te overwinnen, genade om te staan, genade om te leven en genade om te sterven.

Op elk moment van ons leven hebben wij … bewarende genade nodig, ondersteunende genade, schragende genade en tegenhoudende genade.

Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere (2 Petrus 1:2)

Zoekt u grote dingen voor uzelf?

O, hoeveel predikanten zie ik geleid door … eerzucht, hoogmoed, eigenbelang of hebzucht!

Hoe weinigen hebben een enkel oog voor Gods eer!

En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet (Jeremia 45:5)

Predikanten zoeken vaak … grote gaven, grote welsprekendheid, grote kennis van verborgenheden, grote gemeenten, grote populariteit en grote invloed.

En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet (Jeremia 45:5)

Wij worden niet tot Zijn liefde gegeseld

Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. (Kolossenzen 3:2)

Waar moeten uw genegenheden op gericht zijn?

Moeten zij gericht zijn op de dingen die op de aarde zijn … die vergankelijke speeltjes, die bezoedelende ijdelheden en die knagende zorgen die het leven van God in de ziel voortdurend moeten temperen?

De uitdrukking “aardse dingen” heeft een groot bereik. Zij omvat niet alleen de ijdele speeltjes, de eerzuchtige verwachtingen en de vergankelijke genoegens waarin een vrolijke en onnadenkende wereld verzonken en verloren is. Zij omvat ook de wettige eisen van het werk, de aanspraken van vrouw en huis, gezin en vrienden en elke sociale band die aan de aarde bindt. Zo zijn … elk voorwerp waarop het oog kan rusten, elke gedachte of elk verlangen dat in het gemoed kan opkomen, elke geheime afgod die in de boezem op de loer ligt en elke zorg en elke angst die niet uit genade is, aardse dingen. Dat geldt ook voor elke aangename verwachting van genot of winst die de wereld kan voorhouden of het wereldse hart kan omhelzen. Dit alles, met een miljoen bezigheden waarin de gevallen natuur van de mens werk of geluk zoekt, zijn dingen op de aarde waarop de genegenheden niet gericht mogen worden.

Wij mogen onze vrouwen en kinderen liefhebben. Wij moeten ons rechtmatige beroep met ijver en vlijt uitoefenen. Wij moeten voor ons gezin zorgen naar de goede voorzienigheid van God. Maar wij mogen onze genegenheden niet zo op deze dingen richten dat zij ons van de hemel naar de aarde trekken. Hij Die al onze genegenheden waardig is, eist ze alle voor Zichzelf op. Hij Die de Bruidegom is van de ziel, vraagt de ongedeelde liefde van Zijn bruid, zoals Hij die rechtmatig heeft gewonnen.

Maar hoe moeten wij dit doen?

Kunnen wij dit grote werk zelf doen? Nee! Alleen de Heere Zelf kan dat. Hij openbaart Zijn schoonheid en zaligheid aan onze ziel en laat het gouden koord van Zijn liefde in onze boezem neer. Zo trekt Hij onze genegenheden omhoog en bevestigt ze op Zichzelf. Daartoe boeit Hij het hart door … een blik van liefde, een woord van Zijn genade, een zoete belofte of een goddelijke waarheid die geestelijk wordt toegepast.

Wanneer Hij de ziel zo boeit en optrekt, vloeien de genegenheden naar Hem toe als naar de bron en fontein van alle zegeningen.

Wij worden niet tot de liefde voor Hem gegeseld. Wij worden door liefde tot liefde getrokken. Liefde kan niet worden gekocht of verkocht. Zij is een innerlijke genegenheid die natuurlijk en noodzakelijk vloeit naar haar voorwerp en naar alles wat ermee verbonden is. Zo richten de genegenheden zich, naarmate de liefde naar Jezus vloeit, instinctief en noodzakelijk op de dingen die boven zijn en niet op die op de aarde zijn.

Jezus moet door de kracht van God aan onze ziel worden geopenbaard voor wij Zijn schoonheid en zaligheid kunnen zien en zo op Hem verliefd kunnen worden. Hij is degene van wie geldt: Hij draagt de banier boven tien duizend en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hooglied 5:10, 16). Dan wordt alles wat … van Christus spreekt, naar Christus smaakt en Christus ademt onuitsprekelijk zoet en kostbaar!

Op geen andere manier kunnen onze genegenheden van de aarde naar de hemel worden opgetild. Wij kunnen onze genegenheden niet beheersen. Zij lopen uit zichzelf weg. Als onze genegenheden dan aards zijn, lopen zij naar aardse voorwerpen. Als zij vleselijk en zinnelijk zijn, vloeien zij naar vleselijke en zinnelijke voorwerpen.

Maar wanneer de Heere Jezus Christus door een openbaring van Zijn heerlijkheid en zaligheid, of de Heilige Geest door te nemen uit het Zijne en het aan de ziel te openbaren, Hem ons voor ogen stelt als het enige voorwerp dat elke genegenheid van ons hart waard is en opeist, dan vloeien de genegenheden naar Hem toe. Ik wilde zeggen op natuurlijke wijze, maar het gebeurt zeker op geestelijke wijze. En wanneer dit zo is, zijn de genegenheden gericht op de dingen die boven zijn.

O, wat een schare van begeerten!

want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. (2 Kronieken 20:12)

Het heeft geen zin de strijd te voeren in onze eigen kracht. Wij hebben er geen.

O, wanneer de verzoeking als een slang in de vleselijke gezindheid sluipt, kronkelt zij heimelijk haar weg en slingert zich om het hart. Van de boa constrictor wordt gezegd dat hij zijn slachtoffer omarmt, zijn winding eromheen slaat en elk bot breekt zonder enige voorafgaande waarschuwing. Zo grijpt ook de verzoeking ons vaak plotseling in haar krachtige omhelzing. Hebben wij in onszelf meer kracht om ons vlees uit haar slijmerige windingen te bevrijden dan het arme dier uit de windingen van de boa constrictor?

Zo is het ook met de verdorvenheden en begeerten van onze gevallen natuur. Kunt u ze altijd meester worden? Kunt u deze slangen bij de nek grijpen en hun kop eraf wringen?

Ons hart onderzoeken lijkt enigszins op het onderzoeken van een druppel slootwater onder de microscoop. Hoe nauwkeuriger men kijkt, des te afschuwelijkere gedaanten verschijnen. Al deze vreemde monsters zijn bovendien voortdurend in beweging. Zij verslinden of worden verslonden. En als er sterkere lenzen op de microscoop worden gezet, komen er steeds walgelijker wezens in beeld, totdat oog en hart ziek worden van het gezicht.

Zo is ons hart. Oppervlakkig bekeken is het redelijk fraai. Maar onderzocht met de geestelijke microscoop verschijnen afschuwelijke gedaanten van elke vorm en grootte. Het zijn begeerten en verlangens in onophoudelijke beweging die elkaar verslinden en toch niet minder worden. Elk volgend onderzoek brengt nieuwe monsters aan het licht! O, wat een schare van begeerten! Hoe lijkt de ene de andere in te leiden en de weg te banen! En hoe is er een die, zoals onder de insecten, de vader is van een miljoen!

Wij moeten deze begeerten en hartstochten bij de nek grijpen en ze neerleggen aan de voeten van God. Zo brengen wij de almacht van Jehova tegen wat ons wil verderven. Wij zeggen: “Hier zijn mijn begeerten, ik kan ze niet beheersen. Hier zijn mijn verzoekingen, ik kan ze niet overwinnen. Hier zijn mijn vijanden, ik kan ze niet verslaan. Heere, ik weet niet wat ik doen moet. Wilt U mijn vijanden niet onderwerpen?”

Dit is strijden tegen de zonde, niet in het vlees maar in de Geest. Niet door de wet maar door het evangelie. Niet door het zelf maar door de genade van God. En als uw ziel menige worsteling en menige handgemeen met de zonde heeft gehad, hebt u dit al eerder ontdekt: niets dan de genade, de kracht en de Geest van Christus heeft u ooit de overwinning gegeven of de minste hoop daarop.

want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. (2 Kronieken 20:12)

Alsof deze mooie adder geen gifspits had!

Verlos mij van al mijn overtredingen (Psalm 39:9)

Ach, hoe zelden zien wij de zonde in haar ware kleuren en voelen wij dat de zonde, in de woorden van de apostel, boven mate zondig is! O, hoezeer is het vreselijke kwaad van de zonde voor het grootste deel voor onze ogen verhuld! Ons bedrieglijke hart verbloemt haar zo, verontschuldigt, verzacht en vermomt haar zo dat er dagelijks mee wordt gespeeld en gedold, alsof deze mooie adder geen gifspits had!

Alleen wanneer de Geest de ogen wil openen om te zien en de consciëntie wil wekken om te voelen dat de zonde boven mate zondig is, en zo haar vreselijke karakter wil ontdekken, hebben wij enig echt zicht op of besef van haar afschuwelijke aard.

Zonden van het hart, van de lippen en van het leven, zonden van nalatigheid en van daad, zonden van ondankbaarheid en van ongeloof, zonden van opstand en van begeerte, zonden van hoogmoed en van wereldsgezindheid! Al deze overtredingen komen troep na troep in het gezicht en rijzen op als schimmen uit het graf. Dan mogen wij met gesmoorde stem wel roepen: “Verlos mij, o verlos mij van al mijn overtredingen! Verlos mij van … de schuld van de zonde, het vuil van de zonde, de liefde tot de zonde, de macht van de zonde en het bedrijven van de zonde!” Dat is juist het geneesmiddel voor alle kwalen waaronder wij zuchten!

Genade past alleen bij wie volkomen schuldig en vuil zijn. De genade staat volkomen tegenover de werken in al hun vormen en gedaanten.

Daarom kan niemand werkelijk verlangen de zoetheid van de genade te proeven en de kostbaarheid ervan te genieten, die niet met de psalmist kan zeggen: In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien (Psalm 119:96) ten opzichte van het schepsel. Hij moet ook tot de kennis en het gevoel in zijn consciëntie zijn gebracht dat zijn goede werken hem evenzeer zouden verdoemen als zijn slechte werken.

Wanneer de genade zo voor de ziel wordt opengelegd, ziet zij dat de genade alleen vloeit door het bloed van de Zaligmaker. Zij ziet dat de genade … overvloedig meer is dan alle overvloed van zonde, alle afvalligheden geneest, alle overtredingen bedekt, uit de duisternis opheft en ongerechtigheid vergeeft. Zij is juist het geneesmiddel voor alle kwalen waaronder wij zuchten!

Gespeend van het eten van schillen en as

haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen (Psalm 132:15)

De Heere heeft een bijzondere belofte gegeven aan de armen van Sion: haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.

Verder niets? Brood? Is dat alles?

Ja! Dat is alles wat God heeft beloofd: brood, de stut van het leven.

Maar wat bedoelt Hij met “brood”?

De Heere Zelf verklaart wat brood is. Hij zegt: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. (Johannes 6:35, 51)

Het brood dat God aan de armen van Sion geeft, is dus Zijn eigen dierbare Zoon. Door levend geloof wordt van Hem gegeten onder de bijzondere werkingen van de Heilige Geest in het hart.

haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen (Psalm 132:15)

Maar moeten wij niet eerst eetlust hebben voor wij van brood kunnen eten? De rijke man die voortdurend feest viert met sappig vlees en smakelijke sauzen, zou niet van brood willen leven. Om af te dalen tot het leven van zulk eenvoudig voedsel als brood: daarvoor moet men werkelijk honger hebben om er tevreden mee te zijn.

Zo is het ook geestelijk. Een mens die gevoed is met “louter denkbeelden” en een aantal “speculatieve leerstellingen” kan niet afdalen tot de eenvoud van het evangelie. Eten van een gekruisigde Christus en een bloedende Jezus! Hij is niet genoeg tot het punt van verhongering gebracht om zulk geestelijk voedsel te smaken!

Voor hij dus van dit Brood des levens kan eten, moet hij geestelijk arm worden gemaakt. En wanneer hij ertoe is gebracht niets dan een hoop ellende, vuil, schuld en nood te zijn, wanneer hij zijn ziel voelt wegzinken onder Gods toorn en nauwelijks een hoop heeft om zijn arme wankelende hart drijvend te houden, en wanneer hij de wereld voor zich verbitterd vindt en geen enkel voorwerp heeft waaruit hij blijvende troost kan putten, dan behaagt het de Heere in zijn consciëntie open te gaan en de zoete geur van de liefde van Zijn dierbare Zoon in zijn hart te brengen. Dan begint hij evangeliebrood te proeven.

Hij is gespeend van het eten van schillen en as en beu van den wijnstok van Sodom en de velden van Gomorra. Dan wordt hij gebracht tot het smaken van eenvoudig evangelievoedsel. Hij begint een zoetheid te proeven in “Christus de Gekruisigde” die hij nooit kon kennen voor hij bevindelijk arm werd gemaakt.

De Heere heeft beloofd zulke mensen te verzadigen.

haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen (Psalm 132:15)

Die verborgen lieflijkheid

Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde (Hosea 11:4)

Waar Christus in enige mate bevindelijk bekend is gemaakt, heeft Hij de genegenheden van het hart gewonnen. Hij heeft min of meer bezit genomen van de ziel. Hij heeft Zich in zekere mate dierbaar gemaakt als een bloedende, strijdende Zaligmaker bij ieder aan wie Hij Zich op enige wijze heeft geopenbaard. Zo wordt het sterke koord van liefde en genegenheid krachtig gevlochten om de tedere geest en het gebroken hart. Daarom … wordt Zijn Naam als een olie, die uitgestort wordt. Er is een kostbaarheid in Zijn bloed, een schoonheid in Zijn Persoon en een verborgen lieflijkheid in Hem die de tedere genegenheden van de ziel wint, aantrekt en naar buiten lokt. Zo bindt dit koord van liefde, dat om het hart is gewonden, het vast en zeker aan het kruis van de Heere Jezus.

Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde (Hosea 11:4)

Heere, ik voel mijn eigen volkomen onmacht!

Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden (Psalm 43:3)

De christen is vaak ontevreden met zijn toestand. Hij is zich sterk bewust van de oppervlakkigheid van wat hij heeft bereikt in het goddelijke leven en van de onwetendheid en blindheid in hem. Hij kan het pad van het leven niet onderscheiden. Hij ziet en voelt zo sterk de werkingen van zonde en verdorvenheid dat hij vaak wankelt en in zijn gemoed in verlegenheid is.

Daarom wil hij, terwijl hij gebukt gaat onder het gevoel van … zijn eigen tekortkomingen voor het verleden, zijn onmacht voor het heden en zijn onwetendheid voor de toekomst, geheel en alleen voortgaan in de kracht van de Heere. Hij wil … geleid, gewezen, gericht en bewaard worden, niet door zijn eigen wijsheid en kracht maar door het bovennatuurlijke binnenkomen van licht en waarheid in zijn ziel.

Wanneer hij zo wordt gekweld en in verlegenheid gebracht, roept hij soms, naarmate zijn hart week wordt gemaakt, met vurigheid en aanhoudendheid als een bedelaar die geen weigering aanneemt: “Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden!” Het is alsof hij wil zeggen: “Heere, ik voel mijn eigen volkomen onmacht! Ik weet dat ik moet dwalen als U zich niet verwaardigt mij te leiden. Ik ben duizend keer verraden toen ik op mijn eigen hart vertrouwde. Ik ben verstrikt geraakt in mijn gemene begeerten. Ik ben opgeblazen door aanmatiging. Ik ben meegesleept door huichelarij en hoogmoed. Ik ben afgetrokken naar de wereld. Ik heb nooit één stap goed gezet als ik aan mijzelf werd overgelaten. En omdat ik voel hoe onmachtig ik ben om mijzelf ook maar één stap van de weg te leiden, kom ik tot U en vraag ik U Uw licht en Uw waarheid te zenden, opdat zij mij leiden. Want ik ben volstrekt niet in staat mijzelf te leiden.”

Het kind van God voelt zijn eigen onwetendheid, duisternis, blindheid en zondigheid. Daardoor moet hij zuchten, steunen en tot God roepen dat hij … elke stap mag worden geleid, elk ogenblik bewaard en elke duim begeleid.

Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden (Psalm 43:3)

O, wat een manier om godsdienst te leren!

Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. (2 Korinthe 12:4)

Nu dacht de apostel Paulus ongetwijfeld, nadat hij zo was begunstigd en zo in het paradijs was opgetrokken, dat hij dezelfde gemoedsgesteldheid zou behouden die hij had toen hij van deze hemelse plaats neerdaalde. Hij dacht dat de geur, de zoetheid, de kracht, de zalving, de dauw en het hemelse gevoel in zijn ziel zouden voortduren. En ongetwijfeld dacht hij dat hij zijn hele leven zou wandelen met een maat van de zoete genietingen die hij toen ervoer. Maar dit was Gods manier niet om godsdienst te leren!

God had een andere weg waarvan Paulus niets wist. Die was, als ik de uitdrukking mag gebruiken, hem van de derde hemel, waar zijn ziel was gezegend met onuitsprekelijke verrukking, neer te brengen tot aan de poorten van de hel. Want hij zegt: zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij MET VUISTEN SLAAN zou.

Het idee van “met vuisten slaan” is dat van een sterke man die een zwakke met hevige slagen op hoofd en gezicht slaat en hem tot een vormeloze massa kneust!

O, wat een manier om godsdienst te leren!

Nu wil ik dat u het contrast ziet dat wij hier hebben.

De gezegende apostel opgetrokken in de derde hemel, vervuld met licht, leven en heerlijkheid. Hij geniet de tegenwoordigheid van Christus en baadt zijn ziel in de rivier van goddelijke vertroosting.

Nu een omkering: hij komt neer op de aarde.

Een engel van de satan wordt tegen hem losgelaten en slaat, mept en bonkt deze gezegende apostel tot een vormeloze mummie. Geen ogen, geen neus, geen mond, geen trekken, maar één onherkenbare massa blauw en zwart!

Zo mysterieus is de manier waarop een mens godsdienst leert!

Maar waartoe diende dit alles?

Lijkt het niet erg wreed? Lijkt het niet zeer onvriendelijk dat de Heere, nadat Hij Paulus in de derde hemel had opgenomen, de duivel hem liet slaan?

Komt het ons natuurlijke verstand niet net zo vreemd en ongehoord voor als wanneer een moeder die haar baby in haar armen had gekoesterd hem plotseling neerlegde en een grote wilde hond hem liet verscheuren? Zij zou toekijken zonder in te grijpen terwijl hij het kind verscheurde dat zij enkele minuten tevoren op haar schoot had gewiegd en aan haar borst had gedrukt.

En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hier is dit moeilijke raadsel opgelost en deze geheimzinnige knoop ontward!

Wij zien dat het doel en einde van al deze strenge handelingen was Paulus voor hoogmoed te bewaren!

Driemaal smeekte Paulus zijn liefdevolle en meelevende Verlosser dat de beproeving zou worden weggenomen, want zij was te zwaar om te dragen. De Heere hoorde zijn gebed en verhoorde het, maar niet op de manier die Paulus verwachtte.

Zijn antwoord was: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Het is alsof Hij wilde zeggen: “Paulus, geliefde Paulus, Ik ga je beproeving niet wegnemen. Zij kwam van Mij en werd door Mij gegeven. Maar Mijn genade zal je genoeg zijn, want Mijn kracht zal in je zwakheid volmaakt worden. Er is een les te leren, een pad om op te wandelen, een bevinding om door te gaan en wijsheid te verkrijgen op dit pad. Daarom moet je erop reizen. Wees dan tevreden met deze belofte van Mijn eigen lippen: Mijn genade is je genoeg, want Mijn kracht wordt volmaakt in je zwakheid.”

De apostel was hiermee tevreden. Hij wilde niet meer en daarom barstte hij uit: Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

O, wat een manier om godsdienst te leren!

Op een zeer geheimzinnige en onverklaarbare wijze

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. (Romeinen 8:28)

Ik ben mijzelf vaak een wonder. Soms voel ik … zo’n dorheid, zo’n magerheid, zo’n doodsheid, zo’n vleselijkheid en zo’n onvermogen tot enige geestelijke gedachte.

Het verbaast mij hoe onze zielen in leven worden gehouden.

De christen wordt voortgedragen en toch zo verborgen. Er wordt aan hem gewerkt en toch zo geheimzinnig. Toch wordt hij voortgeleid, gericht en bewaard door zoveel moeilijkheden en hindernissen. Hij is een wonder van barmhartigheid!

Hij staat verbaasd hoe hij bewaard wordt te midden van al zijn … moeilijkheden, hindernissen, beproevingen en verzoekingen.

Soms lijkt hij gedreven en soms getrokken, soms geleid en soms gedragen. Maar op de een of andere manier werkt de Geest van God zo op hem dat hij, hoewel hij nauwelijks weet hoe, toch voortgaat!

Zijn eigen lasten doen hem kreunen om verlossing.

Zijn eigen verzoekingen doen hem om hulp roepen.

Juist de moeilijkheid en de ruwheid van de weg doen hem verlangen bij elke stap gedragen te worden.

Juist de verlegenheid van het pad dwingt hem om een gids te roepen. Zo draagt de Geest, die werkt in het midden van en onder en door elke moeilijkheid en ontmoediging, hem toch erdoorheen en voert hem voort. Hij brengt hem zo door elke beproeving en moeite en verzoeking en hindernis totdat Hij hem in heerlijkheid zet!

Dan zal hij begrijpen dat hij … geen beproeving te zwaar heeft gehad, geen traan te veel heeft gestort en geen zucht te veel heeft geslaakt. Al deze dingen hebben op een zeer geheimzinnige en onverklaarbare wijze meegewerkt tot zijn geestelijk goed!

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. (Romeinen 8:28)

Met goddelijke kracht gewrocht

Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid (1 Thessalonicenzen 1:5)

De godsdienst van de meeste mensen is niets anders dan “een rondgang van vormen” … sommigen hebben hun “doen”, sommigen hun “leerstellingen” en anderen hun “plichten”.

En wanneer de een zijn doen heeft verricht, de ander zijn leerstellingen heeft geleerd en de derde zijn plichten heeft vervuld, dan is hij, denkt hij, net zo goed een christen als ieder ander. Terwijl het arme bedrogen schepsel al die tijd volkomen onwetend is van het Koninkrijk van God. Daarvan staat geschreven: Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht (1 Korinthe 4:20).

Maar naarmate de sluier van onwetendheid van het hart wordt weggenomen, beginnen wij te zien en te voelen dat er een kracht is in levende godzaligheid en een werkelijkheid in het onderwijs van de Geest. Godsdienst is niet iets dat men aandoet en uitdoet zoals een mens zijn zondagse kleren aan- en uittrekt.

Waar levende godzaligheid met goddelijke kracht in het hart van een mens wordt gewrocht en door de Heilige Geest in zijn consciëntie wordt gepredikt, vermengt zij zich dagelijks en vaak ieder uur met zijn gedachten. Zij strengelt zich om zijn gevoelens en wordt het eigenlijke eten en drinken van zijn ziel.

Wanneer een mens op die plek komt en ziet en voelt welke werkelijkheid er is in de dingen van God, die in de consciëntie openbaar worden gemaakt door de kracht van de Heilige Geest, dan haalt dat hem doeltreffend uit dode kerken. Het snijdt hem af van valse predikanten, scheidt het kaf van het koren en brengt hem in nauwe gemeenschap met het gebroken gezin van God.

Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid (1 Thessalonicenzen 1:5)

Hoe liefelijker Jezus verschijnt!

De arme gelovige voelt: “Ik vind voortdurend allerlei kwaad werken in mijn gemoed. Elke gemene verdorvenheid kruipt in mijn hart en alles wat gemeen, zinnelijk en vuil is stijgt op uit zijn afschuwelijke diepten. Kan ik denken dat God in liefde en barmhartigheid op zo’n ellendeling kan neerzien?”

Wanneer wij … onze verdorvenheid zien, onze gemeenheid, onze vleselijkheid en onze zinnelijkheid, hoe onze zielen aan het stof kleven, hoe wij ons wentelen in boze en hatelijke dingen, hoe donker onze gemoederen zijn, hoe aards onze genegenheden, hoe bedorven onze harten, hoe sterk onze begeerten en hoe woedend onze hartstochten, dan voelen wij ons soms niet meer geschikt voor God dan de satan zelf!

Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. (Romeinen 5:6)

Christus rechtvaardigt niet hen die van nature rechtvaardig, heilig en godsdienstig zijn.

Maar Hij neemt de zondaar zoals hij is, in al zijn vuil en schuld. Hij wast hem in de fontein die geopend is tegen zonde en onreinheid. En Hij kleedt de naakte, rillende ellendeling die niets heeft om zich te bedekken dan vuile lompen, in Zijn eigen kleed van gerechtigheid!

Het evangelie van de genade van God brengt blijde tijding … van vergeving aan de misdadiger, van barmhartigheid aan de schuldige en van behoud aan de verlorene!

Dat de heilige God in liefde neerziet op ellendelingen die de verdoemenis van de hel verdienen, dat de zuivere en vlekkeloze Jehova medelijden heeft met vijanden en opstandelingen, hen zaligt en zegent en hen eindeloos deel doet hebben aan Zijn eigen heerlijkheid, is inderdaad een verborgenheid waarvan zelfs de eeuwigheid de diepte niet zal peilen!

Hoe dieper wij wegzinken in zelfvernedering onder het besef van onze verdorvenheid, des te hoger rijzen wij in de kennis van Christus. En hoe zwarter wij in onze eigen ogen zijn, des te liefelijker verschijnt Jezus!

Hebt u dit niet over uzelf gebracht?

Doet gij dit niet zelven, doordien gij den HEERE, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt? (Jeremia 2:17)

“Doet gij dit niet zelven?” zegt de Heere tot Zijn zondigende Israël. Wie durft te zeggen dat hij niet door … zijn zonden, zijn vleselijkheid, zijn hoogmoed, zijn hebzucht, zijn wereldsgezindheid, zijn ongeloof, zijn dwaasheid en zijn opstandigheid veel dingen over zichzelf heeft gebracht die zijn ziel hebben bedroefd en benauwd?

Als wij de zonde die in ons woont inderdaad geen aandacht schenken en geen acht slaan op onze gedachten, verlangens, woorden en daden, en onze stelling nemen op onze eigen gerechtigheid, kunnen wij weigeren te geloven dat wij zulke vuile zondaars zijn.

Maar stel dat wij gedwongen worden naar binnen te kijken en pijnlijk voelen dat de ZONDE een bewoner is. Zij is een huurder die wij moeten herbergen en een slang die naar binnen zal kruipen en zich in ons hart zal nestelen, of wij willen of niet. Zij is een dief die doorbreekt en steelt en die geen grendel en geen slot kan buitenhouden. Zij is een verrader in de vesting die met geweld of list zal werken en tegen wie geen enkel voornemen van ons helpt. Als dat onze innerlijke bevinding en overtuiging is, dan geloof ik dat er hier niet één man of vrouw is die niet zal belijden: “Schuldig, schuldig! Onrein, onrein!”

De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd (Psalm 107:17)

Wij halen het lijden over onszelf af. Wij bezorgen onszelf smart door onze eigen ongerechtigheden. “O!”, zegt de dwaas … “mijn wereldsgezindheid en mijn hoogmoed, mijn hebzucht en mijn vleselijkheid, mijn verwaarlozing van goddelijke dingen en mijn opstandigheid, mijn roekeloosheid en de netten waarin ik mij verstrikte, mijn verschillende zonden die mij zo gemakkelijk omringen. Dit is het wat de Heere heeft geprikkeld mij zo zwaar te kastijden en mij, dwaas die ik ben, de vrucht van mijn eigen plannen te laten plukken!”

Een godsdienstig dier

Gij mannen van Athene! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. (Handelingen 17:22-23)

De mens is genoemd, en misschien met enige waarheid, een godsdienstig dier. Een of andere godsdienst lijkt in elk geval bijna onmisbaar voor zijn bestaan. Want van de meest beschaafde natie tot de meest barbaarse stam op de aardbodem vinden wij een of andere vorm van godsdienst beoefend. Of dit in de aard van de mens zelf is ingeworteld of dat het door gewoonte of overlevering wordt ontvangen, ga ik niet beslissen. Maar dat een of andere godsdienst bijna overal heerst, is een feit dat niet kan worden ontkend.

Wij zullen altijd deze twee soorten godsdienst vinden … valse en ware, aardse en hemelse, vleselijke en geestelijke, natuurlijke en bovennatuurlijke.

Vergelijk deze levende, geestelijke, hemelse, goddelijke, bovennatuurlijke godsdienst … dit werk van genade in de ziel, dit onderwijs van God in het hart, dit leven van geloof binnenin … met haar flinterdunne namaak.

Vergelijk de werkingen van … echt geloof, echte hoop, echte liefde, het onderwijs, de handelingen, de leidingen en de werkingen van de gezegende Geest in de ziel … met rondgangen van … plichten, bijgelovige vormen, lege ceremoniën en een verstandelijke godsdienst, hoe opgeblazen en gelakt ook.

Vergelijk het leven van God in het hart van een ware christen, te midden van al zijn neerslachtigheid, moedeloosheid, beproevingen, verzoekingen en oefeningen. Vergelijk die kostbare schat, Christus’ eigen genade in de ziel, met alle louter … uiterlijke godsdienst, oppervlakkige godsdienst en verstandelijke godsdienst.

O, het is niet meer te vergelijken dan een stofje met een diamant! Niet meer te vergelijken dan een misdadiger in een kerker met de Koning op de troon! In feite is er geen vergelijking tussen hen mogelijk.

Wat een tegenstelling!

maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. (Markus 13:13)

Behouden!

Behouden waarvan?

Gered van de hel!

Gered van een eeuwigheid van eindeloze ellende en gruwel!

Gered van de worm die nooit sterft!

Gered van het vuur dat nooit wordt uitgeblust!

Gered van de zwavelvlammen!

Gered van de omgang met duivelen en verdoemde geesten!

Gered van eeuwen die eindeloos voortrollen in onophoudelijke ellende en gruwel!

Hebt u soms niet gedacht aan de eeuwigheid? Hoe zal een eeuwigheid van ellende moeten zijn als u de pijn van kiespijn nauwelijks een half uur kunt verdragen! O, voor altijd in de kwelling te zijn! Hoe pijnigt het de ziel eraan te denken! Welke tong kan dan de barmhartigheid en zaligheid uitdrukken van gered te worden … van de hel, van de golven van het zwavelmeer en van de oneindige wanhoop!

Wanneer een ziel stoot op de “rots van het verderf”, wordt zij meteen verzwolgen in een vreselijke eeuwigheid!

Gelovigen worden niet alleen gered van al deze oneindige en eindeloze ellende, maar zij worden gered tot onuitsprekelijk geluk en heerlijkheid! Zij zijn … gered tot de hemel, gered tot eeuwige gemeenschap met de oneindige God, gered tot het eeuwige genieten van Zijn gezegende tegenwoordigheid en gered tot het volmaakte genieten van die volmaakte en eeuwige liefde in die gewesten van eindeloze zaligheid waar de tranen van alle aangezichten worden afgewist!

Wat een tegenstelling!

Hemel — hel!

Eeuwige ellende — eeuwige zaligheid!

Eeuwen van grenzeloze vreugde — eeuwen van oneindige wanhoop!

Maar behoud omvat niet alleen wat wij toekomstig behoud mogen noemen maar ook tegenwoordig behoud. Zo is er een gered worden in het heden … van de schuld, het vuil, de liefde, de macht en het bedrijven van de zonde. Dat geldt ook voor de vloek en de slavernij van de wet, de geest en de liefde van de wereld, de innerlijke veroordeling, de verstrikkingen van de satan, de wereldse zorgen en bekommernissen, het najagen van afgoden, zorgeloosheid, koudheid en vleselijkheid en elke boze weg en elk bedrieglijk pad.

Heerlijke koop!

Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde (Openbaring 3:17-18)

De enige voorwaarde is een diep gevoel van onze nood, onze naaktheid en onze schande. Daarbij komt het gevoel dat er geen andere bedekking is voor een behoeftige, naakte, schuldige ziel dan het kleed van de vlekkeloze gerechtigheid van de Verlosser.

En wanneer de ziel tot Zijn goddelijke voeten wordt geleid, vol schuld en schaamte en vrees, zichzelf verafschuwend en over zichzelf treurend, dan vindt de gezegende ruil plaats. Zij komt dan in de werkingen van een levend geloof, in de zuchten en kreten van een gebroken hart, in hongeren en dorsten en smachten. Zij verlangt dat de Heere haar dat rijke kleed zou schenken. Dan is er een “kopen”. Dan brengt de Heere uit Zijn schatkamer, waar het opgesloten was, het beste kleed te voorschijn, trekt het de verloren zoon aan en kleedt hem ermee van het hoofd tot de voeten!

Heerlijke koop!

Gezegende ruil!

Onze naaktheid voor Christus’ rechtvaardigmakende kleed!

Onze armoede voor Christus’ rijkdom!

Onze onmacht en ontoereikendheid voor Christus’ kracht, genade en liefde!

Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde (Openbaring 3:17-18)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!