Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Meer parels van Philpot — deel 3: De moeder en meesteres van alle zonden

Korte stukjes van Philpot over de hoogmoed als moeder van alle zonden, over het verloochenen van het eigen ik en over de dagelijkse behoefte aan Christus. Ook over predikers die niet met overredende woorden maar met de kracht van de Geest moeten spreken.

Van alle zonden lijkt de hoogmoed het diepst in het hart van de mens verankerd te zitten. Ongeloof, zinnelijkheid, hebzucht, opstandigheid, aanmatiging, minachting van Gods heilige wil en woord, bedrog en valsheid, wreedheid en toorn, geweld en moord: deze en een woud van andere zonden hebben inderdaad diepe wortels geschoten in de zwarte en giftige bodem van onze gevallen natuur. Door hun hoge stammen en reusachtige armen in elkaar te vlechten hebben zij het licht van de hemel geheel buiten de benevelde ziel van de mens gehouden.

Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn. (Spreuken 16:5)

Maar die zonden en hun bondgenoten lijken niet zo grondig verweven te zijn met de hele gesteldheid van het menselijk hart. Zij zijn ook niet zo zijn levensbloed als de hoogmoed. De lust des vleses is sterk, maar er zijn pauzes in zijn werking. Het ongeloof is machtig, maar er zijn tijden waarin het te slapen lijkt. De hebzucht is verstrikkend, maar er is niet altijd een koopje te sluiten of een voordeel te grijpen.

Deze zonden verschillen ook in kracht bij verschillende mensen. Sommigen worden niet veel verzocht door de grovere driften van onze gevallen natuur. Anderen zijn van nature gul en vrijgevig en buigen hun knie niet voor het gouden kalf, welke andere afgod zij ook dienen.

Maar waar de wellust misschien geen macht heeft, de hebzucht geen heerschappij en de toorn geen invloed, daar werkt diep, diep in het binnenste, zoals de lava kookt en bruist in de krater van een vulkaan, die meesterzonde, die zonde der zonden: de hoogmoed!

De hoogmoed is de moeder en meesteres van alle zonden. Want waar zij ze niet ontvangt in haar altijd vruchtbare schoot, zet zij hun bewegingen aan en dwingt zij hen haar eer te betalen.

De oorsprong van het kwaad is voor onze ogen verborgen. Waar het vandaan kwam en waarom God toeliet dat het in Zijn schone schepping opkwam, zijn geheimen die wij niet kunnen peilen. Maar zoveel is wel geopenbaard: van dit machtige vuur dat de hel met zwavelvlammen heeft gevuld en eens de aarde en haar bewoners in de algemene brand zal omhullen, was de eerste vonk de hoogmoed!

De hoogmoed is daarom bij uitstek de eigen zonde van de duivel. Wij zullen niet zeggen zijn lievelingszonde, want zij is zijn kwelling, de slang die hem altijd bijt, het vuur dat hem voortdurend verteert. Maar het is de zonde die hem uit de hemel wierp en hem van een stralende en heilige serafijn veranderde in een vuile en afschuwelijke demon!

Hoe fijn en krachtig moet dan het gif zijn dat in een oogwenk een engel in een duivel kon veranderen! Hoe zwart van aard en hoe geconcentreerd in giftigheid is dat venijn, waarvan één druppel het beeld van God in myriaden stralende geesten voor de troon volkomen kon schenden en hen kon verlagen tot monsters van onreinheid en boosaardigheid!

Ik had toen geen monnikenregels nodig.

Iemand kan een samenhangende belijdenis van de godsdienst hebben, een gezonde en goed geordende geloofsleer, lid zijn van een christelijke gemeente, alle verordeningen en plichten waarnemen, zijn leven naar Gods Woord proberen in te richten, zijn gezinsgebed en zijn persoonlijk gebed hebben, een goede echtgenoot, vader en vriend zijn en vrijgevig en vriendelijk zijn voor Gods zaak en volk. En toch bij dit alles geen vrucht dragen voor God.

Wat is dit alles anders dan armzalige zelfheiligheid?

Ware evangelievrucht komt alleen voort doordat het woord van Gods genade in het hart valt en het bevochtigt en week maakt. Zonder dit is er geen enkel genadig gevoel, geen enkel geestelijk verlangen, geen enkele tedere gedachte en geen enkele hemelse genegenheid.

Wij hebben misschien geprobeerd onszelf heilig te maken. Wij hebben onze ogen, oren en tongen bewaakt, elke dag zoveel hoofdstukken uit Gods Woord gelezen, zo lang op onze knieën gelegen en zo geprobeerd een soort heiligheid in onze eigen ziel te werken.

Vele jaren geleden probeerde ik het grootste deel van een uur te bidden en tot mijn schaamte moet ik zeggen dat ik blij was als ik de klok hoorde slaan. Wat was dit anders dan een monnikachtige, zelfopgelegde regel om God te behagen door de lengte van mijn gebeden?

Maar toen het de Heere behaagde mijn geweten met Zijn vinger aan te raken, gaf Hij mij een bijzondere geest van genade en gebeden. Toen had ik geen monnikenregels nodig. De sterke man zinkt weg tot een zuigeling!

De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw. (Psalm 18:3)

Zolang een mens enige kracht van zichzelf heeft, zal hij nooit kracht in de Heere hebben. Want de kracht van Jezus wordt in onze zwakheid volbracht.

O, wat een pijnlijke les moeten wij leren om te ontdekken dat al onze kracht zwakheid is. Er was een tijd dat wij dachten dat wij kracht hadden en Satan konden weerstaan, de wereld overwinnen, vervolging verdragen, de smaad van de mensen dragen en de hoogmoed en het kwaad van ons hart doden en onderdrukken.

Hebben wij onze ingebeelde kracht kunnen uitvoeren? Wat is hierin onze bevinding geweest? Dat wij steeds meer onze eigen zwakheid hebben ontdekt. Dat wij tegen geen enkele verzoeking kunnen standhouden. Dat de minste windstoot ons omver blaast!

Onze aanklevende lusten, onze lage driften en de goddeloze begeerten van ons hart lokken onze ogen en gedachten zo en strengelen zich zo om onze genegenheid dat wij in een oogwenk bezwijken, tenzij God Zelf ons ondersteunt! Wij kunnen tegen de zonde niet standhouden. Ons hart is zwak als water.

Zo leren wij onze zwakheid door onszelf te voelen als de allerzwaksten en de allerlaagsten.

Naarmate de Heere iemand dieper leidt in de kennis van zijn verdorvenheden, raakt hij meer en meer ontgoocheld over zijn rechtvaardige, vrome, heilige ZELF. Hoe meer de Heere iemand leidt in de kennis van de verzoeking, de aanklevende zonde, de macht van zijn verdorvenheden en de werkingen van zijn laaghartige natuur, hoe dieper en pijnlijker hij leert wat een arme, hulpeloze, zwakke en krachteloze ellendeling hij is.

Als de Heere voor zijn ogen de kracht, macht en volheid ontvouwt die in Jezus Christus ligt, trekt, leidt, brengt, bemoedigt Hij hem en stelt Hij hem in staat tot die volheid te komen. En met de hand van het geloof put hij voorraad uit die volheid.

Als de Heere de ziel in staat stelt op Jezus te zien, wordt Zijn gezegende kracht medegedeeld en in zijn ziel geblazen. Dan dorst het wormpje Jakobs bergen, vermaalt ze en stelt heuvelen gelijk kaf. Wanneer de Heere hem sterkt, kan hij standhouden tegen verzoeking, de zonde overwinnen, vervolging dragen, het kwaad van zijn hart bedwingen en strijden tegen de wereld, het vlees en de duivel.

Wanneer de Heere hem verlaat is hij als Simson met afgeknipte lokken. Hij zinkt weg in alle kwaad en voelt de hulpeloosheid van zijn gevallen natuur. Laat de Heere alleen Zijn genadige tegenwoordigheid wegnemen en de sterke man zinkt weg tot een zuigeling! En hij die in de kracht van de Heere de bergen kon dorsen, valt zo zwak en hulpeloos neer als een klein kind.

Zo leert de Heere ons pijnlijk en plechtig dat wij in onszelf niets zijn en onze zwakheid, hulpeloosheid en ellende voelen. En dat wij alleen in Hem kracht hebben.

Behoud mij, zo zal ik behouden worden!

behoud mij, zo zal ik behouden worden (Jeremia 17:14)

Dit houdt redding in van de macht van de zonde en van de geheime heerschappij die de zonde in het hart heeft.

O, wat een tirannieke heerschappij oefent de zonde soms uit in onze vleselijke gezindheid! Hoe gauw raken wij verstrikt in vleesbehagende strikken! Hoe gemakkelijk komen wij onder de geheime heerschappij van een of andere verborgen verdorvenheid! En hoe tevergeefs worstelen wij om onszelf te bevrijden als wij gevangen zijn in de strikken van de duivel of onder de macht van één lust, aanklevende zonde of verzoeking!

De Heere, en de Heere alleen, kan ons van dit alles redden. Hij redt van de macht van de zonde door een besef van Zijn stervende liefde in onze harten te brengen. Door ons van onze afgoden te bevrijden, onze genegenheid te verheffen tot de dingen die boven zijn, onze strikken aan stukken te breken, onze lusten te bedwingen, ons verderf te temmen en de innerlijke kwaden van onze vreselijk gevallen natuur te overmeesteren.

Hier is deze zonde! Heere, red mij ervan.

Hier is deze strik! Heere, breek hem aan stukken.

Hier is deze verzoeking! Heere, verlos mij ervan.

Hier is deze lust! Heere, bedwing haar.

Hier is mijn hoogmoedige hart! Heere, vernedder het.

Niemand dan de Heere kan deze dingen voor ons doen. Niets dan de gevoelde kracht van God, niets dan het uitsteken van Zijn machtige arm, niets dan het uitstorten van Zijn stervende liefde, niets dan de werkingen van Zijn genade op onze ziel kan ons verlossen van de geheime macht van het kwaad.

behoud mij, zo zal ik behouden worden

Plet zijn slangenkop met de hiel van onze laars!

Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Markus 8:34)

Het ZELF verloochenen en afzweren ligt aan het fundament van de levende godzaligheid.

Het is tot op zekere hoogte gemakkelijk de wereld te verlaten en gemakkelijk de belijdende kerk te verlaten. Maar uit het ZELF uit te gaan, daar zit de moeilijkheid. Want dit ZELF neemt zo veel gedaanten aan.

Wat een verscheidenheid aan gedaanten en vormen neemt dit monster ZELF aan! Hoe moeilijk is het zijn kronkels na te gaan! Hoe moeilijk is het deze sluwe vijand naar zijn verborgen hol te volgen, hem uit de grot te slepen en hem te offeren aan de voet van het kruis, zoals Samuël Agag in stukken hieuw te Gilgal.

Hoogmoedig ZELF, rechtvaardig ZELF, hebzuchtig ZELF, eerzuchtig ZELF, zinnelijk ZELF, bedrieglijk ZELF, godsdienstig ZELF, vleesbehagend ZELF.

Wat is het moeilijk dit lelijke, mismaakte schepsel op te sporen, te ontmaskeren, uit zijn wisselende kleren te stropen en er dan op te stampen, alsof men zijn slangenkop met de hiel van onze laars wil pletten!

Wie zal zo’n geweld doen aan het geliefde ZELF, terwijl elke zenuw trilt en terugdeinst en het laffe hart tegen de opgeheven voet roept: Spaar, spaar!

Maar zonder deze kruisiging van het ZELF is er geen hand in hand wandelen met Christus en geen hemelse gemeenschap met Hem. Want er kan evenmin een vennootschap bestaan tussen Christus en het ZELF als tussen Christus en de zonde.

Arme, sombere, neerslachtige schepsels

De meesten van ons zijn zo geketend door de ketenen van tijd en zintuigen, de zorgen van het leven en het dagelijkse werk, de zwakheid van ons aardse lichaam, de afleidende eisen van een gezin en de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur, dat wij op zijn best een armzalig, voortslepend en wegkwijnend leven leiden.

Velen van ons zijn arme, sombere, neerslachtige schepsels. Wij hebben allerlei beproevingen en benauwdheden, een dagelijks kruis en de voortdurende plaag van een boos hart.

Wij kennen onszelf genoeg om te weten dat er in het ZELF geen hulp en geen hoop is. Wij verwachten nooit een gladder pad of een beter, wijzer, heiliger hart. Zoals de vermoeide rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid, zo strekken wij ons hart en onze armen uit om de Heere Jezus Christus te omhelzen en gevoelig gemeenschap en vereniging met Hem te ervaren.

Hij ontdekt ons het kwaad en de ellende van de zonde, opdat wij vergeving zoeken in Zijn bloedende wonden en doorstoken zijde.

Hij maakt ons onze naaktheid en schaamte bekend en daarmee ons blootstaan aan Gods toorn, opdat wij ons verbergen onder Zijn rechtvaardigmakend kleed.

Hij doet gal en alsem in de uitgelezenste drank van de wereld, opdat wij geen zoetheid hebben dan in en van Hem.

Wat een slagveld is het hart

Ik heb zoveel tegenstand van binnen, zoveel verzoekingen, lusten en dwaasheden, zoveel strikken en aanklevende zonden en een laag hart dat zich wentelt in alle vleselijkheid en vuiligheid.

Ik word inderdaad geoefend “door zonde en genade”.

Zonde of genade lijkt voortdurend bovenaan te staan en tegen elkaar te strijden en te begeren. Wat een begeerten, wat een smarten, wat een vallen en opstaan, wat een nederlagen en overwinningen.

Wat een slagveld is het hart, en daar wordt de strijd verloren en gewonnen. Als de zonde de overhand krijgt: rouw over haar wonden en slachting. Als genade en Godsvrucht de verzoeking terugslaan: een week worden in dankbaarheid.

Hoe kan hij door deze kale, huilende woestijn reizen?

Als u levend bent voor wat u bent als arme, gevallen zondaar, dan zult u zichzelf omringd zien door vijanden, verzoekingen, zonden en strikken.

U zult uzelf volkomen weerloos voelen, zwak als water, zonder enige kracht om ertegen stand te houden. U zult een berg van moeilijkheden voor uw ogen zien.

Als u inwendig en bevindelijk iets van uzelf kent: het kwaad van uw hart, de macht van de zonde, de kracht van de verzoeking, de sluwheid van uw onvermoeibare vijand en de dagelijkse strijd tussen natuur en genade, vlees en Geest, die de eigen kenmerken van het ware kind van God zijn, dan zult u uw behoefte aan zaligheid als een dagelijkse werkelijkheid vinden en voelen.

Hoe zult u ontkomen aan de strikken en verzoekingen die op uw pad zijn gespannen? Hoe zult u het winnen van al uw vijanden, de uitwendige, de inwendige en de helse, en eindelijk veilig bij de poorten van de hemel aankomen?

Er is tegenwoordige zaligheid, een inwendige, bevindelijke en voortdurende zaligheid, medegedeeld uit de volheid van Christus als een opgestane Middelaar.

Hebt u niet nodig dagelijks en bijna elk uur gered te worden? Maar waarvan? Wel, van alles in u wat strijdt tegen de wil en het woord van God.

De zonde is niet dood in u.

Als u een zaligmakend aandeel hebt in het dierbare bloed van Christus, als uw naam geschreven staat in het boek des levens van het Lam en de hemel uw eeuwige woning is, dan bevrijdt dat u niet van de inwoning van de zonde en ook niet van de macht van de zonde, behalve voor zover de genade u er tegenwoordige verlossing van geeft.

De zonde werkt nog in uw vleselijke gezindheid en zal daarin werken tot uw stervensuur. Wat u dus nodig hebt is gered te worden van de schuld, de smerigheid, de macht, de liefde en de praktijk van die zonde die altijd in u woont en altijd in u werkt en uw ziel vaak in harde en wrede slavernij brengt.

Nu leeft Christus aan de rechterhand van God voor Zijn dierbaar volk, opdat Hij hen voortdurend zalig maakt door Zijn leven. Daar regeert en heerst Hij als hun heerlijke Verbondshoofd. Hij waakt voortdurend over hen, voelt met hen mee en heeft medelijden met hen, en deelt voorraden van genade mee tot verlossing en vertroosting van al Zijn lijdende heiligen die over het aangezicht van de aarde verspreid zijn. Het heerlijke Hoofd is in de hemel maar de lijdende leden zijn op aarde. En omdat Hij voor hen leeft, onderhoudt Hij door Zijn Geest en genade Zijn leven in hun ziel.

Elke christen moet door een grote en vreselijke woestijn trekken, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid zijn (Deuteronomium 8:15). Daar wordt hij omringd door verzoekingen en strikken, waarbij zijn eigen boze hart zijn ergste vijand is.

Hoe kan hij door deze kale, huilende woestijn reizen als hij geen Vriend heeft aan de rechterhand van God die hem voortdurend voorraden van genade zendt? Een Vriend die zijn gebeden kan horen, zijn smeekbeden kan beantwoorden, naar zijn zuchten kan luisteren en zijn tranen in Zijn fles kan doen. Die hem kan helpen de strikken te zien en hem genade geeft om ze te ontlopen. Die vanaf Zijn hemelse wachttoren het opkomen van het kwaad in zijn hart gadeslaat en het tijdig en gelegen kan tegenhouden voordat het uitbarst in woord of daad?

Hij heeft een alwijze en altijd levende Vriend nodig die hem kan redden van de hoogmoed door hem ware nederigheid te geven. Die hem kan redden van verharding van het hart door hem berouw te schenken. Die hem kan redden van achteloosheid door zijn geweten tederder te maken. Die hem kan redden van al zijn vrees door in zijn ziel te fluisteren: vrees niet, want Ik heb u verlost.

De christen moet voortdurend opzien naar de Heere Jezus Christus om zijn ziel te doen herleven als zij verslapt, om Zijn liefde aan zijn hart te openbaren als het koud en gevoelloos is, om zijn geweten met Zijn bloed te besprenkelen als het schuldig is en wegzinkt, om hem in de waarheid te leiden, hem te bewaren voor dwaling en kwaad, hem te behouden door elke storm en te midden ervan, elke stap te leiden die hij op zijn verdere reis zet en hem ten slotte veilig in de hemel te brengen.

Wij hebben voortdurend voorraden van Zijn genade, barmhartigheid en liefde nodig, ontvangen in ons hart, om ons te redden van de liefde tot en de geest van de wereld, van dwaling, van de macht en kracht van onze eigen lusten en van de lage neigingen van onze gevallen natuur.

Deze werken vaak op een vreselijke manier. Maar dat zal u alleen maar meer doen voelen dat u de kracht en de tegenwoordigheid van de Heere Jezus nodig hebt om u van hen allemaal te redden.

U bent een arm, weerloos schaap omringd door wolven en hebt daarom alle zorg en bescherming van de goede Herder nodig.

U bent een schip op een stormachtige zee waar wind en golven alle tegen zijn en hebt daarom een alwijze en bekwame loods nodig die u veilig de haven binnenbrengt.

Er is niets op aarde of in de hel dat u kan schaden als u maar opziet naar de Heere Jezus Christus en voorraden van genade en kracht van Hem ontvangt.

Met wat een kleinigheden, wat een speeltjes, wat een ijdele nietigheden houdt de grote massa van de mensen zich bezig!

Als God ons één uur zou verlaten

verlaat ons niet (Jeremia 14:9)

Hoeveel ligt er besloten in die drie woorden!

Wat zou het zijn als God ons verliet?

Wat en waar zouden wij zijn als God ons één uur zou verlaten?

Wat zou er van ons worden?

Wij zouden meteen vallen in de handen van de zonde, van Satan en van de wereld.

Wij zouden overgelaten worden aan ons eigen boze hart. Overgelaten, volkomen overgelaten aan het ongeloof, de trouweloosheid en alle vuiligheid en zinnelijkheid van onze goddeloze natuur. Om de maat van onze ongerechtigheden vol te maken totdat wij onder Zijn toorn zouden zinken om nooit meer op te staan!

verlaat ons niet (Jeremia 14:9)

Een afgod is een afgod

Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld. (Ezechiël 14:3)

Een afgod is een afgod, of hij nu inwendig in het hart wordt vereerd of uitwendig met de knie wordt versierd.

Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen. (Ezechiël 14:6) Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij. (Ezechiël 14:7)

Een wereldse geest zal altijd tevoorschijn komen

Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld (Galaten 1:4)

Het eerste gevolg van de soevereine genade in haar goddelijke werking op het hart van een kind van God is dat zij hem van de wereld scheidt door hem een nieuwe geest in te storten. Er is weinig bewijs dat de genade ooit ons hart heeft aangeraakt als zij ons niet van deze goddeloze wereld afscheidde.

Waar dit goddelijke werk in het geweten van een zondaar ontbreekt, waar geen mededeling van dit nieuwe hart en deze nieuwe geest is, geen instorting van dit heilige leven en geen bezielende, levendmakende invloed van de Geest van God op de ziel, daar zal iemand altijd een wereldse geest hebben, wat zijn uitwendige belijdenis ook is.

Een geheel van leerstellingen, hoe gezond ook, dat louter in het natuurlijke verstand is ontvangen, kan een mens niet losmaken van die aangeboren liefde tot de wereld die zo diep in zijn wezen is geworteld. Er is geen machtige kracht over zijn ziel gekomen die al zijn gedachten omwentelt, zijn ziel als het ware in een nieuwe vorm giet en hem door het indrukken van de gezindheid en gelijkenis van Christus geheel verandert. Deze wereldse geest kan door omstandigheden worden beteugeld, door het natuurlijke geweten worden beheerst of door het voorbeeld van anderen worden beïnvloed. Maar een wereldse geest zal altijd onder de dikste vermomming vandaan komen kijken en zich in elke onwedergeboren mens tonen zodra de gelegenheid hem daartoe uitlokt.

Wat een les is hier voor predikanten!

En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht (1 Korinthe 2:4)

Het woord bewegelijk is zoals wij nu zeggen: overtuigend. Het omvat dus elke tak van bekwame welsprekendheid. Of dat nu logische redeneringen zijn om ons verstand te overtuigen, of beroepen op onze gevoelens om onze hartstochten op te wekken, of nieuwe en opvallende gedachten om ons verstand te verrukken, of mooie en welsprekende taal om onze verbeelding te behagen en te boeien.

Al deze bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, juist de dingen waarop onze populaire predikers zich het meest richten en waarnaar zij streven, heeft deze grote apostel afgezworen, terzijde gelegd en verworpen!

Hij had ze allemaal kunnen gebruiken als hij dat wilde. Hij bezat een bijna ongeëvenaard deel aan natuurlijk talent en grote geleerdheid. Een buitengewoon scherp, doordringend verstand. Een wonderbaarlijke beheersing van de Griekse taal. Een stroom van gedachten die zeer gevarieerd, treffend en oorspronkelijk was. En een gave van redenaarskunst en welsprekendheid zoals weinigen die ontvangen hebben. Hij had dus bewegelijke woorden van menselijke wijsheid kunnen gebruiken als hij dat gewild of juist had gevonden. Maar hij wilde dat niet.

Hij zag hoeveel bedrog erin zat en dat het op zijn best louter kunstgrepen van redenaarskunst waren. Hij zag dat deze bewegelijke woorden de natuurlijke gevoelens konden raken, op de hartstochten konden werken, de verbeelding konden boeien, het verstand konden overtuigen, het oordeel konden overhalen en tot op zekere hoogte hun weg naar de gemoederen van de mensen konden afdwingen. Maar toen alles gedaan was wat zo gedaan kon worden, was het slechts de wijsheid van de mens die het had gedaan.

Aardse wijsheid kan geen hemels geloof meedelen. Paulus wilde daarom geen bewegelijke woorden van menselijke wijsheid gebruiken. Of dat nu de kracht van een logisch betoog was, of een beroep op natuurlijke hartstochten, of de bekoring van levendige welsprekendheid, of de schoonheid van dichterlijke taal, of de subtiele fijnheid van goed geordende zinnen. Hij wilde geen van deze bewegelijke woorden van menselijke wijsheid gebruiken om mensen tot een belijdenis van godsdienst te brengen terwijl hun hart niet werkelijk door Gods genade was geraakt en hun geweten niet door een goddelijke kracht was bewerkt.

Hij kwam om zielen te winnen voor Jezus Christus en niet bekeerlingen voor zijn eigen overredende redenaarskracht. Om mensen van de duisternis tot het licht te brengen en van de macht van Satan tot God. Niet om hun oren te strelen met poëzie en welsprekendheid maar om hen uit de vuilste zonden te brengen opdat zij gewassen, geheiligd en gerechtvaardigd zouden worden door de Geest van God. En niet om hun gemoed te vermaken of te amuseren terwijl de zonde en Satan nog heerschappij hielden in hun hart!

Al de arbeid die eraan besteed zou worden om een gemeente en een gezelschap van belijdende mensen bijeen te brengen door de kracht van logische betogen en beroepen op hun natuurlijke geweten zou volkomen verloren zijn wat vrucht voor de eeuwigheid betreft. Want een belijdenis die zo door hem werd teweeggebracht en door hen werd afgelegd, zou hen laten zoals zij waren: in alle diepten van onwedergeboorte, met hun zonden onvergeven, hun personen niet gerechtvaardigd en hun zielen niet geheiligd.

Hij verwierp daarom al deze manieren om bekeerlingen te winnen als bedrieglijk voor de zielen van de mensen en onterend voor God.

Er was veel genade voor nodig om dit te doen. Om af te zien van wat hij had kunnen gebruiken en te verzaken wat de meeste mensen met zijn gaven graag zouden hebben gebruikt.

Wat een les is hier voor predikanten!

Hoe verlangend zijn sommige mannen om te schitteren als grote predikers! Hoe begeren zij en streven zij vaak naar een groots vertoon van wat zij welsprekendheid noemen om hun hoorders te boeien en lof en eer voor het ZELF te winnen!

Hoe proberen anderen mensen tot de godsdienst te redeneren of door een beroep op hun natuurlijke gevoelens. Soms om hen angst aan te jagen met beelden van de hel en soms om hen te lokken met beschrijvingen van de hemel.

Maar al zulke kunstgrepen, want meer zijn het niet, moet een ware dienaar van God verwerpen. Alleen de Geest kan Christus openbaren door te nemen van de dingen van Christus en ze ons te verkondigen. Hij past het woord met kracht toe op ons hart en brengt de zoetheid, werkelijkheid en gezegendheid van goddelijke dingen in onze ziel.

En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht

Als wij niet in zekere mate dezelfde betoning van de Geest hebben, valt alles wat wij op de kansel zeggen op de grond. Het heeft geen werkelijk effect en er is geen ware of blijvende vrucht, geen vrucht tot het eeuwige leven. Als er enkele bewegelijke woorden van menselijke wijsheid in zitten, kan dat het gemoed behagen van wie door zulke kunstgrepen worden voldaan. Het kan voor het ogenblik de aandacht prikkelen en bezighouden. Maar daar houdt het op en alles wat gehoord is vervaagt als een droom van de nacht.

Een eigenaardige, onbeschrijfelijke, onoverwinnelijke kracht

Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid (1 Thessalonicenzen 1:5)

Het evangelie komt bij sommigen alleen in woorden. Zij horen het woord van het evangelie, de klank van de waarheid. Maar het bereikt alleen het uitwendige oor, of als het de inwendige gevoelens raakt, dan slechts als het woord van mensen.

Maar waar de Heilige Geest Zijn goddelijke en zaligmakende werk begint en voortzet, vergezelt Hij het woord met een eigenaardige, een onbeschrijfelijke en toch een onoverwinnelijke kracht.

Het valt als van God op het hart. Men hoort Hem erin spreken en daarin verschijnt Zijn heerlijke Majesteit om de ogen te openen, de oren te ontsluiten en een boodschap uit Zijn eigen mond aan de ziel over te brengen.

Sommigen horen het evangelie als louter het woord van mensen, misschien jarenlang, voordat God erin met goddelijke kracht tot hun geweten spreekt. Zij meenden het evangelie te begrijpen. Zij meenden het te voelen. Zij meenden het lief te hebben. Maar al die tijd zagen zij geen wezenlijk onderscheid tussen het ontvangen als louter het woord van mensen en als het woord van God.

De lichtzinnigheid, de oppervlakkigheid en de leegheid die in allen gestempeld is die het evangelie slechts als het woord van mensen ontvangen, is voldoende bewijs dat het nooit diep in het hart is gezonken en nooit krachtig vat op hun ziel heeft gekregen.

Het bracht daarom nooit een werkelijke afscheiding van de wereld met zich mee. Het gaf nooit kracht om de geringste zonde te doden. Het deelde nooit macht mee om de geringste strik van Satan te ontkomen. Het ging nooit gepaard met een geest van genade en gebed. Het bracht nooit eerlijkheid, oprechtheid en rechtschapenheid in het hart voor God. Het schonk nooit enige geestelijkheid van gemoed of enige liefdevolle genegenheid tot de Heere van leven en heerlijkheid. Het was slechts het aannemen van waarheid zoals wij wetenschappelijke beginselen aannemen of een taal, een bedrijf of een vak leren. Het was allemaal oppervlakkig, ondiep, bedrieglijk en huichelachtig.

Maar op een onverwacht ogenblik, als zij er weinig naar uitkeken, werd het woord van God in hun geweten gebracht met een kracht die zij nooit eerder hadden ervaren. Een licht scheen erin en erdoor dat zij nooit eerder hadden gezien. Een majesteit, een heerlijkheid, een gezag en een bewijs vergezelden het die zij nooit eerder hadden gekend. En onder dit licht, dit leven en deze kracht vielen zij neer, met het woord van God in hun hart gezonden.

Wanneer dan Christus het evangelie tot het hart spreekt, wanneer Hij Zichzelf aan de ziel openbaart, wanneer Zijn woord, druppelend als de regen en vallend als de dauw, in geloof en liefde wordt ontvangen, dan wordt Hij omhelsd als de Uitnemende boven tienduizend en de Gans Begerenswaardige. Hij neemt Zijn zetel in op de genegenheden en wordt in het hart op de troon gezet als zijn Heere en God.

Is er leven in uw boezem?

Heeft Gods kracht het werk vergezeld?

Is de genade van God werkelijk in uw hart?

Heeft God tot uw ziel gesproken?

Hebt u Zijn stem gehoord, haar kracht gevoeld en bent u onder haar invloed gevallen?

Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. (1 Thessalonicenzen 2:13)

De diepe dingen van God

Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. (1 Korinthe 2:10)

De Geest van God in iemands boezem onderzoekt de diepten van God, zodat Hij hem leidt in een geestelijke en bevindelijke kennis ervan.

Wat voor diepten zien wij soms in één enkele tekst van de Schrift wanneer die voor het verstand wordt geopend of op het hart wordt toegepast?

Wat een diepte ligt er in het bloed van Christus. Hoe het reinigt ons van alle zonde, zelfs miljoenen maal miljoenen van de vuilste zonden van de vuilste zondaars!

Wat een diepte in Zijn bloedende, stervende liefde, die zo laag kon bukken om ons zo hoog te verheffen!

Wat een diepte in Zijn medelijden en erbarmen, dat zich uitstrekt tot zulke schuldige, laaghartige overtreders als wij zijn!

Wat een diepte in Zijn rijke, vrije en soevereine genade, dat zij zo overvloedig is over al onze verzwaarde ongerechtigheden, gruwelen en laaghartige afschuwelijkheden!

Wat een diepte in Zijn lijden. Dat Hij Zichzelf vrijwillig onder zo’n last van schuld heeft gesteld en onder zulke uitbarstingen van Gods toorn als Hij in Zijn heilige ziel voelde toen Hij in onze plaats stond om arme zondaars te verlossen uit de bodemloze put. Zodat wie de hel verdienden, werden opgeheven in het genot van de hemel!

De godsdienstigen van deze tijd

En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil. (Lukas 21:17)

Belijders van de godsdienst zijn altijd de dodelijkste vijanden van de kinderen van God geweest.

Wie waren zo tegen de gezegende Heere als de schriftgeleerden en de farizeeën? Het waren de godsdienstige leraren en leiders die de Heere der heerlijkheid kruisigden!

En zo zijn in elke eeuw de godsdienstigen van die tijd de heetste en bitterste vervolgers van de gemeente van Christus geweest.

Ook nu is dat niet anders. Hoe vaster de kinderen van God in de waarheid staan, hoe meer zij de kracht ervan genieten, hoe meer zij onder haar invloed leven en hoe tederder en nauwgezetter zij in Godsvrucht wandelen, des te meer zal de belijdende generatie van deze tijd hen met een dodelijke haat haten.

Laten wij niet denken dat wij die kunnen ontwapenen door een Godvruchtig leven. Want hoe meer wij wandelen in het zoete genot van de hemelse waarheid en ons licht voor de mensen laten schijnen als mensen die met Jezus zijn geweest, des te meer zal dat hun haat en minachting over ons afroepen.

en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben (Johannes 17:14)

Mijn magerheid, mijn magerheid!

Ik word mager, ik word mager, wee mij! (Jesaja 24:16)

Er is geen voortdurender bron van klacht en rouw voor een kind van God dan het besef van zijn eigen onvruchtbaarheid. Hij zou vruchtbaar willen zijn in elk goed woord en werk. Maar als hij zijn eigen ellendige onvruchtbaarheid, zijn koude en doodsheid, zijn neiging tot het kwade, zijn tegenzin tegen het goede, zijn dagelijkse dwalingen en afwijkingen van God, zijn verdorven genegenheden, zijn stompzinnige gemoedstoestanden, zijn zinnelijke begeerten, zijn vleselijke plannen en zijn aardse gekruip vergelijkt met wat hij ziet en weet dat de vrucht zou moeten zijn die aan een vruchtbare rank in de enige ware Wijnstok hoort te groeien, zinkt hij weg onder het besef van zijn ellendige schraalheid en onvruchtbaarheid.

Maar wat was het gevolg hiervan voor zijn eigen ziel? Dat het hem van het schepsel speende en hem afhield van het zoeken van hulp of hoop bij iemand anders dan bij de Heere Zelf. Op deze pijnlijke wijze snijdt de Heere ons vaak, zo niet meestal, af van alle menselijke steunen, zelfs de naaste en dierbaarste, opdat wij geheel en alleen op Hemzelf leunen.

Die arme, stompzinnige mensen!

Daarom kent ons de wereld niet (1 Johannes 3:1)

Zowel de openlijk goddeloze wereld als de belijdende wereld is grof onwetend over de kinderen van God. Hun werkelijke karakter en toestand, hun staat en positie, hun vreugde en verdriet, hun barmhartigheden en ellenden, hun beproevingen en verlossingen, hun hoop en vrees, hun benauwdheden en vertroostingen zijn geheel voor hun ogen verborgen.

De wereld weet niets van de beweegredenen en gevoelens die de kinderen van God leiden en aandrijven. Zij ziet hen als een stel sombere, norse, zwaarmoedige wezens wier gemoed is verzuurd door valse en overdreven opvattingen van de godsdienst. Mensen die zo lang over de gedachte aan hel en hemel hebben zitten tobben dat sommigen zichzelf tot wanhoop hebben gebracht en anderen hun ijdele geest hebben opgeblazen met een ingebeelde verwaandheid dat zij bijzondere lievelingen van de Almachtige zijn. Zij zegt: Zij zijn in werkelijkheid niet beter dan andere mensen, zo al niet slechter. Maar zij hebben zulke bekrompen geesten en zijn zo koppig en verbeten met hun arme, enge, bevooroordeelde opvattingen dat zij overal waar zij komen onrust en verwarring brengen.

Maar waarom dit harde oordeel?

Omdat de wereld niets weet van de geestelijke gevoelens die het kind van genade aandrijven en hem zo anders laten handelen dan de wereld die hem zo veroordeelt.

Zij kan ons zien en besef van de uitnemende zondigheid van de zonde niet begrijpen. En dat is de reden dat wij niet met hen de weg van goddeloosheid op willen razen.

Zij weet niet met wat een plechtig gewicht de eeuwige dingen op onze gedachten rusten. En dat is de oorzaak dat wij niet met hen mee kunnen doen in het zo vurig najagen van de dingen van de wereld en in het leven voor de tijd zoals zij doen, in plaats van het leven voor de eeuwigheid.

Omdat zij niet kunnen doordringen in de geestelijke beweegredenen en genadige gevoelens die een levende ziel aandrijven en in de bewegingen van het goddelijke leven die voortdurend in een christenborst opwellen, oordelen zij ons natuurlijk vanuit hun eigen standpunt en veroordelen zij wat zij niet kunnen begrijpen.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!