Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. (Hebreeën 6:20)
Wat een gezegende troost gaf de Heere Zijn treurende discipelen toen Hij tegen hen zei:
In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. (Johannes 14:2)
Hij is heengegaan om van tevoren bezit te nemen van Zijn en hun eeuwige thuis. Want Hij is opgevaren naar Zijn Vader en hun Vader, naar Zijn God en hun God. Hij heeft de hemel als het ware gevuld met nieuwe schoonheid, nieuw geluk en nieuwe heerlijkheid. Zijn heerlijke Godheid die schijnt door Zijn vlekkeloze en verheerlijkte menselijke natuur, verlicht de hemel met een eigen heerlijkheid. Want Hij heeft de strijd gestreden en de dag gewonnen.
Hij heeft alle voorbeelden en voorafbeeldingen van het Oude Testament vervuld en de voornemens van het eeuwige verbond volbracht. Hij heeft God verheerlijkt door de hoogste gehoorzaamheid die aan Zijn wil bewezen kon worden. En nadat Hij het werk had voleindigd dat de Vader Hem te doen gegeven had, is Hij als overwinnaar teruggekeerd naar de hoven van de zaligheid om het loon te ontvangen voor Zijn vernedering, lijden en dood.
In Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk. Zijn heerlijke Persoon als Immanuël is het voorwerp geworden van de lof en aanbidding van de hemel. De uitverkoren engelen die Hij in hun staat bevestigd heeft, aanbidden Hem als God-mens. En de geesten van de rechtvaardigen die volmaakt gemaakt zijn, aanbidden Hem samen met het leger van de engelen.
Wat een gezicht kreeg de heilige Johannes op de heerlijke aanbidding van de hemel (Openbaring 5)! Hij zag de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten neervallen voor het Lam. Hij hoorde hun nieuwe lied en de stem van vele engelen rondom de troon die allen met luide stem riepen:
Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. (Openbaring 5:12)
De hemel zelf wacht op de voltooiing van het grote geheim van de godzaligheid. Dan zal heel de gemeente rondom de troon vergaderd zijn en zal de bruiloft van het Lam komen. De hoofdsteen zal worden voortgebracht door de handen van de geestelijke Zerubbabel met toeroepingen van: Genade, genade zij denzelven! De aarde zelf zucht onder het gewicht van zonde en droefheid. En de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden, roepen met luide stem: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? (Openbaring 6:9-10)
Zelfs de tekenen van de tijd verkondigen als met één stem dat het niet lang meer kan duren voordat de Heere voor de tweede maal zal komen, zonder zonde, tot zaligheid. Dit brengt ons bij het laatste punt waarmee wij onze „Overdenkingen over de gezegende Verlosser” besluiten. Het gaat om Zijn wederkomst en om de houding waarin Zijn volk bevonden moet worden dat Zijn terugkeer verwacht en tegemoet ziet.
Toen de Heere in het gezicht van Zijn discipelen opvoer, keken zij Hem na: hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer. Hun geloof, hoop en liefde volgden Hem langs de lichtende weg omhoog. Terwijl zij zo Zijn heerlijke spoor beschouwden, leken zij elke andere gedachte uit het oog te verliezen. Maar ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding. Het waren twee engelachtige wezens in menselijke gedaante. Zij spraken:
Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. (Handelingen 1:10-11)
Het was alsof de engelen tegen hen zouden zeggen dat Jezus, hun Meester, hun Hoofd en hun Koning, niet voorgoed van hen was heengegaan. Op een dag zou Hij volgens Zijn eigen belofte terugkeren in dezelfde heerlijke Persoon waarin Hij was opgevaren, in dezelfde goddelijke en menselijke natuur en in de wolken des hemels die Hem nu aan hun oog onttrokken hadden. Daarom moesten zij ondertussen uitzien, waken, wachten en bidden.
Vanaf dat moment is de terugkeer van de Heere altijd een hoofdzaak geweest in het geloof van de gemeente van Christus, vooral in de beginperiode van haar geschiedenis. Zo vinden wij Petrus die het meteen verkondigt:
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. (Handelingen 3:20-21)
Dat het daarna steeds een vooraanstaand punt bleef in de leer en het getuigenis van de apostelen, is duidelijk uit de ingegeven brieven van het Nieuwe Testament. Daarin wordt het voortdurend naar voren gebracht en aangeduid. Om niet talloze plaatsen aan te halen: de apostel herinnert de Thessalonicenzen eraan:
hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen; En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1 Thessalonicenzen 1:9-10).
Hij zoekt hen in hun vervolgingen te troosten met het uitzicht op eeuwige rust:
in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht; Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn (2 Thessalonicenzen 1:7-8).
Ook wil hij hen in hun sterfgevallen troosten met de zoete overtuiging dat indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem (1 Thessalonicenzen 4:14).
Het uitzien naar de wederkomst van de Heere en het wachten erop was dus de bijzondere hoop en troost van de heiligen van ouds. Door dit vooruitzicht werden hun harten getroost wanneer zij konden uitzien naar die heerlijkheid die zou worden geopenbaard bij de verschijning van Jezus Christus. Zij wisten dat Hij zou komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen en dat Hij dan verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (Mattheüs 16:27, 1 Petrus 1:7 en 2 Thessalonicenzen 1:10).
Dit geloof en deze verwachting hadden een zeer gezegende en blijvende invloed op hun hart en leven. Zij deden hen voelen dat zij vreemdelingen en bijwoners op aarde waren. Hun Meester had beloofd terug te komen en het was onzeker in welke nachtwake Hij komen zou. Zij moesten daarom gehoor geven aan de opdracht (Lukas 12:35-36):
Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.
Wij zullen niet ingaan op de vraag naar de aard en de omstandigheden van de wederkomst van de Heere en de directe gevolgen ervan. Dat zijn omstreden punten en wij willen het onderwerp meer met het oog op stichting dan op strijd beschouwen. Het is voldoende te geloven dat Jezus met al Zijn heiligen weer zal komen. En dat Zijn komst zal zijn tot heil en vreugde van Zijn vrienden en tot verderf en verwarring van Zijn vijanden. Wij zullen ons daarom liever richten op de houding waarin de gemeente moet staan terwijl zij de terugkeer van haar Heere verwacht.
In onze tegenwoordige tijdstaat moeten wij gelijkvormig worden aan het lijdensbeeld van Christus en het sterven van de Heere Jezus in het lichaam omdragen. Zo kan ook het leven van Jezus in ons sterfelijk lichaam openbaar worden. Ons leven nu moet een leven zijn van beproeving, verdrukking en verzoeking zodat wij in de voetstappen van onze gezegende Heere wandelen (Lukas 22:28).
Wij moeten door de wereld vervolgd worden, door belijders veracht en door Satan aangevallen en verzocht. Wij moeten wandelen op een weg van verdrukking en droefheid. Zo kunnen wij als leden van Zijn mystieke lichaam vervullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus (Kolossenzen 1:24). Wij moeten van Zijn kelk drinken en gedoopt worden met Zijn doop. Er staat immers: Dit is een getrouw woord; want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven (2 Timotheüs 2:11) en zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden (Romeinen 8:17).
De wereld heeft Hem niet gekend en zal ons evenmin kennen. Zij heeft Hem gehaat en veracht en zal ons haten en verachten. Er staat immers: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer (Johannes 15:18-20) en Indien zij den Heere des huizes Beelzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten (Mattheüs 10:25). Maar lijden zal niet altijd het deel van de gemeente van God zijn.
Er komt een dag waarop Sion uit het stof zal worden opgericht. Dan trekt zij haar schone klederen aan. Dan komt de bruiloft van het Lam en wordt het Zijn bruid en gade gegeven om bekleed te worden met rein en blinkend fijn linnen en om met haar Hoofd en Man aan te zitten aan het bruiloftsmaal (Jesaja 52:1-2 en Openbaring 19:7-9). Dan zullen zij die deel hebben gehad aan het lijden van Christus ook deel hebben aan Zijn heerlijkheid.
Dan geldt: Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. En: De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk (Daniël 12:3). Dan zal de verborgenheid Gods vervuld worden en zal er geen tijd meer zijn. Want alle vroegere dingen van deze ellendige tijdstaat zullen voorbij zijn (Openbaring 10:6-7 en Openbaring 21:4).
Wat moet nu de houding zijn van de gemeente die uitziet naar en haast maakt met de komst van de dag van God? En welke invloed moet deze gezegende waarheid hebben op ons hart en leven?
1. Allereerst moet zij ons met verdrukkingen verzoenen. Wij mogen met de apostel voelen dat onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid (2 Korinthe 4:17). En ook: Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Romeinen 8:18). Wat zijn al onze verdrukkingen, hoe zwaar zij ook lijken, in zo’n weegschaal gewogen? Zijn zij niet inderdaad licht als zij ons gelijkvormig maken aan het lijdensbeeld van Christus en ons voorbereiden op een eeuwig gewicht van heerlijkheid?
2. Zij moet hemelse verlangens en geestelijke genegenheden opwekken en naar voren brengen, zoals de apostel zegt:
Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus (Filippenzen 3:20).
Gelovigen worden opgeroepen: wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (Romeinen 12:2). En: Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kolossenzen 3:2). Zij die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden (Galaten 5:24) en moeten door de Geest de werken van het lichaam doden (Romeinen 8:13).
Het is waar dat wij ernstig worden gehinderd in het lopen van de wedloop die ons is voorgesteld. Want wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde. Wij moeten een lichaam van zonde en dood met ons dragen dat onze voortdurende droefheid en plaag is. Het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees zodat wij niet kunnen doen wat wij zouden willen (Romeinen 7:24, 2 Korinthe 5:4 en Galaten 5:17).
Ook worden wij belaagd door ontelbare verzoekingen. Vaak moeten wij treuren over onze duisternis, doodsheid, koudheid en ongeloof en over de verbergingen van het aangezicht van de Heere. Ook over de afwezigheid van de gezegende Trooster, Die alleen de neergeslagen geest kan troosten. Toch blokkeren deze dingen, hoe pijnlijk zij op zichzelf ook als hindernissen zijn, als speren in onze zijde en doornen in onze ogen, niet geheel de overheersende drang van het vernieuwde hart om omhoog en vooruit te zien naar een betere dag waarop de tranen van alle gezichten afgewist zullen worden.
Als dan een gezicht op de heerlijkheid van Christus wordt verkregen en Zijn wederkomst door een levend geloof wordt gerealiseerd, ziet de ziel voorbij deze tijdstaat en alle zorgen en droefheden van dit tranendal. Zij ziet uit naar die heerlijke dag waarop zij volkomen gelijkvormig zal zijn aan het verheerlijkte beeld van Christus en nooit meer tegen Hem zal zondigen. Bij Zijn tweede komst zal Hij ons vernederd lichaam veranderen:
Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen. (Filippenzen 3:21)
En alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? (1 Korinthe 15:54-55)
Als deze dingen zo zijn, als Jezus is heengegaan om een plaats voor ons te bereiden en beloofd heeft dat Hij weer zal komen en ons tot Zich zal nemen opdat wij zijn waar Hij is (Johannes 14:3), zal deze hemelse waarheid dan geen genadige invloed uitoefenen op onze dagelijkse wandel en ons leven als zij in een gelovig hart wordt ontvangen? Zo luidt in elk geval het getuigenis van Johannes:
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. (1 Johannes 3:2-3)
Stel dat wij door goddelijk onderwijs zien en voelen dat deze tegenwoordige wereld een boze wereld is. Christus kwam ons eruit verlossen door Zichzelf te geven voor onze zonden (Galaten 1:4). Zij ligt als zodanig onder de toorn en vloek van God. Stel dat wij voelen dat alles erin door zonde en droefheid is aangetast. En stel dat wij door genade een goede hoop hebben dat wij met Hem in heerlijkheid zullen verschijnen wanneer de Heere verschijnt. Zal dit ons dan niet in hart en geest van de wereld scheiden? Zal het ons niet met Gods hulp en zegen brengen om te wandelen zoals het evangelie betaamt en te spreken en te handelen als een eigen volk dat ijverig is in goede werken?
Maar kunnen wij als wij de belijdende gemeente in het algemeen beschouwen zeggen dat dit haar ervaring of haar wandel is? De wijze maagden slapen evenals de dwaze en sluimeren. Een koude, lauwe belijdenis is overal heersend. Dwaling woekert aan alle kanten. Twist en verdeeldheid zijn wijdverbreid en wij lijken vervallen in die laatste dagen waarin zware tijden zouden komen (2 Timotheüs 3:1).
Wij kunnen ons er inderdaad niet over verbazen dat de wereld is zoals zij altijd was: een vijand van God en godzaligheid, begraven in vleselijkheid en dood, onwetend van haar ellende en ondergang en onbezorgd over het vreselijke oordeel dat haar wacht en bijna over haar zal losbarsten. Maar wij mogen ons terecht verwonderen dat de gemeente van Christus die belijdt door het bloed van het Lam verlost te zijn, zo laag is gezonken en zo weinig toont van het leven en de kracht van levende godzaligheid.
Toch is dit slechts wat wij volgens het woord van de waarheid mogen verwachten. De Heere Zelf zei: de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? (Lukas 18:8) En: omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden (Mattheüs 24:12).
Wij moeten dus niet verwachten dat de wereld geleidelijk beter en beter wordt, zoals mensen ijdel dromen, of dat er heldere en heerlijke dagen wachten voor de belijdende gemeente. Wij mogen eerder verwachten dat het met beide geleidelijk slechter en slechter zal gaan totdat Hij komt Die komen zal en niet zal vertoeven (Hebreeën 10:37).
Maar wanneer Hij ook komt, hoe Hij ook komt: het zal wel zijn met de rechtvaardigen. Voor hen die Zijn Naam vrezen zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen. En aan hen die Hem verwachten zal de Heere voor de tweede maal verschijnen, zonder zonde, tot zaligheid.
Hiermee besluiten wij dus onze „Overdenkingen over de gezegende Verlosser”. Wij kunnen slechts betreuren dat onze gezichten op dit allerheerlijkste onderwerp zo dof zijn geweest en onze uitdrukking ervan zo zwak en gebrekkig. Maar zoals zij zijn, bevelen wij ze aan bij de God van alle genade. En als zij op enige wijze tot geestelijke winst van Zijn volk zijn of worden gezegend, zij aan Hem en aan Hem alleen alle heerlijkheid toegeschreven!


