Dan tot het verblijf van de gezegende Heere op aarde gedurende de veertig dagen van Zijn vertoeven hier beneden. Dan tot Zijn hemelvaart, toen Hij de gevangenis gevankelijk leidde. Dan tot Zijn zitten aan de rechterhand van God in onze natuur en tot Zijn wederkomst op de grote dag.
Al deze opeenvolgende stappen zijn vol zaligheid voor gelovige harten. Zij kunnen erover nadenken en door geloof, hoop en liefde opstijgen tot zoete vereniging en gemeenschap met hun allergenadigste en heerlijkste Heere, als hun eens lijdend maar nu opgestaan en verhoogd Hoofd. Wij waren van plan deze genadige trekken van de heilige mensheid van onze Heere kort te bekijken. Maar het zijn onderwerpen van zo’n diep belang en zo vol genade en heerlijkheid dat wij ze niet zo licht kunnen voorbijgaan. Wij hebben inderdaad onze beoogde grenzen al ver overschreden toen wij gingen zitten om over dit vruchtbare thema na te denken.
Wij zitten daarom in tweestrijd. Moeten wij dit onderwerp abrupt afsluiten met het scheidende jaar, of de gelegenheid aangrijpen om het in een andere vorm aan het begin van het nieuwe seizoen weer op te nemen? Wij hebben besloten om, als wij mogen leven tot de terugkeer van een nieuw jaar, enkele bladzijden aan deze goddelijke werkelijkheden te wijden. Dat zal echter niet gebeuren als voortzetting van de Recensie, die wij met dit nummer afsluiten, maar als een reeks afzonderlijke, onafhankelijke stukken.
Maar omdat wij nog bij het kruis van onze lijdende Heere staan, kunnen wij die heilige plek niet verlaten zonder enkele ogenblikken stil te staan bij verscheidene punten die er het nauwst mee samenhangen. Drie daarvan dienen zich op dit moment aan ons denken aan.
1. Het werk dat is volbracht door het lijden, het bloedvergieten, de gehoorzaamheid en de dood van de Heere Jezus Christus, en de weldaden en zegeningen die eruit voortvloeien. Het was een voleindigd werk. Hier ligt al onze zaligheid en al onze hoop. Wanneer zijn ooit zulke woorden op deze aarde uitgesproken als de woorden die Zijn genadige lippen vanaf het kruis spraken: Het is volbracht! Terecht roepen wij uit met onze lieflijke christelijke psalmdichter: ‘Heilige Geest, herhaal dat woord, er is zaligheid in.’
Wie dan bij het kruis van onze aanbiddelijke Heere staat en deze genadige woorden hoort uit de mond van Hem Die niet kan liegen, kan met levend geloof het volgende zien. De wet is volkomen vervuld en haar vloek volledig gedragen. Haar straffen zijn geheel weggenomen en de zonde is eeuwig weggedaan. Gods gerechtigheid is ruimschoots voldaan en al Zijn deugden zijn heerlijk in overeenstemming gebracht. Zijn heilige wil is volmaakt gehoorzaamd. De verzoening is volledig tot stand gebracht, de verlossing genadig volbracht en de gemeente eeuwig behouden.
Hier zien wij de zonde in haar zwartste kleuren en de heiligheid in haar schoonste gedaante. Hier zien wij de liefde van God in haar teerste vorm en de toorn van God in haar diepste uitdrukking. Hier zien wij de heilige mensheid van de gezegende Verlosser als het ware opgeheven tussen hemel en aarde. Zij toont aan engelen en mensen het schouwspel van de verlossende liefde.
En zij verklaart op één en hetzelfde ogenblik en door één en dezelfde daad van de lijdende gehoorzaamheid en het bloedige offer van de Zoon van God twee dingen. Het ene is het eeuwige en onveranderlijke ongenoegen van de Almachtige tegen de zonde en de strenge eisen van Zijn onbuigzame gerechtigheid. Het andere is het tedere medelijden en de grenzeloze liefde van Zijn hart voor de uitverkiezing van de genade.
Hier, en hier alleen, worden vergeving en vrede verkregen. Hier, en hier alleen, vloeien boetvaardig verdriet en godvruchtige droefheid uit hart en ogen. Hier, en hier alleen, wordt de zonde onderworpen en gedood, heiligheid medegedeeld, de dood overwonnen, Satan op de vlucht gejaagd en geluk en hemel in de ziel begonnen. O wat een hemelse zegeningen, wat een tegenwoordige genade en wat een toekomstige heerlijkheid vloeien door de heilige mensheid van de Zoon van God!
Wat een heilige ontmoetingsplaats voor berouwvolle zondaren en een zondevergevende God! Wat een genezingsplaats voor schuldige maar berouwvolle en terugkerende afvalligen. Wat een deur van hoop in het dal Achor voor wie zichzelf veroordelen en verfoeien! Wat een veilige plek voor zoekende zielen en wat een gezegende toevlucht voor heel de familie van God in dit dal van kommer en droefheid!
2. Een andere zeer gezegende vrucht van de heilige mensheid van onze aanbiddelijke Verlosser is dat Hij in die natuur de bevindelijke werkelijkheid van verzoeking en lijden heeft leren kennen. Zo is Hij in staat geworden mee te voelen met Zijn verzochte en bedrukte volk. Onder de wet was het nodig dat de hogepriester behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is (Hebreeën 5:2). Onze grote Hogepriester was niet met zwakheid omvangen zoals de hogepriester onder de wet. Hij had daarom niet nodig voor Zijn eigen zonden te offeren (Hebreeën 5:3).
Maar opdat Hij een barmhartig en ook een getrouw hogepriester zou zijn, getrouw jegens God en barmhartig jegens de mensen, geldt: Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen. (Hebreeën 2:17-18) Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. (Hebreeën 4:15)
Hier zien wij de wijsheid en genade van de Vader in het toebereiden, en de liefde en het medelijden van de Zoon in het aannemen van een natuur gelijk aan de onze, alleen de zonde uitgezonderd. Zo kon Hij van elke vorm van lijden en verzoeking een werkelijke bevinding hebben. Alleen zij die zelf de weg van de verdrukking hebben bewandeld, kunnen meevoelen met anderen in nood en droefheid. En niemand kan werkelijk meeleven met de verzochten dan zij die zelf in de smeltoven van de verzoeking zijn geweest.
Zo werd onze gezegende Heere een Man van smarten en vertrouwd met lijden. Hij verborg Zijn aangezicht niet voor smaad en speeksel. Hij leed armoede, honger, dorst en naaktheid. Hij werd door de ene discipel verraden, door een andere verloochend en door allen verlaten. Hij werd onderdrukt en gekweld. Dat was niet alleen een deel van Zijn verdienstelijke, lijdende gehoorzaamheid. Het gebeurde ook opdat Hij door persoonlijke ervaring in Zijn heilige mensheid van smart en ellende zou kunnen meeleven met Zijn treurende, bedrukte volk.
En zoals met het lijden, zo ook met de verzoeking. De genadige Verlosser doorstond elke soort van verzoeking die Satan aan Zijn heilige ziel kon voorleggen. Want wij hebben een Hogepriester Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebreeën 4:15). Dat was opdat Hij kon meevoelen met de verzochten.
Maar dit is nog niet alles. De gezegende Verlosser moest niet alleen meeleven met de smarten en verzoekingen. Hij moest ook bevindelijk de genaden van Zijn gelovig volk leren kennen. Hij moest daarom gehoorzaamheid leren op dezelfde wijze als zij die leren. Want Hij is Degene Die gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden (Hebreeën 5:8).
Hij werd in de school van het lijden onderwezen in de innerlijke bevinding van onderwerping aan Gods wil, van zachtmoedigheid onder onrecht en onderdrukking en van nederigheid van hart als een hemelse genade. Daarom kon Hij zeggen: leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart (Mattheüs 11:29).
Laten wij niet denken dat de gezegende Heere in Zijn heilige ziel geen innerlijke bevinding had van geestelijke genaden. Laten wij ook niet denken dat Zijn goddelijke natuur aan de menselijke de genade van de Heilige Geest verschafte. Integendeel: de Heilige Geest, Die Hem gegeven werd niet met mate (Johannes 3:34), zalfde Hem niet alleen tot Profeet, Priester en Koning maar woonde in al Zijn volheid in Hem. Hij schonk Hem elke geestelijke genade. Dat waren geloof, vertrouwen, hoop, liefde, gebed en smeking, geduld, lankmoedigheid en ijver voor Gods eer. Daarbij kwamen alle geestelijke wijsheid en verstand, alle raad en kracht, alle hemelse kennis en de vreze van de Heere (Jesaja 11:1-2).
Al deze gaven en genaden woonden in Zijn heilige mensheid* en werden door de Heilige Geest in oefening gebracht. Zo geloofde, hoopte en liefhad de gezegende Heere. Hij bad, zuchtte en kermde. Hij vertrouwde op God en leefde een leven van geloof in Hem. Dat deed Hij op dezelfde wijze en door dezelfde Geest en kracht als Zijn gelovig volk nu, hoewel in oneindig hogere mate en volstrekt onvermengd met zonde.
Zoals Zijn heilige lichaam werd gevoed en onderhouden met hetzelfde voedsel als het onze, zo werd ook Zijn heilige ziel gedragen door dezelfde mededelingen van genade en kracht als die nu de zielen van Zijn volk in leven houden.
Zo leerde Hij bevindelijk niet alleen hun beproevingen en verzoekingen, hun smarten en verdriet, natuurlijk en geestelijk. Hij leerde ook hun vreugden en verlossingen, hun openbaringen, hun wachtende hoop, hun vertrouwen, hun geduldige verwachting en hun gehoorzame onderwerping. In een woord: heel het terrein van hun bevinding.**
Menen sommigen dat het afbreuk doet aan de Godheid van onze gezegende Heere te geloven dat Hij een geestelijke bevinding had van dezelfde genaden als Zijn volk? Menen zij dat Hij die als God niet nodig kon hebben?
Laten zij dan uitleggen waarom Zijn lichaam menselijk voedsel nodig had of waarom Zijn ziel smart en verzoeking kende. Kon Zijn goddelijke natuur de menselijke niet ondersteunen zonder voedsel, zoals in de woestijn? En is het niet evenzeer afbreuk doen aan Hem te zeggen dat Hij bevinding had van verdrukking en verzoeking als van vreugde en verlossing?
Als ons grote Voorbeeld en als ons lijdend Hoofd werd de gezegende Heere verlost en ook verzocht. Hij verheugde Zich in de geest en zuchtte en weende ook. Hij werd verblijd met het licht van het aangezicht van Zijn Vader en voelde ook het verbergen van Zijn aangezicht.***
* Als de ruimte het toeliet, zouden wij gemakkelijk kunnen aantonen uit die psalmen waarin Christus buiten alle tegenspraak spreekt, dat alle genaden die wij hier hebben opgesomd in Hem woonden en door Hem werden uitgedrukt. Laten onze geestelijke lezers Psalm 18:1-51, Psalm 22:1-32, Psalm 40:1-18 en Psalm 69:1-37 onderzoeken. Het meest onbetwistbare uitwendige en inwendige bewijs wijst die psalmen aan Christus toe. Zij kunnen met het oog op dit punt het zelf nagaan.
** Zo kunnen wij bij het lezen van Davids verlossingen en zegeningen vaak zeggen: Meer dan David is hier. Wij weten dat zij werkelijk de zijne waren en door hem als zodanig waarlijk gevoeld en erkend werden. Vergelijk dus Psalm 18:17-20 met Psalm 18:44-45.
*** Onze gezegende Heere had geen bevinding van wedergeboorte of van berouw. Het eerste is de levendmaking van de ziel uit de dood en het tweede veronderstelt het bestaan van zonde. Deze twee zaken moeten zorgvuldig onderscheiden worden van Zijn bevinding van geloof, vertrouwen en dergelijke.
III. Het derde punt dat samenhangt met de heilige mensheid van Jezus als gehoorzaam tot de dood, is het voorbeeld dat Hij aan Zijn gelovig volk heeft nagelaten, opdat zij in Zijn voetstappen zouden wandelen. Het zal ons weinig baten de helderste inzichten te hebben in de lijdende mensheid van de Heere als zij geen indruk maakt op ons hart en ons leven.
Aan de voet van het kruis stonden zij die spotten met het lijden en de schande van de gezegende Verlosser. Er waren er die met gevoelloze onverschilligheid toekeken. En er waren er die treurden en weenden, geloofden en liefhadden. Zo zijn er ook nu die spotten met het eeuwig Zoonschap en de lijdende mensheid van de gezegende Jezus. En er zijn die zonder geloof en zonder gevoel naar Zijn lijdende Majesteit opzien, zonder enig verdriet over de zonde of dorst naar heiligheid. En er is een klein overblijfsel dat opziet en gelooft en, geleid in de gemeenschap van Zijn lijden, treurt en weent.
Dezulken zien en voelen dat er een kennen van Hem is en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende (Filippenzen 3:10). Er is een omdragen in het lichaam van de doding van de Heere Jezus, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden (2 Korinthe 4:10). Er is een met Christus gekruisigd zijn (Galaten 2:20). Er is het besluit niets te weten dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (1 Korinthe 2:2). En er is een roemen in Zijn kruis als het enige werkzame middel waardoor de wereld voor ons gekruisigd is en wij voor de wereld (Galaten 6:14).
Het hoeft ons niet te verbazen dat er in onze dagen zo’n gedaante van godzaligheid is en zo’n verloochening van de kracht ervan. Dat moet wel zo zijn wanneer mensen onwetend zijn, willens en wetens onwetend, van de lijdende mensheid van de gezegende Heere en zo weinig weten van de verborgenheid van het kruis.
Nog één woord, en voor het ogenblik sluiten wij het onderwerp af. Alle vereniging en gemeenschap met God is alleen door de mensheid van Jezus. De Godmens verenigt God en mens. In vereniging met God door Zijn Godheid en in vereniging met de mens door Zijn mensheid is de Heere Jezus de Scheidsman Die Zijn hand op hen beiden legt (Job 9:33).
Dit deed de heilige Johannes zeggen: Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard. Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. (1 Johannes 1:2-3)
Gelukkig zij die met hem kunnen zeggen: onze gemeenschap is met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. Maar dit kunnen alleen zij bevindelijk zeggen die, gezegend met een openbaring van Zijn Persoon en werk, kunnen toevoegen: Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon (1 Johannes 5:10).


