De verzoening tussen God en mens is bewerkt en elke afscheiding en hindernis die hen van elkaar hield, is volkomen weggenomen. In Zijn opstanding zien we dat Hij bewezen is de Zoon van God te zijn met kracht. Het zegel van God is gezet op de waarheid van Zijn zending en werk. Een grote schare uitverkoren getuigen kreeg het onfeilbare bewijs dat Hij de Christus van God was, het beloofde zaad in Wie alle volken van de aarde gezegend zouden worden. (Handelingen 1:3; Handelingen 2:32; Handelingen 10:40-42; Romeinen 1:4.)
Zo zien we Hem in Zijn verhoging ook als een eeuwig levende Middelaar aan de rechterhand van de Vader. Hij is een heerlijke Hogepriester over het huis van God en een Voorspraak wiens gebed alles vermag. Hij is Degene Die volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan. Ten slotte is Hij een Koning met de scepter in de hand, Die met soevereine macht regeert over alle dingen in de hemel en op de aarde. Engelen, overheden en machten zijn Hem onderworpen. Deze drie levende waarheden vormen het voedsel van elk levend geloof.
Dat geldt wanneer we ze aannemen en ervaren in hun verschillende openingen en werkingen in ons geestelijk leven. En het geldt wanneer we merken hoe passend ze zijn voor onze talloze noden en noodkreten en hoe ze daarop van toepassing zijn. Vinden en voelen we dan geen enkel leven, geen enkele kracht en geen enkele zaligheid in deze waarheden? Dan blijkt hoe weinig we weten van de waarheden van het evangelie die we belijden aan te nemen, en hoe weinig we ze geloven.
Maar voordat het geloof zo kan worden opgewekt en uitgedreven om op deze dierbare waarheden van het eeuwige evangelie te handelen en ervan te leven, moeten we volgens het gebed van de apostel de Geest van wijsheid en van openbaring ontvangen in de kennis van Christus. Een louter leerstellige kennis daarvan schiet immers volkomen tekort, hoe gezond die ook is. Hetzelfde geldt voor een louter lettergeloof, hoe sterk het ook lijkt. Zulke kennis en zulk geloof brengen de zoetheid en zaligheid ervan niet in de ziel, zoals de Geest van openbaring die bekend maakt.
Eén korreltje levend geloof, al is het maar een korreltje, werkt veel meer. Dat geloof wordt door de kracht van de Heilige Geest opgewekt en uitgedreven in een openbaring van Christus. Het doet de ziel in vijf minuten meer goed voor de levende vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus dan hopen, hele hopen, tonnen, hele tonnen van de helderste, gezondste leerstellige kennis en het sterkste lettergeloof in vijftig jaar zouden doen.
Daarom mogen we met hart en ziel instemmen met het gebed van de apostel. Hij bad dat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, ons de Geest van wijsheid en openbaring zou geven in de kennis van Christus. Zo kunnen we persoonlijk de werking van Zijn dood, de kracht van Zijn opstanding en de dagelijkse weldaden en zegeningen van Zijn verhoging ervaren en genieten.
In ons vorige stuk hebben we gezegd waarom we onze uitleg van Efeze 1 niet met het einde van het jaar wilden afsluiten. We konden het niet over ons hart verkrijgen zo’n heerlijk en gezegend onderwerp als de verhoging van onze genadige Heere af te raffelen. Vinden we hier geen weerklank in de harten van veel van onze lezers? Wie heeft ooit door het geloof de gezegende Middelaar op Zijn genadetroon gezien? Welke arme, beproefde, verzochte ziel heeft ooit verlangd naar de tedere medelijdende zorg van een barmhartige Hogepriester, of die gevoeld?
Welke bijna wanhopige ellendeling heeft zich vrijwel in doodsangst vastgeklampt aan een Voorspraak die volkomen kan zaligmaken allen die door Hem tot God gaan? Welk verward, door de storm geslingerd schip heeft een machtige hand nodig om het roer te sturen en een krachtige stem om wind en golven te bedaren? Zo’n schip klampt zich vast aan een Christus in de hemel, een opgestane, verhoogde en verheerlijkte Jezus, Die maar hoeft te spreken en alles is goed.
Waar zouden al onze gebeden, wensen, verlangens, zuchten en kreten zijn zonder Zijn verhoging aan de rechterhand van God? Waar zouden onze hoop en verwachting zijn? Waar zouden kracht, steun en troost zijn, of triomf over de dood en overwinning over het graf? Kunnen we de verhoging van de Heere Jezus Christus dan haastig overslaan of voorbijgaan als iets van weinig belang? Met haar zijn we van alle mensen de gelukkigsten. Zonder haar zijn we de ellendigste van alle mensen (1 Korinthe 15:19).
Maar laten we met onze uitleg verdergaan. De verhoging van de Heere Jezus Christus volgde noodzakelijk op Zijn opstanding. Hij is opgewekt om verheerlijkt te worden. De Schrift verbindt die twee daarom altijd met elkaar. Het is nauwelijks nodig daarvoor teksten aan te halen. Maar als u de preken en toespraken van Petrus in de eerste hoofdstukken van Handelingen goed leest, en die van Paulus in Antiochië in Pisidië (Handelingen 13:1-52) en in Athene (Handelingen 17:1-34), dan ziet u hoe beide apostelen de opstanding en de verheerlijking van Christus samen brengen.
De opstanding van Christus en de kracht die daarin werd uitgeoefend, waren het onderwerp van onze vorige Overdenkingen. We gaan nu dus Zijn verhoging beschouwen. Dat we die in haar ervaring en kracht zouden kennen, was het gebed van de apostel: En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel (Efeze 1:19-20).
Als we een vergelijking mogen maken, dan was de kracht waarmee Christus aan de rechterhand van de Vader in de hemelse gewesten werd gezet nog groter dan de kracht waarmee Hij uit de doden werd opgewekt. Het ene was slechts het begin van het andere. Het was de eerste stap daarheen, maar zonder het andere zou die onvoltooid zijn gebleven. De bekroning kwam niet toen Hij in kracht uit het graf tevoorschijn kwam. Ze was toen Hij de hoven van de zaligheid binnentrad, toen de eeuwige deuren hun hoofden verhieven en de Koning van de eer inging.
Het grote, overweldigende geheim van de verhoging van Christus en van de kracht die daarin werd getoond, ligt hierin: Hij is in onze natuur verhoogd boven de hoogste hemelen. In Zijn verhoging als Zoon van God is geen bijzonder geheim te vinden. Als zodanig kan Hij haar met volle recht opeisen. Hij Die de engelen, overheden en machten gemaakt heeft, staat van oorsprong en voor eeuwig boven hen. Het geheim is dat Hij als Mensenzoon is verhoogd boven heel de heerlijke hiërarchie van de hemel.
Bekijken we met een gelovig oog de drie grote leerstukken waarover we eerder spraken, de dood, de opstanding en de verhoging van de Heere, dan zien we dit. Al hun genade en heerlijkheid, hun schoonheid, zaligheid en geschiktheid rusten op de vereniging van twee onderscheiden naturen in de ene heerlijke Persoon van Immanuel, God met ons.
Dit is het grote geheim der godzaligheid: God is geopenbaard in het vlees (1 Timotheüs 3:16). Dit geheim heeft als het ware twee kanten die om beurten zichtbaar worden. In Zijn dood en opstanding draait het geheim vooral om Zijn goddelijke natuur. In Zijn verhoging draait het vooral om Zijn menselijke natuur.
Laten we dit uitleggen. Dat een menselijke natuur lijdt, bloedt en sterft, is op zich geen bijzonder geheim. Dat een dood menselijk lichaam uit de doden wordt opgewekt, is evenmin een groot geheim. Maar dat Hij Die stierf, dat Hij Die als mens weer opstond, de Zoon van God en God is, gelijk aan de Vader en de Heilige Geest in wezen en eeuwigheid, dat is het geheim!
Neem toch de Godheid van Christus weg uit Zijn mensheid, terwijl die lijdt, sterft en weer opstaat. Dan maakt u de dood en opstanding van Jezus nauwelijks gewichtiger dan de dood en opstanding van Lazarus. We zien dus dat Zijn goddelijke natuur het lijden, de bloedstorting en de dood van de Heere Jezus zo vol van genade maakt en Zijn opstanding zo vol van heerlijkheid.
Maar bij Zijn verhoging draait het geheim niet zozeer om Zijn goddelijke als om Zijn menselijke natuur. Het is geen groot geheim dat de Zoon van God wordt verhoogd tot de troon van de macht. Van de schoot van de Vader tot Zijn rechterhand is het maar één stap. Maar dat Eén in onze natuur wordt verhoogd tot die zetel van voorrang en macht, dat is het geheim. De Middelaar tussen God en mensen is de Mens Christus Jezus (1 Timotheüs 2:5).
De handen die eens aan het kruis werden genageld, houden nu de scepter vast. De voeten die eens over het meer van Gennesaret liepen, moe en met stof bedekt bij de put van Jakob, gewassen met de tranen van een zondige vrouw en gekust in boetvaardig verdriet en liefde met bezoedelde lippen: juist die voeten hebben nu alle dingen onder zich, in de hemel en op de aarde. Dat is het geheim!
En wat een voedsel voor het geloof! Het levende gezin van God heeft een levende Zaligmaker nodig. Hij moet gebed kunnen horen en verhoren en uit zielenood kunnen verlossen. Hij moet met kracht een woord kunnen spreken tot een hart dat gebogen gaat onder verdriet en smart. Hij moet meevoelen in zware verzoekingen en steunen onder de moeiten en beproevingen van de weg. Hij moet onder duizend ontmoedigingen Zijn eigen leven in hun ziel in stand houden.
Hij moet bij sterfgevallen de rouwende weduwe schragen en een vader zijn voor haar vaderloze kinderen. Hij moet in de voorzienigheid telkens weer verschijnen als een vriend die liefheeft te aller tijd, en als een broeder die in de benauwdheid geboren wordt (Spreuken 17:17). Hij moet in de dood naar hen glimlachen en hen met Zijn stok en Zijn staf vertroosten wanneer ze door het dal van de schaduw des doods gaan. En Hij moet hen ten slotte veilig laten landen in een gelukkige eeuwigheid.
Richt uw ogen eens enkele ogenblikken niet op uzelf en uw eigen bijzondere beproevingen en verdriet. Kijk om u heen naar de dierbare kinderen van God die u persoonlijk kent. Denk aan deze of gene lijdende broeder of zuster in de Heere. Bedenk dat degenen die u kent maar een klein deel zijn, als het ware losse voorbeelden van het grote aantal levende heiligen die door vele verdrukkingen het Koninkrijk ingaan (Handelingen 14:22). Ziet u dan niet wat voor een arm en behoeftig, beproefd en verzocht, belast en bedroefd, bestookt en geoefend gezin Gods volk meestal is?
Kijk nog wat verder en zie de reden waarom Hij zo met hen handelt. Maken al hun verschillende beproevingen en oefeningen hen niet juist afhankelijk van een Zaligmaker dichtbij en niet veraf? Zij hebben een Heere nodig Die een Hulp in benauwdheden is, krachtelijk bevonden (Psalm 46:2).
Hij is een Heere tot Wie ze kunnen spreken en Die tot hen kan spreken. Zo hebben ze vereniging en gemeenschap met Hem als een opgestane en verhoogde Christus. Is dit ook niet uw geval, evenals het hunne? Hoe onwetend moet u zijn van de kracht van de levende godzaligheid als u dit niet enigszins uit eigen ervaring kent.
Hierin ligt dus het hele verschil tussen een geloof dat staat in de kracht van God en een geloof dat staat in de wijsheid van mensen (1 Korinthe 2:5). Het is het verschil tussen een levende godsdienst, ontstoken en onderhouden door goddelijke mededelingen, en een dode, vormelijke godsdienst. Die laatste rust met al haar kennis, gaven, bidden en prediken, werken en willen in de blote letter van de waarheid. Het ene geloof zoekt of ervaart voortdurend vereniging en gemeenschap met een opgestane en verhoogde Heere. Het andere is tevreden met de houding van hen die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees (Galaten 6:12).
In deze opgestane en verhoogde Heere hebben we nu Iemand die we min of meer kennen. Dat trekt het geloof naar Hem toe en op Hem aan. Hij wordt geopenbaard in het woord van de waarheid. Door de kracht van het woord in de handen van de Geest wordt Hij ook aan het hart geopenbaard.
Ons geloof in de Heere Jezus is dus geen zwevende inbeelding, geen louter leerstellig gevoel, geen overgeleverde mening, geen kruipend bijgeloof en geen wilde misleiding. Het is een stevige, wezenlijke werkelijkheid. Want het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet (Hebreeën 11:1).
En zo werkt het. We lezen Zijn eigen gezegende woorden zoals ze voor het eerst van Zijn lippen vielen en daarna bewaard en opgeslagen werden in de geïnspireerde Evangeliën. Zo stelt de Heilige Geest ons in het woord een volmaakt beeld voor ogen van wat de Zoon van God was toen Hij hier beneden leefde. We zien Zijn tedere ontferming en medelijden met arme zondaars. We zien Zijn wonderlijke wonderen toen Hij het land doorgegaan is, goeddoende (Handelingen 10:38). We zien de genade en waarheid die in elk woord en elk werk straalden.
We volgen Hem stap voor stap. We overdenken Zijn beloften, Zijn geboden, Zijn uitnodigingen en Zijn verklaringen over Zijn Zoonschap en Zijn eenheid met de Vader. We overdenken Zijn laatste gesprekken met Zijn discipelen, totdat we bij Zijn lijden en dood aankomen. Het geloof omarmt wat zo in het woord van de waarheid wordt geopenbaard en vermengt zich ermee.
We voelen de zoetheid en kracht ervan in onze ziel. Zo krijgen we enige geestelijke en bevindelijke kennis van Hem, zoals Hij ons daar duidelijk voor de ogen te voren geschilderd wordt (Galaten 3:1). Door de kracht van Zijn genade kunnen we in Hem geloven en Hem liefhebben.
Wanneer we Hem dan door het geloof uit de doden zien opstaan en Hem door datzelfde geloof volgen tot in de hoven van de hemel, voelen we dat we daar als Middelaar, Hogepriester, Voorspraak en Koning geen onbekende hebben. Het is dezelfde Jezus die we al hebben gezien, gekend en geloofd door de kracht van het woord van Zijn genade in ons hart.
Hoe hoog Hij ook verhoogd is, het geloof kan Hem dus nog volgen tot de hoogte van Zijn heerlijkheid. Hij is op de grootste hoogte nog dezelfde Jezus als in de diepste diepte. Zoals Hij dezelfde Heere is, zo is het geloof in Hem hetzelfde geloof. Want zoals er maar één Heere is, zo is er ook maar één geloof (Efeze 4:5).
In overeenstemming hiermee bad de apostel dat we de kracht mochten kennen die God bij de verhoging van Zijn dierbare Zoon heeft uitgeoefend. Zo zouden we die persoonlijk ervaren als een kracht die ons opricht naar Hem Die zit aan de rechterhand van de Vader. Laten we dus deze verhoging bekijken zoals de apostel ze ons voorhoudt.
I. God heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel. De rechterhand is de plaats van waardigheid, voorrang en macht.
1. Ze is ten eerste de plaats van eer en waardigheid (1 Koningen 2:19; Psalm 45:10; Mattheüs 20:21). Daarom lezen we dat Jezus met heerlijkheid en eer gekroond is (Hebreeën 2:9). Petrus zei tot de verbaasde menigte bij de genezing van de kreupele aan de tempelpoort: De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt (Handelingen 3:13). De heerlijkheid waarmee Hij zo gekroond is, is niet de heerlijkheid van de goddelijke natuur los van de menselijke.
Het is ook niet de heerlijkheid van de menselijke natuur los van de goddelijke. Het is de heerlijkheid die op Hem is gelegd als Godmens-Middelaar. We kunnen haar Zijn middelaarsheerlijkheid noemen. Het is de bijzondere heerlijkheid die God Hem heeft gegeven als beloning voor Zijn vernedering en gehoorzaamheid tot de dood, ja, de dood van het kruis (Filippenzen 2:8-9). Over deze heerlijkheid sprak Hij tot Zijn hemelse Vader in Zijn gedenkwaardige gebed. Het is Zijn heilige wil dat Zijn gelovige volk bij Hem zou zijn om haar te aanschouwen en te genieten (Johannes 17:24).
2. Maar de rechterhand is vooral de zetel van gezag en macht. Dit lijkt het voornaamste kenmerk van de verhoging van Christus zoals de apostel die voorstelt. Zijn bijzondere doel is kennelijk ons te tonen hoe de Heere Jezus bekleed wordt met opperste gezag, macht en heerschappij over alle dingen in de hemel en op de aarde. Wat een wonderlijk onderwerp van overdenking wordt hier voor ons geopend! De aanwezigheid van Jezus in de hemel wordt zo aan de ogen van ons geloof voorgesteld. Het is de aanwezigheid van de Mens Christus Jezus, dezelfde Mens Die hier beneden was, Die hier leed, bloedde en stierf.
Johannes spreekt van kijken: en ziet, een deur was geopend in den hemel (Openbaring 4:1). Is dat geen opening van een deur in de hemel, wanneer we omhoog kunnen kijken en de Mens Christus Jezus aan de rechterhand van God kunnen zien? Dit was het gezicht dat de gemartelde Stefanus troostte: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods (Handelingen 7:56).
Zo zien we door het geloof dezelfde Jezus, van Wie we hebben gehoord en geleerd uit het woord van de waarheid, tot Wie we zijn gekomen, in Wie we hebben geloofd en naar Wie we dagelijks opzien. Hij is verhoogd boven de hoogste, grootste en heerlijkste van alle engelenwezens en bekleed met opperste heerschappij en macht.
Uit de woorden van de apostel hier en elders lijkt te volgen dat er in de hemel is wat men een hemelse hiërarchie heeft genoemd. Met andere woorden: er zijn verschillende rangen en orden van engelen. Dat blijkt vooral uit Kolossenzen 1:16, waar hij zegt: hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten. Het is geen zaak van geloof, en nog minder van speculatie. Het is een eerbiedig aanvaarden van geopenbaarde waarheid, zonder ons te mengen in dingen die we niet hebben gezien.
In die geest aanvaarden we dus de woorden van de apostel dat er in de hemelse hoven overheden en machten zijn die een overgedragen heerschappij bezitten. We zeggen een overgedragen heerschappij, want hun macht en gezag zijn niet van henzelf. Ze zijn hun toevertrouwd en ze oefenen ze uit als dienaars, niet als heren. Zij zijn immers allen gedienstige geesten, dat wil zeggen dienende geesten (Hebreeën 1:14). Maar al zijn ze dienaars en boodschappers (het woord dat in het Hebreeuws en in het Grieks met ‘engelen’ vertaald wordt, betekent ‘boodschappers’), toch is hun macht zo groot dat wij die ons niet kunnen voorstellen.
Daarom heten ze krachtige helden (Psalm 103:20). In de kantlijn van de King James-vertaling staat: ‘sterk in kracht’. Johannes zag eens een sterken engel (Openbaring 5:2). Bij een andere gelegenheid zag hij een anderen sterken engel. Diens aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur, en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde (Openbaring 10:1-2).
En bij weer een andere gelegenheid zag hij een engel die zijn sikkel op de aarde zond, de druiven van de wijngaard der aarde afsneed en ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God wierp (Openbaring 14:19). Een engel versloeg in één nacht in het kamp van de Assyriërs 185.000 man. Wat een kracht was hier!
Wat een kracht was er in de engel die David zag staan tussen hemel en aarde, met een uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem om het te verwoesten (1 Kronieken 21:16). En wat een machtig vertoon van kracht zullen de engelen geven op de grote dag.
Dan zendt de Mensenzoon hen uit en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen. Zij zullen hen in den vurigen oven werpen (Mattheüs 13:41-42). Op dit punt hoeven we niet verder in te gaan. We hebben het vooral genoemd om te laten zien hoe groot en heerlijk die engelenwezens zijn, boven wie onze gezegende Heere als Mensenzoon is verhoogd.
Dit nu is, zoals we eerder hebben aangewezen, het geheim en de zaligheid van deze verhoging. Door de vereniging met de Persoon van de Zoon van God wordt een van nature mindere natuur bevorderd en verhoogd boven een natuur die van nature haar meerdere is.
Om dit te begrijpen, moet men opmerken dat de natuur van engelen door haar wezenlijke en oorspronkelijke samenstelling van een hoger karakter is dan die van de mens. Zij zijn geschapen als volkomen zuivere geestelijke wezens (Hebreeën 1:7). Ze bestaan niet zoals wij uit een onsterfelijke ziel verenigd met een lichaam dat uit het stof van de aarde is gevormd. Daarom zijn ze wezenlijk en door hun oorspronkelijke samenstelling onsterfelijk (Lukas 20:36).
Ook in macht, zoals we al hebben aangetoond, zijn ze een klasse van wezens die ver boven de mens staan. Dat geldt ook voor hun oorspronkelijke nabijheid tot God, omdat ze voortdurend Zijn aangezicht aanschouwen en in Zijn gelukzalige tegenwoordigheid wonen (Mattheüs 18:10; Lukas 1:19). Het geldt voor de volmaaktheid en snelheid van hun gehoorzaamheid (Mattheüs 6:10; Daniël 9:21). En het geldt voor het feit dat hun werken en taken zijn toevertrouwd die zelfs vóór de val boven het natuurlijke vermogen van de mens lagen.
Maar het was het eeuwige voornemen van de onzienlijke God om Zichzelf op een meer zichtbare wijze te laten zien en kennen dan door het vertoon van Zijn macht, wijsheid en heerlijkheid in de schepping. Dat gold ook voor de glans van Zijn luister in de hoogste hemelen, zoals de engelen die zien. In de Godheid zijn volmaaktheden zoals genade, barmhartigheid en liefde. De schepping kon die maar flauw ontvouwen, als ze dat al kon, en de hemel zelf kon ze niet openbaren. Het was Zijn eeuwig welbehagen om ze zichtbaar en opvallend bekend te maken.
Hij koos er daarom voor dat Zijn eniggeboren Zoon, de glans van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon, openlijk zou verschijnen, opdat Hij in Hem gezien en gekend zou worden. Maar hier ligt het geheim van wijsheid en genade: de Zoon van God, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde, zou op deze openlijke wijze verschijnen.
Dat zou niet gebeuren door de natuur van engelen aan te nemen maar het zaad van Abraham, door deel te nemen aan het vlees en bloed van de kinderen (Hebreeën 2:14-16). Zo zou Hij onze natuur, in vereniging met Zijn goddelijke Persoon, verhogen boven de hoogste en heerlijkste engelen. Dit is, we herhalen het, het wonderlijke geheim waardoor God de rijkdom van Zijn genade heeft willen tonen, de wonderen van Zijn liefde, de diepten van Zijn wijsheid en de grootheid van Zijn macht.


