Wij hebben ook stilgestaan bij de grondslag van deze betrekking. Zij berust op de eeuwige vereniging van de gemeente met de Zoon van God. Als wij dit punt steeds weer onder de aandacht van onze lezers brengen, dan komt dat door onze vaste overtuiging. Alleen voor zover wij dit geestelijk vatten en voortdurend in gedachten houden, kunnen wij binnengaan in de schatten van goddelijke waarheid die in deze brief zijn opgeslagen. Hetzelfde geldt voor het hoofdstuk waarvan wij nu de uitleg beproeven.
Misschien hebben onze lezers het onderscheid goed begrepen dat wij in ons vorige stuk hebben gemaakt. Het werd zo bekwaam toegelicht door dr. Goodwin in het uittreksel uit zijn werken dat wij gaven. Het is het onderscheid tussen geestelijke zegeningen die aan de val voorafgaan en er los van staan, en zegeningen die uit de val voortkomen en daarmee samenhangen. Is dat zo, dan zijn zij beter toegerust om ons te volgen in onze uitleg van Efeze 1:7: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.
Wij merkten op dat er vier geestelijke zegeningen zijn die aan de val voorafgaan en er los van staan. Dit waren:
1. de uitverkiezing in Christus;
2. een volkomen heiligheid in Hem;
3. de aanneming tot kinderen in het gezin van God;
4. de aanvaarding in den Geliefde.
Had de gemeente nooit gezondigd of was zij nooit gevallen, dan zou zij toch nog altijd zijn geweest: 1. uitverkoren in Christus; 2. volmaakt in Zijn volmaaktheden; 3. een dochter van de Koning des hemels; 4. aanvaard in den Geliefde. Maar het was de verborgen, toelatende wil van God dat de gemeente zou vallen. Waarom, weten wij niet. Het is een van die geheimenissen die voor onze ogen verborgen zijn. Maar dit leiden wij af uit het heilige getuigenis: het was tot openbaring van Zijn eigen heerlijkheid.
Op deze vraag willen wij echter niet verder ingaan. Er zijn onderwerpen waar men beter niet op ingaat. Anders waagt men zich op een terrein waar men niet vast en veilig kan staan. Daar is het het beste te zeggen met de psalmist: De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. Of met de apostel: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! (Romeinen 11:33).
Zoals de apostel in dit hoofdstuk vier zegeningen noemt die aan de val voorafgaan en er los van staan, zo noemt hij er ook vier die uit de val voortkomen en ervan afhangen. Dit zijn:
1. de verlossing;
2. de rechtvaardiging;
3. de wedergeboorte;
4. de verzegeling.
Wij zullen proberen deze vier zegeningen na te gaan zoals de apostel ze ons voorstelt.
1. De VERLOSSING staat op de eerste plaats. Geen hart kan zich indenken en geen tong kan uitspreken in wat een toestand van vernedering en ellende de val het hele verloren geslacht van Adam heeft gestort. Omdat de gemeente in zijn lendenen was toen hij zondigde en viel, zondigde en viel zij in hem en met hem tot het uiterste van de val. De Schrift vergelijkt de toestand waartoe de val ons bracht met die van dienstbaarheid of slavernij. Daarom betekent „verlossing” als aanduiding van een geestelijke zegen in Christus: bevrijding uit een toestand van slavernij en dienstbaarheid.
Kijken wij naar Adam zoals hij was vóór de val en zoals hij werd na de val, dan zien wij meteen hoe passend het beeld is van een vrij man tegenover een slaaf. Vóór de val was hij vrij om zijn Maker te dienen en te aanbidden naar het licht dat hem toen gegeven was. Hij was vrij om voor God te wandelen in oprechtheid en onschuld.
Hij was vrij om gemeenschap met Hem te hebben als iemand die geschapen was naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Hij was vrij om te blijven staan en wij mogen eraan toevoegen: vrij om te vallen. Maar hij koos het slechtste deel. Door zijn ene noodlottige daad van ongehoorzaamheid bracht hij de dood in de wereld en al ons leed.
Zo verkocht hij zichzelf opzettelijk en moedwillig aan de slechtste van alle meesters. Hij kwam terecht in de ellendigste en meest vernederende vorm van dienstbaarheid die denkbaar is. Hij werd de slaaf van de zonde en van Satan. Omdat de gemeente in hem en met hem had gezondigd, viel zij in hem en met hem in dezelfde toestand van dienstbaarheid, ellende en vernedering.
Wij zijn er nu volkomen van overtuigd dat niemand kan weten of voelen wat deze toestand van dienstbaarheid is voordat zijn ziel levend is gemaakt tot goddelijk leven. Daarom kan niemand de verlossing kennen of op prijs stellen behalve zij die als bezitters van goddelijk leven het ijzer in hun ziel hebben gevoeld. Het is de geest van vrijheid in een mens die naar bevrijding verlangt waardoor het juk van de slavernij zo ondraaglijk wordt.
Zo is het ook in het natuurlijke. Menig slaaf in de zuidelijke staten verkoos de slavernij boven de vrijheid, toen dat vervloekte stelsel nog niet aan stukken was geslagen. Werd hij goed verzorgd, licht belast en bejegend als lieveling, dan beschouwde hij zijn eigen toestand als veel beter dan die van het „white trash”. Zo werd de lagere klasse van de blanken genoemd, die hard moest werken en weinig kreeg.
Maar laat dezelfde man worden verkocht aan een harde en wrede meester. Laat hem worden overladen met zwaar werk, slecht gevoed, armoedig gekleed, vaak afgeranseld en slechter behandeld dan de dieren van het veld. Laat in die ellendige toestand in zijn hart een onblusbare dorst naar vrijheid ontstaan. Zou hij dan nog de slavernij verkiezen boven de vrijheid? Zou hij dan niet jaloers zijn op de vogels van de lucht, op de wilde dieren van het woud en op elk schepsel dat vrij was om te ademen, te bewegen, te handelen en te leven?
Zo is het ook met ons geestelijk. Er was een tijd dat wij onze slavernij liefhadden. Bevrijding van de heerschappij van de zonde zou toen hebben betekend dat wij ons grootste genot en onze keuzevreugde moesten opgeven. Maar toen deden goddelijk licht en leven ons zien en voelen wat een harde meester de zonde was en wat een wrede onderdrukker Satan.
In onze boezem werd een dorst naar vrijheid aangewakkerd door een glimp van de Koning in Zijn schoonheid en van het vrije en gelukkige land dat nog veraf was. Toen wij kreunden onder ons juk en onze last, leerden wij de ellendige toestand kennen waartoe de val ons had gebracht. En wij verlangden naar bevrijding daaruit.
Wat is het nu zalig om te geloven: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed. O verlossing, verlossing! Wat een zegen ligt in dat woord, wanneer een kreunende gevangene het bevindelijk leert kennen! Een ellendige gevangene die niet alleen door de erfzonde de slaaf van zonde en Satan is, maar zich ook bewust, roekeloos en opzettelijk aan hen heeft verkocht door berekende en uitgevoerde overtredingen!
En let op de woorden „In Welken”. Hoe blijft de apostel vasthouden aan zijn grote punt! Alsof hij het steeds opnieuw bij ons aandringt: de vereniging van de gemeente met Christus als de grondslag en de bron van elke geestelijke zegen. Merk ook op hoe „in Welken” de ijdele verdichting van een algemene verlossing doeltreffend wegvaagt. Zijn alle mensen in Christus? Hebben allen vereniging met Hem? Als wij in Hem de verlossing hebben, dan kan dat alleen in Hem zijn. Buiten Hem, buiten vereniging met Hem, bestaat er geen verlossing.
Zie ook hoe dezelfde waarheid, namelijk de beperking van de verlossing tot de uitverkorenen van God, voortvloeit uit de innige aard van deze vereniging die aan de val voorafgaat en er los van staat. Zonder de val zou de gemeente geen verlossing nodig hebben gehad. Zonder haar eerdere vereniging met de Zoon van God zou Hij haar, als wij dat zo mogen zeggen, niet hebben verlost.
Maar zij was Zijn Hefzi-Bah, Zijn maagdelijke bruid, in wie al Zijn welbehagen was, de uitverkoren deelgenote van Zijn troon. Geen tonelen van zonde, ellende, slavernij en vernedering konden of wilden haar uit Zijn hart rukken. Maar als Hij haar toch wilde hebben, dan moest Hij haar verlossen. Hij moest haar uit deze slavernij brengen en een prijs betalen die de gerechtigheid van God zou bevredigen en een volle en gelijkwaardige losprijs en vrijlating zou zijn.
Wij zien pas werkelijk wat een heilige wet en strenge gerechtigheid eisen wanneer wij bedenken wat onze eigen persoonlijke overtredingen zijn geweest. Hoe vreselijk zijn zij in zichzelf en hoe gruwelijk verzwaard door de opzettelijkheid en vastberadenheid waarmee zij zijn begaan!
Dat zien wij wanneer wij maar een paar van onze zonden onder ogen zien, want wie kan zich het duizendste deel herinneren van wat God ons heeft zien denken, beramen, bedenken, zeggen en doen? Dat zien wij wanneer wij in een plechtig ogenblik van nauwkeurig onderzoek deze en gene en nog een andere ongerechtigheid bekijken die ons geweten heeft opgetekend.
Wat zullen wij dan zeggen van de volledige rekening? Waar zouden wij ons schuldige hoofd kunnen verbergen? Hoe zouden wij God of mensen onder ogen kunnen komen als al onze zonden ons werden aangerekend? Zo’n ervaring, en het besef dat wij zelf volkomen onmachtig zijn om ook maar één cent van deze enorme, deze overweldigende schuldenlast te betalen, doet ons onze behoefte aan verlossing in en door Christus zien en voelen. Ze leert ons ook de betaalde prijs op waarde te schatten, dat is Zijn bloed.
Wij hebben aangetoond dat het hoofdbeeld van de toestand waartoe de val van Adam de gemeente bracht, dat van dienstbaarheid en slavernij was. Zo is ook het hoofdbeeld van de verlossing de prijs die wordt betaald om de slaaf zijn vrijheid te kopen: Want gij zijt duur gekocht (1 Korinthe 6:20). En: de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed (Handelingen 20:28). Over de verlossing wordt gewoonlijk gesproken als iets tweeledigs:
1. Verlossing door losprijs.
2. Verlossing door kracht.
Er is enige waarheid in dit onderscheid. Maar men moet zorgvuldig letten op het volgende: het een sluit het ander in. Er zou geen verlossing door kracht zijn geweest als er niet eerst een verlossing door losprijs was geweest. Wanneer er dus staat: heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte (Deuteronomium 7:8), dan was dat een verlossing door kracht. Maar dat was het alleen omdat Israël eerst door een losprijs was verlost.
Zij waren het eigen volk van de Heere. Dat wil zeggen: typologisch en zinnebeeldig, als een type van de verloste uitverkorenen. En zij werden onrechtmatig in Egypte vastgehouden. Zo kan ook een uitverkoren ziel, voor wie een prijs is betaald en die gekocht is met het bloed van Gods dierbare Zoon, met kracht worden verlost. Het beginsel is eenvoudig. Is het losgeld voor een gevangene betaald en houdt zijn meester hem daarna onrechtmatig vast? Dan mag de gevangenis waarin hij ten onrechte zit rechtmatig en terecht worden opengebroken en de gevangene met geweld worden bevrijd.
Was er dus geen verlossing door losprijs geweest, dan zou er ook geen verlossing door kracht kunnen zijn. Maar nu kan Jezus tegen zonde en Satan zeggen, ten behoeve van elke verloste gevangene: „Maak hem los en laat hem gaan. Hij is van Mij, niet van u. Ik heb hem gekocht met Mijn bloed. Hij is Mijn eigendom en Ik wil en zal hem hebben!”
Maar u zult ook opmerken dat zonde en Satan eerder cipiers zijn dan meesters. De eigenlijke meester is de wet, in opdracht van de gerechtigheid. Zonde en Satan zijn slechts de bewakers van de gevangenis waarin de wet, op bevel van de gerechtigheid, de gevangene heeft geworpen. En dat voelt de gevangene.
Hij is de gevangene van de wet omdat hij de wetsovertreder is. Zo is het ook in het natuurlijke. Het begane misdrijf is de oorzaak van de gevangenschap van de man. Maar wie heeft de gevangenis gemaakt en de misdadiger in bewaring gesteld? De wet, die de geschreven uitdrukking van de gerechtigheid is.
Zo is het ook geestelijk. Als er geen wet was, geen strenge gerechtigheid, dan was er geen gevangenis. Daarom is het niet de zonde die voldoening moet krijgen, maar datgene wat de zonde tot zonde maakt. Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid (1 Johannes 3:4).
Zo moet er voor de zonde verzoening worden gedaan opdat de gerechtigheid voldoening krijgt en aan elke eis van de wet wordt voldaan. Dit is bewerkt door de gehoorzaamheid, het bloedvergieten en de dood van de Zoon van God. Zijn bloed was de prijs die voor onze verlossing is betaald.
Maar wat gaf het zo’n verbazingwekkende, overweldigende waarde, kracht en werking? Hoe kan het bloed van Christus een voldoende prijs zijn om miljoenen te verlossen van de vloek van de wet? En de wet en de gerechtigheid zo te bevredigen dat elk van beide zegt: „Het is genoeg”? Zie hoe hier de eeuwige Godheid van de Zoon van God het antwoord geeft. Het komt doordat het het bloed is van de menselijke natuur die is opgenomen in onuitsprekelijke en onverbrekelijke vereniging met de Persoon van de Zoon van God. Daardoor heeft het een oneindige, onuitsprekelijke waarde.
Het is de gehoorzaamheid, het bloedvergieten en het sterven van de zuivere mensheid. Want God kan als God niet gehoorzamen, niet bloeden en niet sterven. Maar doordat die zuivere mensheid innig verenigd is met de Godheid, is er de hele waarde en geldigheid van de Godheid op gedrukt.
Hebben wij door het geloof een blik op wat deze verlossing door het bloed van Christus is, dan zullen wij daarin zeker twee hoofdkenmerken zien. Ten eerste de diepte van de val en de gruwelijke, vreselijke, verdoemelijke aard van de zonde, zoals die blijkt uit de lengte en de breedte van de wet en de vloek die eraan verbonden is. Ten tweede de volheid en volledigheid van de verlossing die tot stand is gebracht door het bloedvergieten en de gehoorzaamheid van Gods dierbare Zoon.
Dit zijn twee lessen die wij ons leven lang leren. Elke dag ervaring voegt er, om zo te zeggen, een nieuwe regel aan toe, of zou dat althans moeten doen. Soms zinken wij weg, als overweldigd door een blik op de diepte van de val en door het zien en voelen van onze eigen werkelijke zonden en ingewortelde zondigheid. Dan weer worden wij opgericht door een gelovige blik op het voleindigde werk van de Zoon van God en op dat dierbare bloed dat reinigt van alle zonde!
2. Maar dit brengt ons bij de vrucht van deze verlossing: de VERGEVING DER MISDADEN. Deze zegen hebben wij „rechtvaardiging” genoemd. Strikt genomen is rechtvaardiging het toerekenen van de gerechtigheid van Christus. Maar de apostel zegt ons dat wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed: zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed (Romeinen 5:9).
Daarom mogen wij het woord rechtvaardiging toepassen op de vergeving van de zonde, als omvattend zowel de geschonken kwijtschelding als de toegerekende gerechtigheid. In feite zijn de vergeving van zonden door het bloed van het Lam en de rechtvaardiging door de toerekening van Zijn gehoorzaamheid aan wie geloven zo met elkaar verbonden, zowel in de gedachte van God als in de bevinding van de gelovige, dat zij praktisch als één kunnen worden beschouwd.
Omdat mensen niet weten wat zonde werkelijk is, denken zij dat het voor God een gemakkelijke zaak is om zonde te vergeven. In feite was het vergeven van zonde het moeilijkste wat God kon doen. Zo moeilijk dat het voor Hem onmogelijk zou zijn geweest zonder de verlossing die door het bloed van Zijn eigen Zoon is bewerkt. Scheppen was gemakkelijk voor oneindige wijsheid en oneindige macht. De moeilijkheid was om te herstellen wat was bedorven. Wij weten dat zelfs bij kunstwerken maken veel gemakkelijker is dan herstellen. Eén slag of één val kan een onherstelbare breuk veroorzaken.
God moest de gemeente niet alleen in haar oorspronkelijke staat herstellen. Hij moest haar ook wassen van al haar vuil in het bloed van Zijn dierbare Zoon. Hij moest haar zo bekleden met Zijn toegerekende gerechtigheid dat zij schoner zou zijn dan tevoren. Zo gaf Hij aan wet en gerechtigheid voldoening en bracht Hij elke volmaaktheid van de Godheid in overeenstemming.
Zo openbaarde Hij de lengte en breedte en diepte en hoogte van de liefde van Christus en toonde Hij de rijkdom van Zijn genade. Wat een vertoon is hier van de oneindige diepten van Gods gecombineerde wijsheid, macht, barmhartigheid en liefde! Het is een spiegel waarin zelfs engelen met bewondering mogen inzien (Efeze 3:10; 1 Petrus 1:12). En voor de verlosten is het een lofzang voor de eeuwigheid.
Wij zijn er zeker van dat van alle geestelijke zegeningen die door de kracht van God aan de ziel bekend worden gemaakt de kennis der zaligheid door de vergeving hunner zonden (Lukas 1:77) het moeilijkst te verkrijgen is en het meest wordt gewaardeerd als zij ontvangen is. Hoeveel arme beproefde, bestreden en bedrukte zielen zuchten en roepen op dit moment om de bevestiging van deze ene zegen! Zij weten goed, sommigen door de pijnlijke bevinding van vele jaren harde dienstbaarheid en barensnood, hoe moeilijk het is om de vergeving op hun hart verzegeld te krijgen.
Niet dat het van de kant van God nu werkelijk moeilijk is om te vergeven, in de zin van bevindelijke openbaring. Want het is al gedaan aan en voor alle uitverkorenen van God: En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende (Kolossenzen 2:13). En zo staat het ook in onze tekst: In Welken wij hebben. Dus niet „zullen hebben” maar „hebben”, dat wil zeggen nu hebben: de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden.
Een levend gemaakte ziel kan het misschien niet voor zichzelf grijpen en niet als persoonlijke zegen toeëigenen. Zij voelt misschien niet in haar eigen hart en geweten de lieflijke en gezegende zekerheid van de vergeving van al haar zonden. Toch is elke levend gemaakte ziel werkelijk vergeven al haar overtredingen. Verleden, heden en toekomst. Het is een van de geestelijke zegeningen waarmee zij is gezegend, reeds gezegend, in de hemelse gewesten in Christus Jezus.
Doordat zij het gelooft, krijgt zij de onuitsprekelijke troost en de zoete zekerheid ervan. Maar het is werkelijk al van haar voordat zij het zo geniet. Zo is de erfgenaam van een groot bezit werkelijk de eigenaar van het landgoed. Maar zolang hij als minderjarige onder voogden en bewindvoerders staat, kan hij het nog niet volledig zijn eigendom noemen.
De vergeving van zonden is inderdaad de noodzakelijke vrucht en het gevolg van de verlossing door bloed. De prijs is betaald die de gerechtigheid en de wet eisten. Eiste de wet een volmaakte gehoorzaamheid? Die is gegeven. De wet is groot gemaakt en geëerd. Elke eis is volledig en heerlijk vervuld door de gehoorzaamheid van de Zoon van God aan die wet.
Welke hogere eer kon de wet worden bewezen dan dat Gods gelijke, mede-eeuwige Zoon eraan onderworpen was? Dat Hij haar gehoorzaamde tot in elk punt en elke jota en tittel, haar vloek droeg en haar uiterste straf onderging? De gerechtigheid moet zeker volledig voldaan zijn als de Rechtvaardige Zichzelf in de plaats van de schuldenaar stelde en de hele schuld betaalde die aan haar eisen verschuldigd was.
Dus als God zonde vergeeft, dan is dat niet omdat zonde iets lichts is dat gemakkelijk vergeven wordt. Het is omdat Zijn eigen dierbare Zoon er volle verzoening voor heeft gedaan. Hij heeft zo een zeer gezegend kanaal geopend waardoor de liefde, het medelijden, de barmhartigheid en de genade van God vrij en volop kunnen neerstromen naar arme verloren, ondergegane zondaren. Zo geschiedt het opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is (Romeinen 3:26).
Hoe gezegend en prachtig wordt het hele onderwerp ontvouwd in deze woorden. Wij zeggen erbij dat zij niet alleen verdienen in gouden letters te worden geschreven, maar met de vinger van God op elk gelovig hart: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods; En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is (Romeinen 3:21-26).
En dat alles naar den rijkdom Zijner genade. Ja, den rijkdom Zijner genade! Wat een volle, wat een prachtige uitdrukking! Eerder had hij gezegd: Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Maar hier staat: naar de rijkdom van Zijn genade. Het is de moeite waard op te merken hoe vaak de apostel in deze brief de woorden „rijk” en „rijkdom” gebruikt voor de barmhartigheid, genade en heerlijkheid van God.
Zo zegt hij: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid (Efeze 2:4). Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade (Efeze 2:7). den onnaspeurlijken rijkdom van Christus (Efeze 3:8). de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen (Efeze 1:18). Zo spreekt hij in Romeinen van de diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods (Romeinen 11:33) en in Kolossenzen van de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid (Kolossenzen 1:27).
Al deze uitdrukkingen tonen niet alleen de buitengewone waarde die hij hechtte aan de barmhartigheid, genade, wijsheid en heerlijkheid van God, zoals die in het aangezicht van Zijn dierbare Zoon zijn geopenbaard en door het evangelie aan het licht gebracht. Zij tonen ook de rijkdom die daarin is opgeslagen voor de armen en behoeftigen.
Genade en barmhartigheid, zoals zij in de boezem van God hun zetel hebben, zijn als een mijn vol onuitputtelijke schatten. Deze mijn heeft miljoenen verrijkt en kan er nog miljoenen verrijken. Of zij zijn als een altijd vloeiende en overvloeiende rivier die overal vruchtbaarheid en overvloed brengt waar zij komt, zoals de Nijl voor Egypte.
Zo worden wij aangemoedigd om met al onze behoeften en nood tot Hem te komen en dankbaar te ontvangen wat Hij zo mild geeft. Maar o, onze arme, bekrompen, ongelovige harten! Hoe meten wij God naar onszelf! Omdat wij zo arm zijn in het ontvangen, denken wij dat Hij ook arm is in het geven.
Efeze 1:8.
3. De volgende geestelijke zegen die met de val verbonden is, hebben wij aangeduid als de WEDERGEBOORTE. Dit leiden wij af uit de woorden: Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven (Efeze 1:8-9). Misschien is opgemerkt dat de apostel tot nu toe sprak over zegeningen in zichzelf, los van enige persoonlijke openbaring ervan.
De geestelijke zegeningen van de uitverkiezing, de onberispelijkheid voor God, de aanneming in Zijn gezin, de aanvaarding in den Geliefde, de verlossing door het bloed van Christus en de vergeving van zonde als haar vrucht zijn zegeningen op zichzelf. Zij zijn onafhankelijk van hun openbaring en mededeling. Zij zijn voor ons bedoeld maar bestaan al voordat zij aan ons worden gegeven.
Maar zo is het niet met de zegen die nu voor ons ligt. Er staat: Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, en dat in alle wijsheid en voorzichtigheid van God. Deze zegen kunnen wij dus wedergeboorte noemen, als het begin van de geopenbaarde zegeningen, en daarmee onderscheiden van zegeningen vóór hun openbaring. Onder „de wijsheid van God” kunnen wij in het algemeen verstaan de wijze wegen waarop Hij met de zielen van Zijn volk handelt om hen tot de kennis van Zichzelf te brengen.
Onder Zijn „voorzichtigheid” verstaan wij de vaardigheid die blijkt uit de verscheidenheid van Zijn handelen. Die verscheidenheid is afgestemd op de aard, de omstandigheden en het toekomstig lot van de afzonderlijke gelovige en op Gods bedoelingen met hem. „Wijsheid” duidt dus het algemene karakter aan van Gods handelen als Hij Zijn volk de verborgenheid van Zijn wil bekendmaakt. „Voorzichtigheid” duidt Zijn bijzondere bekwaamheid aan in het omgaan met afzonderlijke gevallen.
Er is geen vat van barmhartigheid dat door genade is geroepen en in wie God niet de overvloed van Zijn wijsheid laat zien. Maar er schijnen bijzondere gevallen te zijn die oproepen tot wat wij misschien Gods praktische vaardigheid kunnen noemen. Mogen wij dat toelichten met de praktische vaardigheid van een arts, onderscheiden van zijn algemene vakkennis? Hij heeft lang en diep zijn beroep bestudeerd en kent ziekten en geneesmiddelen grondig. Dit volstaat in het algemeen.
Maar van tijd tot tijd komen er gevallen voor die iets méér vragen dan deze grondige kennis. Er is een bijzonder inzicht nodig bij een zeer verborgen of zeldzame ziekte. Of een bijzondere behandelwijze of een eigen aanpak, bijvoorbeeld van het dieet of de verpleging of het gebruik van een zeldzaam geneesmiddel. Dit alles beproeft en brengt aan het licht een eigen vaardigheid in het omgaan met een bijzonder geval, in onderscheid van grote en erkende bekwaamheid bij gewone gevallen.
Wij hebben niet veel op met de vertaling „voorzichtigheid” in onze bijbelvertaling. Toch weten wij niet hoe wij het moeten veranderen of verbeteren. Maar zoals veel vertalingen blijft het achter bij de betekenis van het oorspronkelijke. Het haalt het hemelse karakter van de bijzondere wijsheid van God bijna omlaag tot een aardse voorzichtigheid. Dat is althans het denkbeeld dat wij gewoonlijk aan dat woord verbinden. Dat is echter niet de gedachte of de betekenis van de Heilige Geest.
Wij kunnen de betekenis misschien beter met een voorbeeld toelichten dan omschrijven. God heeft een bijzonder werk voor een man te doen. Hij moet een Augustinus, een Bunyan, een Whitefield, een Huntington, een Hart roepen en toerusten voor een bijzonder werk in Zijn wijngaard.
Hier is Zijn voorzichtigheid, Zijn bijzondere vaardigheid, onderscheiden van Zijn algemene wijsheid, om dit bijzondere werktuig te roepen, te bekwamen en toe te rusten. Zijn handelen met deze persoon zal dus verschillen van de algemene gang van Zijn handelen met het grootste deel van Zijn volk. Maar omdat dit een tamelijk breed onderwerp is, stellen wij de verdere overweging ervan uit tot ons volgende stuk.


