Kan niets hen tevredenstellen dan Jezus te beroven van Zijn vele koninklijke hoeden (Openbaring 19:12)? Eerst ontnemen zij Hem Zijn dierbaarste en eeuwige kroon, namelijk dat Hij is den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde (2 Johannes 3). Nu willen zij Hem ook nog een andere kroon van het hoofd slaan. Zij willen niet toegeven dat alle volken Hem welgelukzalig zullen noemen en dat de hele aarde met Zijn heerlijkheid vervuld zal worden.
Dat Christus zal regeren in een omvang die nog nooit is gekend staat zo helder in het woord van de waarheid dat naar ons oordeel alleen hardnekkig ongeloof of ingeroeste vooringenomenheid het kan ontkennen. Of deze regering een persoonlijke of een geestelijke zal zijn bespreken wij niet. Daarover is veel gestreden en het is niet ons doel om omstreden vragen te behandelen.
Wij willen uit een gelovig hart datgene voortbrengen wat goed is tot opbouwing zodat het genade geeft aan onze lezers. Toch kunnen wij dit onderwerp niet voorbijgaan zonder twee overtuigingen uit te spreken. Wij vertrouwen dat zij gegrond zijn op het woord van de waarheid voor zover dat voor ons geestelijk verstand is geopend.
1. Dat de regering van Jezus zal reiken van zee tot zee en van kust tot kust. En 2. dat deze regering, persoonlijk of geestelijk, volledig zal overeenstemmen met elke leer van het evangelie, elke hemelse waarheid en elk deel van de levende bevinding.
Wij hebben geen idee van een vleselijk koninkrijk en geen enkele sympathie voor hen die met hun zinnelijke opvattingen over Christus’ toekomstige regering de gedachten van Gods gezin zo hebben ingenomen tegen deze waarheid. De mens zal altijd blijven wat hij nu is: een arm, gevallen en zondig schepsel dat alleen door het bloed van Christus kan worden gered en alleen door de Geest van Christus wedergeboren kan worden. Wat de gezegende Geest vermag wanneer Hij overvloedig wordt uitgestort, zagen wij op de Pinksterdag.
Geen vleselijk paradijs, geen aardse genoegens, geen wereldse tronen of scepters, geen rivieren van letterlijke melk en honing, geen hoeveelheid koren of wijn of olie en geen overvloed aan jonge schapen en runderen kan de zielen verzadigen van hen die komen om op de hoogte van Sion te juichen en toe te vloeien tot het goed van de Heere.
Dat geldt voor weinigen of velen en voor nu of later. Tenzij hun ziel is als een gewaterde hof, bevloeid met het bloed en de liefde van het Lam, zouden Gods kinderen niet verzadigd worden met Zijn goedheid en zij zouden dat ook niet kunnen (Jeremia 31:12-14).
Er zal overvloed zijn van aardse vrede en tijdelijke voorspoed in die gelukkige dagen. Dan zullen de mensen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen. Dan geldt: het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.
Maar als de hele aarde vervuld zal zijn met de heerlijkheid van de Heere, dan kan het geen andere heerlijkheid zijn dan die welke de heiligen nu zien: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Korinthe 4:6).
Volgens het getuigenis van de apostel moet dit een geestelijke heerlijkheid zijn: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest (2 Korinthe 3:18).
Wij geloven dus dat er een openbaring zal komen van de toekomstige heerlijkheid van Christus’ Middelaarskoninkrijk zoals de aarde die nog nooit heeft gezien. Alle profeten hebben haar in hun hoogste tonen en als met één harmonieuze stem voorzegd. Toch willen wij ons strikt wachten voor het voorspellen van de tijd of de wijze van haar vervulling. De discipelen vroegen hun opgestane Meester: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk wederoprichten? Wat was Zijn antwoord? En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft (Handelingen 1:6-7).
Hij zei niet dat het koninkrijk nooit meer aan Israël zou worden teruggegeven. Wel hield Hij hun nieuwsgierige geest in toom met de verwijzing naar Gods soevereine beschikking over tijden en gelegenheden. Daarmee zei Hij hun als vanzelf dat zij zich niet moesten overgeven aan ijdele dromen over een aards koninkrijk waarin zij macht en gezag zouden bezitten. In plaats daarvan richtte Hij hun geloof op de beloofde gave van de Heilige Geest en op hun eigen persoonlijke getuigenis van Hem. Dat was een getuigenis in geloof en lijden tot aan het uiterste der aarde.
Niets heeft de profetieën van de Schrift zo in discrediet gebracht als de ontelbare overhaaste pogingen om data en tijden voor hun vervulling vast te stellen. Als de verwachte data dan voorbijgingen zonder dat er iets gebeurde, kreeg men door die vergissingen de gelegenheid om de profetieën zelf verdacht te maken. Daarom durven wij geen datum of tijdstip vast te stellen voor de vervulling van ook maar één onvervulde voorzegging.
Evenmin wagen wij het om ons in te beelden op welke wijze de Heere zal volbrengen wat Hij heeft beloofd. Wel zeggen wij dit. Wij hebben geen geloof in zendingsarbeid, althans zoals die nu wordt uitgeoefend. Wij hebben ook geen hoop dat de heerlijkheid van de Zoon van God op aarde zal gaan stralen door grote gemengde genootschappen van gelovigen en ongelovigen.
Dat geldt ook voor een log, wereldlijk apparaat van abonnementen en giften, beschermheren, voorzitters, secretarissen en afgevaardigden. Dat geldt ook voor wat men opwekkingen of gezamenlijke gebedssamenkomsten noemt en voor alle soortgelijke middelen. Nee. De Heere zal Zijn eigen weg gaan en Zijn eigen tijd kiezen.
Geen vleselijke arm zal de kroon op Zijn hoofd zetten zoals geen vleselijke arm haar eraf kan nemen. Wat mensen ook mogen proberen: het blijft woestijn tot de Schrift vervuld wordt: Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden (Jesaja 32:15). Maar wanneer Hij ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks (Jesaja 11:11), dan is Zijn eigen weg meteen de krachtigste, de wijste en de beste.
En wanneer alles is volbracht, zal de hele vervulling van Zijn eeuwige beloften om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken niet alleen in strikte overeenstemming zijn met het woord van genade. Zij zal ook harmoniëren met elke heerlijke volmaaktheid van de drie-enige God.
Uit pijnlijke ervaring weten wij hoe ongeloof en goddeloosheid zich verzetten tegen dit getuigenis van God over de zichtbare heerlijkheid van Zijn dierbare Zoon op aarde.
Voelen wij dan zelf zoveel ongeloof in ons, dan hoeven wij ons er niet over te verbazen dat er in deze laatste dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen, En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping (2 Petrus 3:3-4). Men heeft het oog van de zintuigen gericht op zichtbare dingen en ziet dat alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping blijven.
Daarom verzetten mensen zich van nature tegen de verklaringen van God in Zijn woord dat er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zullen zijn, in dewelke gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). Waar zij de getuigenis van Jezus, die de geest der profetie is, niet openlijk kunnen en durven ontkennen, daar zwakken zij de uitdrukkelijke taal van de Heilige Geest zodanig af en leggen die zo uit dat het neerkomt op een feitelijke ontkenning van Zijn koninkrijk en heerlijkheid voorbij de huidige openbaring ervan (Openbaring 19:10).
Geen hart is van nature ongeloviger dan het hart dat in onze eigen borst klopt. Toch kunnen en durven wij het getuigenis van God niet weerstaan. Het dringt zich als het ware steeds sterker aan ons op naarmate wij de heilige bladzijden onderzoeken. Lezen wij bijvoorbeeld dit getuigenis: want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken (Jesaja 11:9), dan vragen wij onszelf af: zijn dit de woorden van Hem Die niet liegen kan?
Zeker zijn zij dat, want zij staan in het boek van God. Maar zijn zij vervuld? Is de aarde op dit moment even vol van de kennis des Heeren als de wateren de zee bedekken? Hoe bedekken de wateren de zee: gedeeltelijk of geheel? Wie kan zeggen dat de kennis van de Heere, waarvan Jezus zegt dat zij het eeuwige leven is (Johannes 17:3), Engeland geheel bedekt? Of één stad, één huis of één gezin daarin?
Wij moeten dus de toekomstige vervulling van zo’n belofte geloven of ontkennen dat God meent wat Hij zegt. Zie hoe de zaak ligt. Het is een zaak die ons vaak tot in het diepst van onze ziel op de proef heeft gesteld. Het is de onderwerping van het geloof of de ontkenning van het ongeloof. Een ander alternatief is er niet. Welke van de twee is de uwe, lezer?
Neem nog een ander getuigenis. In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde (Psalm 72:7-8). En verder: Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.
Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen (Psalm 72:11 en 17). Zijn deze voorzeggingen vervuld? Bloeit de rechtvaardige nu? Is er de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij? Laat Amerika maar getuigen.
Laat de velden van Maryland, bedekt met dertigduizend gewonde of stervende mannen, luid verkondigen: ja, dit is het duizendjarig rijk. Er is geen ander. Dit is de vervulling van alle profetieën die zeggen: alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. Dient niet het hele Amerikaanse volk de Vorst des Vredes wanneer broeder broeder ontmoet op het slagveld? Bedekt de kennis des Heeren Maryland niet zoals de wateren de zee bedekken, wanneer hopen stervende mannen haar vlakten bezaaien en rottende lijken haar rivieren verstoppen?
Maar het dreunen van het kanon en de barstende granaat roepen het uit. Dat doen ook de salvo’s van het musketvuur, het gegil van de gewonden, het gekreun van de stervenden, de weeklacht van moeders en weduwen en het bloed van het slagveld zelf: nee, nee! Dit is niet het rijk van de Vorst des Vredes. Dit is eerder een losgebroken hel op aarde dan de binding van Satan. Het is eerder de uitgieting van de schalen van Gods toorn dan de uitstorting van de Geest uit de hoogte.
Moe en misselijk van het zien van zulke taferelen van menselijke zonde en ellende hebben wij soms een zoete verlichting gevoeld in het geloof dat zelfs deze door de zonde uitgeputte wereld niet altijd zal blijven wat zij nu is. Nu is zij een echt Akeldama, een akker van bloed en misdaad. Er komt een dag dat de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een (Zacharia 14:9).
Gaat dit de macht of de beloften van God te boven? De Heere liet Zijn discipelen bidden: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Is dat gebed al vervuld? Zal het ooit vervuld worden? Zo niet, waarom werd de discipelen dan geleerd te bidden om wat God nooit van plan was te geven?
Wij zouden onze bladzijden kunnen vullen met soortgelijke getuigenissen en argumenten. Wij beperken ons echter tot één dat al is genoemd: Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen. En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden (Daniël 7:13-14).
Is dit getuigenis vervuld? Dienen alle volken, natiën en tongen de Mensenzoon? Dient China Hem of Turkije? Of dient Frankrijk Hem, dient Italië Hem, dient Engeland Hem, om de heidense landen maar niet te noemen? Wij hoeven dit betoog niet verder voort te zetten. Het zijn juist zulke Schriftplaatsen waarvan wij de kracht niet kunnen ontwijken of weerstaan.
Na vele jaren van nadenken en onderzoek en ook van verzoeking hebben zij ons tot de slotsom gebracht dat het getuigenis van God in de Schrift niet waar kan zijn als er geen toekomstige ontplooiing en openbaring van het koninkrijk en de heerschappij van Christus komt die verder gaat dan wat nu wordt gezien. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig. Hierin rust het geloof en hier leggen wij voorlopig onze pen neer.
Het einde van het jaar herinnert ons eraan dat het ook voor ons tijd is om onze Overdenkingen over de ambten van de Heere Jezus af te sluiten. Zonder verder voorwoord gaan wij daarom over tot de beschouwing van de twee resterende punten die wij ons hadden voorgenomen te onderzoeken met betrekking tot het koninklijk gezag en de macht die de opgestane Zoon van God nu uitoefent als Sions gezalfde en op de troon gezette Koning. Die twee punten waren: 1. de duur van Zijn Middelaarskoninkrijk;
2. de bevindelijke invloed en praktische uitwerking die de kennis van Zijn koninklijke heerschappij heeft of zou moeten hebben op gelovige harten.
Wij zullen nu met Gods hulp en zegen proberen beide punten in hun volgorde te behandelen. De DUUR van de Middelaarsregering van de gezegende Heere wordt het duidelijkst aangegeven door de apostel in dat verheven hoofdstuk dat het hart van duizenden heiligen van God zo bewogen en vertroost heeft (1 Korinthe 15:24).
Wij lezen daar: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Deze woorden leggen duidelijk en bepaald het tijdperk vast van de huidige regering van de Heere, nu Hij gezeten is aan de rechterhand van de Majesteit in der hoogte.
Daarna zal het einde zijn. Er komt dus een einde. Maar welk einde? Een einde aan de huidige gang van zaken, aan de bestaande Middelaarsbedeling en aan die bijzondere regeringsvorm die Jezus nu uitoefent. Nu zit Hij op Zijn troon van genade.
Maar Hij moet nog plaatsnemen op Zijn troon van heerlijkheid, volgens Zijn eigen woorden: En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid (Mattheüs 25:31). Nu is Hij een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige (1 Johannes 2:1). Maar Hij is ook Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden (Handelingen 10:42).
Wanneer Hij dus Zijn Middelaarstroon verlaat als Degene Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk (2 Timotheüs 4:1), dan houdt Zijn koninklijke regering in haar huidige bestuursvorm op. Daaruit mogen wij echter niet afleiden dat Hij zal ophouden Koning te zijn. Zo’n veronderstelling zou duizend beloften schenden die de Vader heeft gedaan aan en ten behoeve van de Zoon van Zijn liefde.
Wij beperken ons tot het aanhalen van één uit het Oude en één uit het Nieuwe Testament: Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid.
Hiermee komt de belofte overeen die de engel Gabriël aan de maagd Maria deed: Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. Het koninkrijk blijft dus bestaan, maar de wijze van bestuur verandert.
Nu is het een koninkrijk van genade, maar dan zal het een koninkrijk van heerlijkheid zijn. Christus regeert nu in Zijn volk, maar dan zal Hij regeren met Zijn volk: Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen (2 Timotheüs 2:12). Nu zit Hij als priester op Zijn troon (Zacharia 6:13). Maar wanneer Hij voor de tweede maal verschijnt zonder zonde tot zaligheid (Hebreeën 9:28), is voorbede niet langer nodig. Dan komt Hij met al Zijn heiligen en wekt hun slapende stof op.
Hij stelt hen aan Zijn Vader voor, naar lichaam en ziel gelijkvormig aan Zijn eigen verheerlijkt beeld. De apostel zegt ons daarom: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Wanneer Hij dus deze laatste vijand door de opstanding heeft vernietigd, houdt Zijn Middelaarsregering op en begint een regering van heerlijkheid die tot in alle eeuwigheid zal duren.


