Hij boog Zijn heilig hoofd niet en legde Zijn kostbare leven niet neer voordat Hij kon zeggen: Het is volbracht! Toch mogen wij daaruit niet afleiden dat de genadige Heere Zijn verbondsambten neerlegde toen Hij op het kruis Zijn geest uitblies.
Dat het bij Zijn priesterambt niet zo was, weten wij, want de apostel zegt: wij hebben (nu hebben) zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen. (Hebreeën 8:1.) En nogmaals: wij hebben een groten Priester over het huis Gods, dat wil zeggen dat wij Hem nu hebben. (Hebreeën 10:21.)
Dat Jezus een onvergankelijk Priesterschap heeft en een Priester is Die dit niet is geworden naar de wet des vleselijken gebods, maar naar de kracht des onvergankelijken levens, en dat Hij altijd leeft om voor hen te bidden, is de hoop en de hulp bij al onze naderingen tot de troon der genade. (Hebreeën 7:16; Hebreeën 7:24-25.) Zo hebben wij het volste en duidelijkste bewijs, van buiten en van binnen, in het Woord en in het hart, dat Jezus Zijn priesterambt nog steeds in de hemelse hoven uitoefent.
Zo is het ook met Zijn koninklijk ambt. Hij is nooit opgehouden Koning te zijn, want zoals Hij de geboren Koning der Joden was (Mattheüs 2:2), zo verkondigde zelfs in de dood het opschrift op het kruis Hem als „Jezus, de Koning van de Joden”. Toch werd Hem de koninklijke scepter vooral na Zijn opstanding in de hand gegeven.
Toen Hij na Zijn opstanding aan Zijn discipelen verscheen, zei Hij tot hen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. (Mattheüs 28:18.) Die koninklijke scepter zwaait Hij nog steeds als gekroonde Koning in Sion, want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. (1 Korinthe 15:25.)
Op dezelfde wijze legde de gezegende Heere Zijn profetische ambt niet neer toen Hij Zijn kostbare leven aflegde. Het heerlijke Hoofd van de gemeente heeft nooit ook maar het kleinste deel van Zijn genade of heerlijkheid prijsgegeven. Hij nam het met Zijn andere verbondsambten weer op na Zijn opstanding. Daarvan hebben wij het duidelijkste bewijs in de gemeenschap die Hij vóór Zijn hemelvaart met de discipelen had.
Zo lezen wij in Zijn gesprek met de twee discipelen op weg naar Emmaüs dat begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. (Lukas 24:27.) En evenzo lezen wij over de overige discipelen: Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage. En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. En gij zijt getuigen van deze dingen. (Lukas 24:45-48.)
Het openen van het verstand van de discipelen om de Schriften te verstaan: wat was dat anders dan de vervulling van Zijn ambt, waarmee Hij hen na de opstanding nog steeds onderwees als de gezalfde Profeet van de Vader?
1. Maar toen de gezegende Heere Zijn persoonlijke tegenwoordigheid aan Zijn discipelen zou onttrekken en naar de Vader zou gaan om te zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte, was het nodig dat er een verandering kwam in de wijze van bediening, terwijl Hij Zijn profetische ambt behield. Dat heeft Hij in Zijn laatste gesprekken met hen volledig en duidelijk uiteengezet. Daar beloofde Hij hun een anderen Trooster, ja de Geest der waarheid, Die, zoals Hij zei, zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.
Maar hoewel de wijze van bediening is veranderd, blijkt uit Zijn eigen woorden duidelijk dat het nog steeds Jezus is Die onderwijst: Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. (Johannes 16:12-13.)
Nog vele dingen heb Ik u te zeggen. Toont dit niet dat Jezus nog vele dingen tot Zijn discipelen te zeggen had? En wanneer zou Hij ze zeggen, tenzij vanaf de rechterhand van de Vader, nadat Hij hen met de Heilige Geest en met vuur gedoopt had? Tot die volle hemelse doop konden zij het gewicht van het onderwijs dat Hij hun te geven had, niet dragen.
Maar ook: Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen. (Johannes 16:25.) Welke tijd was dat, waarvan Hij zei dat Hij hun dan vrijuit van de Vader zou verkondigen? Niet tussen de opstanding en de hemelvaart.
Want hoewel Hij veertig dagen lang door hen gezien werd en sprak van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan (Handelingen 1:3), waren Zijn bezoeken slechts af en toe en hun gemoed nog niet toebereid voor een volledigere openbaring van de Vader. Het was dus duidelijk de tijd vanaf de Pinksterdag, toen zij met de Heilige Geest gedoopt zouden worden.
Wij zien dus duidelijk dat de gezegende Heere, hoewel er noodzakelijk een verandering van bediening kwam, Zijn profetische ambt ook na Zijn hemelvaart naar de rechterhand van de Majesteit in de hoogte bleef vervullen. Om de aard van die verandering te tonen en hun er een onderpand van te geven, voordat Hij de aarde verliet, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. (Johannes 20:22.)
2. Maar de Heere had vóór Zijn hemelvaart Zijn discipelen opdracht gegeven de hele wereld in te gaan en het evangelie aan alle schepselen te prediken. Hij had ook beloofd bij hen te zijn tot aan het einde van de wereld. Daarom was een voortdurende toevoer van de Heilige Geest nodig om die belofte te bekrachtigen. Zo werd een reeks van door de hemel onderwezen dienaren opgewekt, gezonden en bekwaam gemaakt om in elke volgende generatie de gemeente van God te weiden.
Onze genadige Heere ontving dan ook als Hoofd van Zijn lichaam, de gemeente, toen Hij omhoogvoer, gaven voor dat uitdrukkelijke doel. Dit werd vele honderden jaren vóór de vervulling door de mond van de profetie gesproken: Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! (Psalm 68:19.)
Maar wat die gaven waren, ontvouwt de apostel in zijn goddelijke verklaring van die voorspelling: Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus; (Efeze 4:8; Efeze 4:11-12.)
Jezus is dus nog altijd de Profeet van Zijn gemeente en oefent dit ambt nog uit aan de rechterhand van de Vader. Maar Zijn eigen persoonlijke bediening hield op toen Hij Zelf Zijn tegenwoordigheid van de aarde terugtrok. Hij zet haar nu voort—
1, door Zijn Geest uit te zenden in het hart van Zijn volk om van Zichzelf te getuigen; en
2, door Zijn dienaren te bekwamen, te machtigen en uit te zenden om het evangelie te prediken met de Heilige Geest die uit de hemel is neergezonden.


