Maar die zalving van den Heilige is onmisbaar om elk deel van Gods waarheid genadig te verstaan en bevindelijk te ontvouwen. Zonder haar is er geen waar licht en geen leven uit enig deel van de heilige Schrift. Alles is dan duisternis en dood. Hoeveel te meer hebben wij haar dan nodig wanneer wij nadenken over de Persoon en het werk van de gezegende Heere! Dan moeten wij de gedachten en gevoelens van het levende gezin van God omhoogleiden naar Hem Die nu op Zijn troon van genade en heerlijkheid zit als de grote Hogepriester over het huis van God.
Het bijzondere werk en ambt van de Heilige Geest is te getuigen van Jezus, (Johannes 15:26,) Hem te verheerlijken, het Zijne te nemen en het de ziel te tonen. (Johannes 16:14.) Zonder deze lering en dit getuigenis van de Heilige Geest hebben wij daarom geen ware, zaligmakende kennis van Hem. Wij hebben dan geen levend geloof in Hem, geen zoete gemeenschap met Hem en geen tedere, innige liefde tot Hem. Zijn dit niet de kenmerken die het levende gezin van God onderscheiden van hen die dood zijn in de zonden en dood in de belijdenis?
Een blote kennis van de letter van de waarheid kan geen genadige gevoelens geven zoals die de ziel van een kind van God verwarmen, verzachten, doen smelten en bezielen onder de gevoelde kracht en invloed van de Heilige Geest. Zij kan geen geloof scheppen dat hem in zichtbare vereniging met Jezus brengt. Zij kan geen hoop inblazen die elk verlangen van zijn hart binnen het voorhangsel draagt. Zij kan geen godzalig leed over de zonde teweegbrengen waardoor hij zichzelf verfoeit en verafschuwt in stof en as. En zij kan geen liefde uitstorten waardoor hij de Heere liefheeft uit een rein hart en vurig.
Maar laat men ons niet verkeerd begrijpen. Dezelfde gezegende en heilige Leraar Die het Zijne van Christus neemt en het de ziel openbaart, en zo geloof, hoop en liefde opwekt en elke andere geestelijke gave en genade tot levende oefening brengt, bereidt eerst het hart voor. Hij maakt het ontvankelijk voor Hem in al Zijn genadige hoedanigheden en verbondsbetrekkingen door ons diep en krachtig te overtuigen dat wij Hem nodig hebben als ons Alles in allen.
Is Hij Priester? Dan hebben wij Zijn verzoenend bloed en Zijn alles overwinnende voorbidding nodig. Zo hebben wij vrede met God en stijgen onze gebeden en smekingen aanvaard op tot Zijn oren. Is Hij Profeet? Dan hebben wij Zijn hemelse onderwijzing nodig. Dan zitten wij aan Zijn voeten en horen Zijn woord om Zijn beloften te geloven en Zijn geboden te gehoorzamen. Is Hij Koning? Dan hebben wij Zijn krachtige en vredige scepter nodig om elke vijand te onderwerpen, elke vrees te bedaren, elke begeerlijkheid te bedwingen en het hele lichaam van de zonde te kruisigen. Het is de scepter waardoor wij alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.
Maar van onze tijd kan met recht gezegd worden wat in de rol van de oude profetie staat als kenmerk van den tijd van het einde: velen lopen heen en weer en de kennis neemt toe. (Daniël 12:4.) Is dat niet waar van de belijdende kerk evengoed als van de goddeloze wereld? Het is even zeer vervuld op de kansel en in de bank als in de trein, de elektrische telegraaf en de wetenschappelijke collegezaal.
Van boek naar boek, van kapel naar kapel en van prediker naar prediker lopen velen. Zo vermeerderen zij hun kennis van de waarheid van het evangelie. Maar hoe weinigen lopen zó dat zij die geestelijke en bevindelijke kennis verkrijgen van den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft, die het eeuwige leven is! (Johannes 17:3.)
De waarheden van het evangelie zijn wijd verspreid en de Persoon en het werk van de Heere Jezus worden van vele kansels verkondigd. Toch is het nu nog even waar als altijd dat velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Het is nog even waar dat de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden. Het is nog even waar dat niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren. En het is nog even waar dat niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
Het is dus niet de toename van kennis die een ware gelovige in Jezus maakt of openbaart. Wij bedoelen die kennis die opgeblazen maakt. De verborgenheden van het koninkrijk van de hemelen zijn nog altijd voor de wijzen en verstandigen verborgen en den kinderkens geopenbaard. Hoe duidelijk zij ook in het woord van de waarheid worden voorgesteld of door menselijke lippen worden ingeprent, het blijft waar dat alleen bevende harten en gewonde gewetens ze kennen in hun zaligmakende kracht.
Voor zulke mensen schrijven wij. Als er een woord uit onze pen valt dat hen kan troosten en bemoedigen, dan storen wij ons weinig aan de hatelijke kritiek van hen die stijf geworden zijn op hun droesem en van den gerusten te Sion.
In ons vorige hoofdstuk hebben wij getracht aan te tonen dat de wezenlijke en eeuwige waardigheid van de Heere Jezus Christus als Zoon van God de grondslag van Zijn priesterschap is. Wij voegen eraan toe dat de Persoon van onze gezegende Heere zo nauw met Zijn ambten verbonden is dat wij zonder een genadige en bevindelijke kennis van Zijn Godheid en Zoonschap geen ware of zaligmakende bevinding van Zijn liefde en bloed kunnen hebben.
Wij dringen hierop aan, niet in een geest van twist en niet met de bedoeling om, direct of indirect, al te hardnekkig een betwiste leer naar voren te brengen. Wij doen dat ook niet om te beslissen of die leer nu nodig is voor het handhaven van ons standpunt of voor het ophelderen van de waarheid. Wij doen het uit een diepe en ernstige overtuiging van haar waarheid. Op haar rust, als op de enige vaste grondslag, zowel het priesterlijke als elk ander ambt van onze gezegende Heere.
Onder de listen van Satan om de waarheid van God te verduisteren is dit niet de geringste of de laatste: eerst verwekt hij tegenstanders van de waarheid. Als dan de twist ontstaat met de gebruikelijke hitte, probeert hij de verdedigers van de waarheid over te halen hun uitspraken af te zwakken, hun opvattingen achter te houden of ze zelfs stilletjes helemaal te laten vallen. Dat alles zogenaamd opdat er geen verdere verwarring ontstaat onder de gemeenten en zwakke broeders niet struikelen.
Pas dit toe op het geval dat ons nu bezighoudt. Het ware, eigenlijke en eeuwige Zoonschap van onze gezegende Heere ligt aan de grond van Zijn priesterlijk ambt. Omdat Hij Zoon is, en alleen omdat Hij Gods ware en eigenlijke Zoon is, is Hij bekwaam om tussen God en ons te bemiddelen. Zijn waar en werkelijk Zoonschap is dus even noodzakelijk en onmisbaar voor het aannemen van dat ambt als Zijn Godheid.
De genade en heerlijkheid van deze tegenwoordige bedeling, zoals Paulus ze ontvouwt (Hebreeën 1:1-14), bestaat hierin:
God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft; Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen; Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft. (Hebreeën 1:1-4.)
Volgens het getuigenis van de apostel is dus dit de kenmerkende genade en heerlijkheid van de tegenwoordige bedeling als verbond van barmhartigheid en vrede: Jezus is en was altijd de Zoon van God. Als zodanig is en was Hij altijd het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid. Als Zijn Zoon, en dus vóór Zijn menswording, is Hij ook Degene door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft.
Anders had Hij onze zonden niet door Zichzelven kunnen reinigen. Evenmin kon van Hem gezegd worden: Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft, tenzij Hij als de eeuwige Zoon van de Vader die naam erfde. Die naam kreeg Hij als Zijn wettige erfenis, als Zijn ware en eniggeboren Zoon. Het is de naam die bij de natuur van een Zoon hoort. Zijn naam, Zijn natuur en Zijn erfenis gingen dus noodzakelijk aan Zijn verbondsverplichtingen vooraf en waren de grondslag van die allemaal.
Hij is ook niet de eeuwige Zoon van God omdat Zijn volk in Hem is uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, alsof de eeuwige liefde tot de gemeente de grondslag van Zijn Zoonschap was. Hij is het omdat dit de natuurlijke en noodzakelijke wijze van Zijn goddelijke Persoonlijkheid is als Persoon in de altijd gezegende Drie-eenheid.
Nu wij Zijn gezegende geschiktheid voor het ambt van Priester als de ware en eigenlijke Zoon van God zo ver hebben gezien, kunnen wij onze gedachten richten op het ambt dat Hij zo aannam. Daartoe is het wenselijk een duidelijk beeld te krijgen van de aard van dat ambt. Een priester veronderstelt een offer en een offer veronderstelt drie partijen. Dat zijn: 1, een schuldige overtreder voor wie het offer wordt gebracht; 2, een heilige God aan Wie de verzoening wordt gedaan; 3, een priester die als middelaar tussen God en de zondaar staat en het vereiste offer brengt.
Dit alles zien wij treffend getoond toen de kinderen van Israël zondigden door te morren tegen de Heere, omdat Hij Korach, Datan en Abiram had verdelgd. De kinderen van Israël waren de schuldige overtreders. De Heere, de God van Israël, was Degene tegen Wie zij gezondigd hadden. Aäron, die reukwerk bood en verzoening deed voor het volk, was de priester, de voorbeeldige Middelaar. Van hem geldt: hij stond tussen de doden en tussen de levenden; alzo werd de plaag opgehouden. (Numeri 16:48.)
Zo zijn ook wij, zoals wij uit pijnlijke ervaring weten, schuldige zondaars voor God. Hij is in al de volmaaktheden van Zijn gerechtigheid, reinheid en heiligheid, in Zijn toorn tegen de zonde en Zijn onbuigzame vastberadenheid om de schuldige in geen geval vrij te spreken, onze allerrechtvaardigste Rechter. Onze aanbiddelijke Heere is de Zoon van God in onze natuur, Immanuël, God met ons. Hij is de Middelaar, de enige Middelaar tussen God en ons. Als onze Hogepriester heeft Hij een offer gebracht, Zichzelf, als verzoenend offer voor onze zonden.
Wij moeten echter goed opmerken dat er geen noodzakelijk of natuurlijk verband bestaat tussen zonde en offer. God is door Zijn morele volmaaktheden ook volstrekt niet gebonden de zonde te vergeven. Het is geheel te danken aan de alwijze en algenadige wil van God dat enige vergeving aan enige zondaar wordt verleend en dat hem enige genade wordt betoond. Dat er een weg is bedacht en uitgevoerd om een uitweg te openen uit de toorn die zijn overtredingen terecht verdienen, is eveneens geheel aan die wil te danken.
Het behaagde God in de diepten van Zijn oneindige wijsheid en barmhartigheid een weg van zaligheid voor de verlorenen te bereiden. Maar de gerechtigheid moest ruimschoots voldaan worden. De rechtvaardige wet van God kon niet ongestraft overtreden worden. Zijn oneindige reinheid en heiligheid konden niet bezoedeld worden door de ongerechtigheid voorbij te gaan, alsof het iets gerings was dat de mens het beeld van God ontsierde en door naar Satan te luisteren het gezag van zijn Maker trotseerde.
Dit kon dus alleen geschieden door een offer dat God Zelf voorzag. Dat offer was niets minder dan Zijn dierbare Zoon, van Wie geschreven staat: Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Maar laten wij hier even stilstaan om deze gedachten op ons eigen geweten toe te passen en onze geestelijke en bevindelijke vertrouwdheid ermee te onderzoeken. Hoe duidelijk wij deze dingen ook lijken te zien en hoe vrijmoedig wij ze ook als belangrijke waarheden erkennen, en hoezeer zij ook deel uitmaken van de geloofsbelijdenis waarvoor wij strijden: wat is dat alles zonder hun bevindelijke kracht? Hoe diep hebben wij nodig dat zij ons niet alleen eerst door goddelijke openbaring bekend worden gemaakt. Zij moeten ook warm, fris en levend in onze boezem worden gehouden als dagelijkse werkelijkheden. Ons geloof, onze hoop en onze liefde moeten zich er actief op richten als op het eigenlijke leven van onze ziel.
Op al deze punten hebben wij daarom de bijzondere onderwijzing en het getuigenis van de Heilige Geest nodig. Hij moet ons er niet alleen gevoelig en bevindelijk in leiden onder de eerste overtuigingen van zonde en de eerste smekingen om genade. Hij moet ze ook elke dag op ons geweten verzegelen als levende werkelijkheden, zodat wij voortdurend onder hun kracht en invloed leven.
Het grote kenmerk van goddelijk leven in de ziel is dat het zich openbaart door zijn innerlijke bewegingen. Al die bewegingen, of ze nu omlaag of omhoog gaan, naar binnen of naar buiten, hebben werkelijk één richting: omhoog naar de Fontein van het leven. Die zei: want Ik leef, en gij zult leven. En ook: Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.
Als ik geen dagelijks gezicht of besef van de zonde heb en geen diepe en blijvende overtuiging van mijn staat van nature voor God als een allerellendigste overtreder, een schuldig misdadiger van niet-alledaagse slag, dan zal ik zeker niets bevindelijk en zaligmakend weten van de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus. Ik zal er ook niet naar vragen om het te weten.
Maar als ik ook geen geestelijk gezicht heb op die rechtvaardige, heilige en gerechte God met Wie ik te doen heb, Die in Zichzelf een verterend vuur is en Wiens verontwaardiging als zodanig brandt tot in de diepste hel, hoe zou ik dan kunnen beseffen dat ik een offer voor mijn zonden nodig heb? Hoe zou ik beseffen dat dit offer volbracht moest worden door niets minder dan het bloedstorten, het lijden en de dood van Zijn medegelijke, mede-eeuwige Zoon?
En verder: als ik geen geestelijke kennis van en geloof in de eniggeboren Zoon van God heb, wat kan ik dan weten van Zijn vergieten van Zijn dierbare bloed om mijn ziel te verlossen uit de diepste hel? Of ook: wat mijn inzichten en gevoelens op deze punten ook zijn, hoe kan ik ze geestelijk vatten of er van dag tot dag van leven, tenzij de gezegende Geest ze voortdurend voor mij opent en op mijn hart toepast?
Wij lopen hier echter vooruit op ons voornemen om de bijzondere werking van het priesterschap van de Heere Jezus op de bevinding van de heilige van God te tonen. Daarom volgen wij deze gedachtegang niet verder. Ons doel is nu eerst de waarheid ervan op vaste, schriftuurlijke grondslag te vestigen en haar aard en karakter, haar doel en strekking te ontvouwen. Pas daarna betreden wij de bevinding van haar weldaden en zegeningen, zoals die door goddelijke kracht aan de ziel bekend worden gemaakt.
Nu wij dan hebben gezien dat de oorspronkelijke en eeuwige waardigheid van de Zoon van God als Persoon in de heerlijke Drie-eenheid wezenlijk is voor Zijn Priesterschap, kunnen wij verder gaan. Zijn zijn als God de Zoon maakte Hem op een wijze die elk begrip te boven gaat, vol onuitsprekelijke genade en heerlijkheid, geschikt om dat ambt te dragen. Wij kunnen nu nagaan wat verder nodig was om het uit te oefenen naar de wil van God en in volmaakte overeenstemming met de raad des vredes die tussen die Beiden was. (Hebreeën 10:9; Zacharia 6:13.)
Eén hoofddoel waarom onze gezegende Heere naar de wil van Zijn hemelse Vader het ambt van Priester aannam was dat Hij de zonde te niet zou doen door Zijnzelfs offerande. (Hebreeën 9:26.) Offeren was, dat weten wij, een hoofdtaak van het priesterambt. Priesterschap en offer zijn zo onlosmakelijk verbonden dat het een aanvaarde grondstelling is: waar geen priester is, is geen offer, en waar geen offer is, is geen priester.
De zonde kon niet weggedaan worden zonder offer. Dat offer moest niets minder zijn dan de gehoorzaamheid, het bloedstorten, het lijden en de dood van de Zoon van God. Daarin en daardoor bracht Hij Zichzelf op als verzoenend offer om de toorn van God weg te nemen. Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. (Hebreeën 10:4.)
Zo’n gruwel is de zonde in Gods ogen. Zij schendt Zijn woord en wil. Zij is een driest oproer tegen Zijn majesteit en heerlijkheid en een verwerping van Zijn rechtvaardig bestuur en gezag. Zij maakt de zondaar bezoedeld en onrein. Zij vervult hem met een wemelende massa goddeloosheid en maakt lichaam en ziel tot een ware tempel van Satan. Daarom kon zij niet vergeven en weggedaan worden zonder een offer dat op enige wijze evenredig was aan haar schandelijke en afschuwelijke gruwelijkheid.
Het was het grote geheim van oneindige wijsheid, oneindige liefde en oneindige macht dat de zonde zichtbaar en werkelijk gestraft zou worden. Het rechtvaardige karakter van God moest volledig en openlijk gerechtvaardigd worden en de eisen van Zijn heilige wet moesten volkomen voldaan worden. Zijn waarheid en gerechtigheid moesten ruimschoots gehandhaafd worden en Zijn toorn geheel bevredigd. En toch moesten Zijn barmhartigheid en liefde in al hun genadige en eeuwige volheid getoond worden in de volkomen zaligheid van een ontelbare schare uitverkoren zondaars.
Dit moest volbracht en geopenbaard worden in de Persoon en het werk van de Zoon van God, Die Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk. (Efeze 5:2.)
Maar dit offer van Zichzelf kon Hij niet brengen tenzij Hij een lichaam aannam dat in staat was de hele wil van God te doen en te lijden. Godheid als zuivere Godheid kan noch gehoorzamen noch lijden. De Zoon van God, als ware en eigenlijke Zoon van God, medegelijk en mede-eeuwig met de Vader en de Heilige Geest, kon niet gehoorzamen, niet bloeden en niet sterven. En toch kan zonder gehoorzaamheid de wet niet vervuld worden, zonder bloed de zonde niet vergeven worden en zonder dood het offer niet voltooid worden.
Het moest echter gehoorzaamheid zijn zonder falen, bloed zonder smet en dood zonder verdienste. Er was dus een Lam nodig, een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. (1 Petrus 1:19.) Het moest een Lam zijn dat in de raadsbesluiten van God geslacht is, van de grondlegging der wereld. (Openbaring 13:8.) En dat Lam moest een Lam zijn dat God Zichzelf had voorzien, zoals Abraham profetisch aan Izak verzekerde: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! (Genesis 22:8.)
Hier zien wij dan enigermate de schoonheid en gezegendheid, de genade en heerlijkheid van die reine en heilige menselijke natuur die de Zoon van God aannam in de schoot van de maagd Maria. Dat gebeurde onder de overschaduwende kracht en werking van de Heilige Geest. Daardoor werd Hij Immanuël, God met ons. Dit was het lichaam dat Zijn hemelse Vader Hem had toebereid en dat als een borduursel gewrocht werd in de nederste delen der aarde. (Psalm 139:15.)
Op één en hetzelfde ogenblik nam de goddelijke Persoon van de Zoon van God een zuiver en volmaakt menselijk lichaam en een zuivere en volmaakte menselijke ziel aan in de schoot van de maagd. Toen kon Hij zeggen: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Slachtoffer en offerande (dat wil zeggen zulke als volgens de wet worden aangeboden) hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid. (Hebreeën 10:5.)
Maar nu kan de vraag opkomen: wanneer ging onze genadige Heere meer in het bijzonder over tot de uitoefening van Zijn priesterlijk ambt? Was Hij priester vanaf het ogenblik dat Hij het voor Hem bereide lichaam aannam, of trad Hij op een later tijdstip in Zijn priesterambt? Om deze vraag te beantwoorden moeten wij onderscheid maken tussen Zijn in beginsel en Zijn feitelijk op Zich nemen van Zijn verbondsambten.
De Heere Jezus Christus was vanaf het ogenblik van Zijn ontvangenis en geboorte met al Zijn ambten bekleed. Hij werd dus in beginsel de Priester, Profeet en Koning van Zijn gemeente en volk toen Zijn menselijke natuur, als dat Heilige, ontvangen werd in de schoot van de maagd Maria. Hij ontving al Zijn ambten op één en hetzelfde ogenblik door de zalving van de Heilige Geest, die Hem in al haar volheid werd meegedeeld. Hij was daarom geboren als Christus, de Heere (Lukas 2:11) en bijgevolg Profeet, Priester en Koning bij Zijn geboorte.
Want zoals onder de wet profeten (1 Koningen 19:16), koningen (1 Samuël 10:1; 1 Samuël 16:13) en priesters (Exodus 29:7) tot hun ambt werden gewijd doordat zij met olie werden gezalfd, zo werd onze gezegende Heere in de schoot van de maagd gezalfd met de olie van de vreugde boven Zijn medegenoten. In die zalving van de Heilige Geest ontving Hij al die genaden, gaven en bekwaamheden en al dat recht en gezag die Hem bekwaam maakten en recht gaven tot het vervullen van al Zijn verbondsambten. En toch lag er, wat de uitoefening betreft, een tijdsruimte tussen Zijn in beginsel en Zijn feitelijk intreden in Zijn ambten.
Wij geloven dus dat Hij, hoewel Hij op het ogenblik van Zijn menswording het voor Hem bereide lichaam aannam en zo in beginsel het ambt van het priesterschap op Zich nam onder de zalving van de Heilige Geest, toch strikt genomen toen nog niet feitelijk in Zijn priesterambt intrad. Er waren, om zo te zeggen, graden in Zijn aanvaarding ervan.
1. Allereerst nam Hij het op bij Zijn menswording met Zijn andere ambten. 2. Ten tweede was er Zijn zichtbare en verkondigende zalving bij Zijn doop, toen de Heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neerdaalde en Hem vervulde met al Zijn genaden en gaven. 3. En ten derde was er Zijn bijzondere toewijding en wijding van Zichzelf aan Zijn werk van lijden en sterven, toen Hij zei: En Ik heilige Mijzelven voor hen. (Johannes 17:19.) Dat wil zeggen: Ik wijd en heilig Mijzelf als offeraar en als offer.
Zo kunnen wij het tijdstip waarop de Heere Jezus Christus meer in het bijzonder Zijn priesterambt ging uitoefenen leggen in dat voorbedegebed dat Hij uitsprak in Johannes 17:1-26. Het is waar dat Hij het in beginsel aannam toen Hij het Lam van God werd dat de zonden van de wereld droeg. Maar zoals Hij Zijn profetisch ambt pas na Zijn doop aanvaardde en Zijn koninklijk ambt pas na Zijn opstanding, zo aanvaardde Hij Zijn priesterambt, dat wil zeggen volledig, pas vlak vóór Zijn kruisiging.
Maar omdat het onderscheid misschien niet meteen voor al onze lezers duidelijk is, willen wij het verschil uitleggen tussen een ambt in beginsel en een ambt volledig aanvaarden. Toen Jezus nog een kind van twaalf jaar was, vonden Zijn ouders Hem zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende. (Lukas 2:46.) Daar trad Jezus in beginsel Zijn profetisch ambt binnen.
Toch trad Hij er pas werkelijk en volledig in toen Hij na Zijn verzoeking in de woestijn in de kracht van de Geest naar Galilea terugkeerde. Toen gold: Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen. Zo oefende Hij ook Zijn koninklijk ambt in beginsel uit toen Hij duivels uitwierp, hongerige menigten voedde en stormwinden en golven gebood op te houden en stil te zijn.
Ja, zelfs toen Hij voor Pilatus stond en op zijn vraag: Zijt Gij dan een Koning? antwoordde, naar de Joodse wijze van bevestiging: Gij zegt, dat Ik een Koning ben (dat wil zeggen: u zegt het terecht), eiste Hij toen en daar Zijn koninklijke waardigheid op, zelfs in het uur van Zijn diepste vernedering. Daarom schreef Pilatus een titel die hij op het kruis zette en die hij ondanks al het luide misbaar van de overpriesters niet wilde veranderen: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden.
En toch aanvaardde Hij het koninklijk ambt pas volledig na Zijn opstanding. Toen zei Hij tot Zijn discipelen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Zo zien wij dat een ambt in beginsel aanvaarden verschilt van, en toch volkomen samengaat met, het volledig aanvaarden ervan. Zo trad onze Heere ook in het priesterambt, dat Hij naar de wil van God aannam, eerst in beginsel in vóór Hij volledig tot de uitoefening ervan overging. Hij droeg in zekere zin de zonde vanaf het ogenblik van Zijn ontvangenis.
Zijn leven was een leven van lijden. Hij was een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Hij gehoorzaamde de wet altijd volmaakt in gedachte, woord en daad en werkte zo een kleed van gerechtigheid uit tot rechtvaardiging van Zijn volk. Maar dit was niet precies hetzelfde als Zichzelf als offer voor de zonde opdragen aan het kruis.
Wij kunnen dit toelichten met het voorbeeld van het paaslam. Het lam moest op de tiende dag van de maand Abib worden genomen en tot de veertiende dag bewaard worden. Toen het uit de kudde werd genomen en vier dagen apart werd gehouden, was het in beginsel een slachtoffer. Het werd echter pas geslacht op de avond van de veertiende dag.
Zo was onze Heere vanaf Zijn eerste afzondering voor het ambt een Priester en vanaf Zijn menswording een Lam zonder gebrek. Maar als Priester bracht Hij het offer pas toen het bloed van Zijn reine mensheid aan het kruis werd vergoten. Meer in het bijzonder echter wijdde en heiligde Hij Zichzelf als de Priester toen Hij het voorbedegebed uitsprak dat in Johannes 17:1-26 staat. Het was alsof Hij vooruitliep op dat deel van Zijn priesterambt dat Hij nu in de hemelse voorhoven voortzet.
Met de hulp en zegen van de Heere zullen wij in ons volgende artikel trachten de aard van dit offer te tonen en aan te tonen dat het inderdaad een verzoenend offer voor de zonde was.


