9 april
Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en Uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Matth. 5:16
God te mogen verheerlijken is de hoogste eer der engelen. De blinkendste seraf voor de troon heeft geen hoger bedoeling, geen groter gelukzaligheid dan Zijn Naam de eer toe te brengen. En toch mag een arm zondaar op aarde God evenzeer verheerlijken, en in zeker opzicht nog meer dan de schitterendste engel in de zalen van eeuwige gelukzaligheid. Wat verschillen de gedachten Gods van de gedachten des mensen ten opzichte van de gebeurtenissen die op aarde plaatsvinden! Welke eer wordt God toegebracht voor al de behaalde overwinningen door het ene volk over een ander volk?
Ik heb weleens gedacht dat een arme, oude man, of een zwakke, afgeleefde vrouw, liggende op een strobed in een of ander werkhuis, strijdende tegen de zonde, tegen het eigen ik en de duivel, in staat gesteld wordende om te midden van al deze omstandigheden op de Heere Jezus te zien, en door een woord van Zijn lippen èn dood èn hel overwinnende; die, gestorven zijnde, in een ruwe olmen doodkist gelegd wordt om in een bedelaarsgraf aan de ontbinding te worden prijsgegeven, Gode meer eer toebrengt dan al de heldendaden van een Nelson of Wellington dit kunnen doen, en dat de overwinning van zulk één heerlijker is dan die van Trafalgar of Waterloo. Het is waar dat de ambtsbeden van de parochie zulk een overwinning niet zullen uitbazuinen, noch de klokken zullen luiden of de kanonnen zullen doen bulderen; maar de God van hemel en aarde zal meer eer worden toegebracht door zulk een veracht schepsel dan Hij ontvangen zal van al de generaals en admiraals die een leger in slagorde gesteld hebben of vijandelijke vloten in de wateren hebben doen ondergaan. „Waarlijk,” zegt de Heere, „Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet Mijn wegen.”
Het is inderdaad wonderlijk dat Zijn grote Naam eer zou worden toegebracht door hetgeen Zijn volk hier op aarde doet en lijdt; dat hun zwakke pogingen om in Hem te geloven, Hem te beminnen en op Hem te hopen, om goed van Zijn Naam te spreken en Zijn leerstellingen in hun leven door handel en wandel te versieren, zouden strekken tot Zijn eer en lof. Wonderlijk inderdaad is het, dat een arme, onbeduidende worm, die mogelijk door zijn medemens niet eens wordt aangezien of wordt voorbijgelopen met een schouderophalende minachting, dat zulk één de grote God, Die in de eeuwigheid woont en voor Wie de heilige engelen en serafijnen zich in heilige aanbidding nederbuigen, eer mag toebrengen. Wel mogen wij zeggen: „Wat zijn al de heerlijke heldendaden, waar de mensen zo prat op gaan, in vergelijking met de schat van heerlijkheid die Zijn lijdende heiligen Gode toebrengen?”
Gij moogt uzelf een van de ellendigste, vuilste en nooddruftigste wormen achten die op aarde zijn, maar indien gij gelooft in de Heere Jezus Christus met een levend geloof, op Zijn barmhartigheid hoopt, Zijn dierbare Naam bemint, en in uw beroep Zijn leer door een godzalig en bestendig leven versiert, dan zijt gij bevoorrecht boven prinsen en edelen, ja boven gekroonde hoofden en al de heerlijkheid des mensen, omdat gij Gode eer toebrengt. Het is om het even wat uw staat in dit leven is. Gij moogt een knecht of meester, vrouw, man of kind zijn, uw rang moge hoog of laag zijn, wat zij ook zijn mag, gij moogt daarin God de eer geven. Indien een knecht, gij doet dit door gehoorzaamheid, zindelijkheid, vlijt en opmerkzaamheid te tonen aan uw meester of meesteres. Indien een meester of meesteres, gij doet dit door vriendelijkheid en vrijgevigheid tegenover uw onderhorigen te bewijzen en door alles te doen om het juk der dienstbaarheid te verzachten.
Er is niet één christen, of hij mag God verheerlijken, in welke wereldse omstandigheden hij ook verkeert of zou komen te verkeren. Gode wordt heerlijkheid toegebracht door degenen die in Zijn vreze wandelen, en dikwijls meer nog door armen dan door rijken. Versier slechts de leer van God in alle opzichten en gij zult in alle opzichten God de eer geven.
Aan de lezer…
Denkt u soms, lezer, dat uw leven te klein en te onbeduidend is om voor God iets te betekenen? Dat u voorbijgelopen wordt en niemand naar u omziet? Bedenk dan hoezeer de gedachten Gods verschillen van de gedachten des mensen. Een arme, oude man op een strobed die, strijdende tegen de zonde en het eigen ik, op de Heere Jezus mag zien, brengt Gode meer eer toe dan alle heldendaden waarop de wereld zo prat gaat.
U mag u de nooddruftigste worm op aarde achten; gelooft u in Hem, hoopt u op Zijn barmhartigheid en bemint u Zijn dierbare Naam, dan mag u Hem verheerlijken, wat uw staat ook zij. Niet met klokgelui of kanongebulder, maar in de stille trouw van elke dag: in gehoorzaamheid, vlijt en vriendelijkheid. Laat zo uw licht schijnen, en uw Vader, Die in de hemelen is, zal eer ontvangen van uw zwakke, maar oprechte wandel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en Uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Matth. 5:16
God te mogen verheerlijken is de hoogste eer van de engelen. De stralendste seraf voor de troon heeft geen hoger doel en geen groter geluk dan Zijn Naam eer te brengen. En toch mag een arme zondaar op aarde God evengoed verheerlijken, en in zeker opzicht zelfs meer dan de schitterendste engel in de zalen van eeuwige gelukzaligheid. Wat verschillen de gedachten van God van de gedachten van de mens over de gebeurtenissen die op aarde plaatsvinden! Welke eer wordt God gebracht door alle overwinningen die het ene volk op het andere behaald heeft?
Ik heb weleens gedacht aan een arme, oude man of een zwakke, afgeleefde vrouw, liggend op een strobed in een of ander armenhuis, strijdend tegen de zonde, tegen het eigen ik en de duivel. Midden in al die omstandigheden wordt zo iemand in staat gesteld op de Heere Jezus te zien, en door een woord van Zijn lippen overwint hij zowel de dood als de hel. Na zijn sterven wordt hij in een ruwe iepenhouten doodkist gelegd om in een armengraf tot ontbinding te komen. Toch brengt zo iemand God meer eer toe dan alle heldendaden van een Nelson of een Wellington dat kunnen, en is zijn overwinning heerlijker dan die van Trafalgar of Waterloo.
Het is waar dat de ambtsdragers van de parochie zo’n overwinning niet zullen rondbazuinen; er zullen geen klokken luiden en geen kanonnen bulderen. Maar de God van hemel en aarde zal meer eer ontvangen van zo’n veracht schepsel dan van alle generaals en admiraals die een leger in slagorde hebben opgesteld of vijandelijke vloten in de golven hebben doen ondergaan. „Waarlijk,” zegt de Heere, „Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet Mijn wegen.”
Het is werkelijk wonderlijk dat Zijn grote Naam eer zou ontvangen door wat Zijn volk hier op aarde doet en lijdt. Hun zwakke pogingen om in Hem te geloven, Hem lief te hebben en op Hem te hopen, om goed van Zijn Naam te spreken en Zijn leer in hun leven door handel en wandel te versieren, dienen tot Zijn eer en lof. Wonderlijk is het inderdaad dat een arme, onbeduidende worm, die door zijn medemens misschien niet eens wordt aangekeken of met minachtend schouderophalen wordt voorbijgelopen, eer mag brengen aan de grote God, Die in de eeuwigheid woont en voor Wie de heilige engelen en serafs zich in heilige aanbidding neerbuigen. Wel mogen wij zeggen: „Wat zijn al de heerlijke heldendaden, waar de mensen zo prat op gaan, in vergelijking met de schat van heerlijkheid die Zijn lijdende heiligen Gode toebrengen?”
U mag uzelf een van de ellendigste, vuilste en armste wormen op aarde achten. Maar als u met een levend geloof in de Heere Jezus Christus gelooft, op Zijn barmhartigheid hoopt, Zijn dierbare Naam liefhebt en in uw beroep Zijn leer versiert door een godzalig en standvastig leven, dan bent u bevoorrecht boven prinsen en edelen, ja, boven gekroonde hoofden en alle heerlijkheid van de mens, omdat u God eer toebrengt. Het is om het even wat uw positie in dit leven is. U kunt knecht of meester zijn, vrouw, man of kind, uw rang kan hoog of laag zijn; wat die ook is, u mag daarin God de eer geven. Bent u een knecht, dan doet u dit door gehoorzaamheid, netheid, vlijt en oplettendheid tegenover uw meester of meesteres. Bent u een meester of meesteres, dan doet u dit door vriendelijkheid en vrijgevigheid te betonen aan wie onder u staan, en door alles te doen om het juk van de dienstbaarheid te verzachten.
Er is niet één christen of hij mag God verheerlijken, in welke aardse omstandigheden hij ook verkeert of zou komen te verkeren. God wordt verheerlijkt door hen die in Zijn vreze wandelen, en vaak meer nog door armen dan door rijken. Versier slechts de leer van God in alle opzichten, en u zult in alle opzichten God de eer geven.
Aan de lezer…
Denkt u soms dat uw leven te klein en te onbeduidend is om voor God iets te betekenen? Dat u voorbijgelopen wordt en niemand naar u omkijkt? Bedenk dan hoezeer de gedachten van God verschillen van de gedachten van de mens. Een arme, oude man op een strobed die, strijdend tegen de zonde en het eigen ik, op de Heere Jezus mag zien, brengt God meer eer toe dan alle heldendaden waarop de wereld zo prat gaat.
U mag uzelf de armste worm op aarde achten; maar gelooft u in Hem, hoopt u op Zijn barmhartigheid en hebt u Zijn dierbare Naam lief, dan mag u Hem verheerlijken, wat uw positie ook is. Niet met klokgelui of kanongebulder, maar in de stille trouw van elke dag: in gehoorzaamheid, vlijt en vriendelijkheid. Laat zo uw licht schijnen, en uw Vader, Die in de hemelen is, zal eer ontvangen van uw zwakke, maar oprechte wandel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Let your light so shine before men, that they may see your good works, and glorify your Father which is in heaven.”
Matthew 5:16
To glorify God is the highest ambition of angels. The brightest seraph before the throne has no higher aim, no greater happiness, than to bring glory to His Name. And yet a poor sinner on earth may glorify God as much, and in some way more, than the brightest angel in the courts of eternal bliss. What different views the eyes of God and the eyes of men take of events passing on the earth. What glory is brought to God by all the victories gained by one country over another?
I have thought sometimes that a poor old man, or feeble, decrepit woman, lying on a workhouse pallet, fighting with sin, self and Satan, yet enabled amid all to look to the Lord Jesus, and by a word from His lips overcoming death and hell, though when dead thrust into a cheap coffin, to rot in a pauper’s grave, brings more glory to God than all the exploits of Nelson or Wellington, and that such victories are more glorious than those of Waterloo or Trafalgar.
It is true that the parish officers will not proclaim such a victory; nor will bells ring or cannons roar at such exploits; but the God of heaven and earth may get more glory from such a despised creature, than from all the generals and admirals who have ever drawn up armies in battle, or sunk hostile fleets beneath the wave. Truly does the Lord say, “My thoughts are not your thoughts, neither are your ways My ways.”
It is indeed astonishing that glory should be brought to His great Name by what His people do and suffer upon earth; that their feeble attempts to believe, to love, and to hope in Him; to speak well of His Name; and to adorn His doctrine in their life and conversation, should redound to His honor and praise. Wondrous indeed is it that a poor, insignificant worm, whom perhaps his fellow-mortal will scarcely deign to look at, or passes by with a shrug of contempt, should add glory to the great God that inhabits eternity, before Whom the highest angels and brightest seraphs bow with holy adoration!
Well may we say, “What are all the glorious exploits that men are so proud of, compared with the tribute of glory rendered to God by His suffering saints?” You may feel yourself one of the poorest, vilest, neediest worms of earth; and yet if you believe in the Lord Jesus Christ with a living faith, hope in His mercy, love His dear Name, and in your vocation adorn His doctrine by a godly, consistent life, you are privileged above princes and nobles, yes, even above crowned heads, and all the glory of man, because you are bringing glory to God.
It matters not what may be your station in life. You may be a servant, master, wife, husband, child; your rank and station may be high or low; but whatever it be, still in it you may bring glory to God. If a servant, by obedience, cleanliness, industry, and attention to the directions of your master or mistress. If a master or mistress, by kindness and liberality to your dependents, and doing all that you can to render the yoke of servitude light. There is not a single Christian who may not glorify God, though in worldly circumstances he be, or seem to be, totally insignificant. Glory is brought to God by those who live and walk in His fear, and more sometimes by the poor than by the rich. Only adorn the doctrine of God in all things, and you will bring glory to God in all things.
To the reader…
Do you sometimes think that your life is too small and too insignificant to mean anything to God? That you are passed by and no one looks your way? Remember, then, how much the thoughts of God differ from the thoughts of man. A poor old man on a pallet of straw who, fighting against sin and self, may look to the Lord Jesus, brings God more glory than all the heroic deeds the world is so proud of.
You may count yourself the poorest worm on earth; but if you believe in Him, hope in His mercy and love His dear Name, you may glorify Him, whatever your station. Not with ringing bells or roaring cannons, but in the quiet faithfulness of every day: in obedience, diligence and kindness. Let your light so shine, and your Father which is in heaven will receive glory from your weak but sincere walk.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así alumbre vuestra luz delante de los hombres, para que vean vuestras obras buenas, y glorifiquen a vuestro Padre que está en los cielos.
Mateo 5:16
Glorificar a Dios es la más alta ambición de los ángeles. El serafín más resplandeciente ante el trono no tiene meta más alta ni mayor felicidad que traer gloria a Su Nombre. Y, sin embargo, un pobre pecador en la tierra puede glorificar a Dios tanto, y en cierto modo más, que el ángel más resplandeciente en los atrios de la dicha eterna. ¡Qué distintas son las miradas de los ojos de Dios y de los ojos de los hombres sobre los sucesos que pasan en la tierra! ¿Qué gloria se le da a Dios por todas las victorias obtenidas por un país sobre otro?
He pensado a veces que un pobre anciano, o una mujer débil y decrépita, acostados en un jergón del asilo de pobres, luchando con el pecado, el yo y Satanás, y sin embargo capacitados en medio de todo para mirar al Señor Jesús, y venciendo por una palabra de Sus labios la muerte y el infierno, aunque una vez muertos sean metidos en un ataúd barato para pudrirse en una fosa de indigentes, traen más gloria a Dios que todas las hazañas de Nelson o de Wellington, y que tales victorias son más gloriosas que las de Waterloo o Trafalgar.
Es verdad que los funcionarios de la parroquia no proclamarán tal victoria; ni sonarán las campanas ni rugirán los cañones por tales hazañas; pero el Dios del cielo y de la tierra puede obtener más gloria de una criatura tan despreciada que de todos los generales y almirantes que jamás hayan formado ejércitos en batalla o hundido flotas enemigas bajo las olas. Con verdad dice el Señor: “Porque Mis pensamientos no son vuestros pensamientos, ni vuestros caminos Mis caminos.”
Es en verdad asombroso que se traiga gloria a Su gran Nombre por lo que Su pueblo hace y sufre en la tierra; que sus débiles esfuerzos por creer, amar y esperar en Él, por hablar bien de Su Nombre y por adornar Su doctrina en su vida y conducta, redunden en Su honra y alabanza. ¡Maravilloso es en verdad que un pobre e insignificante gusano, a quien quizá su semejante mortal apenas se digne mirar, o junto al cual pase con un encogimiento de hombros de desprecio, añada gloria al gran Dios que habita la eternidad, ante Quien los más altos ángeles y los más resplandecientes serafines se inclinan en santa adoración!
Bien podemos decir: “¿Qué son todas las gloriosas hazañas de las que los hombres se enorgullecen tanto, comparadas con el tributo de gloria que rinden a Dios Sus santos que sufren?” Usted puede sentirse uno de los gusanos más pobres, viles y necesitados de la tierra; y, sin embargo, si cree en el Señor Jesucristo con una fe viva, espera en Su misericordia, ama Su precioso Nombre y en su vocación adorna Su doctrina con una vida piadosa y consecuente, usted es privilegiado por encima de príncipes y nobles, sí, aun por encima de cabezas coronadas y de toda la gloria del hombre, porque está trayendo gloria a Dios.
No importa cuál sea su posición en la vida. Puede ser siervo, amo, esposa, esposo, hijo; su rango y posición pueden ser altos o bajos; pero sea cual sea, aun en ella puede traer gloria a Dios. Si es siervo, por la obediencia, la limpieza, la diligencia y la atención a las indicaciones de su amo o ama. Si es amo o ama, por la bondad y la generosidad hacia los que dependen de usted, y haciendo todo lo posible por hacer ligero el yugo de la servidumbre. No hay un solo cristiano que no pueda glorificar a Dios, aunque en sus circunstancias mundanas sea, o parezca ser, totalmente insignificante. Se trae gloria a Dios por medio de los que viven y andan en Su temor, y a veces más por los pobres que por los ricos. Solamente adorne la doctrina de Dios en todas las cosas, y traerá gloria a Dios en todas las cosas.
Al lector…
¿Piensa usted a veces que su vida es demasiado pequeña e insignificante para significar algo para Dios? ¿Que pasan de largo junto a usted y nadie le mira? Recuerde entonces cuánto difieren los pensamientos de Dios de los pensamientos del hombre. Un pobre anciano en un jergón de paja que, luchando contra el pecado y el yo, puede mirar al Señor Jesús, trae a Dios más gloria que todas las hazañas heroicas de las que el mundo tanto se enorgullece.
Puede tenerse por el gusano más pobre de la tierra; pero si cree en Él, espera en Su misericordia y ama Su precioso Nombre, puede glorificarlo, sea cual sea su posición. No con campanas que suenan ni cañones que rugen, sino en la callada fidelidad de cada día: en la obediencia, la diligencia y la bondad. Así alumbre su luz, y su Padre que está en los cielos recibirá gloria de su andar débil pero sincero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl