6 april
En zal God geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?
Lucas 18:7
„Zie, hij bidt”, was het woord des Heeren tot Ananias, om hem te overtuigen dat die gevreesde vervolger, Saulus van Tarsen, was levend gemaakt door de Geest. En wat een genade is het voor de levend gemaakte ziel, dat de gezegende Geest zo ook haar zinkend, vrezend gemoed ondersteunt en leven en kracht legt in haar roepen en zuchten; haar ophoudt en haar doet kleven aan de troon der genade; haar dus doet volharden in haar ernstige zuchtingen om genade; daarbij het geloof schenkt in haar bidden, ja Zelf in haar bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Dit is te bidden met de Geest (1 Cor. 14:15) en in de Heilige Geest (Judas 20). Het is het hart voor God uit te storten (Psalm 62:8), de ziel uit te storten voor de Heere (1 Sam. 1:15). En door de vrije ontlasting van wat een bijna berstend hart benauwt, wordt de belaste ziel daardoor een merkbare verlichting toegebracht.
Door dit bijzondere merkteken worden de overtuigingen van een levend gemaakte ziel onderscheiden van de angst en wroeging die somtijds worden gevonden in de natuurlijke consciëntie. Kaïn zeide: „Mijn straf is zwaarder dan ik dragen kan”; maar er was noch berouw, noch gebed in zijn hart, want hij ging uit van het aangezicht des Heeren. En het is juist de tegenwoordigheid des Heeren die de levende ziel zoekt en begeert, en waartoe de Geest haar leiden wil (Efeze 2:18).
Saul was zeer in verlegenheid toen God hem niet meer antwoordde, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten; daarom ging hij tot de toveres te Endor en ten laatste viel hij in zijn eigen zwaard. Judas had berouw over zijn vervloekt verraad, maar heengaande verhing hij zich. Geen gebed, geen smeking was in hun beider harten. Zo wordt er in de profetie gezegd dat zij hun tong kauwen van pijn en dat zij de God des hemels lasteren vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken (Openb. 16:10, 11). Doch de uitverkorenen roepen dag en nacht tot God, en hun gebeden, veraangenaamd door de wierook van hun allesoverwinnende Voorspraak aan de rechterhand des Vaders, klimmen gedurig op in de oren des Heeren Zebaoth.
Aan de lezer…
Kent u dat? Uw bidden is somtijds niet meer dan een zucht uit een bijna berstend hart. Denkt u dat zulk een gebrekkig roepen voor God niets betekent? Weet dan dat het juist dat roepen is waaraan de Heere Zijn levend gemaakte kinderen kent. Van de vervolger werd gezegd: „Zie, hij bidt.” Anderen hadden angst en wroeging, maar geen gebed; zij gingen uit van het aangezicht des Heeren.
Is er dan in u een hart dat dat aangezicht zoekt en begeert, dat niet ophouden kan met smeken aan de troon der genade, dan is dat het werk van de gezegende Geest, Die Zelf in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Stort dan uw hart voor Hem uit, ook als u geen woorden vindt. Uw zuchten gaan niet verloren; veraangenaamd door de wierook van de Voorspraak aan de rechterhand des Vaders, klimmen zij op in de oren des Heeren Zebaoth. Zou God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zal God geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?
Lucas 18:7
„Zie, hij bidt”, was het woord van de Heere tot Ananias, om hem ervan te overtuigen dat die gevreesde vervolger, Saulus van Tarsen, door de Geest levend was gemaakt. En wat een genade is het voor de levend gemaakte ziel dat de gezegende Geest ook haar zinkende, vrezende gemoed zo ondersteunt en leven en kracht legt in haar roepen en zuchten! Hij houdt haar staande en doet haar kleven aan de troon der genade. Zo doet Hij haar volharden in haar ernstige zuchten om genade, schenkt Hij daarbij geloof in haar bidden, ja, bidt Hij Zelf in haar met onuitsprekelijke zuchtingen. Dit is bidden met de Geest (1 Cor. 14:15) en in de Heilige Geest (Judas 20). Het is het hart voor God uitstorten (Psalm 62:8), de ziel uitstorten voor de Heere (1 Sam. 1:15). En doordat zij vrijuit kwijt kan wat een bijna berstend hart benauwt, krijgt de belaste ziel een merkbare verlichting.
Aan dit bijzondere kenmerk worden de overtuigingen van een levend gemaakte ziel onderscheiden van de angst en wroeging die soms in het natuurlijke geweten worden gevonden. Kaïn zei: „Mijn straf is zwaarder dan ik dragen kan”, maar er was geen berouw en geen gebed in zijn hart, want hij ging weg van het aangezicht van de Heere. En het is juist de tegenwoordigheid van de Heere die de levende ziel zoekt en begeert, en waarheen de Geest haar wil leiden (Efeze 2:18).
Saul was zeer in verlegenheid toen God hem niet meer antwoordde, niet door dromen, niet door de Urim en niet door de profeten. Daarom ging hij naar de waarzegster in Endor, en ten slotte viel hij in zijn eigen zwaard. Judas had berouw over zijn vervloekte verraad, maar hij ging heen en verhing zich. In geen van beider harten was gebed of smeking. Zo wordt er in de profetie gezegd dat zij hun tong kauwen van pijn en de God des hemels lasteren vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren, en dat zij zich niet bekeerden van hun werken (Openb. 16:10, 11). Maar de uitverkorenen roepen dag en nacht tot God, en hun gebeden, aangenaam gemaakt door de wierook van hun alles overwinnende Voorspraak aan de rechterhand van de Vader, stijgen voortdurend op in de oren van de Heere Zebaoth.
Aan de lezer…
Kent u dat? Uw bidden is soms niet meer dan een zucht uit een bijna berstend hart. Denkt u dat zo’n gebrekkig roepen voor God niets betekent? Weet dan dat het juist dat roepen is waaraan de Heere Zijn levend gemaakte kinderen kent. Van de vervolger werd gezegd: „Zie, hij bidt.” Anderen hadden angst en wroeging, maar geen gebed; zij gingen weg van het aangezicht van de Heere.
Is er dan in u een hart dat dat aangezicht zoekt en begeert, dat niet kan ophouden met smeken aan de troon der genade, dan is dat het werk van de gezegende Geest, Die Zelf in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Stort dan uw hart voor Hem uit, ook als u geen woorden vindt. Uw zuchten gaan niet verloren. Aangenaam gemaakt door de wierook van de Voorspraak aan de rechterhand van de Vader, stijgen zij op in de oren van de Heere Zebaoth. Zou God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And shall not God avenge His own elect, which cry day and night unto Him?”
Luke 18:7
“Behold, he prays,” was the word of the Lord to Ananias to convince him that that dreaded persecutor, Saul of Tarsus, had been quickened by the Spirit. And what a mercy it is for the quickened soul that the blessed Spirit thus helps his sinking, trembling spirit, puts life and energy into his cries and sighs, holds him up and keeps him steadfast at the throne, and thus enables him to persevere with his earnest suings for mercy, mingles faith with his petitions, and Himself most graciously and kindly intercedes within him and for him with groanings which cannot be uttered. This is “praying with the spirit” (1 Cor. 14:15) and “in the Holy Spirit” (Jude 20). This is pouring out the heart before God (Psalm 62:8), pouring out the soul before the Lord (1 Sam. 1:15); and by this free discharge of the contents of an almost bursting heart, sensible relief is given to the burdened spirit.
By this special mark, the convictions of a quickened soul are distinguished from the pangs of guilt and remorse which are sometimes aroused in the natural conscience. Cain said, “My punishment is greater than I can bear,” but there was neither repentance nor prayer in his heart; for “he went out from the presence of the Lord”—the very presence which the living soul is seeking to reach and be found in, and into which the Spirit brings him (Eph. 2:18).
Saul was “sore distressed,” when God answered him, “neither by dreams, nor by Urim, nor by prophets,” but he goes to the witch of Endor, and in the end falls upon his own sword. Judas repented of his accursed treachery, but went and hanged himself. No prayer, no supplication was in either of their hearts. So it is prophesied that men shall gnaw their tongues for pain, and yet shall blaspheme the God of heaven because of their pains and their sores, and not repent of their deeds (Rev. 16:10, 11). But the elect cry day and night unto God; and their prayers, perfumed with the incense of their all-prevailing Intercessor at the right hand of the Father, enter into the ears of the Lord of Sabaoth.
To the reader…
Do you know this? Your praying is sometimes no more than a sigh from an almost bursting heart. Do you think such feeble crying means nothing to God? Know, then, that it is precisely by this crying that the Lord knows His quickened children. Of the persecutor it was said, “Behold, he prayeth.” Others had fear and remorse, but no prayer; they went out from the presence of the Lord.
If, then, there is a heart in you that seeks and longs for that presence, that cannot stop pleading at the throne of grace, that is the work of the blessed Spirit, Who Himself prays in you with groanings which cannot be uttered. Pour out your heart before Him, then, even if you find no words. Your sighs are not lost. Made acceptable by the incense of the Intercessor at the right hand of the Father, they rise into the ears of the Lord of Sabaoth. Shall not God avenge His own elect?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Y Dios no defenderá a Sus escogidos, que claman a Él día y noche?
Lucas 18:7
“He aquí, él ora”, fue la palabra del Señor a Ananías para convencerlo de que aquel temido perseguidor, Saulo de Tarso, había sido vivificado por el Espíritu. ¡Y qué misericordia es para el alma vivificada que el bendito Espíritu ayude así a su espíritu desfalleciente y tembloroso, ponga vida y energía en sus clamores y suspiros, lo sostenga y lo mantenga firme ante el trono, y así lo capacite para perseverar en sus fervientes súplicas de misericordia, mezcle fe con sus peticiones, y Él mismo, con suma gracia y bondad, interceda dentro de él y por él con gemidos indecibles! Esto es “orar con el espíritu” (1 Corintios 14:15) y “en el Espíritu Santo” (Judas 20). Esto es derramar el corazón delante de Dios (Salmo 62:8), derramar el alma delante del Señor (1 Samuel 1:15); y por esta libre descarga de lo que contiene un corazón casi a punto de estallar, se da un alivio sensible al espíritu agobiado.
Por esta señal especial, las convicciones de un alma vivificada se distinguen de las punzadas de culpa y remordimiento que a veces se despiertan en la conciencia natural. Caín dijo: “Grande es mi castigo para poder soportarlo”, pero no había ni arrepentimiento ni oración en su corazón; porque “salió de delante de Jehová”, de aquella misma presencia que el alma viviente procura alcanzar y en la que desea ser hallada, y a la cual el Espíritu la introduce (Efesios 2:18).
Saúl estaba “muy congojado” cuando Dios no le respondió “ni por sueños, ni por Urim, ni por profetas”; pero va a la adivina de Endor, y al final se echa sobre su propia espada. Judas se arrepintió de su maldita traición, pero fue y se ahorcó. No había oración, no había súplica en el corazón de ninguno de los dos. Así está profetizado que los hombres morderán sus lenguas de dolor, y aun así blasfemarán del Dios del cielo por sus dolores y por sus plagas, y no se arrepentirán de sus obras (Apocalipsis 16:10, 11). Pero los escogidos claman a Dios día y noche; y sus oraciones, perfumadas con el incienso de su Intercesor que todo lo alcanza a la diestra del Padre, entran en los oídos del Señor de los ejércitos.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Su oración a veces no es más que un suspiro de un corazón casi a punto de estallar. ¿Piensa que un clamor tan débil no significa nada para Dios? Sepa, pues, que es precisamente por este clamor que el Señor conoce a Sus hijos vivificados. Del perseguidor se dijo: “He aquí, él ora.” Otros tuvieron temor y remordimiento, pero no oración; salieron de delante del Señor.
Si hay, pues, en usted un corazón que busca y anhela esa presencia, que no puede dejar de suplicar ante el trono de la gracia, eso es obra del bendito Espíritu, Quien Él mismo ora en usted con gemidos indecibles. Derrame, pues, su corazón delante de Él, aunque no halle palabras. Sus suspiros no se pierden. Hechos aceptables por el incienso del Intercesor a la diestra del Padre, suben a los oídos del Señor de los ejércitos. ¿Y Dios no defenderá a Sus escogidos?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl