3 september
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Niets onderscheidt zozeer de zuivere godsdienst der kinderen Gods van de dode onheiligheid der openbare goddelozen en van de vormelijke lippendienst der levenloze belijders, dan de gemeenschap met God. Hoe duidelijk zien wij dit in de heiligen van oude tijden aangetoond. Abel zocht de gemeenschap Gods toen hij van de eerstelingen zijner kudde en van het vette daarvan de Heere offerde, want hij zag op het verzoenend bloed van het Lam Gods. De Heere zag Abel en zijn offer aan door Zijn Goddelijke goedkeuring eraan te hechten. Hier was gemeenschap tussen Abel en de Heere.
Enoch „wandelde met God”, doch hoe zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? En indien zij bijeengekomen zijn, dan is er gemeenschap onderling. Abraham werd de vriend Gods genaamd. De Heere sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht. David was de man naar Gods hart. Al deze getuigenissen des Heiligen Geestes ten opzichte van hen allen duiden aan dat zij met God verzoend en nabij gebracht waren, en wandelden in de gemeenschap met de almachtige God.
Zo was het met al de heiligen van ouds, wier lijden en verrichtingen wij vinden opgetekend in Hebreeën 11. Zij leefden een leven des geloofs en des gebeds, een leven van gemeenschap met hun Vader en Vriend; en ofschoon zij zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd en met het zwaard ter dood gebracht; ofschoon zij gewandeld hebben in schaapsvellen en in geitenvellen, verlaten, verdrukt en kwalijk gehandeld zijn geworden; ofschoon zij in woestijnen hebben gedoold en op bergen, en in de spelonken en in holen der aarde, toch zijn zij ondersteund geworden in hun lijden en smarten door de Geest der genade en de tegenwoordigheid en kracht van de levende God, met Wie zij een zoete gemeenschap onderhielden. En ofschoon zij gepijnigd zijn geworden, hebben zij de aangeboden verlossing niet aangenomen en hun Heere niet verloochend, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. En nu zien zij Hem, gelijk Hij is in heerlijkheid, door Wiens genade zij op aarde met Hem in gemeenschap zijn gebracht geworden.
Tot deze zelfde gemeenschap roept God Zijn volk ook nu, gelijk wij lezen: „God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.” Gemeenschap te hebben met Zijn Zoon, is gemeenschap te hebben met Hem. En gelijk Hij Abraham riep uit het land der Chaldeeën, zo roept Hij Zijn uitverkorenen uit de wereld, uit de duisternis, zonde en dood, uit de schijn der eigengerechtigheid, uit een bedrieglijke belijdenis, om gemeenschap te hebben met Hem en gezegend te worden met de bekendmaking van Zijn liefde en genade. Al Zijn handelingen met hun ziel dienen ertoe; al hun verdrukkingen, beproevingen en smarten worden daartoe gezonden, om hen tot Zich te brengen. En in het schenken van de bewijzen van Zijn heilige gemeenschap hier, geeft Hij hun de voorsmaakjes en voorproefjes van de eeuwige zaligheid, die zij zullen genieten door Zijn tegenwoordigheid en liefde, wanneer de tijd verslonden zal zijn in de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Soms is het goed te vragen wat uw godsdienst onderscheidt van een vormelijke lippendienst. Niet de kennis, niet de belijdenis, maar de gemeenschap met God. Kent u iets van dat wandelen met Hem, al is het met wankele schreden? Of hebt u het moeten missen, en zucht u omdat u Zijn nabijheid niet gewaarwordt? Bedenk dan dat Hij getrouw is, Die u geroepen heeft tot de gemeenschap van Zijn Zoon; Zijn trouw hangt niet aan uw gevoel.
Ook uw verdrukkingen, beproevingen en smarten worden u daartoe gezonden, om u tot Zich te brengen. Wat u nu bitter is, kan het middel zijn waardoor Hij u uit de schijn der eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis roept. De heiligen van ouds werden in hun lijden ondersteund door Zijn tegenwoordigheid; die zelfde Heere is ook nu nabij. En wat u hier van Zijn liefde smaakt, is slechts een voorproefje van wat Zijn volk eeuwig zal genieten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Niets onderscheidt de zuivere godsdienst van de kinderen van God zozeer van de dode onheiligheid van de openlijk goddelozen en van de vormelijke lippendienst van levenloze belijders als de gemeenschap met God. Hoe duidelijk zien we dit bij de heiligen uit oude tijden. Abel zocht de gemeenschap met God toen hij de Heere offerde van de eerstelingen van zijn kudde en van hun vet, want hij zag op het verzoenend bloed van het Lam van God. De Heere zag Abel en zijn offer aan en schonk er Zijn Goddelijke goedkeuring aan. Hier was gemeenschap tussen Abel en de Heere.
Henoch „wandelde met God”, maar hoe zullen twee samen wandelen, tenzij zij bij elkaar gekomen zijn? En als zij bij elkaar gekomen zijn, dan is er gemeenschap tussen hen. Abraham werd de vriend van God genoemd. De Heere sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht. David was de man naar Gods hart. Al deze getuigenissen van de Heilige Geest over hen allen laten zien dat zij met God verzoend en nabij gebracht waren, en dat zij wandelden in gemeenschap met de almachtige God.
Zo was het met alle heiligen van vroeger, van wie het lijden en de daden zijn opgetekend in Hebreeën 11. Zij leefden een leven van geloof en gebed, een leven van gemeenschap met hun Vader en Vriend. Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd en met het zwaard gedood. Zij hebben rondgezworven in schaapsvellen en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld. Zij hebben gedoold in woestijnen en op bergen, in spelonken en in holen van de aarde. Toch zijn zij in hun lijden en smarten ondersteund door de Geest van de genade en door de tegenwoordigheid en kracht van de levende God, met Wie zij een zoete gemeenschap onderhielden.
En hoewel zij gepijnigd zijn, hebben zij de aangeboden verlossing niet aangenomen en hun Heere niet verloochend, om een betere opstanding te verkrijgen. En nu zien zij Hem zoals Hij is in heerlijkheid, Hem door Wiens genade zij op aarde in gemeenschap met Hem gebracht zijn.
Tot diezelfde gemeenschap roept God ook nu Zijn volk, zoals we lezen: „God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.” Gemeenschap hebben met Zijn Zoon is gemeenschap hebben met Hem. En zoals Hij Abraham riep uit het land van de Chaldeeën, zo roept Hij Zijn uitverkorenen uit de wereld, uit duisternis, zonde en dood, uit de schijn van eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis. Hij roept hen om gemeenschap met Hem te hebben en gezegend te worden met de bekendmaking van Zijn liefde en genade. Al Zijn handelingen met hun ziel dienen daartoe; al hun verdrukkingen, beproevingen en smarten worden daarvoor gezonden, om hen tot Zich te brengen.
En door hier de bewijzen van Zijn heilige gemeenschap te schenken, geeft Hij hun een voorsmaak en voorproefje van de eeuwige zaligheid. Die zullen zij genieten door Zijn tegenwoordigheid en liefde, wanneer de tijd verslonden zal zijn in de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Soms is het goed te vragen wat uw godsdienst onderscheidt van een vormelijke lippendienst. Dat is niet de kennis en niet de belijdenis, maar de gemeenschap met God. Kent u iets van dat wandelen met Hem, al is het met wankele schreden? Of hebt u het moeten missen, en zucht u omdat u Zijn nabijheid niet ervaart? Bedenk dan dat Hij getrouw is, Die u geroepen heeft tot de gemeenschap van Zijn Zoon; Zijn trouw hangt niet af van uw gevoel.
Ook uw verdrukkingen, beproevingen en smarten worden u daarvoor gezonden: om u tot Zich te brengen. Wat nu bitter voor u is, kan het middel zijn waardoor Hij u roept uit de schijn van eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis. De heiligen van vroeger werden in hun lijden ondersteund door Zijn tegenwoordigheid; diezelfde Heere is ook nu nabij. En wat u hier van Zijn liefde proeft, is slechts een voorsmaak van wat Zijn volk eeuwig zal genieten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is faithful, by Whom ye were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.
1 Corinthians 1:9
Nothing distinguishes the divine religion of the saint of God, not only from the dead profanity of the openly ungodly, but from the formal lip-service of the lifeless professor, so much as communion with God.
How clearly do we see this exemplified in the saints of old. Abel sought after fellowship with God when “he brought of the firstlings of his flock, and of the fat thereof,” for he looked to the atoning blood of the Lamb of God. God accepted the offering, and “testified of his gifts” by manifesting His divine approbation. Here was fellowship between Abel and God. Enoch “walked with God;” but how can two walk together except they be agreed? And if agreed, they are in fellowship and communion. Abraham was “the friend of God;” “The Lord spoke to Moses face to face;” David was “the man after God’s own heart;”—all which testimonies of the Holy Spirit concerning them implied that they were reconciled, brought near, and walked in holy communion with the Lord God Almighty.
So all the saints of old, whose sufferings and exploits are recorded in Hebrews 11, lived a life of faith and prayer, a life of fellowship and communion with their Father and their Friend; and though “they were stoned, sawn asunder, and slain with the sword;” though “they wandered about in sheep-skins and goat-skins, being destitute, afflicted, tormented;” though “they wandered in deserts and in mountains, and in dens and caves of the earth,” yet they all were sustained in their sufferings and sorrows by the Spirit and grace, the presence and power of the living God, with Whom they held sweet communion; and, though tortured, would “accept no deliverance,” by denying their Lord, “that they might obtain a better resurrection,” and see Him as He is in glory, by Whose grace they were brought into fellowship with Him on earth.
This same communion with Himself is that which God now calls His saints unto, as we read, “God is faithful, by Whom you were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord,” for to have fellowship with His Son is to have fellowship with Him. As then He called Abraham out of the land of the Chaldees, so He calls elect souls out of the world, out of darkness, sin, and death, out of formality and self-righteousness, out of a deceptive profession, to have fellowship with Himself, to be blessed with manifestations of His love and mercy. To this point all His dealings with their souls tend; to bring them near to Himself, all their afflictions, trials, and sorrows are sent; and in giving them tastes of holy fellowship here, He grants them foretastes of that eternity of bliss which will be theirs when time shall be no more, in being forever swallowed up with His presence and love.
To the reader…
Sometimes it is good to ask what distinguishes your religion from a formal lip-service. It is not knowledge, nor profession, but fellowship with God. Do you know something of walking with Him, even with faltering steps? Or have you had to go without it, and do you sigh because you do not feel His nearness? Remember, then, that He is faithful Who has called you unto the fellowship of His Son; His faithfulness does not depend on your feelings.
Your afflictions, trials and sorrows, too, are sent to you for this very end: to bring you near to Himself. What is bitter to you now may be the means by which He calls you out of the appearance of self-righteousness and out of a deceptive profession. The saints of old were sustained in their sufferings by His presence; that same Lord is near today. And what you taste of His love here is only a foretaste of what His people will enjoy forever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor.
1 Corintios 1:9
Nada distingue tanto la religión divina del santo de Dios, no solo de la muerta profanidad del abiertamente impío, sino también del culto formal de labios del profesante sin vida, como la comunión con Dios.
¡Con cuánta claridad vemos esto ejemplificado en los santos de la antigüedad! Abel buscó la comunión con Dios cuando “trajo de los primogénitos de sus ovejas, y de su grosura”, porque miraba a la sangre expiatoria del Cordero de Dios. Dios aceptó la ofrenda, y “dio testimonio de sus presentes” al manifestarle Su divina aprobación. He aquí comunión entre Abel y Dios. Enoc “caminó con Dios”; pero ¿cómo andarán dos juntos si no estuvieren de acuerdo? Y si están de acuerdo, están en comunión y trato mutuo. Abraham fue “amigo de Dios”; “Hablaba Jehová a Moisés cara a cara”; David fue “varón según el corazón de Dios”; todos estos testimonios del Espíritu Santo acerca de ellos implicaban que estaban reconciliados, que habían sido acercados y que andaban en santa comunión con el Señor Dios Todopoderoso.
Así todos los santos de la antigüedad, cuyos sufrimientos y hazañas están registrados en Hebreos 11, vivieron una vida de fe y oración, una vida de trato y comunión con su Padre y su Amigo; y aunque “fueron apedreados, aserrados, muertos a cuchillo”; aunque “anduvieron de acá para allá cubiertos de pieles de ovejas y de cabras, pobres, angustiados, maltratados”; aunque “anduvieron perdidos por los desiertos, por los montes, por las cuevas y por las cavernas de la tierra”, todos ellos fueron sostenidos en sus sufrimientos y dolores por el Espíritu y la gracia, la presencia y el poder del Dios vivo, con Quien tenían dulce comunión; y, aunque atormentados, “no aceptaron el rescate”, negando a su Señor, “para ganar mejor resurrección”, y verle tal como Él es en la gloria, por Cuya gracia habían sido traídos a la comunión con Él en la tierra.
A esta misma comunión consigo mismo es a la que Dios llama ahora a Sus santos, como leemos: “Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”, porque tener comunión con Su Hijo es tener comunión con Él. Así como entonces llamó a Abraham de la tierra de los caldeos, así llama a las almas escogidas del mundo, de las tinieblas, del pecado y de la muerte, del formalismo y de la propia justicia, de una profesión engañosa, para que tengan comunión con Él mismo y sean bendecidas con manifestaciones de Su amor y misericordia. A este fin tienden todos Sus tratos con sus almas; para acercarlas a Sí mismo les son enviadas todas sus aflicciones, pruebas y dolores; y al darles a gustar aquí la santa comunión, les concede anticipos de aquella eternidad de dicha que será suya cuando el tiempo ya no sea más, al quedar para siempre absortos en Su presencia y Su amor.
Al lector…
A veces es bueno preguntarse qué distingue su religión de un culto formal de labios. No es el conocimiento, ni la profesión, sino la comunión con Dios. ¿Conoce usted algo de andar con Él, aunque sea con pasos vacilantes? ¿O ha tenido que pasar sin ello, y suspira porque no siente Su cercanía? Recuerde, entonces, que fiel es Aquel que le ha llamado a la comunión de Su Hijo; Su fidelidad no depende de sus sentimientos.
También sus aflicciones, pruebas y dolores le son enviados precisamente con este fin: acercarle a Sí mismo. Lo que ahora le resulta amargo puede ser el medio por el cual Él le llama a salir de la apariencia de la propia justicia y de una profesión engañosa. Los santos de la antigüedad fueron sostenidos en sus sufrimientos por Su presencia; ese mismo Señor está cerca hoy. Y lo que usted gusta aquí de Su amor es solo un anticipo de lo que Su pueblo disfrutará para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl