29 januari
Grijp naar het eeuwige leven.
1 Tim. 6:12
De hoofdwerkzaamheid van de hand is te grijpen, een voorwerp vast te pakken. De hand van de mens is het meesterstuk van de ontleedkunde; de vingers en de daar vlak tegenoverstaande duim zijn daartoe met een bepaald doel door hun Goddelijke Kunstenaar geformeerd, namelijk om een voorwerp te grijpen en vast te houden. Daarom spannen iedere spier, slagader, ader en zenuw tezamen om deze bestemde handeling uit te voeren. Is er ook in de oefening des geloofs niet iets wat daarmede overeenstemt? Wat zegt de Heere? „Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen; hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.” Er is dus een aangrijpen van Gods sterkte.
Geschiedt dit niet door het geloof? Is er een andere genade van de Geest die de Heere aangrijpt, gelijk Jacob de worstelende engel aangreep, en een zinkende Petrus de hand van de Heere Jezus? „Grijp naar het eeuwige leven”, is Paulus’ bevel aan Timotheüs. Maar hoe wordt het eeuwige leven, en in het bijzonder Jezus, „het Leven”, aangegrepen anders dan door het geloof? „Die in Mij gelooft,” zegt Jezus, „heeft het eeuwige leven.” Hij heeft het door Hem aan te grijpen.
Zo lezen wij ook: „Die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden” (Hebr. 6:18). Gelijk de doodslager om een toevlucht vlood naar de aangewezen stad, en behouden was als hij de deur der poort had vastgegrepen, zo is het ook gelegen met schuldige zondaren, als zij om toevlucht vlieden tot de Heere Jezus en door het geloof de voorgestelde hoop in het Evangelie der genade Gods vasthouden.
Aan de lezer…
Kent u dat gevoel, als iemand die zinkt? Dan weet u misschien beter dan velen wat het is om te grijpen. Zoals een hand gemaakt is om vast te pakken en vast te houden, zo is het geloof de hand van de ziel, waarmee zij de sterkte des Heeren aangrijpt. „Grijp naar het eeuwige leven.” Dat is geen woord voor sterken die het zelf wel redden, maar een roepstem voor hen die zonder Hem verloren zijn.
Denk aan de doodslager die naar de vrijstad vluchtte: hij was behouden zodra hij de deur der poort had vastgegrepen. Zo mag een schuldige zondaar tot de Heere Jezus vlieden en de voorgestelde hoop vasthouden. Is uw hand zwak en bevend? Het is niet de kracht van uw greep die u behoudt, maar Hij Die u aangrijpt. „Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.” Strek dan uw hand naar Hem uit, en laat Hem niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Grijp naar het eeuwige leven.
1 Tim. 6:12
De voornaamste taak van de hand is grijpen, een voorwerp vastpakken. De hand van de mens is het meesterstuk van de anatomie; de vingers en de duim die daar recht tegenover staat, zijn door hun Goddelijke Kunstenaar met een bepaald doel gevormd, namelijk om een voorwerp te grijpen en vast te houden. Daarom werken iedere spier, slagader, ader en zenuw samen om deze bestemde handeling uit te voeren. Is er ook in de oefening van het geloof niet iets wat daarmee overeenkomt? Wat zegt de Heere? „Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen; hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.” Er is dus een aangrijpen van Gods sterkte.
Gebeurt dat niet door het geloof? Is er een andere genade van de Geest die de Heere aangrijpt, zoals Jakob de worstelende engel aangreep, en een zinkende Petrus de hand van de Heere Jezus? „Grijp naar het eeuwige leven”, is het bevel van Paulus aan Timotheüs. Maar hoe wordt het eeuwige leven, en in het bijzonder Jezus, „het Leven”, anders aangegrepen dan door het geloof? „Die in Mij gelooft,” zegt Jezus, „heeft het eeuwige leven.” Hij heeft het doordat hij Hem aangrijpt.
Zo lezen wij ook: „Die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden” (Hebr. 6:18). Zoals de doodslager naar de aangewezen stad vluchtte om een toevlucht te vinden, en behouden was wanneer hij de deur van de poort had vastgegrepen, zo is het ook met schuldige zondaren wanneer zij hun toevlucht nemen tot de Heere Jezus en door het geloof de hoop vasthouden die in het Evangelie van Gods genade wordt voorgesteld.
Aan de lezer…
Kent u dat gevoel, als iemand die zinkt? Dan weet u misschien beter dan velen wat het is om te grijpen. Zoals een hand gemaakt is om vast te pakken en vast te houden, zo is het geloof de hand van de ziel, waarmee zij de sterkte van de Heere aangrijpt. „Grijp naar het eeuwige leven.” Dat is geen woord voor sterken die het zelf wel redden, maar een roepstem voor hen die zonder Hem verloren zijn.
Denk aan de doodslager die naar de vrijstad vluchtte: hij was behouden zodra hij de deur van de poort had vastgegrepen. Zo mag een schuldige zondaar tot de Heere Jezus vluchten en de voorgestelde hoop vasthouden. Is uw hand zwak en bevend? Het is niet de kracht van uw greep die u behoudt, maar Hij Die u vasthoudt. „Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.” Strek dan uw hand naar Hem uit, en laat Hem niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lay hold on eternal life.
1 Timothy 6:12
The main office of the hand is to take hold of and grasp an object. The human hand is a masterpiece of anatomy, the fingers and the strong matching thumb being expressly constructed by their Divine Craftsman to seize and retain objects; and therefore every muscle, artery, vein, and nerve conspire together to fulfill this destined office. Is there not in the office of faith something analogous to and corresponding with this? What says the Lord? “Let him take hold of My strength that he may make peace with Me, and he shall make peace with Me.” There is a taking hold, then, of God’s strength. Is not this by faith?
Is there any other grace of the Spirit which takes hold of the Lord, as Jacob took hold of the wrestling angel, or as sinking Peter laid hold of the hand of Jesus? “Lay hold on eternal life,” is Paul’s charge to Timothy. But how is eternal life, and especially Jesus, “the Life,” laid hold of, except by faith? “He that believes on Me,” says Jesus, “has everlasting life.” He has it by laying hold of it.
So we read also of “fleeing for refuge to lay hold upon the hope set before us” (Heb. 6:18). As the manslayer fled for refuge to the appointed city, and when his hand grasped the gates was safe, so guilty sinners flee for refuge to the Lord Jesus, and by faith lay hold upon the hope set before them in the gospel of the grace of God.
To the reader…
Do you know that feeling, like someone who is sinking? Then perhaps you know better than many what it is to grasp. Just as a hand is made to take hold and to hold fast, so faith is the hand of the soul, with which it lays hold of the Lord’s strength. “Lay hold on eternal life.” That is not a word for the strong who can manage by themselves, but a call to those who are lost without Him.
Think of the manslayer who fled to the city of refuge: he was safe as soon as he had grasped the gate. So a guilty sinner may flee to the Lord Jesus and hold fast the hope set before him. Is your hand weak and trembling? It is not the strength of your grip that saves you, but He Who holds you fast. “He that believeth on Me hath everlasting life.” Stretch out your hand to Him, then, and do not let Him go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Echa mano de la vida eterna.
1 Timoteo 6:12
El oficio principal de la mano es tomar y asir un objeto. La mano humana es una obra maestra de la anatomía; los dedos y el pulgar fuerte que les corresponde han sido construidos expresamente por su divino Artífice para asir y retener objetos; y por eso cada músculo, arteria, vena y nervio concurren a cumplir este oficio al que están destinados. ¿No hay en el oficio de la fe algo análogo y correspondiente a esto? ¿Qué dice el Señor? “Eche mano de Mi fortaleza, y haga conmigo paz; sí, haga paz conmigo.” Hay, pues, un echar mano de la fortaleza de Dios. ¿No es esto por la fe?
¿Hay alguna otra gracia del Espíritu que eche mano del Señor, como Jacob echó mano del ángel que luchaba con él, o como Pedro, hundiéndose, echó mano de la mano de Jesús? “Echa mano de la vida eterna”, es el encargo de Pablo a Timoteo. Pero ¿cómo se echa mano de la vida eterna, y especialmente de Jesús, “la Vida”, sino por la fe? “El que cree en Mí”, dice Jesús, “tiene vida eterna.” La tiene echando mano de ella.
Así leemos también de los que “nos acogemos a trabarnos de la esperanza propuesta” (Hebreos 6:18). Así como el homicida huía a la ciudad señalada en busca de refugio, y cuando su mano asía las puertas estaba a salvo, así los pecadores culpables huyen en busca de refugio al Señor Jesús, y por la fe echan mano de la esperanza que se les propone en el evangelio de la gracia de Dios.
Al lector…
¿Conoce usted ese sentimiento, como de alguien que se está hundiendo? Entonces quizá sabe mejor que muchos lo que es asir. Así como la mano está hecha para tomar y retener, así la fe es la mano del alma, con la cual echa mano de la fortaleza del Señor. “Echa mano de la vida eterna.” No es una palabra para los fuertes que pueden arreglárselas solos, sino un llamado a los que están perdidos sin Él.
Piense en el homicida que huía a la ciudad de refugio: estaba a salvo en cuanto había asido la puerta. Así un pecador culpable puede huir al Señor Jesús y retener la esperanza propuesta. ¿Es su mano débil y temblorosa? No es la fuerza con que usted ase lo que le salva, sino Aquel que le sostiene. “El que cree en Mí, tiene vida eterna.” Extienda, pues, su mano hacia Él, y no Le suelte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl