Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking

Door Baca’s vallei

28 augustus

Vandaag

3 min. lezen

Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; maar een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Spreuken 27:7

Verdrukkingen, beproevingen en smarten zijn zeer bittere dingen. En zij moeten ook wel bitter zijn, want de Heere heeft er niets anders mee op het oog. Wanneer Hij de roede ter hand neemt, is het om die te laten voelen; en wanneer Hij moeite over Zijn kinderen brengt, is het zodat zij daaronder smart zullen lijden. Onze tekst betekent daarom, geloof ik, niet dat de bittere dingen zoet zijn wanneer zij ons overkomen, want dan zouden zij ophouden bitter te zijn. Maar zij zijn zoet door het gezegende voedsel dat wij eruit halen.

Ik herinner mij dat ik jaren geleden de reizen van Franklin naar de Noordpool gelezen heb; een zeer treffend boek. Maar één zaak die erin vermeld werd, trok mijn aandacht. Tijdens hun zwerftochten over de sneeuw van de poolstreken was er dagen, ja, ik geloof weken achter elkaar, geen voedsel te krijgen, behalve een leverkruid of een soort mos dat op de rotsen groeide. Dit was zo buitengewoon bitter (het lijkt op IJslands mos), dat het alleen met de grootste weerzin gegeten kon worden; en toch leefden Franklin en zijn makkers ervan. Zij hadden helemaal geen afwisseling in voedsel; zij moesten het eten of sterven. Maar dit bittere mos werd zoet zodra het hun gehemelte gepasseerd was, want het was voedsel dat hen in leven hield.

En zo is het met menig kind van God dat de vreselijkste beproevingen heeft moeten doormaken, want daarna heeft het er voedsel uit gehaald. Wat zijn de berispingen en kastijdingen van de Heere in het geweten bitter! En toch, wie zou ze willen missen? Ik doe een beroep op u die de Heere vreest: zou u er bewust voor kiezen om nooit de blijken van Zijn afkeuring te ondervinden, of op enig moment het fronsen van Zijn toorn, wanneer u de verkeerde weg opgaat?

Ik geloof van harte dat u, van wie het geweten teder is in de vreze Gods, zou zeggen: „Heere, laat mij Uw fronsen maar ontmoeten, want indien ik deze in mijn consciëntie niet gewaarwerd, in welke zonden zou ik in mijn zorgeloosheid terechtkomen? Waar zou mijn goddeloze natuur mij heenvoeren, indien ik Uw berispingen zou moeten missen?” Deze kastijdingen worden dus zoet, niet uit hun eigen aard en niet op dat moment, maar vanwege het nut dat eruit voortvloeit.

Aan de lezer…

Bedroefde ziel, is uw beker in deze dagen bitter? Liggen de roede van de Heere en Zijn berisping zwaar op uw geweten, en proeft u niets dan alsem? U hoeft niet te doen alsof het zoet is; de Heere bedoelt het juist om gevoeld te worden. Maar weet dat voor de hongerige ziel zelfs het bittere tot voedsel wordt. Wat nu uw gehemelte tegenstaat, kan u toch in leven houden.

Want waar zou uw arme, zorgeloze natuur u heenvoeren, als de Heere u nooit Zijn fronsen liet ondervinden? Zijn kastijdingen houden u van de verkeerde weg en drijven u terug naar Hem. Daarom bidt een teder geweten liever: „Heere, laat mij Uw berispingen niet missen.” Zo wordt het bittere achteraf zoet, niet uit zijn eigen aard, maar om het nut dat de Heere eruit laat voortvloeien.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl