28 februari
En mijn landpale vermeerderen zult.
1 Kronieken 4:10
Een kust (Eng. vert.) betekent een grens- of landpaal, die het ene gebied van het andere scheidt of begrenst, zoals de zeekust de grenslijn is van ons eiland. Elke levendgemaakte ziel heeft ook een grenslijn, dat wil zeggen, dat zij door een inwendige bevinding is afgezonderd, overeenkomstig de lijn, die de Heilige Geest in haar consciëntie getrokken heeft. Zoals de Heere de stammen vaneen scheidde, toen Hij hen deed vallen in het snoer hunner erfenis, Psalm 78:55, zo ook heeft Hij het lot geworpen voor elk vat der barmhartigheid en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer, Jes. 34:17. Dit is als het ware de speelruimte, die elke levendgemaakte ziel als haar toegewezen deel gegeven is, namelijk haar eigen bevinding.
Binnen deze ruimte mag zij wandelen, grazen en nederliggen. Er is voedsel genoeg voor haar in het strookje weide, dat haar toebedeeld is. Zij kan en durft het koord, dat rondom haar tedere consciëntie gespannen is, niet verbreken, en iedere uitweiding buiten haar terrein, om zich te beroemen over eens andermans bevinding, verwondt en kwetst de tedere consciëntie. Doch de levendgemaakte ziel kan niet dan ernstig begeren, dat haar landpalen verwijd worden. Zij heeft meer licht nodig, meer leven, meer gevoel, meer vrijheid, meer kennis van God in Christus, meer geloof, hoop en liefde.
En zij heeft van node, dat haar eng, ineengekrompen en besloten hart moge verwijd worden in het gebed, in haar meditaties, in gemeenschap, in toegenegenheid tot het volk van God. Zij is niet vergenoegd met de schrale weide, haar toebedeeld, maar wenst een meerdere mate van hemelse onderwijzing, om gevoed te worden met een meer kinderlijk vertrouwen en toegang tot God, en om meer ontheven te worden van de vrees, die pijnigt. „God breide Japhet uit en hij wone in Sems tenten”, Gen. 9:27. „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart zult verwijd hebben”, Psalm 119:32. Deze verwijding van hun landpalen had de Heere aan Israël gezworen, dat Hij hun het land geven zou, dat Hij hun vaderen beloofd had. En daarom zeide Hij: „Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard heeft”; en Hij voegt eraan toe: „Maak de plaats uwer tenten wijd en dat men de gordijnen uwer woning uitbreide; verhinder het niet, maak uw koorden lang en steek uw pinnen vast in”, Jes. 54:1, 2.
Hebt gij enige van deze vurige begeerten naar licht, liefde en vrijheid? Dat de wereld, hoogmoed, vleselijke lusten, ongeloof, gierigheid uw hart niet mogen bezetten, maar dat gij de liefde van Christus moogt kennen, die alle verstand te boven gaat, om zo vervuld te worden met al de volheid Gods? Dit zijn goede begeerten en zeer onderscheiden van die der inbeelding en het praten over vrijheid, terwijl men slaaf is van de verdorvenheid. Het is één zaak, door het hekwerk te kijken, en een andere zaak, de vruchten van het landgoed te genieten; maar het is veel beter door het hekwerk te kijken met een begerig verlangen, dan door de omheining heen te breken als een overtreder. Op de koffer te zien is niet in het bezit gesteld te zijn van de daarin aanwezige geschriften, maar het is beter te wachten en te vragen om de sleutel Davids, dan ze open te breken en de oorkonden te stelen. En hij, die in het nauwe, nauwe pad tussen luiheid en inbeelding gehouden wordt, zal op bepaalde tijden met Jabez uitroepen: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!”
Aan de lezer…
Lezer, voelt u zich vaak eng en ineengekrompen, alsof uw weide maar een smal strookje is? U durft niet te spreken over wat u niet bevonden hebt, en het kwetst uw consciëntie als u zich een bevinding van een ander toe-eigent. Dat is geen zwakheid, maar tederheid. Uw eigen deel is u met het richtsnoer toegemeten, en ook in die kleine ruimte is voedsel genoeg.
Toch mag u met heel uw hart begeren dat uw landpalen verwijd worden: meer licht, meer leven, meer geloof en liefde, meer vrijheid van de vrees die pijnigt. Het is beter met een begerig hart door het hekwerk te kijken dan als een overtreder door de omheining heen te breken. Blijf dan op het nauwe pad tussen luiheid en inbeelding, en roep met Jabez: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!” De Heere hoort zulk een bede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En mijn landpale vermeerderen zult.
1 Kronieken 4:10
Een kust (Eng. vert.) betekent een grens of landpaal die het ene gebied van het andere scheidt of afbakent, zoals de zeekust de grenslijn van ons eiland is. Ook elke levendgemaakte ziel heeft een grenslijn. Dat wil zeggen dat zij door een innerlijke bevinding is afgezonderd, overeenkomstig de lijn die de Heilige Geest in haar geweten getrokken heeft. Zoals de Heere de stammen van elkaar scheidde toen Hij hen deed vallen in het snoer van hun erfenis, Psalm 78:55, zo heeft Hij ook voor elk vat der barmhartigheid het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun met het richtsnoer toegedeeld, Jes. 34:17. Dit is als het ware de speelruimte die elke levendgemaakte ziel als haar toegewezen deel gegeven is, namelijk haar eigen bevinding.
Binnen deze ruimte mag zij wandelen, grazen en neerliggen. Er is voedsel genoeg voor haar op het strookje weide dat haar is toebedeeld. Zij kan en durft het koord dat rondom haar tedere geweten gespannen is niet te verbreken, en iedere uitweiding buiten haar eigen terrein, om zich te beroemen op de bevinding van een ander, wondt en kwetst het tedere geweten. Maar de levendgemaakte ziel kan niet anders dan ernstig begeren dat haar landpalen verwijd worden. Zij heeft meer licht nodig, meer leven, meer gevoel, meer vrijheid, meer kennis van God in Christus, meer geloof, hoop en liefde.
En zij heeft het nodig dat haar enge, ineengekrompen en beklemde hart verwijd wordt in het gebed, in haar overdenkingen, in de gemeenschap en in de genegenheid tot het volk van God. Zij is niet tevreden met de schrale weide die haar is toebedeeld, maar verlangt naar een grotere mate van hemels onderwijs, om gevoed te worden met een meer kinderlijk vertrouwen en toegang tot God, en om meer bevrijd te worden van de vrees die pijn heeft. „God breide Japhet uit en hij wone in Sems tenten”, Gen. 9:27. „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart zult verwijd hebben”, Psalm 119:32. Deze verwijding van hun landpalen had de Heere aan Israël gezworen, namelijk dat Hij hun het land zou geven dat Hij hun vaderen beloofd had. En daarom zei Hij: „Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard heeft”; en Hij voegt eraan toe: „Maak de plaats uwer tenten wijd en dat men de gordijnen uwer woning uitbreide; verhinder het niet, maak uw koorden lang en steek uw pinnen vast in”, Jes. 54:1, 2.
Hebt u iets van deze vurige begeerten naar licht, liefde en vrijheid? Verlangt u dat de wereld, hoogmoed, vleselijke lusten, ongeloof en gierigheid uw hart niet in bezit nemen, maar dat u de liefde van Christus mag kennen, die de kennis te boven gaat, om zo vervuld te worden tot al de volheid van God? Dat zijn goede begeerten, die sterk verschillen van de begeerten van de inbeelding en van het praten over vrijheid terwijl men een slaaf van de verdorvenheid is. Het is één ding door het hek te kijken, en iets anders de vruchten van het landgoed te genieten; maar het is veel beter met een begerig verlangen door het hek te kijken dan als een overtreder door de omheining heen te breken. Naar de kist te kijken is nog niet in het bezit gesteld zijn van de akten die erin liggen; maar het is beter te wachten en te vragen om de sleutel van David dan de kist open te breken en de oorkonden te stelen. En wie op het smalle, smalle pad tussen luiheid en inbeelding gehouden wordt, zal op bepaalde tijden met Jabez uitroepen: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!”
Aan de lezer…
Lezer, voelt u zich vaak eng en ineengekrompen, alsof uw weide maar een smal strookje is? U durft niet te spreken over wat u niet bevonden hebt, en het kwetst uw geweten als u zich de bevinding van een ander toe-eigent. Dat is geen zwakheid, maar tederheid. Uw eigen deel is u met het richtsnoer toegemeten, en ook in die kleine ruimte is voedsel genoeg.
Toch mag u met heel uw hart begeren dat uw landpalen verwijd worden: meer licht, meer leven, meer geloof en liefde, meer vrijheid van de vrees die pijn heeft. Het is beter met een begerig hart door het hek te kijken dan als een overtreder door de omheining heen te breken. Blijf dan op het smalle pad tussen luiheid en inbeelding, en roep met Jabez: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!” De Heere hoort zo’n gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And enlarge my coast.
1 Chronicles 4:10
A coast means a boundary line such as divides one territory from another, or terminates a country, as the sea coast is the boundary of our island. Every quickened soul has a coast; that is, a territory of inward experience, which is limited and bounded by the line that the Holy Spirit has drawn in his conscience. As the Lord divided the tribes, to cast their inheritance by line (Psalm 78:55), so has He cast the lot for every vessel of mercy, and His hand has divided it unto them by line (Isaiah 34:17).
This is as it were the tether which fastens down every quickened soul to his own appointed portion of inward experience. Within this tether he may walk, feed, and lie down. It is “the food convenient for him,” the strip of pasture allotted him. He cannot, he dare not break this tether, which is fastened round a tender conscience, and every stretching forth beyond his measure to boast in another man’s line of things, cuts into and galls this tender conscience.
But the living soul cannot but earnestly desire to have his coast enlarged. He wants more light, more life, more feeling, more liberty, more knowledge of God in Christ, more faith, hope, and love, and to have his narrow, contracted, shut-up heart enlarged in prayer, in meditation, in communion, in affection to the people of God.
He is not satisfied with the scanty pasture allotted him, but wants a larger measure of heavenly teaching, to be indulged with more filial confidence in, and access unto God, and be more delivered from that fear which has torment. “God shall enlarge Japheth, and he shall dwell in the tents of Shem” (Gen. 9:27). “I will run the way of your commandments, when you shall enlarge my heart” (Psalm 119:32).
This enlargement of their border the Lord had sworn to Israel, and to give them all the land which He had promised unto their fathers; and therefore when He had said, “Sing, O barren, you that did not bear,” He adds, “enlarge the place of your tent, and let them stretch forth the curtains of your habitations; spare not, lengthen your cords, and strengthen your stakes” (Isaiah 54:1, 2).
Have you any of these fervent desires after light, love, and liberty, that the world, pride, lust, unbelief, covetousness, and carnality may not shut up your heart, but that you may know the love of Christ that passes knowledge, so as to be filled with all the fullness of God? These are good desires, and very different from rushing presumptuously forward, and chattering about liberty while you are slaves of corruption. It is one thing to look through the park gates, and another to enjoy the estate; but it is far better to look through the gates with wishful desires, than to break down the fence as a trespasser. To look upon the coffer is not to be put into possession of the writings, but it is better to wait and cry for the key of David than break it open, and steal the deeds. And he that is kept in the narrow, narrow path between sloth and presumption will be at solemn seasons crying out with Jabez, “O that you would enlarge my coast!”
To the reader…
Dear reader, do you often feel narrow and shrunken, as though your pasture were only a small strip? You dare not speak of what you have not experienced, and it wounds your conscience when you lay claim to someone else’s experience. That is not weakness, but tenderness. Your own portion has been measured out to you by line, and even in that small space there is food enough.
Yet you may desire with all your heart that your coast be enlarged: more light, more life, more faith and love, more freedom from the fear that hath torment. It is better to look through the gate with a longing heart than to break through the fence as a trespasser. Keep, then, to the narrow path between sloth and presumption, and cry out with Jabez, “Oh that Thou wouldest enlarge my coast!” The Lord hears such a prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ensancharas mi término.
1 Crónicas 4:10
Un término significa una línea de límite, como la que divide un territorio de otro o pone fin a un país, así como la costa del mar es el límite de nuestra isla. Toda alma vivificada tiene un término; es decir, un territorio de experiencia interior, que está limitado y cercado por la línea que el Espíritu Santo ha trazado en su conciencia. Así como el Señor repartió a las tribus su herencia con cuerdas (Salmo 78:55), así ha echado Él las suertes para cada vaso de misericordia, y Su mano les ha repartido su porción con cordel (Isaías 34:17).
Esta es, por así decirlo, la soga que ata a cada alma vivificada a su propia porción señalada de experiencia interior. Dentro del alcance de esta soga puede andar, pacer y echarse. Es “el pan que le es necesario”, la franja de pasto que le ha sido asignada. No puede, no se atreve a romper esta soga, que está atada alrededor de una conciencia tierna; y todo extenderse más allá de su medida para gloriarse en la regla de otro corta y lastima esta conciencia tierna.
Pero el alma viviente no puede sino desear ardientemente que su término sea ensanchado. Quiere más luz, más vida, más sentimiento, más libertad, más conocimiento de Dios en Cristo, más fe, esperanza y amor, y que su corazón estrecho, encogido y cerrado sea ensanchado en la oración, en la meditación, en la comunión y en el afecto hacia el pueblo de Dios.
No se contenta con el escaso pasto que le ha sido asignado, sino que desea una medida mayor de enseñanza celestial, ser favorecido con más confianza filial en Dios y más acceso a Él, y ser más librado de aquel temor que tiene pena. “Engrandezca Dios a Jafet, y habite en las tiendas de Sem” (Gén. 9:27). “Por el camino de Tus mandamientos correré, cuando ensanchares mi corazón” (Salmo 119:32).
Este ensanchamiento de su frontera el Señor lo había jurado a Israel, y también darle toda la tierra que había prometido a sus padres; y por eso, cuando había dicho: “Alégrate, oh estéril, la que no paría”, añade: “Ensancha el sitio de tu cabaña, y las cortinas de tus tiendas sean extendidas; no seas escasa; alarga tus cuerdas, y fortifica tus estacas” (Isaías 54:1, 2).
¿Tiene usted algunos de estos deseos fervientes de luz, amor y libertad, para que el mundo, el orgullo, la concupiscencia, la incredulidad, la avaricia y la carnalidad no cierren su corazón, sino que conozca el amor de Cristo que excede a todo conocimiento, para ser lleno de toda la plenitud de Dios? Estos son buenos deseos, y muy diferentes de lanzarse presuntuosamente hacia adelante y parlotear de libertad mientras uno es esclavo de la corrupción. Una cosa es mirar a través de las verjas del parque, y otra disfrutar de la finca; pero es mucho mejor mirar a través de las verjas con deseos anhelantes que derribar la cerca como un intruso. Mirar el cofre no es ser puesto en posesión de los documentos, pero es mejor esperar y clamar por la llave de David que forzarlo y robar las escrituras. Y el que es guardado en la senda estrecha, muy estrecha, entre la pereza y la presunción, clamará en tiempos solemnes con Jabes: “¡Oh, si ensancharas mi término!”
Al lector…
Querido lector, ¿se siente a menudo estrecho y encogido, como si su pasto fuera solo una pequeña franja? No se atreve a hablar de lo que no ha experimentado, y le hiere la conciencia cuando se atribuye la experiencia de otro. Eso no es debilidad, sino ternura. Su propia porción le ha sido medida con cordel, y aun en ese pequeño espacio hay alimento suficiente.
Con todo, puede desear de todo corazón que su término sea ensanchado: más luz, más vida, más fe y amor, más libertad del temor que tiene pena. Es mejor mirar a través de la verja con un corazón anhelante que atravesar la cerca como un intruso. Manténgase, pues, en la senda estrecha entre la pereza y la presunción, y clame con Jabes: “¡Oh, si ensancharas mi término!” El Señor oye tal oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl