Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 4 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Vandaag

2 min. lezen

Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste; tot God, Die het aan mij voleinden zal.
Psalm 57:3

In het woord „Allerhoogste” ligt voor mij iets veelbetekenends. Tot „God, de Allerhoogste” stijgen uit verbroken harten, van alle delen der wereld waar de Heere een levend gemaakt volk heeft, gebeden op. Op „God de Allerhoogste” zijn alle ogen gericht; alle harten gevestigd; vloeit elke verzuchting uit elk levend gemaakt hart. Jezus zit in heerlijkheid als „God de Allerhoogste”, horende de zuchten en het geroep van Zijn kinderen dat uit een verbroken hart tot Hem opstijgt, op welke uithoek der aarde zij zich ook mogen bevinden; en Hij zit niet alleen in de hoge om hun geroep te horen, maar ook om hun de zegeningen te schenken waarvan Hij weet dat elk die in zijn toestand en staat nodig heeft.

Wanneer nu zullen wij tot „God de Allerhoogste” komen? Wanneer wij over onszelf voldaan zijn? Wanneer de wereld ons toelacht? Wanneer wij in omstandigheden verkeren waarvoor onze wijsheid, onze kracht, onze gerechtigheid ruimschoots voldoende zijn? Wij mogen onder zulke omstandigheden ons geweten door het gebed, of liever door de vorm van gebed, bevredigen; maar er is geen roepen tot „God de Allerhoogste”. Voordat er een wezenlijke, geestelijke kreet opstijgt, moeten wij gebracht worden tot die plaats: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).

Op deze plaats werden al de heiligen van ouds gebracht: Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed, Hanna bij de deur des tempels. Allen waren hopeloos, hulpeloos, zonder woning, zonder schuilplaats, vóórdat zij riepen tot „God de Allerhoogste”. En ook wij moeten zonder schuilplaats, zonder woning zijn, vóórdat wij hetzelfde kunnen roepen, of vóórdat onze gebeden ingang vinden in de oren des Heeren Zebaoth: „Tot God, Die het aan mij voleinden zal.”

Ik hef tot U, die in de hemel zit,
mijn ogen op en bid.
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
om nooddruft te begeren,
en ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo slaan wij ’t oog op onze Heer, tot Hij
ook ons genadig zij.

Ps. 123:1

Aan de lezer…

Hebt u, waarde lezer, wellicht lang gebeden met niet meer dan de vorm van gebed, om uw geweten tevreden te stellen, zolang de wereld u toelachte en uw eigen wijsheid en kracht u voldoende schenen? En bent u nu op die plaats gebracht waar geen ontvlieden meer is en niemand voor uw ziel zorgt? Dan is dat een harde plaats, maar geen verloren plaats. Ook Job op zijn mesthoop, Hiskia op zijn bed en Hanna bij de deur des tempels waren daar, hopeloos en hulpeloos, eer zij riepen.

Juist daar wordt het roepen wezenlijk. Jezus zit in heerlijkheid en hoort de zuchten van Zijn kinderen op welke uithoek der aarde zij zich ook bevinden, en Hij weet wat elk in zijn toestand nodig heeft. Roep dan tot God, de Allerhoogste, en houd u vast aan dit woord: Hij is het Die het aan u voleinden zal.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl