17 april
Leid mij in Uw waarheid en leer mij.
Psalm 25:5
Welke beweegredenen doen ons gewoonlijk de waarheid, zoals zij in Jezus is, omhelzen? Allereerst meestal omdat wij haar als een leerstelsel aannemen, daar het oordeel meer of minder onderricht is en de ogen en het verstand verlicht zijn geworden om het Woord te verstaan. De leerstelling moge voor enige tijd in onze gedachten zweven, doch daarna, als de Heere ons meer leidt in de kennis van ons eigen hart en een dieper gevoel van onze noden schenkt, dan laat Hij de waarheid van ons hoofd neerdalen in ons hart, en dan wordt ze waarheid. Het is zeer zoet het leerstellige als waarheid te mogen bevinden. Maar na enige tijd behoeven wij meer dan de waarheid; wij hebben behoefte aan een zegen.
Wanneer wij in drukkende omstandigheden en zware, beproevende wegen gebracht worden, dan hebben wij nodig dat het leerstellige, dat wij eerst in ons hart als waarheid aannamen, nu door Goddelijke toepassing aan onze ziel gezegend wordt. Dus hetgeen wij eerst in ons verstand als leerstellig kenden, wordt naderhand als waarheid in onze consciëntie aangenomen en dan in ons hart als een zegen gekend. En zo vinden wij Gods Woord en eten het op, tot blijdschap en verheuging onzes harten.
Zo is het ten opzichte van Christus’ hemelvaart. Eerst ontvangen wij deze als een leerstelling, als een groot en heerlijk deel van het plan der zaligheid; dan beginnen wij te zien, als wij meer en meer in de kennis daarvan worden ingeleid, wat een wondervolle waarheid het is een Middelaar te hebben aan de rechterhand Gods; een Voorspraak te hebben, pleitende door de kracht van Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigende gerechtigheid, voor arme, nooddruftige, schuldige zielen. Dit haalt het geloof, de hoop en de liefde van het hart uit tot deze verhoogde en tussentredende Middelaar. En wanneer dan de Geest des Heeren de kracht en werkzaamheid van deze heerlijke Middelaar in de schuldige consciëntie openbaart, dan wordt de waarheid een rijke, zalvende en zoete zegen.
Wij zijn ver van de bevinding af als wij de leerstellingen der genade verstoten, want deze alleen leiden de ziel in een levendige bevinding; en wij mogen evenzeer geloven ons leven te redden door de beenderen uit ons lichaam te trekken, als dat wij een zegen voor onze ziel zouden ontvangen door deze leerstellingen te loochenen. Ja, wij gevoelen dagelijks een diepe behoefte aan de leerstellingen, wanneer zij in ons hart door Goddelijke kracht worden ingedrukt. Wij gevoelen ze meer als stut en steun onzer ziel dan wanneer mijn arm in een opgeheven stand gestut en ondersteund wordt door de beenderen die God erin geschapen heeft.
Aan de lezer…
Kent u de waarheid wel, lezer, maar mist u de zegen? Zijn de leerstellingen der genade u bekend en dierbaar, en toch voelt u in drukkende omstandigheden een leegte die door weten alleen niet gevuld wordt? Werp de waarheid dan niet weg, want zij is de stut en steun van uw ziel. Maar bid wel dat zij van uw hoofd mag neerdalen in uw hart en daar door Goddelijke toepassing gezegend wordt.
Denk aan de Middelaar aan de rechterhand Gods. Eerst kent men Hem als een heerlijk deel van het plan der zaligheid; maar wanneer de Geest Zijn kracht in een schuldige consciëntie openbaart, dan wordt het een rijke, zalvende en zoete zegen dat Hij voor arme, nooddruftige zielen pleit door de kracht van Zijn bloed. Maak dan de bede van deze psalm tot de uwe: „Leid mij in Uw waarheid en leer mij.” Die bede komt uit een behoeftig hart, en zo’n hart laat Hij niet ledig.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Leid mij in Uw waarheid en leer mij.
Psalm 25:5
Wat brengt ons er gewoonlijk toe de waarheid, zoals zij in Jezus is, te omhelzen? Meestal nemen wij haar eerst aan als een leerstelsel, omdat ons oordeel min of meer onderwezen is en onze ogen en ons verstand verlicht zijn om het Woord te verstaan. De leer kan een tijdlang in onze gedachten blijven zweven. Maar daarna, wanneer de Heere ons verder leidt in de kennis van ons eigen hart en ons een dieper besef van onze nood geeft, laat Hij de waarheid van ons hoofd neerdalen in ons hart, en dan wordt zij waarheid. Het is zeer zoet om de leer als waarheid te mogen ervaren. Maar na een tijd hebben wij meer nodig dan de waarheid; wij hebben behoefte aan een zegen.
Wanneer wij in drukkende omstandigheden en op zware, beproevende wegen worden gebracht, dan hebben wij nodig dat de leer, die wij eerst in ons hart als waarheid aannamen, nu door Goddelijke toepassing aan onze ziel gezegend wordt. Wat wij eerst met ons verstand als leer kenden, wordt dus later als waarheid in ons geweten aangenomen en daarna in ons hart als een zegen gekend. En zo vinden wij Gods Woord en eten het op, tot vreugde en blijdschap van ons hart.
Zo is het ook met de hemelvaart van Christus. Eerst ontvangen wij die als een leerstuk, als een groot en heerlijk deel van het plan van de zaligheid. Daarna, wanneer wij er steeds verder in worden ingeleid, beginnen wij te zien wat een wonderlijke waarheid het is een Middelaar te hebben aan de rechterhand van God: een Voorspraak Die door de kracht van Zijn verzoenend bloed en Zijn rechtvaardigende gerechtigheid pleit voor arme, nooddruftige, schuldige zielen. Dit trekt het geloof, de hoop en de liefde van het hart uit naar deze verhoogde en voorbiddende Middelaar. En wanneer de Geest van de Heere dan de kracht en werkzaamheid van deze heerlijke Middelaar in het schuldige geweten openbaart, wordt de waarheid een rijke, zalvende en zoete zegen.
Wij zijn ver van de bevinding af wanneer wij de leer van de genade verwerpen, want alleen die leidt de ziel in een levende bevinding. Wij zouden evengoed kunnen denken ons leven te redden door de botten uit ons lichaam te trekken, als dat wij een zegen voor onze ziel zouden ontvangen door deze leerstukken te loochenen. Ja, wij voelen dagelijks een diepe behoefte aan de leer, wanneer die door Goddelijke kracht in ons hart wordt gedrukt. Wij voelen haar meer als stut en steun van onze ziel dan ik voel hoe mijn arm, wanneer ik hem opgeheven houd, gestut en ondersteund wordt door de botten die God erin geschapen heeft.
Aan de lezer…
Kent u de waarheid wel, maar mist u de zegen? Is de leer van de genade u bekend en dierbaar, en voelt u in drukkende omstandigheden toch een leegte die door weten alleen niet gevuld wordt? Werp de waarheid dan niet weg, want zij is de stut en steun van uw ziel. Maar bid wel dat zij van uw hoofd mag neerdalen in uw hart en daar door Goddelijke toepassing gezegend wordt.
Denk aan de Middelaar aan de rechterhand van God. Eerst kent men Hem als een heerlijk deel van het plan van de zaligheid; maar wanneer de Geest Zijn kracht in een schuldig geweten openbaart, wordt het een rijke, zalvende en zoete zegen dat Hij voor arme, nooddruftige zielen pleit door de kracht van Zijn bloed. Maak dan de bede van deze psalm tot de uwe: „Leid mij in Uw waarheid en leer mij.” Die bede komt uit een behoeftig hart, en zo’n hart laat Hij niet leeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Lead me in Thy truth, and teach me.”
Psalm 25:5
By what steps do we usually embrace the truth as it is in Jesus? First of all, for the most part, we receive it as a doctrine; the judgment being more or less informed, the eyes of the understanding being enlightened to see it in the Word. The doctrine for some time may be floating in our mind; but after a time, as the Lord leads us more into a knowledge of our own hearts, and into a deeper feeling of our necessities, He lets down the truth from our head into the heart, and it then becomes a truth. It is very sweet to have a doctrine turned into a truth.
But after a time, we need something more than a truth; we need it as a blessing. When we are brought into pressing straits and severe trials, we need the doctrines which we first received into our minds as truths, now to be blessed by a divine application to our souls. Thus, what we first knew in our judgments as a doctrine, is afterwards received in our conscience as a truth, and then is applied to our very heart of hearts as a blessing; and so we find God’s Word, and eat it, to the joy and rejoicing of our souls.
Thus it is with respect to Christ’s ascension. We receive it first as a doctrine, as a great and glorious part of the scheme of salvation; then we begin to see, as we are led, more and more into a knowledge of it, what a wonderful truth it is, to have a Mediator at the right hand of God; to have an Intercessor pleading by the efficacy of His atoning blood and justifying righteousness, for poor, needy, guilty souls. This draws out the faith, hope, and love of the heart to this ascended and interceding Mediator; and then, as the Lord the Spirit reveals the virtue and efficacy of this glorious Mediator in the guilty conscience, the truth becomes a rich, unctuous, and savory blessing.
So that so far from experience casting out the doctrines of grace, it only leads the soul into a vital acquaintance with them; and we might as well think of saving our lives by drawing the bones out of our body, as of blessing our souls by casting out the doctrines of grace; yes, we daily feel more deeply the need of the doctrines being brought into our heart by divine power; we feel them more to be the stay and support of our soul, as my arm when raised is stayed and supported by the bones which God has placed there.
To the reader…
Do you know the truth well, yet miss the blessing? Is the doctrine of grace known and dear to you, and yet in pressing circumstances do you feel an emptiness that knowing alone cannot fill? Then do not throw the truth away, for it is the stay and support of your soul. But do pray that it may come down from your head into your heart and be blessed there by divine application.
Think of the Mediator at the right hand of God. At first one knows Him as a glorious part of the plan of salvation; but when the Spirit reveals His power in a guilty conscience, it becomes a rich, unctuous and sweet blessing that He pleads for poor, needy souls by the virtue of His blood. Make the prayer of this psalm your own, then: “Lead me in Thy truth, and teach me.” That prayer comes from a needy heart, and such a heart He does not leave empty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Encamíname en Tu verdad, y enséñame.
Salmo 25:5
¿Por qué pasos solemos abrazar la verdad como está en Jesús? Ante todo, por lo general, la recibimos como una doctrina; el juicio es más o menos informado, los ojos del entendimiento son alumbrados para verla en la Palabra. La doctrina puede estar flotando por algún tiempo en nuestra mente; pero después de un tiempo, a medida que el Señor nos lleva más al conocimiento de nuestro propio corazón y a un sentir más hondo de nuestras necesidades, hace descender la verdad de nuestra cabeza al corazón, y entonces se convierte en una verdad. Es muy dulce que una doctrina se convierta en una verdad.
Pero después de un tiempo necesitamos algo más que una verdad; la necesitamos como una bendición. Cuando somos llevados a apuros apremiantes y a pruebas severas, necesitamos que las doctrinas que primero recibimos en nuestra mente como verdades sean ahora bendecidas por una aplicación divina a nuestra alma. Así, lo que primero conocimos en nuestro juicio como una doctrina, es recibido después en nuestra conciencia como una verdad, y luego es aplicado a lo más íntimo de nuestro corazón como una bendición; y así hallamos la Palabra de Dios, y la comemos, para gozo y alegría de nuestra alma.
Así ocurre con respecto a la ascensión de Cristo. La recibimos primero como una doctrina, como una parte grande y gloriosa del plan de salvación; luego comenzamos a ver, a medida que somos llevados más y más a su conocimiento, qué verdad tan maravillosa es tener un Mediador a la diestra de Dios; tener un Intercesor que aboga, por la eficacia de Su sangre expiatoria y de Su justicia justificadora, por almas pobres, necesitadas y culpables. Esto saca la fe, la esperanza y el amor del corazón hacia este Mediador ascendido e intercesor; y luego, cuando el Señor el Espíritu revela la virtud y la eficacia de este glorioso Mediador en la conciencia culpable, la verdad se convierte en una bendición rica, llena de unción y sabrosa.
De modo que, lejos de desechar la experiencia las doctrinas de la gracia, solo conduce al alma a un conocimiento vital de ellas; y tanto valdría pensar en salvar nuestra vida sacando los huesos de nuestro cuerpo, como en bendecir nuestra alma desechando las doctrinas de la gracia; sí, cada día sentimos más profundamente la necesidad de que las doctrinas sean traídas a nuestro corazón por poder divino; las sentimos más como el apoyo y sostén de nuestra alma, así como mi brazo, cuando está levantado, es apoyado y sostenido por los huesos que Dios ha puesto allí.
Al lector…
¿Conoce usted bien la verdad y, sin embargo, echa de menos la bendición? ¿Le es conocida y querida la doctrina de la gracia y, aun así, en circunstancias apremiantes siente un vacío que el solo saber no puede llenar? Entonces no deseche la verdad, porque es el apoyo y sostén de su alma. Pero ore para que descienda de su cabeza a su corazón y sea bendecida allí por aplicación divina.
Piense en el Mediador a la diestra de Dios. Al principio uno lo conoce como una parte gloriosa del plan de salvación; pero cuando el Espíritu revela Su poder en una conciencia culpable, se convierte en una bendición rica, llena de unción y dulce que Él abogue por almas pobres y necesitadas por la virtud de Su sangre. Haga suya, pues, la oración de este salmo: “Encamíname en Tu verdad, y enséñame.” Esa oración brota de un corazón necesitado, y a un corazón así Él no lo deja vacío.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl