15 april
Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht.
Efeze 5:13
Gevoel is de eerste gewaarwording van het bovennatuurlijk leven. Een gevoel, vergezeld van twee onderscheiden indrukken: de ene met opzicht op God, en de andere met opzicht op zichzelf. Dezelfde lichtstraal stelt twee tegenover elkander staande dingen in het licht; want al wat openbaar maakt is licht. En de zondaar ziet op één en hetzelfde ogenblik God en zichzelf, rechtvaardigheid en schuld, kracht en hulpeloosheid, een heilige wet en een verbroken gebod, eeuwigheid en tijd, de reinheid van de Schepper en de onreinheid van het schepsel. En deze dingen ziet hij niet slechts als geopenbaard in de Bijbel, maar als geopenbaard in zichzelf, als persoonlijke werkelijkheden, begrijpende in zich al zijn geluk of al zijn ellende in de tijd en in de eeuwigheid.
Dus is het met hem alsof hem een nieuw bestaan is medegedeeld, en alsof hij voor het eerst beseft had dat er een God is. Een straal van dit bovennatuurlijke licht, dringende door het deksel dat over het hart is uitgespreid, heeft dit vreselijke geheim ontdekt: een rechtvaardig God, Die geenszins de schuld door de vingers ziet. Deze doordringende straal brengt aan het licht dat het bed te kort en het deksel te smal is. Een plotselinge, bijzondere overtuiging werpt zich in de ziel. Deze dingen nemen alle gedachten in beslag en bijna alle andere dingen worden uitgebannen.
„Er is een God en ik ben een zondaar voor Hem,” wordt op de tafel des harten geschreven, door dezelfde vinger die de noodlottige letteren schreef op de muur van het paleis van de koning van Babel; een geschrift dat de banden zijner lendenen los maakte en zijn knieën tegen elkander deed aanstoten (Dan. 5:5, 6). Wat zal ik beginnen? Waar zal ik mij henen wenden? Wat zal er van mij worden? Gena, o God! Gena, gena! Ik ben verloren; ik verga! Monster dat ik ben! Ik heb mijn ziel verwoest; o mijn zonden, mijn zonden! O eeuwigheid, eeuwigheid!
Zulke en dergelijke uitroepen en gejammer, ofschoon in de diepte en hevigheid verschillend, stijgen uit de wedergeboren ziel bij de eerste ontdekking van God en zichzelf bijna dag en nacht op. Deze gewaarwordingen hebben het gehele hart zodanig ingenomen, dat het geen rust vinden kan dan alleen in het roepen tot God. Dit is het eerste doorbreken van de knop door de bast, de eerste vorming van de groene spruit, alsnog in haar bladeren ingewikkeld en nog niet zichtbaar. Dit zijn de eerste smarten en weeën der nieuwe geboorte, vóór het bericht wordt uitgezonden: „Er is een jongen geboren.” „Wat moet ik doen om zalig te worden?” riep de stokbewaarder uit. „O God! wees mij zondaar genadig!” schreeuwde de tollenaar. „Wee mij, want ik verga!” zo stortte Jesaja zijn klacht uit.
Aan de lezer…
Is het u misschien, lezer, alsof de grond onder u wegzakt nu u God en uzelf in hetzelfde licht ziet? Een rechtvaardig God, Die de schuld niet door de vingers ziet, en een hart dat u nooit zo vuil hebt gekend? Ontdekt u dat het bed te kort en het deksel te smal is, en vindt u geen rust dan alleen in het roepen: „Gena, o God”? Schrik daar niet van alsof het een teken van verwerping is.
Want al wat openbaar maakt is licht, en dat licht komt van boven. Een dood hart voelt dit niet en roept niet. Wat u nu doormaakt, kan het eerste doorbreken van de knop door de bast zijn, de eerste smarten van de nieuwe geboorte. Blijf dan roepen met de tollenaar: „O God, wees mij zondaar genadig!” Die u Zijn heiligheid en uw schuld heeft doen zien, heeft dat niet gedaan om u in de nacht te laten, maar om u te leren roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht.
Efeze 5:13
Gevoel is de eerste gewaarwording van het bovennatuurlijke leven. Het is een gevoel dat gepaard gaat met twee verschillende indrukken: de ene met betrekking tot God, de andere met betrekking tot zichzelf. Dezelfde lichtstraal zet twee tegenover elkaar staande dingen in het licht, want al wat openbaar maakt is licht. Op één en hetzelfde ogenblik ziet de zondaar God en zichzelf, rechtvaardigheid en schuld, kracht en hulpeloosheid, een heilige wet en een overtreden gebod, eeuwigheid en tijd, de reinheid van de Schepper en de onreinheid van het schepsel. En deze dingen ziet hij niet alleen als geopenbaard in de Bijbel, maar als geopenbaard in zichzelf, als persoonlijke werkelijkheden, waarin al zijn geluk of al zijn ellende in de tijd en in de eeuwigheid besloten ligt.
Het is voor hem dan alsof hem een nieuw bestaan is gegeven, en alsof hij voor het eerst beseft dat er een God is. Een straal van dit bovennatuurlijke licht is door het deksel heen gedrongen dat over het hart ligt uitgespreid, en heeft dit vreselijke geheim ontdekt: een rechtvaardig God, Die de schuld geenszins door de vingers ziet. Deze doordringende straal brengt aan het licht dat het bed te kort is en het deksel te smal. Een plotselinge, bijzondere overtuiging grijpt de ziel aan. Deze dingen nemen alle gedachten in beslag en bijna al het andere wordt verdrongen.
„Er is een God en ik ben een zondaar voor Hem,” wordt op de tafel van het hart geschreven, door dezelfde vinger die de noodlottige letters schreef op de muur van het paleis van de koning van Babel; een schrift dat de banden van zijn lendenen losmaakte en zijn knieën tegen elkaar deed slaan (Dan. 5:5, 6). Wat moet ik beginnen? Waar moet ik heen? Wat zal er van mij worden? Genade, o God! Genade, genade! Ik ben verloren; ik verga! Wat een gruwel ben ik! Ik heb mijn ziel verwoest; o, mijn zonden, mijn zonden! O eeuwigheid, eeuwigheid!
Zulke en soortgelijke uitroepen en klachten, al verschillen zij in diepte en hevigheid, stijgen bij de eerste ontdekking van God en zichzelf bijna dag en nacht op uit de wedergeboren ziel. Deze gewaarwordingen hebben het hele hart zo in beslag genomen dat het nergens rust kan vinden dan alleen in het roepen tot God. Dit is het eerste doorbreken van de knop door de bast, de eerste vorming van de groene spruit, nog in haar bladeren gewikkeld en nog niet zichtbaar. Dit zijn de eerste smarten en weeën van de nieuwe geboorte, voordat het bericht uitgaat: „Er is een jongen geboren.” „Wat moet ik doen om zalig te worden?” riep de stokbewaarder uit. „O God! wees mij zondaar genadig!” riep de tollenaar. „Wee mij, want ik verga!” zo stortte Jesaja zijn klacht uit.
Aan de lezer…
Is het u misschien alsof de grond onder u wegzakt nu u God en uzelf in hetzelfde licht ziet? Een rechtvaardig God, Die de schuld niet door de vingers ziet, en een hart dat u nooit zo vuil hebt gekend? Ontdekt u dat het bed te kort is en het deksel te smal, en vindt u geen rust dan alleen in het roepen: „Genade, o God”? Schrik daar niet van alsof het een teken van verwerping is.
Want al wat openbaar maakt is licht, en dat licht komt van boven. Een dood hart voelt dit niet en roept niet. Wat u nu doormaakt, kan het eerste doorbreken van de knop door de bast zijn, de eerste smarten van de nieuwe geboorte. Blijf dan roepen met de tollenaar: „O God, wees mij zondaar genadig!” Hij Die u Zijn heiligheid en uw schuld heeft laten zien, heeft dat niet gedaan om u in de nacht te laten, maar om u te leren roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But all things that are reproved are made manifest by the light: for whatsoever doth make manifest is light.”
Ephesians 5:13
Feeling is the first evidence of supernatural life; a feeling compounded of two distinct sensations, one referring to God, and the other referring to self. The same ray of light has manifested two opposite things, “for that which makes manifest is light;” and the sinner sees at one and the same moment God and self, justice and guilt, power and helplessness, a holy law and a broken commandment, eternity and time, the purity of the Creator and the filthiness of the creature. And these things he sees, not merely as declared in the Bible, but as revealed in himself as personal realities, involving all his happiness or all his misery in time and in eternity.
Thus it is with him as though a new existence had been communicated, and as if for the first time he had found there was a God. One ray of supernatural light, penetrating through the veil spread over the heart, has revealed that dreadful secret—a just God, Who will by no means clear the guilty. This piercing ray has torn away the bed too short, and stripped off the covering too narrow. A sudden, peculiar conviction has rushed into the soul. One absorbing feeling has seized fast hold of it, and well-near banished every other. “There is a God, and I am a sinner before Him,” is written upon the heart by the same divine finger that traced those fatal letters on the palace wall of the king of Babylon, which made the joints of his loins to be loosed, and his knees to smite one against another (Dan. 5:5, 6).
“What shall I do? Where shall I go? What will become of me? Mercy, O God! Mercy, mercy! I am lost, ruined, undone! Fool, madman, wretch, monster that I have been! I have ruined my soul. O my sins, my sins! O eternity, eternity!” Such and similar cries and groans, though differing in depth and intensity, go up out of the new-born soul well-near day and night at the first discovery of God and of itself. These feelings have taken such complete possession of the heart that it can find no rest except in calling upon God.
This is the first pushing of the young bud through the bark, the first formation of the green shoot, wrapped up as yet in its leaves, and not opened to view. These are the first pangs and throes of the new birth, before the tidings are brought, “A man-child is born.” “What shall I do to be saved?” cried the jailer. “God be merciful to me a sinner!” exclaimed the tax-collector. “Woe is me, for I am undone!” burst forth from the lips of Isaiah.
To the reader…
Does it perhaps feel as if the ground is giving way beneath you now that you see God and yourself in the same light? A just God, Who will by no means clear the guilty, and a heart you have never known to be so foul? Do you discover that the bed is too short and the covering too narrow, and do you find no rest except in crying, “Mercy, O God”? Do not be alarmed by it as if it were a sign of rejection.
For whatsoever doth make manifest is light, and that light comes from above. A dead heart does not feel this and does not cry out. What you are going through now may be the first pushing of the bud through the bark, the first pangs of the new birth. Keep on crying, then, with the publican: “God be merciful to me a sinner!” He Who has shown you His holiness and your guilt has not done so to leave you in the night, but to teach you to cry.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas todas las cosas cuando son redargüidas, son manifestadas por la luz; porque lo que manifiesta todo, es la luz.
Efesios 5:13
El sentir es la primera evidencia de la vida sobrenatural; un sentir compuesto de dos sensaciones distintas, una que se refiere a Dios y otra que se refiere al yo. El mismo rayo de luz ha manifestado dos cosas opuestas, “porque lo que manifiesta todo, es la luz”; y el pecador ve en un mismo momento a Dios y a sí mismo, la justicia y la culpa, el poder y la impotencia, una ley santa y un mandamiento quebrantado, la eternidad y el tiempo, la pureza del Creador y la inmundicia de la criatura. Y estas cosas las ve, no meramente como declaradas en la Biblia, sino como reveladas en sí mismo como realidades personales, que implican toda su felicidad o toda su miseria en el tiempo y en la eternidad.
Así le sucede como si se le hubiera comunicado una existencia nueva, y como si por primera vez hubiera descubierto que hay un Dios. Un solo rayo de luz sobrenatural, penetrando a través del velo extendido sobre el corazón, ha revelado aquel terrible secreto: un Dios justo, que de ningún modo tendrá al culpado por inocente. Este rayo penetrante ha arrancado la cama demasiado angosta y ha quitado la cubierta demasiado estrecha. Una convicción repentina y singular ha irrumpido en el alma. Un solo sentir absorbente se ha apoderado firmemente de ella y casi ha desterrado todos los demás. “Hay un Dios, y yo soy un pecador delante de Él”: esto queda escrito en el corazón por el mismo dedo divino que trazó aquellas letras fatales en la pared del palacio del rey de Babilonia, que hicieron que se le desciñeran los lomos y que sus rodillas se batieran la una con la otra (Daniel 5:5, 6).
“¿Qué haré? ¿Adónde iré? ¿Qué será de mí? ¡Misericordia, oh Dios! ¡Misericordia, misericordia! ¡Estoy perdido, arruinado, deshecho! ¡Necio, insensato, miserable, monstruo que he sido! He arruinado mi alma. ¡Oh mis pecados, mis pecados! ¡Oh eternidad, eternidad!” Tales clamores y gemidos, y otros semejantes, aunque difieran en profundidad e intensidad, suben del alma recién nacida casi día y noche en el primer descubrimiento de Dios y de sí misma. Estos sentimientos se han apoderado tan completamente del corazón que este no halla descanso sino en invocar a Dios.
Este es el primer brotar de la yema joven a través de la corteza, la primera formación del retoño verde, envuelto todavía en sus hojas y no abierto a la vista. Estos son los primeros dolores y angustias del nuevo nacimiento, antes de que se traiga la noticia: “Hijo varón ha nacido.” “¿Qué es menester que yo haga para ser salvo?”, clamó el carcelero. “Dios, sé propicio a mí pecador”, exclamó el publicano. “¡Ay de mí, que soy muerto!”, brotó de los labios de Isaías.
Al lector…
¿Le parece quizá que el suelo cede bajo sus pies ahora que ve a Dios y a sí mismo en la misma luz? ¿Un Dios justo, que de ningún modo tendrá al culpado por inocente, y un corazón que nunca había conocido tan inmundo? ¿Descubre que la cama es demasiado angosta y la cubierta demasiado estrecha, y no halla descanso sino en clamar: “Misericordia, oh Dios”? No se alarme por ello como si fuera una señal de rechazo.
Porque lo que manifiesta todo es la luz, y esa luz viene de lo alto. Un corazón muerto no siente esto ni clama. Lo que usted está pasando ahora puede ser el primer brotar de la yema a través de la corteza, los primeros dolores del nuevo nacimiento. Siga, pues, clamando con el publicano: “¡Dios, sé propicio a mí pecador!” Aquel que le ha mostrado Su santidad y su culpa no lo ha hecho para dejarle en la noche, sino para enseñarle a clamar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl