15 januari
De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.
Numeri 6:25
Naar mijn gedachten schijnt hier een zinspeling op de zon te zijn. Als de zon niet is opgegaan, dus beneden de horizon is, moet het vanzelf donker zijn. Zo is het ook met menige begenadigde ziel; het is bij haar donker, een middernachtelijke, Egyptische duisternis; tastbare duisternis, omdat voor het ogenblik de Morgenster nog niet verschenen is, noch de Zon der gerechtigheid is opgegaan, die genezing heeft onder haar vleugelen. Het zal en moet donker zijn met haar totdat de Zon is opgegaan.
Maar nadat de zon is opgegaan, zien wij haar somtijds niet, want wolken, zwarte wolken, kunnen dit heldere licht soms de gehele dag verduisteren, zodat er geen enkele straal door komt, de gehele tijd dat zij boven de horizon staat. Zo wedervaart het menig kind des Heeren. Nadat de Zon voor hen is opgegaan in de morgen van het geestelijk leven, moeten zij misschien wel voor hun volgend leven in een duistere wolk verkeren, totdat mogelijk ten tijde des avonds het licht verschijnt en een scheidende zonnestraal de stervenspeluw verguldt. Maar soms ook komen er dagen dat de mistwolken zich snel over de heldere dag uitspreiden, en toch blikt de zon nu en dan door de brekende wolken heen.
Is dit niet enigermate een zinnebeeld van de weg waarin de Zon der gerechtigheid voortdurend verduisterd wordt door de mistwolken en dampen, die uit ons ongelovig hart opstijgen? Verborgen voor het gezicht door twijfel en vrees, evenals de mistbanken in de dalen de schoonheid van het landschap kunnen verbergen. En toch zijn er tijden dat de Zon der gerechtigheid door de wolken heen blikt en de mist verdrijft. Wanneer het de Heere behaagt de ziel te zegenen en Hij komt met een enigszins zoete openbaring, dan breekt de Zon door de donkere wolken heen, doch zij sluiten zich daarna bij vernieuwing toe.
Het is niet de bevinding van de christen, dat het de gehele dag zomer is. Wij leven namelijk niet in Australië of Peru, waar zelden wolken of mistdampen het licht van de zon verduisteren. Ons geestelijk klimaat is vochtig en onze inwendige ligging op de Noorderbreedte.
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” Is de Heere dan souverein in deze zaken? Kunnen wij niet onze hand opheffen en de wolk doen verdwijnen? Wij hebben net zo min vermogen onze hand uit te strekken om de dampen te doen verdwijnen, als wij vermogen hebben om de Londense mist te doen opklaren. En dit juist zet het schepsel op zijn rechte plaats! En het schepsel is dan eerst op zijn rechte plaats, als het niets is en God alles.
Hoe dierbaar is het, het aangezicht van de Vader te zien, en dat in de betoning van Zijn gunst; niet bedekt met dreigende wolken van rechtvaardig ongenoegen, zoals wij somtijds in de natuur een dreigende zon waarnemen, die boos nederblikt en wind en storm voorspelt. Wij hebben ons Zijn rechtvaardig ongenoegen op de hals gehaald, en hoewel Hij niet boos is op een ieder van Zijn kinderen, toch is Hij rechtmatig vertoornd over hun zonden. En wij voelen het in onze ziel, dat dit daarom Zijn aangezicht voor ons doet bedekken. „Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed door kwam” (Klaagl. 3:44).
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij Zijn aangezicht over u laat schijnen, dan zal ook uw aangezicht lichten. Zo was het met Mozes, toen hij op de berg was en een zoete gemeenschap met God oefende. Toen hij onder het volk wederkeerde, blonk zijn aangezicht. De heerlijkheid Gods weerspiegelde erop. En als de Heere Zijn aangezicht over u laat lichten, dan zal uw aangezicht niet anders dan dat van Mozes zijn, wanneer u zich begeeft onder het volk van God.
Aan de lezer…
Merkt u dat het donker is in uw ziel? Hangen er zware wolken van twijfel en vrees tussen u en de Heere, zodat u nauwelijks een straal van Zijn licht ontwaart? Weet dan dat dit niet vreemd is voor Gods kinderen. Ons geestelijk klimaat is vochtig; het is niet de gehele dag zomer. En u kunt de wolken niet met eigen hand wegschuiven. Dat zet het schepsel op zijn rechte plaats: niets te zijn, opdat God alles zij.
Maar achter de wolken schijnt de Zon der gerechtigheid nog. Wanneer het de Heere behaagt, breekt Hij erdoorheen, al is het maar voor een ogenblik. Leg uw schuld en uw zonden eerlijk voor Hem neer en wacht op Hem. Bid dan voor uzelf wat het oude zegenwoord vraagt: „De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij dat doet, zal ook uw aangezicht ervan stralen onder Zijn volk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.
Numeri 6:25
Naar mijn gedachten wordt hier gezinspeeld op de zon. Als de zon niet is opgegaan en dus onder de horizon staat, moet het vanzelf donker zijn. Zo is het ook met menige begenadigde ziel: het is bij haar donker, een middernachtelijke, Egyptische duisternis, een tastbare duisternis, omdat op dat ogenblik de Morgenster nog niet verschenen is en de Zon der gerechtigheid, die genezing heeft onder haar vleugelen, nog niet is opgegaan. Het zal en moet donker bij haar zijn totdat de Zon is opgegaan.
Maar ook nadat de zon is opgegaan, zien wij haar soms niet, want wolken, zwarte wolken, kunnen dit heldere licht soms de hele dag verduisteren, zodat er geen enkele straal doorkomt, de hele tijd dat zij boven de horizon staat. Zo vergaat het menig kind van de Heere. Nadat de Zon voor hen is opgegaan in de morgen van het geestelijk leven, moeten zij misschien wel de rest van hun leven onder een donkere wolk doorbrengen, totdat misschien tegen de avond het licht verschijnt en een laatste zonnestraal het sterfbed verguldt. Maar soms komen er ook dagen waarop de mistwolken zich snel over de heldere dag uitspreiden, en toch kijkt de zon zo nu en dan door de brekende wolken heen.
Is dit niet in zekere mate een beeld van de manier waarop de Zon der gerechtigheid steeds weer verduisterd wordt door de mistwolken en dampen die uit ons ongelovig hart opstijgen? Hij wordt aan het oog onttrokken door twijfel en vrees, zoals de mistbanken in de dalen de schoonheid van het landschap kunnen verbergen. En toch zijn er tijden waarin de Zon der gerechtigheid door de wolken heen kijkt en de mist verdrijft. Wanneer het de Heere behaagt de ziel te zegenen en Hij komt met een enigszins zoete openbaring, dan breekt de Zon door de donkere wolken heen, maar daarna sluiten zij zich opnieuw.
Het is niet de ervaring van de christen dat het de hele dag zomer is. Wij leven namelijk niet in Australië of Peru, waar zelden wolken of mistdampen het licht van de zon verduisteren. Ons geestelijk klimaat is vochtig en onze innerlijke ligging is op de noorderbreedte.
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” Is de Heere dan soeverein in deze zaken? Kunnen wij niet onze hand opheffen en de wolk laten verdwijnen? Wij hebben net zo min de macht onze hand uit te steken om de dampen te laten verdwijnen, als wij de macht hebben om de Londense mist te laten optrekken. En juist dit zet het schepsel op zijn rechte plaats! En het schepsel staat pas op zijn rechte plaats wanneer het niets is en God alles.
Hoe dierbaar is het om het aangezicht van de Vader te zien, en dat in het bewijs van Zijn gunst; niet bedekt met dreigende wolken van rechtvaardig ongenoegen, zoals wij in de natuur soms een dreigende zon zien die boos neerkijkt en wind en storm voorspelt. Wij hebben ons Zijn rechtvaardig ongenoegen op de hals gehaald, en hoewel Hij op geen van Zijn kinderen boos is, is Hij toch terecht vertoornd over hun zonden. En wij voelen in onze ziel dat Hij daarom Zijn aangezicht voor ons bedekt. „Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed door kwam” (Klaagl. 3:44).
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij Zijn aangezicht over u laat schijnen, dan zal ook uw aangezicht stralen. Zo was het met Mozes, toen hij op de berg was en zoete gemeenschap met God had. Toen hij bij het volk terugkwam, glansde zijn aangezicht. De heerlijkheid van God weerspiegelde erop. En als de Heere Zijn aangezicht over u laat lichten, dan zal uw aangezicht niet anders zijn dan dat van Mozes, wanneer u onder het volk van God komt.
Aan de lezer…
Merkt u dat het donker is in uw ziel? Hangen er zware wolken van twijfel en vrees tussen u en de Heere, zodat u nauwelijks een straal van Zijn licht ziet? Weet dan dat dit niet vreemd is voor Gods kinderen. Ons geestelijk klimaat is vochtig; het is niet de hele dag zomer. En u kunt de wolken niet met eigen hand wegschuiven. Dat zet het schepsel op zijn rechte plaats: niets te zijn, zodat God alles is.
Maar achter de wolken schijnt de Zon der gerechtigheid nog. Wanneer het de Heere behaagt, breekt Hij erdoorheen, al is het maar voor een ogenblik. Leg uw schuld en uw zonden eerlijk voor Hem neer en wacht op Hem. Bid dan voor uzelf wat het oude zegenwoord vraagt: „De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij dat doet, zal ook uw aangezicht ervan stralen onder Zijn volk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD make his face shine upon thee.
Numbers 6:25
The allusion here seems, to my mind, to be to the sun. Sometimes the natural sun has not risen; and the world must need be dark if the sun be still beneath the horizon. So with many gracious souls; it is darkness with them, midnight darkness, Egyptian darkness, darkness to be felt, because at present neither the Day-star has appeared, nor the Sun of righteousness risen upon them with healing in His wings. It will and must be dark with them until the Sun rises.
But sometimes after the sun has risen we see not his face—clouds—deep, dark clouds, may obscure the face of that bright luminary throughout the whole day, and we may not get a single ray from him through the whole period that he is above the visible horizon. So, many of the Lord’s family, after the Sun has risen upon them in the morning of their spiritual life, may pass, perhaps, much of their subsequent time in the dark shadow, until perhaps at evening tide there is light, and a departing ray gilds the dying pillow.
But again, there are sometimes days when mists drive rapidly across the face of the bright orb of day, and yet occasionally he peeps through the breaking clouds. And is not this, in some measure, an emblem of the way in which the Sun of righteousness is continually obscured by the mists and fogs which spring up out of our unbelieving heart, hidden from view by the doubts and fears that, like the vapors of the valley, spread themselves, to our view, over His beauteous face?
Yet there are times when He gleams through the clouds and disperses the mists. When the Lord is pleased to bless the soul and shine upon it with any sweet manifestation, then He breaks in through the dark clouds, but they gather again. It is not in Christian experience one bright summer day. We do not live in Australia or Peru, where clouds and mists rarely obscure the face of the sun. Our spiritual climate is humid, our inward latitude is the chilling north.
“The Lord make His face shine upon you.” Is the Lord, then, sovereign in these matters? Can we not lift up our hand and remove the cloud? We have as much power to stretch forth our hand and sweep away the mists that obscure the Sun of righteousness, as we have power with the same hand to sweep away a London fog. How this puts the creature into his right place! And the creature is only in his right place when he is nothing, and God is all in all.
How blessed to see the face of the Father; and to see it shine! not covered with lowering clouds of justly-merited displeasure, as sometimes we see in the natural sky an obscured sun looking angrily down, presaging wind and storm. It is indeed true that, when we have brought guilt into our consciences, the face of God is seen to lower with anger. We have brought His just displeasure upon our heads; though not angry with the persons of His people, yet is He justly angry with their sins; and a sense of this in the soul covers His face with clouds—“You have covered yourself with a cloud, that our prayer should not pass through” (Lam. 3:44).
“The Lord make His face shine upon you.” And if He makes His face shine upon you, He will make your face shine too. It was so with Moses, when he was in the mount and was holding sweet communion with God. When he came down among the people, the skin of his face shone; the glory of God was reflected upon it. And if the Lord makes His face shine upon you, it will make your face not unlike the face of Moses when you go among the people of God.
To the reader…
Do you find that it is dark in your soul? Do heavy clouds of doubt and fear hang between you and the Lord, so that you scarcely see a ray of His light? Know, then, that this is not strange for God’s children. Our spiritual climate is humid; it is not summer all day long. And you cannot push the clouds away with your own hand. That puts the creature in its right place: to be nothing, so that God is all.
But behind the clouds the Sun of righteousness still shines. When it pleases the Lord, He breaks through, even if only for a moment. Lay your guilt and your sins honestly before Him and wait for Him. Then pray for yourself what the ancient blessing asks: “The LORD make His face shine upon thee.” And when He does, your face too will shine with it among His people.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.
Números 6:25
La alusión aquí parece ser, a mi parecer, al sol. A veces el sol natural no ha salido; y el mundo tiene que estar oscuro si el sol está todavía bajo el horizonte. Así sucede con muchas almas llenas de gracia; hay oscuridad en ellas, oscuridad de medianoche, oscuridad de Egipto, tinieblas que se pueden palpar, porque por ahora ni ha aparecido el Lucero de la mañana, ni ha nacido sobre ellas el Sol de justicia trayendo salud en Sus alas. Estará y tiene que estar oscuro para ellas hasta que nazca el Sol.
Pero a veces, después de haber salido el sol, no vemos su rostro: nubes, nubes densas y oscuras, pueden ocultar el rostro de esa brillante lumbrera durante todo el día, y puede que no recibamos ni un solo rayo de él en todo el tiempo que está sobre el horizonte visible. Así, muchos de la familia del Señor, después de que el Sol ha nacido sobre ellos en la mañana de su vida espiritual, pueden pasar quizá gran parte de su tiempo posterior en la sombra oscura, hasta que tal vez al tiempo de la tarde hay luz, y un rayo que se despide dora la almohada del moribundo.
Pero también hay a veces días en que las brumas cruzan rápidamente la faz del resplandeciente astro del día, y sin embargo de vez en cuando él asoma entre las nubes que se abren. ¿Y no es esto, en cierta medida, una imagen de la manera en que el Sol de justicia es continuamente oscurecido por las brumas y nieblas que brotan de nuestro corazón incrédulo, ocultado a la vista por las dudas y temores que, como los vapores del valle, se extienden, a nuestros ojos, sobre Su hermoso rostro?
Sin embargo, hay momentos en que Él brilla a través de las nubes y disipa las brumas. Cuando al Señor le place bendecir el alma y resplandecer sobre ella con alguna dulce manifestación, entonces irrumpe a través de las nubes oscuras; pero estas se juntan de nuevo. La experiencia cristiana no es un solo día luminoso de verano. No vivimos en Australia ni en el Perú, donde las nubes y las brumas rara vez ocultan el rostro del sol. Nuestro clima espiritual es húmedo; nuestra latitud interior es el frío norte.
“Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.” ¿Es, pues, el Señor soberano en estas cosas? ¿No podemos levantar la mano y quitar la nube? Tenemos tanto poder para extender la mano y barrer las brumas que oscurecen al Sol de justicia como lo tenemos para barrer con la misma mano una niebla de Londres. ¡Cómo pone esto a la criatura en su debido lugar! Y la criatura solo está en su debido lugar cuando es nada, y Dios es todo en todos.
¡Qué bendito es ver el rostro del Padre, y verlo resplandecer! No cubierto de nubes amenazadoras de un desagrado justamente merecido, como a veces vemos en el cielo natural un sol oscurecido que mira airado hacia abajo, presagiando viento y tormenta. Es en verdad cierto que, cuando hemos traído culpa a nuestra conciencia, el rostro de Dios se ve sombrío de ira. Hemos atraído Su justo desagrado sobre nuestras cabezas; aunque no está airado con las personas de Su pueblo, sí está justamente airado con sus pecados; y el sentir de esto en el alma cubre Su rostro de nubes: “Te cubriste de nube, porque no pasase la oración nuestra” (Lamentaciones 3:44).
“Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.” Y si Él hace resplandecer Su rostro sobre usted, hará resplandecer también el rostro de usted. Así fue con Moisés, cuando estaba en el monte y tenía dulce comunión con Dios. Cuando descendió entre el pueblo, la tez de su rostro resplandecía; la gloria de Dios se reflejaba en él. Y si el Señor hace resplandecer Su rostro sobre usted, hará que su rostro no sea muy distinto del rostro de Moisés cuando usted vaya entre el pueblo de Dios.
Al lector…
¿Halla usted que está oscuro en su alma? ¿Penden densas nubes de duda y temor entre usted y el Señor, de modo que apenas ve un rayo de Su luz? Sepa entonces que esto no es extraño para los hijos de Dios. Nuestro clima espiritual es húmedo; no es verano todo el día. Y usted no puede apartar las nubes con su propia mano. Eso pone a la criatura en su debido lugar: ser nada, para que Dios sea todo.
Pero detrás de las nubes el Sol de justicia sigue brillando. Cuando al Señor le place, irrumpe, aunque sea solo por un momento. Ponga su culpa y sus pecados con sinceridad delante de Él y espérele. Luego pida para usted lo que pide la antigua bendición: “Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.” Y cuando lo haga, también el rostro de usted resplandecerá con ello entre Su pueblo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl