Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s vallei

13 juli

Vandaag

3 min. lezen

Dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welke de Heere heeft opgericht en geen mens.
Hebreeën 8:1, 2

Onze Heere moest een Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Wij herinneren ons dat Melchizédek Abraham tegemoet ging toen hij terugkeerde van de verslaging van de koningen, en dat hij hem zegende, Gen. 14:19. Op dezelfde manier zegende onze grote Hogepriester het zaad van Abraham, want wie uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham; als gelovigen in de Heere Jezus Christus wandelen zij in zijn voetstappen. Hij geloofde God, en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Maar Melchizédek, als voorbeeld, kon alleen God vragen Abraham te zegenen. Zelf kon hij de zegen niet schenken.

Maar Jezus, het grote Tegenbeeld van Melchizédek, Wiens priesterschap is naar de kracht van het onvergankelijke leven, zegent Zijn volk niet alleen door God te vragen hen te zegenen. Hij stort Zelf zegeningen over hen uit en deelt ze mee uit Zijn volheid, genade voor genade, die zowel heiligen als verlossen kan. Zelfs vóór Zijn vleeswording, toen Hij in menselijke gedaante verscheen, had Hij de kracht om te zegenen; en in die verschijning lag een heenwijzing dat Hij in de volheid van de tijd werkelijk vlees en bloed zou aannemen. Zo lezen wij dat, toen Jakob worstelde met de Engel — en dat was geen geschapen engel, maar de Engel van het verbond, de Zoon van God Zelf in menselijke gedaante — Hij hem daar zegende, nadat Jakob eerst gezegd had: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Jakob wist dat geen geschapen engel hem kon zegenen. Daarom zei hij, toen hij de zegen ontvangen had: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”

Later kwam Jakob op deze zegen terug bij de zegening van Efraïm en Manasse. Hij zei: „De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.” Zo deed ook onze Heere vlak vóór de hemelvaart, als belofte van de gaven en genaden die Hij op hen zou neerzenden wanneer Hij verhoogd zou zijn aan de rechterhand van de Vader. Hij hief Zijn handen op en zegende Zijn discipelen; en als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen, voer Hij zegenend van hen op toen Hij bezit nam van Zijn middelaarstroon, Lukas 24:50, 51.

Aan de lezer…

Lezer, wat hebt u nodig? Iemand die voor u bidt, of Iemand Die u Zelf zegenen kan? Melchizédek kon alleen God vragen Abraham te zegenen; maar onze grote Hogepriester stort de zegeningen Zelf uit, uit Zijn eigen volheid, genade voor genade. Zit u arm en leeg neer, dan hebt u met Hem te doen, Die aan de rechterhand van de troon der Majesteit gezeten is en niets van Zijn kracht om te zegenen verloren heeft.

Leer dan van Jakob. Hij worstelde en hield aan: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Hij wist dat geen geschapen engel hem helpen kon, en daarom liet hij niet los. Houdt u ook aan, ook al is het met een bezwaard hart? De Heere voer zegenend van Zijn discipelen op, als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen. Die handen zijn nog niet neergelaten; ook over u kunnen zij uitgestrekt worden.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl