13 april
Maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.
Spreuken 10:21
Er is zulk een nauw verband tussen de ware wijsheid, genaamd „de wetenschap der heiligen” (Spreuken 30:3), en de vreze des Heeren, en een nauw verband tussen de zonde en de vervreemding van God, dat Gods kinderen genoemd worden wijzen, en de zondaren dwazen. En dit niet slechts in het Oude Testament, gelijk dit gedurig voorkomt in het Spreukenboek, maar ook in het Nieuwe Testament.
Velen van Gods kinderen hebben enig wantrouwen ten opzichte van de kennis, omdat zij niet zien het grote onderscheid tussen de geestelijke, bevindelijke kennis waarvoor zij strijden, en de kennis die men noemt hoofdkennis. Zij verstaan dat iemand kan hebben een welgevuld hoofd, doch daarbij een ledig hart. Er kan zijn een weten van alle verborgenheden en alle wetenschap, en toch niets zijn (1 Cor. 13:2). Er zijn sommigen van deze veelwetende belijders die de laagste karakters hebben, die de ware kerk beroeren kunnen; waarom ook degenen die de Heere in waarheid vrezen, niet alleen in twijfel staan ten opzichte van hun persoon, maar ook over al de wetenschap die zij voortbrengen.
Maar vraag het volk van God eens of zij vreemd zijn van Goddelijk onderwijs. Zij hebben de zalving van de Heilige, waardoor zij alle dingen weten (1 Joh. 2:20). Zij kennen de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hen vrij (Joh. 8:32). Vraag hun eens of zij niet alle dingen schade en drek achten om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, onze Heere, en of zij geen uitgaande begeerten des harten hebben om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens; of er niet is een kennis der zaligheid door de vergeving der zonden (Lukas 1:77); een kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Cor. 4:6); een vervuld zijn met de kennis van Zijn wil (Col. 1:9); een wassen in de kennis van God (Col. 1:10); een opwassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 3:18). Vraag het Gods kinderen of er niet een zodanige kennis als deze is, en of deze kennis niet het pit en merg, de inhoud van de wezenlijke godzaligheid is; en zij zullen uit één mond zeggen: „Zo is het.”
Aan de lezer…
Bent u misschien bevreesd voor kennis, lezer, omdat u gezien hebt hoe iemand een welgevuld hoofd kan hebben en toch een ledig hart? Die vrees is niet zonder grond, want men kan alle verborgenheden en alle wetenschap weten en toch niets zijn. Maar laat die vrees u niet afhouden van de kennis waar het werkelijk om gaat: de kennis van Christus Jezus, de Heere, door de zalving van de Heilige.
Vraag uw eigen hart eens: is er in u een uitgaande begeerte om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding? Hebt u iets geleerd van de kennis der zaligheid door de vergeving der zonden? Dat is geen hoofdkennis; dat is het pit en merg van de wezenlijke godzaligheid. Een dwaas sterft door gebrek aan verstand, maar wie zo onderwezen wordt, kent de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hem vrij. Bid dan om op te wassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.
Spreuken 10:21
Er is zo’n nauw verband tussen de ware wijsheid, die „de wetenschap der heiligen” wordt genoemd (Spreuken 30:3), en de vreze des Heeren, en zo’n nauw verband tussen de zonde en de vervreemding van God, dat Gods kinderen wijzen worden genoemd en de zondaren dwazen. En dat niet alleen in het Oude Testament, waar dit in het boek Spreuken telkens voorkomt, maar ook in het Nieuwe Testament.
Veel kinderen van God staan wat wantrouwig tegenover kennis, omdat zij het grote onderscheid niet zien tussen de geestelijke, bevindelijke kennis waarvoor zij opkomen, en de kennis die men hoofdkennis noemt. Zij begrijpen dat iemand een goedgevuld hoofd kan hebben, maar daarbij een leeg hart. Iemand kan alle verborgenheden en alle wetenschap weten, en toch niets zijn (1 Cor. 13:2). Sommigen van deze belijders die zoveel weten, hebben het laagste karakter en kunnen de ware kerk in beroering brengen. Daarom staan zij die de Heere in waarheid vrezen, niet alleen wantrouwig tegenover hun persoon, maar ook tegenover alle kennis die zij naar voren brengen.
Maar vraag het volk van God eens of zij vreemd zijn aan Goddelijk onderwijs. Zij hebben de zalving van de Heilige, waardoor zij alle dingen weten (1 Joh. 2:20). Zij kennen de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hen vrij (Joh. 8:32). Vraag hun eens of zij niet alle dingen schade en drek achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, onze Heere, en of hun hart niet begerig naar Hem uitgaat om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap van Zijn lijden.
Vraag hun of er niet een kennis van de zaligheid is door de vergeving van de zonden (Lukas 1:77); een kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus (2 Cor. 4:6); een vervuld worden met de kennis van Zijn wil (Col. 1:9); een wassen in de kennis van God (Col. 1:10); een opwassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 3:18). Vraag de kinderen van God of er niet zo’n kennis bestaat, en of deze kennis niet de kern en het merg, de inhoud van de wezenlijke godzaligheid is; en zij zullen als uit één mond zeggen: „Zo is het.”
Aan de lezer…
Bent u misschien bang voor kennis, omdat u gezien hebt hoe iemand een goedgevuld hoofd kan hebben en toch een leeg hart? Die vrees is niet zonder grond, want men kan alle verborgenheden en alle wetenschap weten en toch niets zijn. Maar laat die vrees u niet afhouden van de kennis waar het werkelijk om gaat: de kennis van Christus Jezus, de Heere, door de zalving van de Heilige.
Vraag uw eigen hart eens: gaat er in u een begeerte uit om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding? Hebt u iets geleerd van de kennis van de zaligheid door de vergeving van de zonden? Dat is geen hoofdkennis; dat is de kern en het merg van de wezenlijke godzaligheid. Een dwaas sterft door gebrek aan verstand, maar wie zo onderwezen wordt, kent de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hem vrij. Bid dan om op te wassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Fools die for want of wisdom.”
Proverbs 10:21
There is such a connection between true wisdom, which is “a knowledge of the holy” (Prov. 30:3), and the fear of the Lord; and such a connection between ignorance of the Lord and sin, that saved saints are called “wise,” and lost sinners are called “fools,” not only in the Old Testament, as continually in the Proverbs, but in the New. Many of the Lord’s people look with suspicion upon knowledge, from not seeing clearly the vast distinction between the spiritual, experimental knowledge for which we are now contending, and what is called “head knowledge.”
They see that a man may have a well-furnished head and a graceless heart, that he may understand “all mysteries and all knowledge,” and yet be “nothing” (1 Cor. 13:2); and as some of these all-knowing professors are the basest characters that can infest the churches of truth, those who really fear the Lord stand not only in doubt of them, but of all the knowledge possessed by them.
But put it in a different form; ask the people of God whether there is not such a divine reality, such a heavenly blessing, as being “taught of God” (John 6:45); having “an unction from the Holy One, whereby we know all things” (1 John 2:20)—knowing the truth for oneself, and finding it makes free (John 8:32); whether there is not a “counting of all things but loss for the excellency of the knowledge of Christ Jesus our Lord,” and a stretching forth of the desires of the soul to “know Him, and the power of His resurrection, and the fellowship of His sufferings;” whether there is not “a knowledge of salvation by the remission of sins” (Luke 1:77); “a knowledge of the glory of God in the face of Jesus Christ” (2 Cor. 4:6); a being “filled with the knowledge of His will” (Col. 1:9); an “increasing in the knowledge of God” (Col. 1:10); “a growing in grace and in the knowledge of the Lord and Savior Jesus Christ” (2 Pet. 3:18);—ask the living family of God whether there be not such a knowledge as this, and if this knowledge is not the very pith and marrow, the very sum and substance of vital godliness, and they will with one voice say, “It is!”
To the reader…
Are you perhaps afraid of knowledge, because you have seen how someone can have a well-furnished head and yet an empty heart? That fear is not without ground, for one can understand all mysteries and all knowledge and yet be nothing. But do not let that fear keep you from the knowledge that really matters: the knowledge of Christ Jesus the Lord, through the unction from the Holy One.
Ask your own heart: is there a longing in you to know Him and the power of His resurrection? Have you learned something of the knowledge of salvation by the remission of sins? That is not head knowledge; that is the pith and marrow of vital godliness. Fools die for want of wisdom, but whoever is taught in this way knows the truth for himself, and the truth makes him free. Pray, then, to grow in grace and in the knowledge of our Lord and Savior.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los necios por falta de entendimiento mueren.
Proverbios 10:21
Hay tal conexión entre la verdadera sabiduría, que es “la ciencia del Santo” (Proverbios 30:3), y el temor del Señor; y tal conexión entre la ignorancia del Señor y el pecado, que a los santos salvados se les llama “sabios”, y a los pecadores perdidos se les llama “necios”, no solo en el Antiguo Testamento, como continuamente en los Proverbios, sino también en el Nuevo. Muchos del pueblo del Señor miran el conocimiento con recelo, por no ver con claridad la enorme diferencia entre el conocimiento espiritual y experimental por el cual estamos ahora contendiendo, y lo que se llama “conocimiento de cabeza”.
Ven que un hombre puede tener una cabeza bien provista y un corazón sin gracia, que puede entender “todos los misterios y toda ciencia” y, sin embargo, ser “nada” (1 Corintios 13:2); y como algunos de estos profesantes que todo lo saben son los caracteres más viles que pueden infestar las iglesias de la verdad, los que de veras temen al Señor no solo desconfían de ellos, sino de todo el conocimiento que ellos poseen.
Pero póngalo de otra forma; pregunte al pueblo de Dios si no hay tal realidad divina, tal bendición celestial, como ser “enseñados de Dios” (Juan 6:45); tener “la unción del Santo, y conocer todas las cosas” (1 Juan 2:20); conocer la verdad por uno mismo, y hallar que hace libre (Juan 8:32); si no hay un “reputar todas las cosas pérdida por el eminente conocimiento de Cristo Jesús, nuestro Señor”, y un extenderse de los deseos del alma a “conocerle, y la virtud de Su resurrección, y la participación de Sus padecimientos”; si no hay un “conocimiento de salud, para remisión de los pecados” (Lucas 1:77); “el conocimiento de la gloria de Dios en la faz de Jesucristo” (2 Corintios 4:6); un ser “llenos del conocimiento de Su voluntad” (Colosenses 1:9); un “crecer en el conocimiento de Dios” (Colosenses 1:10); un “crecer en la gracia y conocimiento de nuestro Señor y Salvador Jesucristo” (2 Pedro 3:18); pregunte a la familia viva de Dios si no hay un conocimiento como este, y si este conocimiento no es la médula y la sustancia misma, la suma y el meollo mismo de la piedad vital, y dirán a una voz: “¡Lo es!”
Al lector…
¿Tiene usted quizá miedo del conocimiento, porque ha visto cómo alguien puede tener una cabeza bien provista y, sin embargo, un corazón vacío? Ese temor no carece de fundamento, porque uno puede entender todos los misterios y toda ciencia y, aun así, no ser nada. Pero no deje que ese temor le aparte del conocimiento que realmente importa: el conocimiento de Cristo Jesús el Señor, por la unción del Santo.
Pregunte a su propio corazón: ¿hay en usted un anhelo de conocerle a Él y la virtud de Su resurrección? ¿Ha aprendido algo del conocimiento de salud para remisión de los pecados? Eso no es conocimiento de cabeza; es la médula y la sustancia de la piedad vital. Los necios mueren por falta de entendimiento, pero quien es enseñado de esta manera conoce la verdad por sí mismo, y la verdad le hace libre. Ore, pues, para crecer en la gracia y en el conocimiento de nuestro Señor y Salvador.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl