13 maart
Doch Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
Job 23:10
Welk een zuiverende uitwerking heeft het doorleven van de beproeving! Welk een afscheiding van de droesem van het erts! Als iemand maar een greintje geloof in zijn ziel heeft, zal de beproeving dit ontdekken; als hij maar een greintje hoop heeft, dan zal de beproeving dit aan het licht brengen; en als hij een greintje liefde bezit, zal de beproeving het doen kennen. Heeft hij enige lijdzaamheid, enige vernedering, enige vreze Gods, enige begeerte om oprecht te zijn en enige vrees om kwaad te doen, enige eerlijkheid en oprechtheid, in één woord, als hij enige levenskracht in zijn ziel heeft, iets van de genade Gods in zijn hart, dan zal de beproeving het openbaar maken, gelijk de hete vlam van de oven het goud in de smeltkroes beproeft door de verbinding met de droesem te verbreken.
Gij kunt het nauwelijks weten of gij een gelovige of ongelovige zijt, totdat gij de beproeving ondergaat. Gij kent de natuur van het geloof niet, als een Goddelijke gave en geestelijke genade, tenzij gij door deze vurige beproeving zijt henengegaan. Gij kent de waardeloosheid van de vleselijke godsdienst niet, de ledigheid van alles, tenzij gij geweest zijt in de oven der beproeving.
Wij worden somtijds verzocht om de waarheid der Schrift te betwijfelen, de Godheid van Christus, de kracht der verzoening en vele andere dingen, die ik maar zal voorbijgaan, om niet, zonder dat ik het wil, het zaad van het ongeloof in uw hart te strooien. Nu, wanneer wij aldus geoefend worden, verbrandt de verzoeking als een vuur alles wat zich grondt in de wijsheid en sterkte van het schepsel; en zij brengt ons tot de beslissing dat niets dan wat van God in de ziel is, kan leven in het vuur.
Zo wij dan in ons hart ontwaren wat in het vuur leeft; dat er een geloof is dat de verzoeking niet verteren kan; een hoop die niet kan vernietigd worden; een vreze Gods die door de verzoeking niet kan overwonnen worden; dan zien wij dat er iets in ons hart gevonden wordt dat als het goud is in het midden van de droesem, en wij kunnen in zekere mate Job volgen en zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Aan de lezer…
Bent u in de oven der beproeving, en vreest u dat er straks niets dan droesem van u zal overblijven? Waarde lezer, de Heere kent de weg die bij u is. Het vuur dat Hij toelaat, is er niet om u te verteren, maar om aan het licht te brengen wat Hij Zelf in u gelegd heeft. Is er maar een greintje geloof, een greintje hoop, een greintje liefde of vreze Gods, de beproeving zal het openbaar maken.
Misschien wordt u verzocht te twijfelen aan wat u eens zo vast geloofde, en voelt u hoe alles wat op eigen wijsheid en sterkte rustte, in het vuur verbrandt. Wees niet bevreesd: alleen wat van het schepsel is, gaat daar teniet. Wat van God in de ziel is, kan leven in het vuur. En ontwaart u na de hitte dat er toch een geloof gebleven is dat de verzoeking niet verteren kon, dan mag u met Job zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
Job 23:10
Wat heeft het doormaken van beproeving een zuiverende uitwerking! Wat een scheiding van de slakken en het erts! Als iemand maar een greintje geloof in zijn ziel heeft, zal de beproeving dat ontdekken; als hij maar een greintje hoop heeft, zal de beproeving dat aan het licht brengen; en als hij een greintje liefde bezit, zal de beproeving het laten kennen. Heeft hij enige lijdzaamheid, enige verootmoediging, enige vreze Gods, enige begeerte om oprecht te zijn en enige vrees om kwaad te doen, enige eerlijkheid en oprechtheid, kortom: heeft hij enig leven in zijn ziel, iets van de genade van God in zijn hart, dan zal de beproeving het openbaar maken. Zo beproeft de hete vlam van de oven het goud in de smeltkroes, doordat zij de verbinding met de slakken verbreekt.
U kunt nauwelijks weten of u een gelovige of een ongelovige bent, totdat u door de beproeving gaat. U kent de aard van het geloof als een goddelijke gave en geestelijke genade niet, tenzij u door deze vurige beproeving bent heengegaan. U kent de waardeloosheid van de vleselijke godsdienst niet, de leegheid van alles, tenzij u in de oven van de beproeving bent geweest.
Wij worden soms verzocht om te twijfelen aan de waarheid van de Schrift, aan de Godheid van Christus, aan de kracht van de verzoening en aan veel andere dingen die ik maar zal overslaan, om niet ongewild het zaad van het ongeloof in uw hart te strooien. Wanneer wij zo geoefend worden, verbrandt de verzoeking als een vuur alles wat gegrond is op de wijsheid en kracht van het schepsel. En zij brengt ons tot de slotsom dat niets dan wat van God in de ziel is, in het vuur kan leven.
Als wij dan in ons hart merken wat in het vuur blijft leven: dat er een geloof is dat de verzoeking niet kan verteren, een hoop die niet vernietigd kan worden, een vreze Gods die door de verzoeking niet overwonnen kan worden, dan zien wij dat er iets in ons hart te vinden is dat als goud is te midden van de slakken. Dan kunnen wij Job in zekere mate navolgen en zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Aan de lezer…
Bent u in de oven van de beproeving, en vreest u dat er straks niets dan slakken van u zal overblijven? Lezer, de Heere kent de weg die bij u is. Het vuur dat Hij toelaat, is er niet om u te verteren, maar om aan het licht te brengen wat Hij Zelf in u gelegd heeft. Is er maar een greintje geloof, een greintje hoop, een greintje liefde of vreze Gods, de beproeving zal het openbaar maken.
Misschien wordt u verzocht te twijfelen aan wat u eens zo vast geloofde, en voelt u hoe alles wat op eigen wijsheid en kracht rustte, in het vuur verbrandt. Wees niet bang: alleen wat van het schepsel is, gaat daar teniet. Wat van God in de ziel is, kan in het vuur leven. En merkt u na de hitte dat er toch een geloof gebleven is dat de verzoeking niet kon verteren, dan mag u met Job zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But He knoweth the way that I take: when He hath tried me, I shall come forth as gold.”
Job 23:10
What a purifying effect experience of trial produces; what a separation it makes of the dross from the ore! If a man has a grain of faith in his soul, trial will discover it; if he has a particle of living hope, temptation will bring it to light; if he has a grain of love, trial will extract it from the ore; if he has any patience, any humility, any fear of God, any desire to be right, any dread to be wrong, any honesty, any sincerity, any integrity, in a word, if he has any vital power in his soul, anything of the grace of God in his heart, trial will make it manifest, as the hot flame of the furnace, acting upon the crucible, manifests the gold by breaking up its alliance with the dross.
You scarcely know whether you are a believer or an unbeliever until you pass through trial. You do not know what the nature of faith is as a divine gift and a spiritual grace, unless you have passed through this fiery trial. You do not know the worthlessness of creature religion, the emptiness of everything in SELF, until you have been put into the furnace of trial.
We are tempted sometimes, perhaps, to doubt the truth of the Scriptures, the Deity of Christ, the efficacy of His atonement, and many things which I will not even hint at in your ears lest I unwittingly sow infidel seeds in your heart. Now when we are thus exercised, trial as a fire burns up everything that stands in the wisdom and strength of the creature, and brings us to this point, that nothing but that which is of God in the soul can live in the flame. If, then, we find there is that in our heart which lives in the flame, that there is a faith which trial cannot burn up, a hope it cannot destroy, a love it cannot consume, a fear of God which it cannot conquer, then we see there is that in our heart which is like pure gold in the midst of the dross, and can say in some measure with Job, “When He hath tried me, I shall come forth as gold.”
To the reader…
Are you in the furnace of trial, and do you fear that soon nothing but dross will be left of you? Dear reader, the Lord knows the way that you take. The fire He allows is not there to consume you, but to bring to light what He Himself has placed in you. If there is but a grain of faith, a grain of hope, a grain of love or of the fear of God, the trial will make it manifest.
Perhaps you are tempted to doubt what you once believed so firmly, and you feel how everything that rested on your own wisdom and strength is burning up in the fire. Do not be afraid: only what is of the creature perishes there. What is of God in the soul can live in the fire. And if, after the heat, you find that a faith remains which the temptation could not consume, then you may say with Job, “When He hath tried me, I shall come forth as gold.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mas Él conoció mi camino: probárame, y saldré como oro.”
Job 23:10
¡Qué efecto purificador produce la experiencia de la prueba; qué separación hace de la escoria y del mineral! Si un hombre tiene un grano de fe en su alma, la prueba lo descubrirá; si tiene una partícula de esperanza viva, la tentación la sacará a la luz; si tiene un grano de amor, la prueba lo extraerá del mineral; si tiene alguna paciencia, alguna humildad, algún temor de Dios, algún deseo de estar en lo recto, algún miedo de estar en el error, alguna honradez, alguna sinceridad, alguna integridad; en una palabra, si tiene algún poder vital en su alma, algo de la gracia de Dios en su corazón, la prueba lo pondrá de manifiesto, como la llama ardiente del horno, al actuar sobre el crisol, manifiesta el oro rompiendo su alianza con la escoria.
Apenas sabe usted si es creyente o incrédulo hasta que pasa por la prueba. No sabe cuál es la naturaleza de la fe como don divino y gracia espiritual, a menos que haya pasado por esta prueba de fuego. No conoce la inutilidad de la religión de la criatura, el vacío de todo lo que hay en el YO, hasta que ha sido puesto en el horno de la prueba.
A veces somos tentados, quizá, a dudar de la verdad de las Escrituras, de la Deidad de Cristo, de la eficacia de Su expiación, y de muchas cosas que ni siquiera insinuaré a sus oídos, no sea que sin quererlo siembre semillas de incredulidad en su corazón. Ahora bien, cuando somos así ejercitados, la prueba, como un fuego, consume todo lo que descansa en la sabiduría y la fuerza de la criatura, y nos lleva a este punto: que nada sino lo que es de Dios en el alma puede vivir en la llama. Si, pues, hallamos que hay en nuestro corazón aquello que vive en la llama, que hay una fe que la prueba no puede consumir, una esperanza que no puede destruir, un amor que no puede devorar, un temor de Dios que no puede vencer, entonces vemos que hay en nuestro corazón aquello que es como oro puro en medio de la escoria, y podemos decir en alguna medida con Job: “Probárame, y saldré como oro.”
Al lector…
¿Está usted en el horno de la prueba, y teme que pronto no quedará de usted más que escoria? Querido lector, el Señor conoce su camino. El fuego que Él permite no está ahí para consumirle, sino para sacar a la luz lo que Él mismo ha puesto en usted. Si hay aunque sea un grano de fe, un grano de esperanza, un grano de amor o del temor de Dios, la prueba lo pondrá de manifiesto.
Quizá sea tentado a dudar de lo que una vez creyó con tanta firmeza, y siente cómo todo lo que descansaba en su propia sabiduría y fuerza se consume en el fuego. No tema: allí solo perece lo que es de la criatura. Lo que es de Dios en el alma puede vivir en el fuego. Y si, después del calor, halla que permanece una fe que la tentación no pudo consumir, entonces podrá decir con Job: “Probárame, y saldré como oro.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl