Nieuw verschenenEen medelijdende Hogepriester en een troon der genadePreken · 2 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

365 dagen met Philpot

11 juni

Een grote Hogepriester

Vandaag

3 min. lezen

Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15

We gaan nu kijken naar enkele geestelijke verzoekingen van de kinderen van de Heere. We willen proberen aan te tonen dat de gezegende Heere die persoonlijk heeft ervaren, en zo heeft geleerd mee te leven met Zijn kinderen die eronder gebukt gaan. De voornaamste last van Gods levende kinderen is de zonde. Maar men zou zich kunnen afvragen hoe de gezegende Heere de zonde heeft kunnen ondervinden, omdat Hij er naar lichaam en geest volkomen vrij van was.

Het is beslist een zekere en gezegende waarheid dat onze barmhartige Verlosser „geen zonde gekend heeft” (2 Kor. 5:21), dat Hij „een onbestraffelijk en onbevlekt Lam” was (1 Petr. 1:19) en „heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren” (Hebr. 7:26). Toch werd de zonde Hem zo toegerekend, en heeft de Heere zo „onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen” (Jes. 53:6), dat Hij haar voelde alsof zij van Hemzelf was. „Hij was zonde voor ons gemaakt”. De schuld en de last ervan werden op Zijn heilig hoofd gelegd en werden door toerekening zo de Zijne, dat het leek alsof Hij de zonden die Hem ten laste werden gelegd, zelf had begaan.

Kijkt u eens naar het volgende voorbeeld. Beschouw de zonde als een schuld tegenover de rechtvaardigheid van God. Welnu, als u borg staat voor iemand anders en hij kan de schuld niet afbetalen, dan wordt die evengoed uw schuld alsof u haar zelf was aangegaan. De wet maakt geen onderscheid tussen zijn schuld en de uwe, en de schuldeiser kan zelfs het bed onder u vandaan verkopen om de schuld af te lossen, net alsof u de oorspronkelijke schuldenaar was. Zo nam de gezegende Heere, toen Hij Borg werd voor Zijn kinderen, hun zonden op Zich, en daarmee werden zij de Zijne.

Hoe kunnen we anders de uitdrukkingen in de Psalmen verklaren die duidelijk de taal van Zijn hart en lippen zijn? Bijvoorbeeld deze: „Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten” (Ps. 40:13). Spreekt de Heere hier niet van Zijn ongerechtigheden die Hem hebben aangegrepen, zodat Hij onder het gewicht en de last ervan niet kon zien, en die talrijker waren dan de haren van Zijn hoofd?

Lezen: Mattheüs 4:1-11

Aan de lezer…

Is de zonde ook uw zwaarste last? Dan mag u weten dat de Heere Jezus die last van binnenuit kent. Hij heeft geen zonde gekend, maar Hij is Borg geworden voor Zijn kinderen. Zoals de schuld van een ander de schuld van de borg wordt, zo werden hun zonden de Zijne. De Heere deed onzer aller ongerechtigheid op Hem aanlopen, en Hij droeg die alsof ze van Hemzelf was.

Daarom kan Hij spreken van ongerechtigheden die Hem hebben aangegrepen, menigvuldiger dan de haren van Zijn hoofd, zodat Hij niet kon zien. Kent u die taal? Voelt u soms dat uw hart u verlaten heeft? Hij heeft het ervaren, en Hij weet hoe zwaar het is. Gaat u gebukt onder uw zonden, ga er dan mee naar Hem. Hij is geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met uw zwakheden.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl