1 maart
En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting, en goede hope in genade, vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goede woorden en werken.
2 Thessalonicenzen 2:16-17
Wanneer het de Heere behaagt een belofte te geven, een woord van bemoediging in te storten, een nodiging tot het hart te richten, dan geeft Hij daarbij vertroosting. Het vertroost het neergeslagen hart; het spreekt van vrede tot een schuldig geweten. En deze troost is een „eeuwige vertroosting.” Want zij vloeit uit niets minder dan uit zulk een bron als de eeuwige liefde van God. Zij mondt altijd uit in een eeuwige oceaan van oneindige vreugde. Elke mededeling van het toebehoren aan het verbond van Gods eeuwige liefde is een onschatbare zegen, want de Heere geeft zo’n mededeling alleen als een zeker onderpand, als een voorsmaak van de eeuwige zaligheid. Hij kan niet teleurstellen of misleiden. Eens gezegend, voor altijd gezegend.
Het is waar, wij kunnen voor een lange tijd achtereen de vertroosting missen, en zelfs in de diepste diepte van duisternis en beschaming vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen verliezen, maar het fundament Gods staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” De rivier van de eeuwige liefde lijkt soms voorbij te stromen en onze borst niet te bereiken, want de oevers zijn zo hoog en buiten het zicht van de stroom. Maar als zij ooit onze zielen heeft besproeid, zal zij eens „wateren zijn van eeuwige vreugde, om in te baden.”
Geen vader sloeg met groter mededogen
op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
dan Isrels Heer op ieder die Hem vreest.
Hij weet wat van zijn maaksel zij te wachten,
hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten
en dat wij stof van jongs af zijn geweest.
Ps. 103:7
Aan de lezer…
Kent u een woord van de Heere dat ooit uw neergeslagen hart opbeurde en vrede sprak tot uw schuldig geweten? En lijkt het nu alsof die troost ver weg is, alsof de rivier van Zijn liefde aan u voorbijstroomt zonder u te bereiken? Ik verzwijg niet dat wij lang de vertroosting kunnen missen en in diepe duisternis kunnen vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen kwijt lijken te zijn.
Maar de troost die God geeft, heet een „eeuwige vertroosting”, omdat zij vloeit uit Zijn eeuwige liefde. Hij kan niet teleurstellen of misleiden; wat Hij geeft, geeft Hij als een onderpand van de zaligheid. Het fundament Gods staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” Als die stroom uw ziel ooit heeft besproeid, dan zal hij u eens tot wateren van eeuwige vreugde worden. Hij weet hoe zwak wij zijn; houd daarom vast aan wat Hij u gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting, en goede hope in genade, vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goede woorden en werken.
2 Thessalonicenzen 2:16-17
Wanneer het de Heere behaagt een belofte te geven, een woord van bemoediging in het hart te storten of een nodiging tot het hart te richten, dan geeft Hij daarbij vertroosting. Het troost het neergeslagen hart; het spreekt vrede tot een schuldig geweten. En deze troost is een „eeuwige vertroosting.” Want zij vloeit uit geen mindere bron dan de eeuwige liefde van God. Zij mondt altijd uit in een eeuwige oceaan van oneindige vreugde. Elke bekendmaking dat wij horen bij het verbond van Gods eeuwige liefde, is een onschatbare zegen, want de Heere geeft zo’n bekendmaking alleen als een zeker onderpand, als een voorsmaak van de eeuwige zaligheid. Hij kan niet teleurstellen of misleiden. Eens gezegend, voor altijd gezegend.
Het is waar: wij kunnen lange tijd achtereen de vertroosting missen, en zelfs in de diepste diepte van duisternis en beschaming vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen verliezen. Maar het fundament van God staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” De rivier van de eeuwige liefde lijkt soms voorbij te stromen zonder ons hart te bereiken, omdat de oevers zo hoog zijn en de stroom buiten het zicht ligt. Maar als zij ooit onze zielen besproeid heeft, zal zij eens „wateren zijn van eeuwige vreugde, om in te baden.”
Geen vader sloeg met groter mededogen
op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
dan Isrels Heer op ieder die Hem vreest.
Hij weet wat van zijn maaksel zij te wachten,
hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten
en dat wij stof van jongs af zijn geweest.
Ps. 103:7
Aan de lezer…
Kent u een woord van de Heere dat ooit uw neergeslagen hart opbeurde en vrede sprak tot uw schuldig geweten? En lijkt het nu alsof die troost ver weg is, alsof de rivier van Zijn liefde aan u voorbijstroomt zonder u te bereiken? Ik verzwijg niet dat wij lang de vertroosting kunnen missen en in diepe duisternis kunnen vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen kwijt lijken te zijn.
Maar de troost die God geeft, heet een „eeuwige vertroosting”, omdat zij voortvloeit uit Zijn eeuwige liefde. Hij kan niet teleurstellen of misleiden; wat Hij geeft, geeft Hij als een onderpand van de zaligheid. Het fundament van God staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” Als die stroom uw ziel ooit heeft besproeid, dan zal hij voor u eens worden tot wateren van eeuwige vreugde. Hij weet hoe zwak wij zijn; houd daarom vast aan wat Hij u gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Now our Lord Jesus Christ Himself, and God, even our Father, which hath loved us, and hath given us everlasting consolation and good hope through grace, comfort your hearts, and stablish you in every good word and work.
2 Thessalonians 2:16-17
When the Lord is pleased to apply a promise, drop in a word of encouragement, speak home an invitation with power, He administers consolation thereby. It comforts the drooping heart; it speaks peace to a guilty conscience. And this consolation is “everlasting consolation;” for it flows from nothing less than such a source, that is, the eternal love of God; and flows onward to an everlasting ocean of infinite delight. Any intimation of a saving interest in the everlasting love of God is a blessing beyond all price; for the Lord never gives any such intimation but as a certain pledge and foretaste of immortal bliss. He can neither disappoint nor deceive. Once blest, blest forever.
We may indeed for a long time together cease to enjoy the comfort, and even may fall into the greatest depths of darkness and confusion, so as to lose sight of almost all our evidences; but the foundation of God stands sure—“The Lord knows those who are His.” The river of eternal love may seem to flow by and not reach our breast, so high are the banks and hidden out of sight the stream. Still if ever it has watered our soul, it will be one day “waters to swim in” of eternal delight.
To the reader…
Do you know a word from the Lord that once lifted up your downcast heart and spoke peace to your guilty conscience? And does it now seem as if that comfort is far away, as if the river of His love flows past you without reaching you? I will not hide it from you: we may go without consolation for a long time and fall into deep darkness, so that we seem to have lost almost all our evidences.
But the comfort God gives is called “everlasting consolation,” because it flows from His eternal love. He cannot disappoint or deceive; what He gives, He gives as a pledge of eternal bliss. The foundation of God stands sure: “The Lord knoweth them that are His.” If that stream has ever watered your soul, it will one day become for you waters of everlasting joy. He knows how weak we are; so hold fast to what He has given you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y el mismo Señor nuestro Jesucristo, y Dios y Padre nuestro, el cual nos amó, y nos dio consolación eterna, y buena esperanza por gracia, consuele vuestros corazones, y os confirme en toda buena palabra y obra.
2 Tesalonicenses 2:16-17
Cuando al Señor le place aplicar una promesa, dejar caer una palabra de aliento o hacer llegar al corazón una invitación con poder, administra por ello consolación. Consuela al corazón abatido; habla paz a una conciencia culpable. Y esta consolación es “consolación eterna”, porque mana de una fuente nada menor que esa, es decir, el amor eterno de Dios, y fluye hacia un océano eterno de deleite infinito. Cualquier indicio de una parte salvadora en el amor eterno de Dios es una bendición que no tiene precio; porque el Señor nunca da tal indicio sino como prenda segura y anticipo de la dicha inmortal. Él no puede defraudar ni engañar. Una vez bendecido, bendecido para siempre.
Podemos, en verdad, dejar de gozar del consuelo durante largo tiempo, y aun caer en las mayores profundidades de oscuridad y confusión, de modo que perdamos de vista casi todas nuestras evidencias; pero el fundamento de Dios está firme: “Conoce el Señor a los que son Suyos”. El río del amor eterno puede parecer pasar de largo sin llegar a nuestro pecho, tan altas son las orillas y tan oculta a la vista la corriente. Con todo, si alguna vez ha regado nuestra alma, será un día “aguas de nadar” de deleite eterno.
Al lector…
¿Conoce usted una palabra del Señor que una vez levantó su corazón abatido y habló paz a su conciencia culpable? ¿Y le parece ahora que ese consuelo está lejos, como si el río de Su amor pasara de largo sin alcanzarle? No se lo ocultaré: podemos estar mucho tiempo sin consuelo y caer en profunda oscuridad, de modo que parezca que hemos perdido casi todas nuestras evidencias.
Pero el consuelo que Dios da se llama “consolación eterna”, porque mana de Su amor eterno. Él no puede defraudar ni engañar; lo que da, lo da como prenda de la dicha eterna. El fundamento de Dios está firme: “Conoce el Señor a los que son Suyos”. Si esa corriente ha regado alguna vez su alma, un día llegará a ser para usted aguas de gozo eterno. Él sabe cuán débiles somos; aférrese, pues, a lo que Él le ha dado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl