7 de noviembre
Mijn volk waren verloren schapen.
Jeremia 50:6
Wanneer God de Heilige Geest met een ziel een begin maakt, dan is het evenals met de vingers van eens mensen hand, die een vonnis van veroordeling schreven op de muur van het paleis van de koning van Babel; zo schrijft de gezegende Geest het woord „verloren” op de consciëntie van elk vat der genade. En wanneer Hij dit woord met kracht op hun consciënties heeft afgedrukt, dan dragen zij dit woord mede op zodanige wijze, als waren het vurige letteren; ook kan de indruk daarvan nooit uitgewist worden totdat hij door het verzoenend bloed van de Middelaar wordt uitgewist. En zo worden door de onderwijzing van de Heilige Geest in de consciëntie van de uitverkorenen de woorden „verloren, verloren, verloren” op de tafel van hun hart geschreven. „Verloren, verloren, verloren” is de uitroep van hun lippen; „verloren, verloren, verloren” ligt op de bodem der ziel.
En er is geen kind van God, dat niet min of meer weet te zeggen wat „verloren” betekent. Niemand werd ooit in de armen van de hemelse Schaapherder opgenomen, of bij de bergen en heuvelen opgezocht, op Zijn schouderen gelegd, thuisgebracht met blijdschap en verheuging, ooit gebracht in een hemelse kennisneming van Jezus, teneinde gemeenschap met Hem te mogen hebben, die niets afweet van te kermen onder een gevoel van zijn verloren staat als een schuldige zondaar voor God.
Welnu, wanneer de ziel zo onderwezen is geworden door de Heilige Geest, om zowel te gevoelen als te zien en te kennen, dat zij in zichzelf zonder kracht is om zichzelf te verlossen van de toekomende toorn, en dientengevolge neerzinkt in moedeloosheid en vrees, dan is het de tijd, dat de Heilige Geest gewoonlijk enige ontdekking geeft van de barmhartigheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Wij vinden dit dierbaar omschreven in dat opmerkelijke kapittel, Ezechiël 16. Het vat der barmhartigheid wordt uitgebeeld als een pasgeboren kind, van zijn moeder verlaten, en geworpen op het vlakke des velds vanwege de walgelijkheid zijner ziel ten dage toen het geboren werd.
Als één, met wie niemand medelijden heeft, als een verlaten, bevlekt, hulpeloos, verdorven, ellendig en uitgeworpen schepsel is de levendgemaakte ziel. Maar zij wordt niet aan zichzelf overgelaten. „Als Ik u voorbijging”, zegt de beminde Verlosser, „zo zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugelen over u uit (ten teken van ondertrouw, Ruth 3:9) en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt Mijne.”
Aan de lezer…
Hoe dikwijls hebt u dat ene woord in uw consciëntie geschreven gezien: „verloren”? Ligt het op de bodem van uw ziel als in vurige letters, en kunt u het niet uitwissen, hoe u het ook probeert? Schrik daar niet te zeer van. Geen schaap werd ooit door de hemelse Schaapherder op Zijn schouderen thuisgedragen, of het heeft eerst gekermd onder het gevoel van zijn verloren staat. Dat woord schrijft de Heilige Geest Zelf, en Hij doet het niet om u te verderven.
Want als de ziel neerzinkt in moedeloosheid en vrees en ziet dat zij zichzelf niet verlossen kan, dan is het de tijd van de barmhartigheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. U mag u zien als dat verworpen kind op het vlakke des velds, bevlekt en hulpeloos; maar Hij gaat voorbij, en uw tijd wordt de tijd der minne. Alleen Zijn verzoenend bloed wist dat woord uit, en Hij spreekt: „Gij werdt Mijne.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn volk waren verloren schapen.
Jeremia 50:6
Wanneer God de Heilige Geest met een ziel een begin maakt, gaat het zoals met de vingers van een mensenhand die een vonnis van veroordeling schreven op de muur van het paleis van de koning van Babel. Zo schrijft de gezegende Geest het woord „verloren” op het geweten van elk vat van genade. En wanneer Hij dit woord met kracht in hun geweten heeft gedrukt, dragen zij het met zich mee alsof het in vurige letters geschreven is. De indruk daarvan kan ook nooit worden uitgewist, totdat hij door het verzoenend bloed van de Middelaar wordt uitgewist. Zo worden door het onderwijs van de Heilige Geest in het geweten van de uitverkorenen de woorden „verloren, verloren, verloren” op de tafel van hun hart geschreven. „Verloren, verloren, verloren” is de uitroep van hun lippen; „verloren, verloren, verloren” ligt op de bodem van de ziel.
Er is geen kind van God dat niet min of meer kan zeggen wat „verloren” betekent. Niemand werd ooit in de armen van de hemelse Schaapherder opgenomen, op de bergen en heuvels opgezocht, op Zijn schouders gelegd en met blijdschap en vreugde thuisgebracht, of ooit tot een hemelse kennis van Jezus gebracht om gemeenschap met Hem te mogen hebben, die niets weet van kermen onder het gevoel van zijn verloren staat als een schuldig zondaar voor God.
Welnu, wanneer de ziel zo door de Heilige Geest onderwezen is dat zij zowel voelt als ziet en weet dat zij in zichzelf geen kracht heeft om zich te verlossen van de toekomende toorn, en daardoor wegzinkt in moedeloosheid en vrees, dan is het de tijd waarin de Heilige Geest gewoonlijk iets laat zien van de barmhartigheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. Wij vinden dit kostbaar beschreven in dat opmerkelijke hoofdstuk, Ezechiël 16. Het vat van barmhartigheid wordt daar afgebeeld als een pasgeboren kind, door zijn moeder verlaten en op het vlakke van het veld geworpen vanwege de walgelijkheid van zijn ziel op de dag dat het geboren werd.
Zo is de levendgemaakte ziel: als iemand met wie niemand medelijden heeft, als een verlaten, bevlekt, hulpeloos, verdorven, ellendig en uitgeworpen schepsel. Maar zij wordt niet aan zichzelf overgelaten. „Als Ik u voorbijging”, zegt de beminde Verlosser, „zo zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugelen over u uit (ten teken van ondertrouw, Ruth 3:9) en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt Mijne.”
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u dat ene woord in uw geweten geschreven gezien: „verloren”? Ligt het op de bodem van uw ziel als in vurige letters, en kunt u het niet uitwissen, hoe u het ook probeert? Schrik daar niet te erg van. Geen schaap werd ooit door de hemelse Schaapherder op Zijn schouders thuisgedragen zonder eerst te hebben gekermd onder het gevoel van zijn verloren staat. Dat woord schrijft de Heilige Geest Zelf, en Hij doet het niet om u te verderven.
Want wanneer de ziel wegzinkt in moedeloosheid en vrees en ziet dat zij zichzelf niet kan verlossen, dan is het de tijd van de barmhartigheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. U mag uzelf zien als dat verworpen kind op het vlakke van het veld, bevlekt en hulpeloos; maar Hij gaat voorbij, en uw tijd wordt de tijd der minne. Alleen Zijn verzoenend bloed wist dat woord uit, en Hij spreekt: „Gij werdt Mijne.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“My people hath been lost sheep.”
Jeremiah 50:6
When God the Holy Spirit takes a soul in hand, just as the fingers of a man’s hand wrote a sentence of condemnation upon the wall of the palace of the king of Babylon, so does the blessed Spirit write the word “lost” upon the conscience of every vessel of mercy; and when He has written this word with power on their consciences, they carry it about with them branded as it were in letters of fire, in such a manner that the impression is never to be erased, until it is blotted out by the atoning blood of the Mediator.
And thus in the teachings of the Holy Spirit in the consciences of God’s family, “lost, lost, lost” is written on their heart; “lost, lost, lost” is the cry of their lips; “lost, lost, lost” is the deep feeling of their soul. And none was ever found who had not the feeling lost written more or less deeply upon his heart. None was ever gathered into the arms of the heavenly Shepherd; sought out upon the mountains and the hills, laid upon His shoulders, and brought home with rejoicing; none was ever brought into a spiritual acquaintance with Jesus, so as to enjoy communion with Him, who had not sighed and groaned and cried under a sense of his lost state, as a guilty sinner before God.
Now when the soul has been taught by the Holy Spirit, to feel as well as to see and know itself to be without strength to deliver itself from the wrath to come, and is in consequence sunk down into despondency and dismay, then is the time when the Holy Spirit usually gives it some discovery of the mercy of God in the face of Jesus Christ. We find this sweetly set forth in that remarkable chapter, Ezekiel 16. The vessel of mercy is there delineated under the figure of a new-born babe, abandoned by its mother, and “cast out in the open field, to the loathing of its person in the day that it was born.” As unpitied, as abandoned, as polluted, as helpless, as perishing, as wretched an outcast is the quickened soul.
But it is not left to perish. “When I passed by you,” says the loving Redeemer, “and looked upon you, behold, your time was the time of love; and I spread My skirt over you” (the sign of espousal, Ruth 3:9), “and covered your nakedness—yes, I swore unto you, and entered into a covenant with you, says the Lord God, and you became Mine.”
To the reader…
How often have you seen that one word written in your conscience: “lost”? Does it lie at the bottom of your soul as in letters of fire, and can you not erase it, however you try? Do not be too alarmed by it. No sheep was ever carried home on the shoulders of the heavenly Shepherd without first having groaned under the sense of its lost state. That word is written by the Holy Spirit Himself, and He does not write it to destroy you.
For when the soul sinks down in despondency and fear and sees that it cannot deliver itself, then it is the time of the mercy of God in the face of Jesus Christ. You may see yourself as that abandoned child in the open field, defiled and helpless; but He passes by, and your time becomes the time of love. Only His atoning blood blots out that word, and He says, “Thou becamest Mine.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ovejas perdidas fueron Mi pueblo.
Jeremías 50:6
Cuando Dios el Espíritu Santo toma en Sus manos un alma, así como los dedos de una mano de hombre escribieron una sentencia de condenación en la pared del palacio del rey de Babilonia, así escribe el bendito Espíritu la palabra “perdido” en la conciencia de cada vaso de misericordia; y cuando ha escrito esta palabra con poder en sus conciencias, la llevan consigo grabada como en letras de fuego, de tal manera que la impresión nunca podrá borrarse hasta que sea raída por la sangre expiatoria del Mediador.
Y así, en las enseñanzas del Espíritu Santo en la conciencia de la familia de Dios, “perdido, perdido, perdido” queda escrito en su corazón; “perdido, perdido, perdido” es el clamor de sus labios; “perdido, perdido, perdido” es el profundo sentir de su alma. Y nunca fue hallado nadie que no tuviera el sentimiento de perdido escrito más o menos hondamente en su corazón. Nunca fue nadie recogido en los brazos del Pastor celestial, buscado por los montes y collados, puesto sobre Sus hombros y llevado a casa con gozo; nunca fue nadie llevado a un conocimiento espiritual de Jesús, de modo que gozara de comunión con Él, que no hubiera suspirado, gemido y clamado bajo el sentido de su estado perdido, como pecador culpable delante de Dios.
Ahora bien, cuando el alma ha sido enseñada por el Espíritu Santo a sentir, así como a ver y saber, que no tiene fuerza para librarse de la ira venidera, y por consiguiente se ha hundido en el abatimiento y la consternación, entonces es el tiempo en que el Espíritu Santo suele darle algún descubrimiento de la misericordia de Dios en la faz de Jesucristo. Hallamos esto dulcemente expuesto en aquel notable capítulo, Ezequiel 16. Allí se describe al vaso de misericordia bajo la figura de una criatura recién nacida, abandonada por su madre y “echada sobre la faz del campo, con menosprecio de su vida, en el día que nació”. Tan sin compasión, tan abandonada, tan contaminada, tan desvalida, tan a punto de perecer, tan miserable desechada es el alma vivificada.
Pero no se la deja perecer. “Y pasé Yo junto a ti”, dice el amante Redentor, “y te miré, y he aquí que tu tiempo era tiempo de amores; y extendí Mi manto sobre ti” (la señal de desposorio, Rut 3:9), “y cubrí tu desnudez; y te di juramento, y entré en concierto contigo, dice el Señor Jehová, y fuiste Mía.”
Al lector…
¿Cuántas veces ha visto usted escrita en su conciencia esa sola palabra: “perdido”? ¿Yace en el fondo de su alma como en letras de fuego, y no puede borrarla por más que lo intente? No se alarme demasiado por ello. Ninguna oveja fue jamás llevada a casa sobre los hombros del Pastor celestial sin haber gemido primero bajo el sentido de su estado perdido. Esa palabra la escribe el Espíritu Santo mismo, y no la escribe para destruirle.
Porque cuando el alma se hunde en el abatimiento y el temor, y ve que no puede librarse a sí misma, entonces es el tiempo de la misericordia de Dios en la faz de Jesucristo. Puede usted verse como aquella criatura abandonada en campo abierto, contaminada y desvalida; pero Él pasa junto a usted, y su tiempo se convierte en tiempo de amores. Solo Su sangre expiatoria borra esa palabra, y Él dice: “Fuiste Mía.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl