July 29
En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken: daar zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw. En God deed alzo in dezelve nacht: want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.
Richteren 6:39, 40
Velen van ’s Heeren volk gaan gebukt onder twijfeling en vrees, vragende of het wel het werk der genade aan hun harten zou zijn, of hun bevindingen niet maar bevindingen waren van het natuurlijk geweten en of hun vreugde iets anders was dan de vreugde van de huichelaar. „O,” zeggen zij, „wat zou ik niet willen geven om een Goddelijke getuigenis te hebben dat de goede Geest mij op de ware weg heeft geleid!” Juist door deze twijfelingen wordt het bewijs verkregen. Twijfel leidt tot roepen en zuchten om een Goddelijke getuigenis, en in antwoord op dat roepen ontvangt men de hemelse getuigenis. Een man zonder twijfelingen is zonder getuigenissen. Twijfelingen zijn voor getuigenissen wat de vijzel is voor de stamper, het slot voor de sleutel en het raadsel voor zijn oplossing.
Getuigenissen zijn Eben-Haëzers, „stenen der hulpe” (1 Sam. 7:12); maar er moet een gat zijn voor de steen om in te staan, en dat gat is twijfel. Twijfel aan behoud is voor de openbaring van behoud wat de honger is voor het voedsel, de naaktheid voor de kleding, een donderbui voor een schuilplaats, de galg voor een kwijtschelding van straf, en de dood voor een opstanding. Het eerste van deze dingen gaat vooraf, bereidt voor en opent een weg voor het tweede. Het eerste is niets zonder het laatste, noch het laatste zonder het eerste. Dus gaat de geestelijke twijfel aan de getuigenissen vooraf.
Te weten dat wij gelijk hebben, is het beste; te vrezen dat wij ongelijk hebben, is op een na het beste. De getuigenis des Geestes te genieten is de zaligste zaak aan deze zijde van het graf; te smachten naar dat genot is de grootste zegen na gene. Bedenk wel, ik spreek slechts van geestelijke twijfel, dat is, twijfel in een geestelijk mens, want natuurlijke twijfel is even ver van de zaligheid als natuurlijke hoop. Het pad door de vallei van Baca is „van kracht tot kracht”, dat is, naar de Oosterse wijze van reizen, van de ene rustplaats naar de andere, waar waterputten zijn gegraven, „die door de regen gevuld zijn” (Psalm 84:6, 7).
Wij leren God noch onszelf, de zonde noch de zaligheid, in één dag kennen. De vraag is niet zozeer of gij veel geloof hebt, maar of gij enig geloof hebt. Het gaat niet om de hoeveelheid, maar om de hoedanigheid; niet of gij een zeer grote godsdienst hebt, maar of gij er ook maar iets van bezit. Eén korrel waar geloof zal de ziel behouden; en ik heb vele, vele tijden gekend dat ik blijde zou geweest zijn, indien ik zeker had mogen weten dat ik het duizendste deel van een korrel bezat.
Een mosterdzaad is het minste van alle zaden; en toch kan zelfs een geloof zo klein als dat bergen verzetten. Welgelukzalig is hij die één Goddelijke getuigenis heeft van zijn eeuwig deel aan de verkiezende liefde des Vaders, aan het verzoenend bloed en de rechtvaardigende gerechtigheid des Zoons, en aan het Goddelijk onderwijs des Heiligen Geestes.
’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar ’t genot enz.
Ps. 42:1
Aan de lezer…
Wie gebukt gaat onder twijfeling en vrees, kent de vragen die daarbij in het hart opkomen. Vraagt u zich af of het wel het werk der genade in uw hart is, of dat uw bevindingen niet meer zijn dan die van een natuurlijk geweten? Zucht u: „Wat zou ik niet willen geven om een Goddelijk getuigenis te hebben!”? Wanhoop dan niet. Uw twijfel is als het gat dat gegraven wordt voor de steen der hulpe; de honger gaat aan het voedsel vooraf.
Het is het beste te weten dat wij gelijk hebben, maar op een na het beste is het te vrezen dat wij ongelijk hebben. Te smachten naar de getuigenis des Geestes is een grote zegen. Roep en zucht dan voort, want in antwoord op dat roepen geeft Hij de hemelse getuigenis. Het pad door de vallei van Baca gaat van kracht tot kracht, van de ene rustplaats naar de andere, en de Heere vult de putten op de weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken: daar zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw. En God deed alzo in dezelve nacht: want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.
Richteren 6:39, 40
Velen van het volk van de Heere gaan gebukt onder twijfel en vrees. Zij vragen zich af of het wel het werk van de genade in hun hart is, of hun bevindingen niet alleen maar bevindingen van het natuurlijke geweten waren, en of hun vreugde iets anders was dan de vreugde van de huichelaar. „O,” zeggen zij, „wat zou ik niet willen geven om een Goddelijke getuigenis te hebben dat de goede Geest mij op de ware weg heeft geleid!” Juist door deze twijfels wordt het bewijs verkregen. Twijfel leidt tot roepen en zuchten om een goddelijk getuigenis, en als antwoord op dat roepen ontvangt men het hemelse getuigenis. Iemand zonder twijfels is zonder getuigenissen. Twijfels zijn voor getuigenissen wat de vijzel is voor de stamper, het slot voor de sleutel en het raadsel voor de oplossing.
Getuigenissen zijn Eben-Haëzers, „stenen der hulpe” (1 Sam. 7:12); maar er moet een gat zijn waarin de steen kan staan, en dat gat is twijfel. Twijfel aan het behoud is voor de openbaring van het behoud wat de honger is voor het voedsel, de naaktheid voor de kleding, een onweersbui voor een schuilplaats, de galg voor een kwijtschelding van straf, en de dood voor een opstanding. Het eerste van deze dingen gaat vooraf aan het tweede, bereidt het voor en opent er een weg voor. Het eerste is niets zonder het laatste, en het laatste niets zonder het eerste. Zo gaat de geestelijke twijfel aan de getuigenissen vooraf.
Te weten dat we goed zitten, is het beste; te vrezen dat we verkeerd zitten, is het op één na beste. Het getuigenis van de Geest te genieten is het zaligste wat er aan deze kant van het graf is; te smachten naar dat genieten is de grootste zegen daarna. Bedenk wel: ik spreek alleen van geestelijke twijfel, dat is twijfel in een geestelijk mens, want natuurlijke twijfel staat even ver van de zaligheid af als natuurlijke hoop. Het pad door het dal van Baca gaat „van kracht tot kracht”, dat wil zeggen, naar de oosterse manier van reizen, van de ene rustplaats naar de andere, waar waterputten gegraven zijn, „die door de regen gevuld zijn” (Psalm 84:6, 7).
Wij leren God en onszelf, de zonde en de zaligheid, niet in één dag kennen. De vraag is niet zozeer of u veel geloof hebt, maar of u enig geloof hebt. Het gaat niet om de hoeveelheid, maar om de hoedanigheid; niet of u veel godsdienst hebt, maar of u er werkelijk iets van bezit. Eén korrel waar geloof zal de ziel behouden. En ik heb heel wat tijden gekend waarin ik blij zou zijn geweest als ik zeker had geweten dat ik het duizendste deel van een korrel bezat.
Een mosterdzaad is het kleinste van alle zaden, en toch kan zelfs zo’n klein geloof bergen verzetten. Gelukkig is hij die één Goddelijk getuigenis heeft van zijn eeuwig deel aan de verkiezende liefde van de Vader, aan het verzoenend bloed en de rechtvaardigende gerechtigheid van de Zoon, en aan het Goddelijk onderwijs van de Heilige Geest.
’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar ’t genot enz.
Ps. 42:1
Aan de lezer…
Wie gebukt gaat onder twijfel en vrees, kent de vragen die daarbij in het hart opkomen. Vraagt u zich af of het wel het werk van de genade in uw hart is, of dat uw bevindingen niet meer zijn dan die van een natuurlijk geweten? Zucht u: „Wat zou ik niet willen geven om een goddelijk getuigenis te hebben!”? Wanhoop dan niet. Uw twijfel is als het gat dat gegraven wordt voor de steen der hulpe; de honger gaat aan het voedsel vooraf.
Het is het beste te weten dat we goed zitten, maar het op één na beste is te vrezen dat we verkeerd zitten. Smachten naar het getuigenis van de Geest is een grote zegen. Blijf dan roepen en zuchten, want als antwoord op dat roepen geeft Hij het hemelse getuigenis. Het pad door het dal van Baca gaat van kracht tot kracht, van de ene rustplaats naar de andere, en de Heere vult de putten op de weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And Gideon said unto God, Let not Thine anger be hot against me, and I will speak but this once: let me prove, I pray Thee, but this once with the fleece; let it now be dry only upon the fleece, and upon all the ground let there be dew. And God did so that night: for it was dry upon the fleece only, and there was dew on all the ground.
Judges 6:39-40
Many of the Lord’s people labor under doubts and fears, questionings and suspicions as to the reality of the work of grace upon their hearts; whether their convictions were not merely convictions of natural conscience, and whether their joys have been anything else but the joys of the hypocrite. “O,” they say, “what would I not give to have a divine testimony that the blessed Spirit was leading me in the right path!”
It is through these very doubts that the evidence is obtained. Doubts lead to cries and groans after a divine testimony; and in answer to these cries the heavenly witness is given. A man without doubts is without testimonies. Doubts are to testimonies what the lock to the key, the enigma to the solution. Testimonies are Ebenezers, “stones of help” (1 Sam. 7:12, marg.); but the stone must have a hole dug for it to stand in, and that hole is doubt.
Doubts of salvation are to manifestations of salvation what hunger is to food, nakedness to clothing, a thunderstorm to a shelter, a gallows to a reprieve, and death to a resurrection. The one of these things precedes, prepares, and opens a way for the other. The first is nothing without the last, nor the last without the first. Thus, next to testimonies, the best thing is spiritual doubts. To know we are right is the best thing; to fear we are wrong is the second best.
To enjoy the witness of the Spirit is the most blessed thing this side of the grave; to pant after that enjoyment is the next greatest blessing. I am speaking, mind, only of spiritual doubts; that is, doubts in a spiritual man, for natural doubts are as far from salvation as natural hopes. The path through the valley of Baca is “from strength to strength,” that is, according to the eastern mode of traveling, from one halting-place to another, where wells are dug, and “the rain fills the pools” (Ps. 84:6, 7).
We do not learn either God or ourselves, sin or salvation, in a day. The question is not so much whether you have much faith, but whether you have any. It is not quantity, but quality; not whether you have a very great religion, but whether you have any at all. A grain of true faith will save the soul; and I have known many, many seasons when I would have been glad to feel certain that I had the thousandth part of a grain.
A grain of mustard seed is the smallest of all seeds; and even faith as small as that can move mountains. Happy is he that has one divine testimony to his eternal interest in the electing love of the Father, in the atoning blood and justifying righteousness of the Son, and in the divine teachings of the Holy Spirit.
To the reader…
Whoever is weighed down by doubts and fears knows the questions that rise in the heart. Do you wonder whether it really is the work of grace in your heart, or whether your experiences are no more than those of a natural conscience? Do you sigh: “What would I not give to have a divine testimony!”? Then do not despair. Your doubt is like the hole that is dug for the stone of help; hunger goes before food.
It is best to know that we are right, but the next best thing is to fear that we are wrong. To long for the witness of the Spirit is a great blessing. So keep on crying and sighing, for in answer to that crying He gives the heavenly witness. The path through the valley of Baca goes from strength to strength, from one resting-place to the next, and the Lord fills the pools along the way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas Gedeón dijo a Dios: No se encienda Tu ira contra mí, si aun hablare esta vez: solamente probaré ahora otra vez con el vellón. Ruégote que la sequedad sea solo en el vellón, y el rocío sobre la tierra. Y aquella noche lo hizo Dios así: porque la sequedad fue solo en el vellón, y en toda la tierra estuvo el rocío.
Jueces 6:39-40
Muchos del pueblo del Señor andan cargados de dudas y temores, preguntas y sospechas en cuanto a la realidad de la obra de la gracia en sus corazones: si sus convicciones no fueron meramente convicciones de la conciencia natural, y si sus gozos han sido otra cosa que el gozo del hipócrita. “Oh”, dicen, “¡qué no daría yo por tener un testimonio divino de que el bendito Espíritu me estaba guiando por el camino recto!”
Es precisamente por medio de estas dudas como se obtiene la evidencia. Las dudas conducen a clamores y gemidos por un testimonio divino; y en respuesta a estos clamores se da el testigo celestial. Un hombre sin dudas está sin testimonios. Las dudas son a los testimonios lo que la cerradura a la llave, el enigma a la solución. Los testimonios son Eben-ezeres, “piedras de ayuda” (1 Samuel 7:12, al margen); pero a la piedra hay que cavarle un hoyo donde asentarse, y ese hoyo es la duda.
Las dudas acerca de la salvación son a las manifestaciones de la salvación lo que el hambre es al alimento, la desnudez al vestido, la tormenta al refugio, la horca al indulto y la muerte a la resurrección. Lo uno precede, prepara y abre camino a lo otro. Lo primero no es nada sin lo último, ni lo último sin lo primero. Así, después de los testimonios, lo mejor son las dudas espirituales. Saber que estamos bien es lo mejor; temer que estamos mal es lo segundo mejor.
Gozar del testimonio del Espíritu es lo más bendito de este lado de la tumba; anhelar ese gozo es la siguiente mayor bendición. Tenga en cuenta que hablo solo de dudas espirituales, es decir, dudas en un hombre espiritual, porque las dudas naturales están tan lejos de la salvación como las esperanzas naturales. El camino a través del valle de Baca va “de fortaleza en fortaleza”, es decir, según el modo oriental de viajar, de un lugar de descanso a otro, donde se cavan pozos y “la lluvia llena los estanques” (Salmo 84:6-7).
No aprendemos ni a Dios ni a nosotros mismos, ni el pecado ni la salvación, en un día. La pregunta no es tanto si usted tiene mucha fe, sino si tiene alguna. No es cuestión de cantidad, sino de calidad; no de si tiene una religión muy grande, sino de si tiene alguna en absoluto. Un grano de fe verdadera salvará el alma; y he conocido muchísimas temporadas en que me habría alegrado sentir con certeza que tenía la milésima parte de un grano.
El grano de mostaza es la más pequeña de todas las semillas; y aun una fe tan pequeña como esa puede mover montes. Dichoso aquel que tiene un solo testimonio divino de su parte eterna en el amor electivo del Padre, en la sangre expiatoria y la justicia justificadora del Hijo, y en las enseñanzas divinas del Espíritu Santo.
Al lector…
Quien está abrumado por dudas y temores conoce las preguntas que se levantan en el corazón. ¿Se pregunta usted si de verdad es la obra de la gracia en su corazón, o si sus experiencias no son más que las de una conciencia natural? ¿Suspira: “¡Qué no daría yo por tener un testimonio divino!”? Entonces no desespere. Su duda es como el hoyo que se cava para la piedra de ayuda; el hambre va delante del alimento.
Lo mejor es saber que estamos bien, pero lo siguiente mejor es temer que estamos mal. Anhelar el testimonio del Espíritu es una gran bendición. Siga, pues, clamando y suspirando, porque en respuesta a ese clamor Él da el testigo celestial. El camino a través del valle de Baca va de fortaleza en fortaleza, de un lugar de descanso al siguiente, y el Señor llena los estanques a lo largo del camino.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl