Life Given for a Prey
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet. Jeremia45:5
Deze woorden werden door Jeremia, de profeet, gesproken tot Baruch, zoon van Nerija. Ze werden tot hem gericht onder bijzondere omstandigheden. Het was de tijd waarin de Heere bezig was Zijn doel, door Zijn volk Juda in gevangenschap te leiden, te verwezenlijken. Toen moesten, naar Zijn rechtvaardige oordelen, de Levitische offeranden voor een tijd ophouden, de tempel verwoest worden, en het volk uit zijn eigen stad en land weggerukt en naar het land van Babel weggevoerd worden. Dit waren ongetwijfeld tijden van grote wereldlijke bezoeking. De aanwezigheid van het binnenvallende leger moet al die verwoestingen met zich hebben meegebracht die deze vreselijke gesel van God steeds teweegbrengt; en de rechtvaardigen zowel als de goddelozen moeten gelijkelijk geleden hebben in deze algemene rampspoed. Zwaard, pest en honger kwamen over allen gelijk, over hem die zweert, gelijk over hem die voor de eed vreest (Pred. 9:2). Maar bij ‘het overblijfsel naar de verkiezing der genade’ (Rom. 11:5) kwamen bij het gewicht van hun wereldlijke rampen nog de zware lasten van geestelijke bezoeking. De zware oordelen van God over het land waren evenzovele zichtbare getuigenissen van Zijn ongenoegen. En het schijnt alsof de bevinding van Gods volk in die dag van gelijke aard was als de algemene somberheid. De donkere, dreigende wolk die boven Jeruzalem hing, wierp haar schaduw over de zielen van het levende huisgezin. We zien een verband tussen Jeremia’s beleving in de Klaagliederen en de wereldlijke bezoekingen van Juda, want dezelfde oorzaak ligt waarschijnlijk ten grondslag aan de klaagzang die Baruch uitte in de woorden voorafgaand aan deze tekst, en waarop de Heere op de volgende wijze antwoord geeft: ‘Alzo zegt de Heere, de God Israëls, van u, o Baruch! Gij zegt: Wee nu mij, want de Heere heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geen rust!’ Smart gevoegd bij droefenis – geestelijke beproevingen gevoegd bij wereldlijke beproevingen, zielsbezoeking volgend op natuurlijke bezoeking, golf roepend naar golf, en last gestapeld op last; en beide tezamen drukten hem zo terneer, belastten hem dermate, dat hij uitgeput raakte door zijn zuchten en geen rust kon vinden. De Heere zag ongetwijfeld in Baruchs hart wat Baruch zelf niet zag. Hij zag er een verborgen hunkering op de loer liggen naar dingen die God nooit heeft beloofd aan Zijn kinderen te zullen schenken. Hij ontdekte, door de dikke sluier die over zijn hart lag uitgespreid, dat er buitensporige verlangens in zijn hart werkzaam waren, en dat hij dingen beoogde die helemaal niet in overeenstemming waren met Gods bedoelingen, het karakter van de tijd, en wat werkelijk gunstig voor zijn ziel was. Toen Hij dus het geweten onderzocht en zag wat er heimelijk gaande was, richtte de Heere Zich op de precieze omstandigheden van de zaak: ‘En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie. Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de Heere; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henentrekken.’ Baruch schijnt in zijn geest heimelijk de hoop te hebben gekoesterd dat de Heere de aangekondigde vonnissen over Juda niet zou voltrekken; in ieder geval had hij de verborgen verwachting dat hij er zelf niet in verwikkeld zou worden. Temidden van al zijn smart en droefenis, zijn uitputting en zuchten, was de eerzucht niet dood in hem; en er was sprake van een rusteloze gerichtheid op dingen die niet in overeenstemming waren met de bezoekingen die zijn land zouden treffen, en met zijn eigen hoedanigheid als profeet van de Heere. Welnu, wie van ons kan schuld ontkennen bij een soortgelijke aanklacht?
Lezen: Jeremia 45
“And do you seek you great things for yourself? seek them not: for, behold, I will bring evil upon all flesh, says the Lord: but your life will I give unto you for a prey in all places where you go” — Jeremiah 45:5
These words were spoken by Jeremiah the prophet to Baruch the son of Neriah; and they were addressed to him under particular circumstances. It was at the time when the Lord was accomplishing his purpose of carrying his people Judah into captivity; when, according to his righteous judgments, the Levitical sacrifices were for a time to cease, the temple to be destroyed, and the people to be uprooted from their own city and country, and taken into the land of Babylon. These were times, doubtless, of great temporal affliction. The presence of the invading army must have carried with it all those desolations which that terrible scourge of God invariably brings; and the righteous as well as the wicked must have alike suffered in this general calamity. Sword, pestilence, and famine came alike upon all, upon him that swore, as upon him that feared an oath (Eccl. 9:2).
But in the case of the “remnant according to the election of grace,” (Rom. 11:5) there were superadded to the weight of their temporal calamities the heavy burdens of spiritual affliction. The severe judgments of God upon the land were so many visible testimonies of his displeasure. And it seems as if the experience of God’s people in that day was of a character similar to the general gloom. The dark lowering cloud that hung over Jerusalem cast its shadow over the souls of the living family.
We thus see a connection between Jeremiah’s experience in the Lamentations and the temporal afflictions of Judah; and the same cause may account for the lamentation that Baruch poured out in the words preceding the text, and of which the Lord takes this special notice: “Thus says the Lord, the God of Israel, unto you, O Baruch; You did say, Woe is me now, for the Lord has added grief to my sorrow; I fainted in my sighing, and I find no rest,” (verses 2,3).
“Grief added to sorrow”—spiritual trials added to temporal trials, soul affliction following upon natural affliction, wave calling to wave, and burden heaped upon burden; and both together so depressing his spirits, so weighing him down, that he “fainted in (his) sighing, and could find no rest.”
The Lord doubtless saw in Baruch’s heart that which Baruch did not see himself; he saw lurking there a secret craving after things which God has never promised to bestow upon his people. He discerned through the thick veil spread over his heart that there were immoderate desires working in his bosom, and that he was aiming at things quite inconsistent with the purposes of God, the character of the times, and what was really profitable for his own soul. Viewing, then, with his heart-searching eye what was thus secretly going on in “the chambers of imagery,” (Ezek. 8:12) the Lord addressed himself to the very circumstances of the case: “Do you seek you great things for yourself? seek them not; for, behold, I will bring evil upon all flesh, says the Lord: but your life will I give unto you for a prey in all places where you go.”
There seems to have been in Baruch’s mind a secret hope that the Lord would not bring down upon Judah the judgments denounced; at any rate, he appears to have cherished a lurking expectation that he himself would not be involved in them. Amid all his grief and sorrow, his fainting and sighing, ambition was not dead within; and there was a restless aiming at things inconsistent with the afflictions to fall upon his country, and with his own character as a prophet of the Lord. Now who of us can plead, “Not guilty!” to a similar charge?