Want zijn ogen zijn op ieders wegen; en Hij ziet al zijn treden. Job 34:21
De Christen moet bewijzen, dat niets aan het oog van een rechtvaardig en heilig God ontsnapt; dat Hij elke geheime gedachte bloot legt; elk verborgen voornemen opzoekt, en elke begeerte en elke beweging der ziel onderzoekt. Aldus ontdekt Hij al de verborgen zonden van het hart en brengt ze aan het licht. De mens slaat in het algemeen geen acht op de zonden des harten; zo hij zich maar onthouden kan van zonden in het openbare leven; van zedeloze handelingen, dan is hij voldaan. Wat er in de binnenkamer der verbeelding omgaat, ziet noch gevoelt hij. Niet zo met het kind der genade; hij kent de ervaring beschreven in Psalm 139. Hij draagt de geheime overtuiging in zich om, dat het oog van God elke gedachte leest. Elke inwendige beweging van hoogmoed en eigengerechtigheid, opstand, ontevredenheid, gemelijkheid, verstoordheid, lust en dartelheid gevoelt hij in zichzelf, dat Gods oog ze alle leest; alle gadeslaat; alle veroordeelt volgens zijn rechtvaardige Wet, en omdat Hij zelf zo volmaakt rein is, ze ook alle haat en verafschuwt. Dus toont hij dat, onder al de dingen, die in de binnenkamer des gewetens gemeten en gewogen worden, door de niet dwalende standaard van Gods Woord, door het licht van het onderwijs des Geestes en de werking van de vreze Gods, dat hij een zondaar is voor God, en van een donkerder karmozijn dan enige andere zondaar; want hij ziet en kent zijn eigen hart, dat niemand anders kan zien of kennen. Hij weet het, dat menigeen zwaarder gezondigd heeft, wat uitwendige daden aangaat; maar hij gevoelt, dat niemand inwendig meer en aanhoudend gezondigd heeft dan hij, en dat doet hem met Job zeggen: „Met het gehoor der oren heb ik U gehoord; maar nu zien mij Uw ogen. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5, 6).
Zeer groot is onze Heer, vol krachten;
onpeilbaar diep zijn Gods gedachten,
daar zijn verstand, nooit af te meten,
ver overtreft al wat wij weten.
Zachtmoedigen wil Hij bewaren,
Hij houdt ze staand’ in hun gevaren,
maar goddelozen doet Hij bukken,
bezwijken onder d’ ongelukken.
Ps. 147:3