January 25
Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
Klaagliederen 5:21
Bent u niet dikwijls onbekwaam om berouw te voelen en uw zonden voor God te belijden? Geeft uw geweten u niet dikwijls een terugblik op vleselijke gedachten, goddeloze begeerten, ijdele inbeeldingen, dwaze woorden, dartele gesprekken en die gehele lijst van verkeerdheden die getuigen van al onze afwijkingen van het leven Gods? Maar bent u in staat om daarover berouw te voelen? Voelt u zich dan als in uw hart getroffen? Kunt u treuren en zuchten omdat uw geweten zulk een reeks van klachten tegen u inbrengt? Kunt u uw ziel voelen wegsmelten door het gevoel van smart daarover? Kunt u verslagen zijn over uw trotsheid, uw wereldsgezindheid, uw begeerlijkheid, over alles wat verkeerd, over alles wat hatelijk is in het oog van God?
Maar zijn er dan tijden en gelegenheden dat het de Heere behaagt op het geweten te werken, de ziel te bewegen en te schokken, het hart aan te roeren met Zijn genadige vingers – dan ontstaat er berouw en godzalige smart. Het is met ons als met de rots waar Mozes op sloeg. Er was water in de rots; maar er moest met de staf op geslagen worden voordat het water eruit vloeide. Zo kunnen wij de genade van berouw in onze ziel hebben; maar zij vereist de Goddelijke hand om op de rots te slaan, zodat het water van de godzalige smart eruit stroomt.
Heer, door goedheid aangedreven
zijt Gij mild in ’t schuld vergeven!
Wie U aanroept in de nood
vindt Uw gunst oneindig groot.
Heer, neem mijn gebed ter oren,
wil toch naar mijn smeking horen;
merk naar Uw goedgunstigheên
op de stem van mijn gebeên.
Ps. 86:3
Aan de lezer…
Arme zondaar, ziet u uw zonden wel, maar kunt u er niet over treuren? Brengt uw geweten de ene klacht na de andere tegen u in, en blijft uw hart toch hard als een rots? Misschien maakt juist dat u nog banger dan de zonden zelf. Weet dan dat u hierin niet alleen staat. Wij kunnen berouw niet uit onszelf voortbrengen, evenmin als water uit een steen. Er moet een hand zijn die slaat.
Maar zie naar de rots in de woestijn: er was water in, al vloeide het pas toen Mozes er met de staf op sloeg. Zo kan de genade van berouw in uw ziel verborgen liggen, totdat de Heere met Zijn genadige vingers uw hart aanroert. Breng dan uw harde hart bij Hem, met het gebed van de Klaagliederen: „Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn.” Hij is mild in het vergeven, en wie Hem in de nood aanroept, vindt Zijn gunst oneindig groot.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
Klaagliederen 5:21
Bent u niet vaak onmachtig om berouw te voelen en uw zonden voor God te belijden? Laat uw geweten u niet vaak terugzien op vleselijke gedachten, goddeloze begeerten, ijdele inbeeldingen, dwaze woorden, lichtzinnige gesprekken en heel die lijst van verkeerdheden die getuigen van al onze afwijkingen van het leven van God? Maar bent u in staat daarover berouw te voelen? Voelt u zich dan in uw hart getroffen? Kunt u treuren en zuchten omdat uw geweten zo’n reeks van aanklachten tegen u inbrengt? Kunt u uw ziel voelen wegsmelten van smart daarover? Kunt u verslagen zijn over uw hoogmoed, uw wereldsgezindheid, uw begeerlijkheid, over alles wat verkeerd en alles wat hatelijk is in de ogen van God?
Maar er zijn tijden en gelegenheden waarin het de Heere behaagt op het geweten te werken, de ziel te bewegen en te schokken en het hart aan te raken met Zijn genadige vingers. Dan ontstaan er berouw en een godzalige droefheid. Het is met ons als met de rots waarop Mozes sloeg. Er was water in de rots, maar er moest met de staf op geslagen worden voordat het water eruit stroomde. Zo kunnen wij de genade van berouw in onze ziel hebben, maar er is de goddelijke hand voor nodig om op de rots te slaan, zodat het water van de godzalige droefheid eruit stroomt.
Heer, door goedheid aangedreven
zijt Gij mild in ’t schuld vergeven!
Wie U aanroept in de nood
vindt Uw gunst oneindig groot.
Heer, neem mijn gebed ter oren,
wil toch naar mijn smeking horen;
merk naar Uw goedgunstigheên
op de stem van mijn gebeên.
Ps. 86:3
Aan de lezer…
Arme zondaar, ziet u uw zonden wel, maar kunt u er niet over treuren? Brengt uw geweten de ene aanklacht na de andere tegen u in, en blijft uw hart toch hard als een rots? Misschien maakt juist dat u nog banger dan de zonden zelf. Weet dan dat u hierin niet alleen staat. Wij kunnen berouw niet uit onszelf voortbrengen, net zo min als water uit een steen. Er moet een hand zijn die slaat.
Maar kijk naar de rots in de woestijn: er was water in, al stroomde het pas toen Mozes er met de staf op sloeg. Zo kan de genade van berouw in uw ziel verborgen liggen, totdat de Heere met Zijn genadige vingers uw hart aanraakt. Breng dan uw harde hart bij Hem, met het gebed uit de Klaagliederen: „Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn.” Hij is mild in het vergeven, en wie Hem in de nood aanroept, vindt Zijn gunst oneindig groot.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Turn Thou us unto Thee, O Lord, and we shall be turned; renew our days as of old.
Lamentations 5:21
Are you not often destitute of the power to repent, and confess your sins before God? Does not conscience often bring to view a melancholy retrospect of carnal thoughts, wicked desires, vain imaginations, foolish words, frivolous speeches, and all that catalogue of evils, that huge bill which godly fear sometimes files in the court within, as seen in all our departures from the life of God? But are you able to repent? are you able to feel cut to the very heart? are you able to mourn and sigh because conscience brings against you this long indictment? Can you always feel your soul melted down with sorrow on account of it? Are you always able to feel contrition because you are proud, worldly, covetous, everything that is evil, everything that is hateful in God’s sight?
But, then, there are times and seasons when the Lord is pleased to work upon the conscience, to move and stir the soul, to touch the heart with His gracious finger—then repentance and godly sorrow flow forth. It is with us as with the rock that Moses struck. There was water in the rock; but it required to be struck with the rod before the waters flowed out. So we may have the grace of repentance in our souls; but it requires the divine hand to strike the rock, to cause the waters of godly sorrow to gush forth.
To the reader…
Poor sinner, do you see your sins, yet cannot grieve over them? Does your conscience bring one charge after another against you, and does your heart still remain as hard as a rock? Perhaps that very thing frightens you even more than the sins themselves. Know, then, that you are not alone in this. We cannot bring forth repentance from ourselves, any more than water from a stone. There must be a hand that strikes.
But look at the rock in the wilderness: there was water in it, though it only flowed when Moses struck it with the rod. In the same way the grace of repentance may lie hidden in your soul, until the Lord touches your heart with His gracious fingers. Bring your hard heart to Him, then, with the prayer from Lamentations: “Turn Thou us unto Thee, O Lord, and we shall be turned.” He is ready to forgive, and whoever calls upon Him in distress finds His favour to be boundless.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Vuélvenos, oh Jehová, a Ti, y nos volveremos: renueva nuestros días como al principio.
Lamentaciones 5:21
¿No está usted a menudo desprovisto del poder para arrepentirse y confesar sus pecados delante de Dios? ¿No le pone a menudo la conciencia delante una triste retrospectiva de pensamientos carnales, deseos perversos, imaginaciones vanas, palabras necias, conversaciones frívolas, y todo ese catálogo de males, esa enorme cuenta que el temor piadoso presenta a veces en el tribunal interior, tal como se ve en todos nuestros apartamientos de la vida de Dios? Pero ¿puede usted arrepentirse? ¿Puede sentirse herido hasta lo más hondo del corazón? ¿Puede lamentar y suspirar porque la conciencia presenta contra usted esta larga acusación? ¿Puede sentir siempre su alma derretida de dolor por ello? ¿Puede siempre sentir contrición porque es orgulloso, mundano, codicioso, todo lo que es malo, todo lo que es aborrecible a los ojos de Dios?
Pero hay tiempos y sazones en que al Señor le place obrar sobre la conciencia, mover y conmover el alma, tocar el corazón con Su dedo misericordioso, y entonces fluyen el arrepentimiento y la tristeza según Dios. Nos sucede como a la peña que Moisés golpeó. Había agua en la peña; pero era necesario golpearla con la vara antes de que las aguas brotaran. Así también podemos tener la gracia del arrepentimiento en nuestras almas; pero se necesita la mano divina que golpee la peña para hacer brotar las aguas de la tristeza según Dios.
Al lector…
Pobre pecador, ¿ve usted sus pecados, y sin embargo no puede entristecerse por ellos? ¿Le presenta su conciencia una acusación tras otra, y aun así su corazón sigue tan duro como una peña? Quizá eso mismo le asusta más aún que los pecados. Sepa, pues, que no está solo en esto. No podemos producir arrepentimiento de nosotros mismos, como tampoco agua de una piedra. Ha de haber una mano que golpee.
Pero mire la peña en el desierto: había agua en ella, aunque solo fluyó cuando Moisés la golpeó con la vara. Del mismo modo la gracia del arrepentimiento puede estar escondida en su alma, hasta que el Señor toque su corazón con Sus dedos misericordiosos. Lleve, pues, su corazón duro a Él con la oración de Lamentaciones: “Vuélvenos, oh Jehová, a Ti, y nos volveremos”. Él está pronto a perdonar, y quien le invoca en la angustia halla que Su favor no tiene límites.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl