March 22
Uitverkoren naar de voorkennis van God de Vader.
1 Petrus 1:2
Voorkennis van de personen, die zijn uitverkoren in de Goddelijke huishouding, gaat de uitverkiezing vooraf. En die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd. En deze voorkennis was niet een vooruitzicht van hun geloof of liefde in de tijd, alsof dit de grond was waarop God hen uitverkiezen zou; maar zij houdt in: eerst die volmaakte kennis die God van hen had en van alles wat hen betrof, en wel van de afgrond der zonde en van de opstand, ongehoorzaamheid en goddeloosheid waaraan zij schuldig bevonden zouden worden, aleer zij door genade geroepen werden; en van al hun smartelijke afwijkingen, vergrijpen en vallen, met de snode beantwoording die zij Hem voor Zijn goedheid en genade zouden vergelden, nadat Hij door Zijn vinger hun harten had aangeraakt.
En ten tweede en meer bijzonder geeft het te kennen Zijn welwillendheid en welbehagen, met die eeuwige liefde van God de Vader, waardoor Hij hen voorkende met een heilig welgevallen, een Goddelijke genegenheid jegens hen en een heilig en onveranderlijk genoegen in hen, aangezien in Zijn beminde Zoon, verkoren in Hem en aangenaam in de Geliefde. En zo is dus de uitverkiezing niet een droge verkiezing van hen in Christus, als wij deze uitdrukking met eerbied mogen gebruiken, maar een verkiezing van hen uit voorkennis met een heilige goedkeuring en van een ieder van Zijn huisgezin persoonlijk. En hoezeer zij onder elkander ook mogen verschillen, èn in natuurlijk, èn in geestelijk opzicht, nochtans was Zijn goedkeurende kennis van een ieder van hen allen in Christus, overeenkomstig Zijn bepalende keuze.
Dit in de ziel te mogen beleven is zeer zoet en dierbaar. Wij kennen onszelf niet. Wij hebben een weinig in onze gevallen staat van nature mogen inblikken en wij mogen iets kennen van de snode boosheden die werken en werkten in ons gemoed; wij mogen enige schermutselingen of zelfs een hete strijd gehad of gevoerd hebben met ons ongelovig, weerstrevig, hoogmoedig hart; maar wij kennen onszelf niet zoals God ons kent. En ofschoon wij mogen uitroepen: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten”, hoe oppervlakkig is grotendeels de kennis en ondervinding van onszelf! Hoe weinig stellen wij onze zondigheid tegenover de heiligheid van God, of blikken wij in de diepten onzer natuur, zo die naakt en open liggen voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.
Wanneer wij dan gedenken dat Hij, Die van den beginne wist wat wij ooit zouden zijn in de diepte van Adams val, en niettegenstaande dit ons verkoos door Zijn bepaald besluit in Zijn beminde Zoon tot het eeuwige leven, wat moet dit ons opheffen uit al onze neerdrukkingen, waarin wij door een gezicht en gevoel van de zonde van tijd tot tijd geraken!
Aan de lezer…
Wat een schrik kan het geven, wanneer u soms zo’n blik krijgt in uw eigen hart, in uw ongeloof, hoogmoed en weerstrevigheid, dat u zich afvraagt hoe God ooit iets met zo iemand te maken zou willen hebben! En zijn er afwijkingen en vallen in uw leven die u neerdrukken? Bedenk dan dat u uzelf nog maar oppervlakkig kent. God kent u veel dieper dan u uzelf ooit kennen zult. Hij wist van den beginne wat u in de diepte van Adams val zou zijn.
En toch, niettegenstaande dit alles, verkoos Hij de Zijnen in Zijn beminde Zoon tot het eeuwige leven. Zijn voorkennis was geen vooruitzicht op hun goedheid, maar een kennen met heilig welgevallen en eeuwige liefde. Mag u daar iets van beleven, dan heft dat op uit alle neerdrukking die het gezicht van de zonde u geeft. Niet omdat u beter bent dan u vreesde, maar omdat Hij u kende en u toch liefhad in de Geliefde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Uitverkoren naar de voorkennis van God de Vader.
1 Petrus 1:2
In de goddelijke huishouding gaat de voorkennis van de personen die uitverkoren zijn, aan de verkiezing vooraf. En die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd. Deze voorkennis was geen vooruitzien van hun geloof of liefde in de tijd, alsof dat de grond was waarop God hen zou uitverkiezen. Zij houdt in de eerste plaats die volmaakte kennis in die God van hen had en van alles wat hen betrof: van de afgrond van zonde en van de opstand, ongehoorzaamheid en goddeloosheid waaraan zij schuldig bevonden zouden worden voordat zij door genade geroepen werden. En ook van al hun smartelijke afdwalingen, overtredingen en vallen, met de snode beantwoording waarmee zij Hem Zijn goedheid en genade zouden vergelden, nadat Hij hun harten met Zijn vinger had aangeraakt.
En in de tweede plaats, en meer in het bijzonder, drukt zij Zijn welwillendheid en welbehagen uit, met die eeuwige liefde van God de Vader waarmee Hij hen tevoren kende: met een heilig welgevallen, een goddelijke genegenheid jegens hen en een heilig en onveranderlijk genoegen in hen, zoals zij gezien werden in Zijn geliefde Zoon, verkoren in Hem en aangenaam in de Geliefde. Zo is de verkiezing dus geen droge verkiezing van hen in Christus, als wij die uitdrukking met eerbied mogen gebruiken, maar een verkiezing van hen uit voorkennis, met een heilige goedkeuring, en van ieder van Zijn huisgezin persoonlijk. En hoezeer zij onderling ook mogen verschillen, zowel in natuurlijk als in geestelijk opzicht, toch was Zijn goedkeurende kennis van ieder van hen in Christus, overeenkomstig Zijn bepalende keuze.
Dit in de ziel te mogen beleven is zeer zoet en dierbaar. Wij kennen onszelf niet. Wij hebben misschien een beetje mogen zien van onze gevallen staat van nature, en wij kennen misschien iets van de snode boosheden die in ons gemoed werken en werkten. Wij hebben misschien enige schermutselingen of zelfs een hete strijd gehad met ons ongelovig, weerspannig en hoogmoedig hart. Maar wij kennen onszelf niet zoals God ons kent. En hoewel wij mogen uitroepen: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten”, hoe oppervlakkig is meestal de kennis en ervaring van onszelf! Hoe weinig stellen wij onze zondigheid tegenover de heiligheid van God, of kijken wij in de diepten van onze natuur, zoals die naakt en geopend liggen voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.
Wanneer wij dan bedenken dat Hij, Die van den beginne wist wat wij ooit zouden zijn in de diepte van Adams val, ons ondanks dat door Zijn vast besluit in Zijn geliefde Zoon tot het eeuwige leven verkoos, wat moet ons dat dan opheffen uit al onze neerslachtigheid, waarin wij van tijd tot tijd raken door het zien en voelen van de zonde!
Aan de lezer…
Wat kan het u doen schrikken wanneer u soms zo’n blik krijgt in uw eigen hart, in uw ongeloof, hoogmoed en weerspannigheid, dat u zich afvraagt hoe God ooit iets met zo iemand te maken zou willen hebben! En zijn er afdwalingen en vallen in uw leven die u neerdrukken? Bedenk dan dat u uzelf nog maar oppervlakkig kent. God kent u veel dieper dan u uzelf ooit zult kennen. Hij wist van den beginne wat u in de diepte van Adams val zou zijn.
En toch, ondanks dit alles, verkoos Hij de Zijnen in Zijn geliefde Zoon tot het eeuwige leven. Zijn voorkennis was geen vooruitzien van hun goedheid, maar een kennen met heilig welgevallen en eeuwige liefde. Mag u daar iets van beleven, dan heft dat u op uit alle neerslachtigheid die het zien van de zonde u geeft. Niet omdat u beter bent dan u vreesde, maar omdat Hij u kende en u toch liefhad in de Geliefde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Elect according to the foreknowledge of God the Father.”
1 Peter 1:2
Foreknowledge of the persons of the elect in the divine economy precedes election. “Whom He did foreknow He also did predestinate;” and this foreknowledge was not any eternal foreview of their faith or love in time, as if that were the ground of God’s choice of them; but it implies, first, that thorough knowledge which God had of them, and of all that should concern them, of all the depths of sin and rebellion, disobedience and ungodliness, of which they might be guilty before called by grace, and of all their grievous backslidings, slips, and falls, with all the base returns that they should make for His goodness and mercy toward them after He had touched their hearts by His finger.
And secondly and chiefly, it signifies the good will and pleasure, with that everlasting love of God the Father, whereby He foreknew them with a holy approbation of them, a divine affection toward them, and a holy and unalterable delight in them as viewed in His dear Son, chosen in Him and accepted in the Beloved. And thus election is not, if we may use the expression without irreverence, a dry choice of them in Christ, but a choice of them as foreknowing, with a holy approbation, each of His elect family, personally and individually, and however they might differ among themselves in the infinite variety whereby one man varies both naturally and spiritually from another, yet that His approving knowledge of each and all of them in Christ Jesus was in sweet harmony with His determinate choice. To realize this in soul feeling, is very sweet and precious.
We do not know ourselves. We may have seen a little into our fallen state by nature, and may know something of the dreadful evils that lurk and work within; we may have had some passing skirmishes, or even some hot battles with our proud, rebellious, unbelieving, infidel, and desperately wicked heart, but we do not know ourselves as God knows us. And though we may cry, “Search me, O God, and know my heart; try me, and know my thoughts,” yet how shallow for the most part and superficial is that knowledge and experience of ourselves!
How little do we measure our sinfulness by the holiness of God, or look down into the depths of our nature as they lie naked and open before the eyes of Him with Whom we have to do! When, then, we think that He Who knew from the beginning all that we ever should be in the depths of the Adam fall, yet chose us by determinate decree in His dear Son unto eternal life, what a blessed lift does it give to the soul out of all those sinkings into which a sight and sense of sin is continually casting it.
To the reader…
How it can frighten you when you sometimes get such a glimpse into your own heart, into your unbelief, pride and rebelliousness, that you wonder how God could ever want anything to do with someone like you! And are there backslidings and falls in your life that weigh you down? Remember, then, that you still know yourself only superficially. God knows you far more deeply than you will ever know yourself. He knew from the beginning what you would be in the depths of Adam’s fall.
And yet, in spite of all this, He chose His own in His beloved Son unto eternal life. His foreknowledge was not a foreseeing of their goodness, but a knowing with holy delight and everlasting love. If you may experience something of this, it lifts you up out of all the dejection that the sight of sin brings you. Not because you are better than you feared, but because He knew you and still loved you in the Beloved.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Elegidos según la presciencia de Dios Padre.”
1 Pedro 1:2
La presciencia de las personas de los elegidos precede, en la economía divina, a la elección. “A los que antes conoció, también predestinó”; y esta presciencia no fue una previsión eterna de su fe o de su amor en el tiempo, como si eso fuera el fundamento de la elección que Dios hizo de ellos; sino que implica, primero, aquel conocimiento completo que Dios tenía de ellos y de todo lo que les concerniría, de todas las profundidades de pecado y rebelión, desobediencia e impiedad de que pudieran ser culpables antes de ser llamados por la gracia, y de todas sus graves rebeliones, deslices y caídas, con todas las viles correspondencias que darían a Su bondad y misericordia para con ellos después de que Él hubiera tocado su corazón con Su dedo.
Y en segundo lugar y principalmente, significa la buena voluntad y beneplácito, con aquel amor eterno de Dios Padre, por el cual los conoció de antemano con una santa aprobación de ellos, un afecto divino hacia ellos y un deleite santo e inalterable en ellos, vistos en Su amado Hijo, elegidos en Él y aceptos en el Amado. Y así la elección no es, si podemos usar la expresión sin irreverencia, una elección seca de ellos en Cristo, sino una elección de ellos conociendo de antemano, con santa aprobación, a cada uno de Su familia elegida, personal e individualmente; y por mucho que difieran entre sí en la variedad infinita por la cual un hombre se distingue de otro, tanto natural como espiritualmente, Su conocimiento aprobador de todos y cada uno de ellos en Cristo Jesús estaba en dulce armonía con Su elección determinada. Hacer esto real en el sentir del alma es muy dulce y precioso.
No nos conocemos a nosotros mismos. Quizá hayamos visto un poco de nuestro estado caído por naturaleza, y sepamos algo de los terribles males que acechan y obran dentro; quizá hayamos tenido algunas escaramuzas pasajeras, o aun algunas batallas encarnizadas, con nuestro corazón orgulloso, rebelde, incrédulo, infiel y perverso más que todas las cosas; pero no nos conocemos como Dios nos conoce. Y aunque clamemos: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón: pruébame y reconoce mis pensamientos”, ¡cuán somero y superficial es, en su mayor parte, ese conocimiento y esa experiencia de nosotros mismos!
¡Cuán poco medimos nuestra pecaminosidad por la santidad de Dios, o miramos hacia abajo, a las profundidades de nuestra naturaleza tal como yacen desnudas y abiertas ante los ojos de Aquel con Quien tenemos que ver! Cuando pensamos, pues, que Aquel que sabía desde el principio todo lo que llegaríamos a ser en las profundidades de la caída de Adán, nos eligió sin embargo por decreto determinado en Su amado Hijo para vida eterna, ¡qué bendito alivio da al alma, levantándola de todos esos abatimientos en que la vista y el sentir del pecado la arrojan continuamente!
Al lector…
¡Cómo puede asustarle cuando a veces obtiene tal vislumbre de su propio corazón, de su incredulidad, su orgullo y su rebeldía, que se pregunta cómo Dios pudo jamás querer tener algo que ver con alguien como usted! ¿Y hay en su vida rebeliones y caídas que le abaten? Recuerde, entonces, que usted todavía se conoce solo superficialmente. Dios le conoce mucho más profundamente de lo que usted se conocerá jamás. Él sabía desde el principio lo que usted sería en las profundidades de la caída de Adán.
Y sin embargo, a pesar de todo esto, eligió a los Suyos en Su amado Hijo para vida eterna. Su presciencia no fue una previsión de la bondad de ellos, sino un conocer con santo deleite y amor eterno. Si usted puede experimentar algo de esto, le levanta de todo el abatimiento que le trae la vista del pecado. No porque sea mejor de lo que temía, sino porque Él le conoció y aun así le amó en el Amado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl