15 de agosto
O, of ik wist, dat ik Hem vinden zoude! ik zoude tot Zijn stoel komen; ik zoude het recht voor Zijn aangezicht ordelijk voorstellen; en mijn mond zoude ik met verdedigingen vervullen.
Job 23:3, 4
Was Job niet in dezelfde toestand waarin wij dikwijls verkeren? Zo die oude patriarch niet geweten had wat het was, bekommerd, beklemd en bedroefd van geest te zijn en bijna bezwijkende onder de aanvallen van de boze, hij zou niet gezegd hebben: „O, of ik wist, dat ik Hem vinden zoude! Ik zoude tot Zijn stoel komen; ik zoude het recht voor Zijn aangezicht ordelijk voorstellen, en mijn mond zoude ik met verdedigingen vervullen.” Is dat nu, of is dat ooit het oprechte gevoel, de wezenlijke ervaring uwer ziel geweest? Zie in uw hart, gij die de Heere vreest. Zie voor een ogenblik, zo gij er vroeger nooit naar gezien hebt, naar het werk der genade en overweeg of gij iets van deze zaken kent.
Hebt gij ooit, als gij duisternis, slavernij en droefheid in uw ziel gevoeldet, uitgeroepen: „O, dat ik wist waar ik de Heere kon vinden! Heere! ik heb er behoefte aan U te vinden; mijn ziel smacht naar U; laat mij smaken van Uw gezegende tegenwoordigheid; ik wil U omvatten met de armen mijns geloofs; ik heb behoefte aan de liefelijke getuigenis van Uw genadige lippen. O, of ik wist, dat ik U vinden zou! Ik zou mij niet bekommeren door welke wegen ook.” Is het zo met u, dan tonen deze zelfde zaken dat gij de vreze Gods in uw zielen en de lering des Geestes in uw harten hebt. Gij zijt waar Job was. En zo gij iets kent van hetgeen Job hier zegt: „O, of ik wist, dat ik Hem vinden zou! ik zoude tot Zijn stoel komen!” — als dat het verlangen uwer ziel is, hebt gij de godsvrucht van Job, de ondervinding van Job, de droefheid van Job in deze zaak, en gij zult de verlossing van Job, de vrede van Job en de redding van Job hebben.
Mijn ogen treuren om mijn leed,
om al mijn angst, om al mijn lijden.
O Heer, wil mij van straf bevrijden,
ach, toon U tot mijn hulp gereed!
’k Smeek dag aan dag om uw ontferming,
leen mij de hand tot mijn bescherming!
Ps. 88:6
Aan de lezer…
Hoe dikwijls zoekt u de Heere en kunt u Hem niet vinden! Is het donker in uw ziel, voelt u slavernij en droefheid, en roept u: „O, dat ik wist waar ik de Heere kon vinden!”? Dan staat u waar Job stond, die oude patriarch, bekommerd, beklemd en bijna bezwijkend onder de aanvallen van de boze. U bent daar niet alleen, en u bent daar niet buiten Gods hand.
Want dat smachten naar Zijn gezegende tegenwoordigheid, dat verlangen naar een woord van Zijn genadige lippen, komt niet uit een dood hart voort. Het is de vreze Gods in uw ziel en de lering des Geestes in uw hart. Wie de droefheid van Job deelt in deze zaak, zal ook de verlossing van Job, de vrede van Job en de redding van Job ontvangen. Blijf dan zoeken en roepen, want zulk verlangen heeft Hij Zelf in uw ziel gewerkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O, of ik wist, dat ik Hem vinden zoude! ik zoude tot Zijn stoel komen; ik zoude het recht voor Zijn aangezicht ordelijk voorstellen; en mijn mond zoude ik met verdedigingen vervullen.
Job 23:3, 4
Was Job niet in dezelfde toestand als waarin wij vaak verkeren? Als die oude aartsvader niet had geweten wat het was om bekommerd, beklemd en bedroefd van geest te zijn, en bijna te bezwijken onder de aanvallen van de boze, dan zou hij niet gezegd hebben: „O, of ik wist, dat ik Hem vinden zoude! Ik zoude tot Zijn stoel komen; ik zoude het recht voor Zijn aangezicht ordelijk voorstellen, en mijn mond zoude ik met verdedigingen vervullen.” Is dat nu het oprechte gevoel en de wezenlijke bevinding van uw ziel, of is het dat ooit geweest? Kijk in uw hart, u die de Heere vreest. Kijk een ogenblik, als u er vroeger nooit naar gekeken hebt, naar het werk van de genade, en ga na of u iets van deze dingen kent.
Hebt u ooit, toen u duisternis, slavernij en droefheid in uw ziel voelde, uitgeroepen: „O, dat ik wist waar ik de Heere kon vinden! Heere! ik heb er behoefte aan U te vinden; mijn ziel smacht naar U; laat mij smaken van Uw gezegende tegenwoordigheid; ik wil U omvatten met de armen mijns geloofs; ik heb behoefte aan de liefelijke getuigenis van Uw genadige lippen. O, of ik wist, dat ik U vinden zou! Ik zou mij niet bekommeren door welke wegen ook.” Is het zo met u, dan tonen juist deze dingen dat u de vreze Gods in uw ziel en het onderwijs van de Geest in uw hart hebt. U bent waar Job was.
En als u iets kent van wat Job hier zegt: „O, of ik wist, dat ik Hem vinden zou! ik zoude tot Zijn stoel komen!” — als dat het verlangen van uw ziel is, dan hebt u de godsvrucht van Job, de bevinding van Job en de droefheid van Job in deze zaak. En dan zult u ook de verlossing van Job, de vrede van Job en de redding van Job ontvangen.
Mijn ogen treuren om mijn leed,
om al mijn angst, om al mijn lijden.
O Heer, wil mij van straf bevrijden,
ach, toon U tot mijn hulp gereed!
’k Smeek dag aan dag om uw ontferming,
leen mij de hand tot mijn bescherming!
Ps. 88:6
Aan de lezer…
Hoe vaak zoekt u de Heere zonder Hem te kunnen vinden! Is het donker in uw ziel, voelt u slavernij en droefheid, en roept u: „O, dat ik wist waar ik de Heere kon vinden!”? Dan staat u waar Job stond, die oude aartsvader, bekommerd, beklemd en bijna bezwijkend onder de aanvallen van de boze. U staat daar niet alleen, en u staat daar niet buiten Gods hand.
Want dat smachten naar Zijn gezegende tegenwoordigheid, dat verlangen naar een woord van Zijn genadige lippen, komt niet voort uit een dood hart. Het is de vreze Gods in uw ziel en het onderwijs van de Geest in uw hart. Wie in deze zaak de droefheid van Job deelt, zal ook de verlossing van Job, de vrede van Job en de redding van Job ontvangen. Blijf dan zoeken en roepen, want zo’n verlangen heeft Hij Zelf in uw ziel gewerkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Oh that I knew where I might find Him! that I might come even to His seat! I would order my cause before Him, and fill my mouth with arguments.
Job 23:3-4
Was not Job in the same spot where we often are? If this aged patriarch had not known what it was to be shut up in his mind, harassed and distressed, and well-nigh overwhelmed with the attacks of the wicked one, he would not have said, “O that I knew where I might find Him! that I might come even to His dwelling! I would order my cause before Him, and fill my mouth with arguments.” Has that ever been, is it now, the genuine feeling, the real experience of your soul? Do look into your heart, you that fear God. Do look for a moment, if you have never looked before, at the work of grace (and where are you, if you have never looked at it?) and consider if you know any of these matters.
Did you ever, in a feeling of darkness, gloom, bondage, and distress of soul, cry (I do not say the words, it is the feelings we want, let the words go), “‘O that I knew where I might find Him!’ Lord, I do want to find You; my soul longs after You; I want a taste of Your blessed presence; I want to embrace You in the arms of my faith; I want the sweet testimonies of Your gracious lips; ‘O that I knew where I might find You!’ I would not care what I went through.”
If so, then these very things show that you have the fear of God in your souls, and the teaching of the Spirit in your hearts. You are where Job was, and if you know something of what Job speaks here, “O that I knew where I might find Him! that I might come even to His dwelling!”—if that is the desire of your soul, you have Job’s religion, you have Job’s experience, you have Job’s affliction in this matter, and you will have Job’s deliverance, Job’s joy, Job’s peace, and Job’s salvation. Job’s God is your God, and you will soon be where Job now is, bathing your ransomed soul in all the glory of the Lamb.
To the reader…
How often you seek the Lord without being able to find Him! Is it dark in your soul, do you feel bondage and sorrow, and do you cry: “Oh that I knew where I might find the Lord!”? Then you are standing where Job stood, that old patriarch, troubled, oppressed and almost sinking under the attacks of the evil one. You do not stand there alone, and you do not stand there outside God’s hand.
For that longing for His blessed presence, that yearning for a word from His gracious lips, does not come from a dead heart. It is the fear of God in your soul and the teaching of the Spirit in your heart. Whoever shares Job’s sorrow in this matter will also receive Job’s deliverance, Job’s peace and Job’s salvation. So keep on seeking and crying, for He Himself has worked such a longing in your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Quién me diera el saber dónde hallar a Dios! Yo iría hasta Su silla: ordenaría juicio delante de Él, y henchiría mi boca de argumentos.
Job 23:3-4
¿No estaba Job en el mismo lugar donde nosotros estamos a menudo? Si este anciano patriarca no hubiera sabido lo que era estar encerrado en su mente, acosado y angustiado, y casi abrumado por los ataques del maligno, no habría dicho: “¡Quién me diera el saber dónde hallarle! Yo iría hasta Su morada: ordenaría juicio delante de Él, y henchiría mi boca de argumentos”. ¿Ha sido eso alguna vez, es ahora, el sentimiento genuino, la experiencia real de su alma? Mire en su corazón, usted que teme a Dios. Mire por un momento, si nunca antes lo ha hecho, la obra de la gracia (¿y dónde está usted, si nunca la ha mirado?), y considere si conoce algo de estas cosas.
¿Ha clamado alguna vez, en un sentimiento de oscuridad, pesadumbre, servidumbre y angustia del alma (no digo las palabras; son los sentimientos lo que buscamos, dejemos las palabras): “‘¡Quién me diera el saber dónde hallarle!’ Señor, quiero hallarte; mi alma Te anhela; quiero gustar de Tu bendita presencia; quiero abrazarte con los brazos de mi fe; quiero los dulces testimonios de Tus labios llenos de gracia; ‘¡Quién me diera el saber dónde hallarte!’ No me importaría lo que tuviera que pasar”?
Si es así, estas mismas cosas muestran que usted tiene el temor de Dios en el alma y la enseñanza del Espíritu en el corazón. Está donde estaba Job, y si conoce algo de lo que Job dice aquí: “¡Quién me diera el saber dónde hallarle! Yo iría hasta Su morada”; si ese es el deseo de su alma, tiene la religión de Job, tiene la experiencia de Job, tiene la aflicción de Job en este asunto, y tendrá la liberación de Job, el gozo de Job, la paz de Job y la salvación de Job. El Dios de Job es su Dios, y pronto estará donde Job está ahora, bañando su alma rescatada en toda la gloria del Cordero.
Al lector…
¡Cuántas veces busca usted al Señor sin poder hallarle! ¿Está oscuro en su alma, siente servidumbre y tristeza, y clama: “¡Quién me diera el saber dónde hallar al Señor!”? Entonces está donde estuvo Job, aquel anciano patriarca, acosado, oprimido y casi hundido bajo los ataques del maligno. No está ahí solo, y no está ahí fuera de la mano de Dios.
Porque ese anhelo de Su bendita presencia, ese ansia de una palabra de Sus labios llenos de gracia, no procede de un corazón muerto. Es el temor de Dios en su alma y la enseñanza del Espíritu en su corazón. Quien comparte la tristeza de Job en este asunto recibirá también la liberación de Job, la paz de Job y la salvación de Job. Siga, pues, buscando y clamando, porque Él mismo ha obrado tal anhelo en su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl